CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

03 - Bijlage 02 - Rapport Waterrecreatie 2022 Onderzoek en Statistiek Amsterdam.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 18 oktober 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Ontwikkelen beleid recreatievaart en bijbehorende onderzoeken (VN2023-021328)11.891 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Waterrecreatie 2022 Onderzoek en Statistiek

1

In opdracht van: Programma Varen en Sport & Bos Projectnummer: 22196 Auteur: Laura de Graaff, Nathalie Hesseling, Ellen Lindeman en Jessica Greven E-mailadres: laura.de.graaff@amsterdam.nl; nathalie.bosman@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, september 2022 Foto voorzijde: roeien op de Amstel, fotograaf Edwin van Eis (2019)

2

Inhoud

Samenvatting

5

Inleiding

9

1 Responsoverzicht

10

1.1 Representativiteit en betrouwbaarheid van de resultaten

2 Roeien 2.1 Wie zijn de roeiers 2.2 De roeiboot, met wie men roeit en de reden om te roeien 2.3 Tijdstippen van roeien en afstanden 2.4 Locaties roeien en knelpunten op het water

3 Kanoën 3.1 Wie zijn de kanoërs 3.2 De kano, met wie men kanoot en de reden om te kanoën 3.3 Tijdstippen van kanoën en afstanden 3.4 Locaties kanoën en knelpunten op het water

4 Suppen 4.1 Wie zijn de suppers 4.2 De sup, met wie men supt en de reden om te suppen 4.3 Tijdstippen van suppen en afstanden 4.4 Locaties suppen en knelpunten op het water

5 Zeilen 5.1 Wie zijn de zeilers 5.2 De zeilboot, met wie men zeilt en de reden om te zeilen 5.3 Tijdstippen van zeilen en afstanden 5.4 Locaties zeilen en knelpunten op het water

12

13 13 14 16 17

20 20 21 23 24

27 27 28 29 31

33 33 34 35 37

6 Waterfietsen

39

7 Voorzieningen, vaar- en gedragsregels

40

7.1 Voorzieningen die men mist aan de wal 7.2 Bekendheid met vaar- en gedragsregels 7.3 Zijn de verkeersborden duidelijk? 7.4 Bekendheid met hoofddoorvaartroutes

40 41 42 44

3

8 Overige opmerkingen

46

4

Samenvatting

In opdracht van Sport en Bos en van het Programma Varen heeft Onderzoek en Statistiek een onderzoek uitgevoerd naar waterrecreatie in Amsterdam. Een belangrijk aandachtspunt van de gemeente Amsterdam is om het toenemende aantal watergebruikers in goede banen te leiden en tegelijkertijd de watersport in Amsterdam stimuleren. De gemeente wil daarom graag een beter beeld krijgen van watersporters en waterrecreanten in Amsterdam. In het onderzoek ligt de focus op de ervaringen van roeiers, kanoërs, suppers en zeilers. Belangrijkste reden om te sporten Onder roeiers is sporten bij de ruime meerderheid de belangrijkste reden om te roeien. Bij de andere sporten is dit minder vaak het geval. Bij veel zeilers staat plezier voorop, bij suppen is dat bij de helft het geval. Zij suppen daarnaast ook vaak om buiten te zijn. Onder kanoërs is de belangrijkste reden wat meer verdeeld, bij de meesten gaat het om het plezier maar ook buiten zijn en sporten wordt relatief veel genoemd. Tijdstippen Bijna de helft van de roeiers roeit vooral in de ochtend. Er wordt vaak het hele jaar door geroeid en de woensdag en het weekend zijn de populairste dagen. Ruim de helft roeit wekelijks. Bij kanoërs wisselt het dagdeel van sporten vaak. Het grootste deel kanoot vooral in de zomer maar ook de lente en het hele jaar door worden veel genoemd. De zaterdag is veruit de populairste dag om te kanoën.

De frequentie van het kanoën wisselt sterk onder de respondenten. Ook onder suppers is het zo dat het gekozen dagdeel vaak wisselt, de grote meerderheid supt vooral in de zomer. Er wordt vooral in het weekend gesupt maar suppen lijkt niet sterk gebonden aan een dag. De meesten suppen een keer per week. Maar andere frequenties worden ook vaker genoemd. Zeilers beoefenen hun watersport vaak op verschillende momenten van de dag en vaker in de middag. De meesten zeilen in de zomer en een paar keer per maand. Afstanden Ruim de helft van de roeiers roeit meestal meer dan tien kilometer. Bij kanoën zijn de meest genoemde afstanden tussen de vijf en tien kilometer en meer dan tien kilometer. Suppers leggen vaak een kortere afstand af, het gaat dan vaak om tussen de een en drie kilometer en tussen de drie en vijf kilometer. Men zeilt vaak meer dan tien kilometer, maar de afgelegde afstanden kunnen ook sterk verschillen. Het sportverband De grote meerderheid roeit vaak samen met een ander en dan meestal in een eenpersoonsboot of in een dubbel vier. Het merendeel is lid van een vereniging en roeit met een boot van de vereniging. Tweederde van de kanoërs sport samen met anderen en dan vooral in een eenpersoonskano. Ongeveer de helft is lid van een vereniging en tweederde heeft een eigen kano. Suppen wordt net wat vaker samen dan alleen gedaan. Het grootste deel supt op een 5

eigen sup, en nagenoeg niemand is lid van een supvereniging. Zeilers zijn bijna altijd met anderen, zo’n tweederde heeft een eigen boot en iets meer dan de helft is lid van een vereniging. Voorkeurslocaties Tweederde van de roeiers heeft een voorkeurslocatie. Veel genoemd zijn de Amstel richting Ouderkerk en in mindere mate de grachten. Een deel van de roeiers geeft aan een vaste route te roeien. Andere factoren die de roeiroute onder andere bepalen zijn de wind, drukte op het water, de geschiktheid voor trainingen en het aantal roeiers in de boot. Kanoën doet men op verschillende locaties, waaronder het IJ, IJmeer, Zeeburg, de Sloterplas, rond IJburg, in het Amsterdamse Bos, ’t Twiske en bij de Houthavens en de Westelijke Eilanden. Weersomstandigheden en drukte zijn vaak routebepalende factoren voor kanoërs. Men supt veelal op de Amstel. Andere locaties zijn onder andere de Admiralengracht, Nieuwe Meer, Oost (o.a. Oostelijk Havengebied), IJburg, Amsterdam-Noord en de Sloterplas. Drukte, golven en wind bepalen ook bij deze watersport vaak de route. Zeilers zijn vaak op het Markermeer, het IJsselmeer, het IJmeer en het Buiten IJ. De wind en de afwezigheid van waterplanten zijn belangrijke factoren die de route bepalen bij het zeilen. Minder geschikte locaties en knelpunten Roeiers noemen de grachten in de binnenstad vaak als minder geschikte roeilocatie.

De knelpunten die zij ondervinden tijdens het sporten zijn met name golven door hard varende pleziervaart, onbekwame en onvoorspelbare schippers van motorboten die niet goed opletten, golven door harde wallenkanten, geen rekening houden met de breedte en kwetsbaarheid van de boot door rondvaartboten en zwemmers die niet goed zichtbaar zijn. Kanoërs geven als minder geschikte locaties ook de grachten op en daarnaast het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal. Kanoërs ervaren het meest knelpunten van pleziervaart (hard varen en vaarregels niet kennen) en rondvaartboten (veel en geen rekening houden met anderen). Veel suppers geven aan dat er ongeschikte suplocaties zijn, en dan vooral het IJ en de grachten. De helft ervaart knelpunten. Zij hebben vooral last van hard varen, golven, roekeloos varen en grote schepen. Zeilers ervaren met name knelpunten van waterplanten. Waterfietsen Slechts een klein deel (n=30) van de respondenten geeft aan het afgelopen jaar te hebben gewaterfietst of dat dit jaar nog te gaan doen. Voorzieningen die men mist Vier op de tien watersporters missen geen voorzieningen op de wal. Bij degenen die wel voorzieningen missen, gaat het vooral om aanlegsteigers, zwemtrappen en toiletten. Per sport verschilt de mate waarin men voorzieningen mist, maar het gebrek aan aanlegsteigers staat bij alle sporten bovenaan.

Bekendheid vaar- en gedragsregels en duidelijkheid borden Zeven op tien watersporters geven aan bekend te zijn met de vaar- en gedragsregels op het water, een kwart kent ze een beetje. Roeiers en zeilers kennen de regels het vaakst en suppers het minst vaak. Jonge watersporters zijn ook beduidend minder vaak bekend met de regels dan senioren. Voor driekwart van de watersporters zijn (alle of de meeste) borden duidelijk en goed te begrijpen. Elf procent vindt dit niet. De oudere sporters, die de vaarregels ook vaker kennen, vinden de borden vaker duidelijk dan hun jongere medewatersporters. 6

Hoofddoorvaartroutes De Amstelroute en de Kostverlorenvaartroute zijn twee hoofddoorvaartroutes om Amsterdam te passeren. De Kostverlorenvaartroute maakt onderdeel uit van de Staande Mastroute. Ruim de helft van de watersporters is bekend met de Amstel als hoofddoorvaartroute, het bekendst is dit onder roeiers. Een kleine helft kent de Kostverlorenvaartroute als hoofddoorvaartroute, met name zeilers zijn hiervan op de hoogte. De meerderheid van de sporters die deze routes kennen, is hier nooit in de problemen gekomen. Stedelijk beeld Samenvattend geven de resultaten het volgende stedelijke beeld van de beoefening van de watersporten uit het onderzoek: De Amstel is voor roeiers, kanoërs en suppers een favoriete watersportlocatie. Voor roeiers is dit zelfs de meest genoemde locatie en men roeit vaak vanaf de roeivereniging richting Ouderkerk aan de Amstel. Ook suppers noemen de Amstel het vaakst als voorkeurslocatie. De ruimte en de natuur zijn onder andere redenen om hier te sporten. Roeiers leggen in vergelijking met suppers en kanoërs vaker langere afstanden af en voor hen is het sporten vaker dan bij kanoërs en suppers de belangrijkste reden om de watersport te beoefenen. De Amstel is voor sommige roeiers dan ook een trainingslocatie. Roeiers gaan vaker dan andere watersporters bij voorkeur ’s ochtends het water op.

Drukte op het water en daarmee gepaard gaande golven zijn voor zowel roeiers, suppers als kanoërs factoren die het watersporten bemoeilijken. Roeiers ervaren relatief vaak knelpunten van pleziervaart en voor sommige roeiers is de drukte reden om op mooie dagen of in het weekend niet op de Amstel te roeien. Ook geven roeiers aan dat zwemmers in de Amstel zich er vaak niet van bewust lijken dat ze moeilijk zichtbaar zijn vanuit een roeiboot en dat dit tot gevaarlijke situaties kan leiden. Ook de grachten in het centrum worden door suppers, kanoërs en roeiers als voorkeurslocaties genoemd. Onder kanoërs is dit het populairste gebied om het water op te gaat. Het mooie uitzicht is een veel gegeven reden om hier te watersporten. Tegelijkertijd worden de grachten door suppers, roeiers en kanoërs ook genoemd als een minder geschikte locatie om de sport te beoefenen. Een vaker genoemde reden hiervoor is de aanwezigheid van veel andere boten waaronder pleziervaart en rondvaartboten die weinig rekening houden met de watersporters. Hoewel sommige kanoërs het IJ als voorkeurslocatie noemen, wordt dit water door kanoërs, suppers en roeiers ook als minder geschikte watersportplek genoemd. Door de aanwezigheid van grote boten, vrachtschepen, golfslag en eventuele zuiging zijn deze locaties minder geschikt om er te roeien, suppen of kanoën volgens een deel van de watersporters.

Onder zeilers geldt dat het IJ zowel als voorkeurslocatie wordt genoemd als een plek waar men weleens knelpunten ervaart van onder andere vrachtschepen en rondvaartboten. Net als het IJ wordt het Amsterdam-Rijnkanaal door verschillende typen watersporters als minder geschikte watersportlocatie aangemerkt vanwege de vrachtvaart en andere grote boten. Aan de oostzijde van de stad zijn er ook verschillende wateren waar watersporters actief zijn. Het water rondom IJburg wordt zowel door zeilers, roeiers, suppers en kanoërs gebruikt om te watersporten. Enkele roeiers geven aan dat zij in het water bij IJburg aan coastal rowing doen. Watersporters kiezen onder andere voor het water bij IJburg omdat daar watersportverenigingen 7

zitten, omdat het er rustiger is dan in de stad of omdat mensen op IJburg wonen. Er zijn ook watersporters die knelpunten ervaren bij IJburg, het gaat dan onder andere om snel varende pleziervaart. Ook bij het Oostelijke Havengebied en Zeeburg, waar een kanovereniging ligt, wordt graag aan watersport gedaan. Naast kanoërs en suppers noemt een enkele zeiler deze locatie. De watersporters noemen ook verschillende plekken aan de westzijde van de stad waar men het water op gaat. Voor sommige zeilers is de Sloterplas de voorkeurslocatie en ook onder suppers, roeiers en kanoërs zijn er sporters die de Sloterplas als voorkeurslocatie noemen. Sommige watersporters ondervinden hier hinder van pleziervaart. De Bosbaan wordt vooral door roeiers genoemd en door een enkele supper. De sluis tussen de Bosbaan en het Nieuwe Meer blijkt een knelpunt voor roeiers. Verder worden de Admiralengracht, Houthavens en Westelijke Eilanden door suppers en kanoërs genoemd als sportlocatie. De wateren buiten de stad zijn bij zeilers populair, zoals het Buiten IJ, het Markeermeer, het IJsselmeer en de Vinkeveense Plassen Zij verkiezen vaak de plekken waar goede wind staat en geen waterplanten zijn.

8

Inleiding

In opdracht van Sport en Bos en van het Programma Varen heeft Onderzoek en Statistiek een onderzoek uitgevoerd naar waterrecreatie in Amsterdam. Het doel van het onderzoek is het verbeteren van het beeld van watersporters en -recreanten in Amsterdam. Dit beeld moet onderbouwen op welke manier watersport binnen Amsterdam gestimuleerd kan worden (Sport en Bos) en hoe (mogelijk beperkend) beleid voor onbemande ongemotoriseerde pleziervaart de beoefening en ervaring van waterrecreatie kan beïnvloeden (Programma Varen). O&S heeft in overleg met de opdrachtgevers een vragenlijst opgesteld. In de vragenlijst gaat de aandacht uit naar vier watersporten: roeien, kanoën, suppen en zeilen. Daarnaast zijn er enkele vragen over waterfietsen gesteld. Onderwerpen die in de vragenlijst aan bod komen zijn de tijdstippen waarop men de sport beoefent, de voorkeurslocaties voor het watersporten, de knelpunten die men tegenkomt, de bekendheid met vaar- en gedragsregels en doorvaartroutes en of men voorzieningen aan de wal mist. Methode Deelnemers aan het onderzoek maakten kans op het winnen van een van de tien VVV-bonnen ter waarde van 35 euro. De vragenlijst kon worden ingevuld tussen 28 juni en 1 augustus van 2022. De respondenten zijn op drie manieren geworven voor het onderzoek.

Ten eerste zijn ongeveer 2.000 panelleden van het online Stadspanel van O&S uitgenodigd om de vragenlijst in te vullen. De steekproef van de panelleden is zo vormgegeven dat er in alle stadsdelen ongeveer evenveel panelleden zijn. Ten tweede is er een open link gemaakt naar de vragenlijst. Aan de panelleden is gevraagd of ze deze open link wilden doorsturen naar watersporters die ze kenden in Amsterdam. En deze mensen konden de open link ook weer verder verspreiden. Daarnaast heeft de opdrachtgever de open link naar de vragenlijst op verschillende manieren onder de aandacht gebracht. De open link is onder watersportverenigingen en verhuurders in Amsterdam verspreid en de link is op de sociale media (facebook, Instagram)van de gemeente Amsterdam geplaatst. De enquête heeft twee weken op deze sociale media gestaan. Verder is de oproep voor het invullen van de vragenlijst ook geplaatst op de VaarWaterapp op www.amsterdam.nl/varen en doorgestuurd naar de Klankbordgroep Recreatievaart. Ook is de open link onder de aandacht gebracht bij de Port of Amsterdam en via LinkedIn. Ten derde is er face-to-face veldwerk uitgevoerd door O&S. Dit veldwerk liep in de periode van 7 juli t/m 17 juli 2022. In overleg met de opdrachtgever is bepaald op welke locaties de enquêteurs zouden enquêteren.

Bij het face-to-face veldwerk lag de nadruk op het bereiken van suppers en zeilers omdat de respons onder die groepen achterbleef. Voor het face-to-face veldwerk is de vragenlijst ingekort zodat respondent niet langer dan vijf minuten bevraagd zouden worden.

9

1 Responsoverzicht

Er hebben 2.486 respondenten meegedaan aan het onderzoek, daarvan hebben 735 mensen aangegeven dat zij niet aan watersport doen. In totaal hebben dus 1.751 watersporters de vragenlijst ingevuld (zie tabel 1.1). Het grootste deel van de respons is via de open link binnengekomen, het gaat om 63%. Wanneer we alleen kijken naar de respondenten die daadwerkelijk watersporten, heeft de open link voor 81% van de respons gezorgd. Tabel 1.1 Verdeling van de respons naar methode (absoluut en procenten) nietwatersporters watersporters watersporters (abs.) (abs.) totaal (abs.) (%)

nietwatersporters (%) totaal (%)

open link

1426

139

1565

open link

81

19

63

Panel

263

596

859

panel

15

81

35

f2f

62

-

62

f2f

4

-

2

totaal

1751

735

2486

totaal

100

100

100

Iets minder dan de helft (45%) van de watersporters die hebben deelgenomen aan het onderzoek, is tussen de 35 en 54 jaar. Achttien procent is jonger dan 34 jaar, 17% is tussen de 55 en 64 jaar en 12% is ouder dan 65. Van 8% is de leeftijd niet bekend. De watersporters zijn wat vaker man dan vrouw (56% versus 40%). Het grootste deel van de respondenten, acht van de tien, woont in Amsterdam. Van de respondenten die niet in Amsterdam wonen, woont ruim driekwart in de omgeving van Amsterdam. Tabel 1.2 Verdeling van de respons naar leeftijd, alleen watersporters (absoluut en procenten) abs.

%

t/m 34 jaar

319

18

35 t/m 54 jaar

780

45

55 t/m 64 jaar

297

17

65 plus

217

12

onbekend

138

8

totaal

1751

100

Tabel 1.3 Verdeling van de respons naar geslacht, alleen watersporters (absoluut en procenten) abs.

%

Man

972

56

Vrouw

695

40

anders

14

1

onbekend

70

4

1751

100

totaal

10

Tabel 1.4 Verdeling van de respons naar woonplaats, alleen watersporters (absoluut en procenten) abs.

%

ja

1393

80

Nee

296

17

onbekend

62

4

1751

100

totaal

Beoefende watersporten en ingevulde vragenlijsten per sport Van de respondenten die watersporten in Amsterdam, roeit 22%. Twaalf procent kanoot, 16% supt en 10% zeilt. Vier van de tien respondenten doen (ook) een andere watersport. Van de andere watersporten is zwemmen het meest populair met 35%. Gemotoriseerd varen komt daarna met 20%. Surfen en vissen staan op de derde en vierde plek. Bij “anders namelijk” wordt vaak kitesurfen genoemd. De antwoorden zijn terug te lezen in de bijlage. Figuur 1.5 Welke watersport beoefent u in Amsterdam? (procenten, meerdere antwoorden mogelijk)

roeien

22

kanoën

12

suppen

16

zeilen

10

andere watersport

40

%

Figuur 1.6 Beoefent u nog andere watersporten in Amsterdam? (procenten, meerdere antwoorden mogelijk) nee

21

zwemmen

35

gemotoriseerd varen

20

surfen

7

vissen

5

wake boarden

2

duiken

1

waterskiën

1

bodyboarden

0

anders, namelijk

9

%

In dit onderzoek ligt de focus op roeien, kanoën, suppen en zeilen. De vragenlijst is zo opgesteld dat mensen die aangeven dat zij roeien, kanoën, suppen of zeilen de vragen krijgen voorgelegd over de watersport die zij het meest beoefenen. Als zij meerdere van deze vier sporten beoefenen, is gevraagd of zij ook nog een vragenlijst over die sport(en) willen invullen. Sommige respondenten hebben dus voor meerdere watersporten de vragenlijst ingevuld. In totaal hebben 488 roeiers de vragenlijst ingevuld, 255 kanoërs, 285 suppers en 173 zeilers. Voor waterfietsen is de vragenlijst 30 keer ingevuld. In de volgende hoofdstukken worden de resultaten per sport beschreven. 11

1.1 Representativiteit en betrouwbaarheid van de resultaten Om precieze uitspraken te doen over de representativiteit van de resultaten van het onderzoek, zou bekend moeten zijn hoe de populatie van watersporters eruit ziet naar relevante achtergrondkenmerken. Deze informatie is echter niet beschikbaar. We weten immers niet hoe de groep watersporters in werkelijkheid is samengesteld naar bijvoorbeeld leeftijd en geslacht. Door het inzetten van drie verschillende wervingsmethoden hebben we geprobeerd om zo veel mogelijk mensen te bereiken. Om de werving zo breed mogelijk te maken, zijn watersporters zowel gericht geworven (o.a. door de open link te versturen onder watersportverenigingen) als op een meer open manier geworven (o.a. door een steekproef in het stadspanel te trekken). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat bepaalde groepen roeiers, suppers, kanoërs of zeilers niet vertegenwoordigd of ondervertegenwoordigd zijn in het onderzoek. De respons die de drie wervingsmethoden hebben opgeleverd, is groot genoeg om per sport betrouwbare uitspraken te doen. In de regel geldt: hoe groter de responsgroep, des te betrouwbaarder de schatting. In onderstaande tabel zijn de betrouwbaarheidsmarges voor een aantal subgroepen gegeven. De marges gelden voor een normale verdeling en een betrouwbaarheid van 95%.

Wat betekent dit? Stel er zijn 500 respondenten en daarvan antwoordt 25% ‘ja’ op de vraag "Bent u het hiermee eens?". Bij die schatting hoort een betrouwbaarheidsmarge van 3,8%. Dat betekent dat we met 95% betrouwbaarheid kunnen zeggen dat het percentage dat het eens is in werkelijkheid tussen 21,2% en 28,8% ligt. Als we 2.500 respondenten ondervragen dan geldt, eveneens bij een percentage van 25% en een betrouwbaarheid van 95%, dat het percentage ligt tussen 23,3% en 26,7%. Genoemde marges gelden bij benadering. Tabel Betrouwbaarheidsmarges ( = 0.05; in percentages) 5% ja 95% nee

10% ja 90% nee

25% ja 75% nee

50% ja 50% nee

50

6,0

8,3

12,0

13,9

100

4,3

5,9

8,5

9,8

200

3,0

4,2

6,0

6,9

300

2,5

3,4

4,9

5,7

400

2,1

2,9

4,2

4,9

500

1,9

2,6

3,8

4,4

1.000

1,4

1,9

2,7

3,1

2.000

1,0

1,3

1,9

2,2

2.500

0,9

1,2

1,7

2,0

subtotaal in tabel

12

2 Roeien

2.1 Wie zijn de roeiers In totaal hebben 488 roeiers de vragenlijst over roeien ingevuld. Onder de respondenten die roeien zijn net wat meer vrouwen dan mannen. De roeisport wordt relatief vaak door oudere respondenten beoefend; een kwart van de roeiers is ouder dan 65 jaar. Gemiddeld zijn zij 53 jaar. Tabel 2.1 Verdeling van respondenten die roeien naar geslacht en leeftijd (absoluut en procenten) abs.

%

geslacht

abs.

%

leeftijd

man

209

43

t/m 34 jaar

68

14

vrouw

255

52

35 t/m 54 jaar

169

35

anders

6

1

55 t/m 64 jaar

103

21

wil ik niet zeggen

5

1

65 plus

115

24

onbekend

13

3

onbekend

33

7

totaal

488

100

totaal

488

100

Zeven van de tien roeiers die hebben meegedaan aan het onderzoek wonen in Amsterdam, 22% woont niet in de stad. Van de roeiers die niet in Amsterdam wonen (n=110), woont een heel groot deel (89%) in de omgeving van Amsterdam. Ruim de helft van de roeiers die buiten de stad wonen, geeft aan de stad zeer goed te kennen, slechts een klein deel (3%) kent de stad niet. De meeste roeiers, zeven op de tien, roeien al langer dan vijf jaar, 6% roeit korter dan een jaar. Figuur 2.2 Woont u in Amsterdam? (procenten) 8% ja

22%

nee 70%

onbekend

Figuur 2.3 Hoe lang roeit u al?(procenten)

6

8

14

72 %

0

20 korter dan een jaar

40

60

80

1 tot 2 jaar

2 tot 5 jaar

langer dan 5 jaar

100

13

2.2 De roeiboot, met wie men roeit en de reden om te roeien Roeiers beoefenen de sport meestal samen met anderen, acht van de tien doen dit, 17% roeit meestal alleen. Figuur 2.4 Roeit u meestal alleen of samen met anderen? (procenten)

17% alleen samen met anderen

83%

De skiff is het boottype waar de meeste roeiers meestal in roeien, 44% roeit meestal in deze eenpersoonsboot. De skiff is ook populair onder roeiers die meestal samen roeien. Op de tweede plaats staat de gestuurde dubbel vier (32%), gevolgd door de dubbel vier zonder stuurman (30%). De roeiers maken bijna altijd gebruik van een boot van de vereniging (93%), vijf procent roeit met een eigen roeiboot. Figuur 2.5 Van welk type roeiboot maakt u meestal gebruik? (procenten, meerdere antwoorden mogelijk)

skiff, glad of C type

44

dubbel vier met

32

dubbel vier, glad of C type

30

dubbel twee, glad of C type

26

acht

24

dubbel twee met

11

vier zonder

11

roeisloep of wedstrijdboot

8

wherry

8

twee zonder

7

gewone roeiboot

1

anders, namelijk

7

%

0

20

40

60

Figuur 2.6 Is dat uw eigen boot? (procenten)

5 21

93 %

0

20

40

60

ja, eigen boot

nee, huurboot

nee, leenboot

80

100

nee, boot is van de vereniging

14

De meeste roeiers zijn dan ook lid van een roeivereniging, slechts 7% is geen lid. Figuur 2.7 Bent u lid van een roeivereniging? (procenten) 7%

ja nee

93%

Reden om te roeien Het belangrijkste motief om te roeien, is sporten, dit geldt voor bijna zeven op de tien roeiers. Voor 15% is plezier de belangrijkste reden. Een kleiner deel vindt buiten zijn de belangrijkste reden om te gaan roeien (8% ) en voor 3% draait het bij roeien vooral om gezelligheid. Iets van de stad zien is voor geen van de roeiers het belangrijkste motief. Vijf procent geeft een andere reden, hier geven de meeste respondenten aan dat het hen bij roeien vooral om de combinatie van aspecten gaat. In de bijlage zijn de gegeven antwoorden terug te lezen. Figuur 2.8 Wat is de belangrijkste reden waarom u roeit? (procenten)

sport

69

plezier

15

buiten zijn

8

gezelligheid 3 iets van de stad zien anders, namelijk

5 0

% 20

40

60

80

15

2.3 Tijdstippen van roeien en afstanden Ruim de helft van de roeiers roeit meerdere keren per week en drie op de tien roeiers doet dit een maal per week. Een klein deel van de respondenten roeit dagelijks (6%). De roeisport wordt vaak het hele jaar door beoefend, dit geldt voor 86% van de roeiers. De populairste roeidagen zijn de zondag, zaterdag en woensdag en het favoriete dagdeel is de ochtend. Ongeveer de helft van de roeiers zegt meestal in de ochtend het water op te gaan. Voor ongeveer een derde van de roeiers wisselt het moment van de dag waarop men gaat roeien. Zeven procent roeit meestal in de middag en 16% meestal in de avond. Figuur 2.9 Hoe vaak roeit u? (procenten) dagelijks 6

57

30

paar keer per week

4 12

1 x per week % 0

20

40

60

80

paar keer per maand

100

1 x per maand minder vaak

weet niet, geen antwoord

Figuur 2.10 Roeien naar periode en dagen van de week (procenten) %

86

42

41 30 10

10

8

1

In welke periode van het jaar roeit u?

7

18

23

48

25

Welke dagen van de week roeit u?

Figuur 2.11 Op welk tijdstip van de dag roeit u meestal? (procenten)

ochtend 32%

45%

middag avond

16%

7%

dat wisselt

16

De roeiers leggen per roeitocht vaak meer dan 10 kilometer af, voor 55% is dit de gangbare afstand. Drie op de tien roeiers leggen per keer vaak tussen de vijf en tien kilometer af en 8% houdt het bij een afstand tussen de drie en vijf kilometer. Kortere afstanden dan dat zijn onder de roeiers minder gebruikelijk om af te leggen. Bij slechts een klein deel van de roeiers wisselt de geroeide afstand per keer sterk. Figuur 2.12 Welke afstand legt u per keer tijdens het roeien ongeveer af? (procenten) minder dan 1 km tussen 1 en 3 km

tussen 3 en 5 km 12

8

0

31 20

55 40

60

31 80

tussen 5 en 10 km %

meer dan 10 km

100

dat wisselt sterk dat weet ik niet

2.4 Locaties roeien en knelpunten op het water Roeiers noemen vaak de roeivereniging waarvan zij lid zijn, als antwoord op de vraag waar zij roeien. Qua locatie worden de Amstel richting Ouderkerk en de grachten vaak genoemd. Ook de Vecht bij Weesp, de Bosbaan en het water bij IJburg (voor coastal rowing) noemen meerdere roeiers. Alle door de roeiers genoemde locaties zijn opgenomen in de bijlage. De roeiers is gevraagd naar de factoren die de roeiroute bepalen. Hier geven zij vaak aan dat zij een vaste route roeien over de Amstel. Andere vaak genoemde factoren die de gekozen route bepalen zijn: de weeromstandigheden, met name wind, de drukte op het water en het vermijden van pleziervaart, de loop van de rivier, de beschikbare tijd, de geschiktheid voor trainingen en het aantal roeiers in de boot. Ook geven roeiers aan dat de trainer, de instructeur of de stuur de route bepalen. In de bijlage staan alle open antwoorden. Voorkeurslocaties Tweederde van de roeiers heeft een voorkeur voor een roeiroute en de rest heeft geen voorkeur. Figuur 2.13 Heeft u een voorkeur voor een bepaalde locatie? Zo ja, waar is dat en waarom gaat u daar graag heen? (procenten)

33%

67%

nee, geen voorkeur ja, ik ga graag naar .. omdat

De voorkeursroute is afhankelijk van waar de roeivereniging ligt. Veel genoemde routes zijn de Amstel richting Ouderkerk of de via de Amstel de stad in roeien. De stad in roeien doen roeiers 17

graag om iets van de stad mee te krijgen en om van de aanblik van de stad vanaf het water te genieten. Richting Ouderkerk (of tot de Naald/ het Kalfje) roeien, doen roeiers om van de natuur en het landschap te genieten en vaak omdat ze dit goed roeiwater vinden. Bijvoorbeeld omdat ze er goed kunnen trainen, over langere stukken hard kunt roeien, dat het er breed is, dat men geen last heeft van bruggen, dat er een trainer kan meefietsen, omdat het rustiger is dan in de stad en omdat men deze route gewend is. Nigtevecht en Zwaanswijck worden genoemd vanwege de mooie roeiroute over de Vecht. Alle open antwoorden zijn in de bijlage opgenomen. Minder geschikte locaties Veel roeiers, acht van de tien, zijn van mening dat er in Amsterdam locaties zijn die minder geschikt zijn om te roeien. Het meest worden de grachten in de binnenstad genoemd. Naast drukte van ander vaarverkeer zijn de grachten minder geschikt om te roeien vanwege (lage) bruggen, smal water, de bochten en doodlopend water. Ook noemt men de Amstel als minder geschikte locatie in het weekend of op mooie dagen. Het kan dan erg druk zijn met motorboten en andere vormen van waterrecreatie (bv. zwemmen en suppen). Hard varen, golven, lawaai, gebrekkige stuurmanskunsten en onvoldoende kennis van de vaarregels worden in dit verband veel genoemd.

Plekken waar grote boten en vrachtschepen zijn, zoals het IJ en het AmsterdamRijnkanaal, worden ook genoemd als minder geschikte roeilocaties. Sommige roeiers noemen ook dat plekken met harde walkanten die lang aanhoudende golven geven, en dat plekken met veel waterlelies minder geschikt zijn. Alle gegeven antwoorden zijn opgenomen in de bijlage. Figuur 2.14 Zijn er gebieden die minder geschikt zijn om er te roeien in Amsterdam? (procenten)

19%

81%

nee, alle gebieden zijn geschikt om te roeien ja, er zijn gebieden die minder geschikt zijn om te roeien omdat

Knelpunten De definitie van beroepsvaart wijkt in dit onderzoek enigszins af van die in het Amsterdamse vaarbeleid. Onder beroepsvaart wordt in dit onderzoek alleen goederenvervoer over het water bedoeld. In het Amsterdamse vaarbeleid valt passagiersvaart, waaronder rondvaartboten, ook onder beroepsvaart. Rondvaartboten zijn hier om praktische redenen echter als aparte categorie genoemd, omdat dit voor respondenten een herkenbare categorie boten is waar ze tijdens het sporten in de grachten mee te maken hebben. De meerderheid van de roeiers (86%) ervaart knelpunten tijdens het roeien. De roeiers ervaren dat het vaakst van de pleziervaart (79%). Twee van de tien roeiers ervaren knelpunten met rondvaartboten en een kleiner deel, 7%, ervaart dit met beroepsvaart. Zeer vaak genoemd bij knelpunten van de pleziervaar zijn te hard varen en daardoor hoge golven veroorzaken en de vaarregels niet kennen. Niet uitkijken, zigzaggen, onberekenbaar varen en stilliggen onder de brug (bv. de Rozenoordbrug, van de brug springen worden eveneens genoemd). Beschonken bestuurders en luidruchtige passagiers van (huur)boten worden ook vaak 18

genoemd. Bij mooi weer wordt het in de loop van de dag erg druk op het water. Men geeft aan dat er dan bij de Omval veel boten liggen waardoor het roeien wordt bemoeilijkt. De genoemde knelpunten met rondvaartboten zijn onder andere hard varen en hoge golfslag veroorzaken, roeiers over het hoofd zien/niet opletten, niet voldoende stuurboordwal houden en geen rekening houden met de kwetsbaarheid en breedte van roeiboten. De locaties die in dit verband vooral genoemd worden zijn de grachten en een enkeling noemt de Duivendrechtse vaart. Knelpunten bij de beroepsvaart zijn vooral de hoge golven door hard varen. Zuiging wordt ook genoemd, naast een grote dode hoek en een uitzwenkende achterkant. Het oversteken van het Amsterdam-Rijnkanaal is ook een knelpunt. Bij andere knelpunten worden vaak zwemmers genoemd die slecht zichtbaar zijn (bv. zonder boei) en zich niet bewust lijken van hun kwetsbaarheid. Zowel in een gestuurde als ongestuurde roeiboot zijn zij moeilijk waar te nemen. Suppers worden daarnaast vaak genoemd en dan in verband met het niet kennen van de regels, midden op de Amstel varen, of in groepen naast elkaar. Andere genoemde knelpunten zijn bruggen en brugonderhoud, feestsloepen met beschonken passagiers, midden op het water ankeren, dubbel geparkeerde boten, waterplanten en andere roeiers. Alle genoemde knelpunten zijn in de bijlage terug te lezen.

2.15 Ervaart u knelpunten op het water tijdens het roeien, in de omgeving of van andere gebruikers op het water? (meerdere antwoorden mogelijk, procenten)

nee

14

ja, van rondvaartboten

19

ja, van beroepsvaart

7

ja, van pleziervaart

79

ja, anders namelijk

20

% 0

20

40

60

80

100

19

3 Kanoën

3.1 Wie zijn de kanoërs De respondenten die weleens kanoën (n=225) zijn iets vaker man dan vrouw. De leeftijd van de beoefenaars varieert van 17 tot en met 80 jaar en is gemiddeld 48 jaar. De helft van de kanoërs is tussen de 35 en 54 jaar. Slechts 15% van de respondenten is jonger dan 35 jaar. Tabel 3.1 Verdeling van respondenten die kanoën naar geslacht en leeftijd (absoluut en procenten) abs.

%

abs.

%

man

111

49

t/m 34 jaar

33

15

vrouw

100

44

anders

3

1

35 t/m 54 jaar

110

49

55 t/m 64 jaar

44

20

wil ik niet zeggen

2

1

65 plus

19

8

onbekend

9

4

onbekend

19

8

225

100

totaal

225

100

geslacht

leeftijd

totaal

Zeven van de tien respondenten die kanoën, wonen in Amsterdam. Elf procent woont niet in Amsterdam en van de rest (19%) is de woonplaats niet bekend. Zeven van de tien kanoërs die niet in Amsterdam wonen (n=25), wonen in de omgeving van Amsterdam. Diegenen die niet in Amsterdam wonen, kennen Amsterdam meestal redelijk tot zeer goed. Bijna de helft van de beoefenaars (44%) kanoot langer dan vijf jaar. Een kwart doet het twee tot vijf jaar. Veertien procent is korter dan een jaar met kanoën bezig. Figuur 3.2 Woont u in Amsterdam? (procenten) 19%

ja

11%

nee 70%

onbekend

Figuur 3.3 Hoe lang doet u al aan kanoën? (procenten)

14

16

25

44 %

0

20 korter dan een jaar

40

60

80

1 tot 2 jaar

2 tot 5 jaar

langer dan 5 jaar

100

20

3.2 De kano, met wie men kanoot en de reden om te kanoën Vier van de tien respondenten kanoën meestal alleen en zes van de tien doen dat meestal samen met anderen. Figuur 3.4 Kanoot u meestal alleen of samen met anderen in een kano? (procenten)

alleen

37%

63%

samen met anderen

Ruim acht van de tien (84%) kanoën in een eenpersoonskano en twee van de tien (19%) maken (ook) gebruik van een tweepersoon kano. Sommigen noemden als type boot een (zee)kajak, een driepersoons kano, een Canadese kano, of een sup met kanozitje. Alle gegeven antwoorden bij ‘anders, namelijk’ staan in de bijlage. Van tweederde is de kano eigen bezit (65%). Twee van de tien maken gebruik van een kano van de vereniging (19%) en ongeveer de helft minder huurt een kano (11%). Het lenen van een kano komt vrijwel niet voor. Figuur 3.5 Van welk type kano maakt u gebruik? (procenten, meerdere antwoorden mogelijk)

eenpersoons

84

tweepersoons

19

anders, namelijk

7 % 0

20

40

60

80

100

1

19

Figuur 3.6 Is dat uw eigen kano? (procenten)

65

11

4 %

0

20 ja, eigen kano

nee, huurkano

40

60

80

nee, leenkano

nee, kano van een vereniging

100 onbekend

21

Bijna de helft van de respondenten (48%) die kanoën, is lid van een kanovereniging. Figuur 3.7 Bent u lid van een kanovereniging? (procenten)

ja 52%

48%

nee

Reden om te kanoën De belangrijkste reden om te kanoën varieert nogal tussen de respondenten. Het meest genoemd is het plezier, daarna het buiten zijn en de sport. Een klein deel noemt als belangrijkste reden “iets van de stad zien” of “gezelligheid”. Bij ‘anders, namelijk’ (zie bijlage) gaat het vaak om een combinatie van de meest genoemde redenen en een enkeling noemde “op het water zijn”. Ook noemde iemand “mensen buiten mijn bubbel ontmoeten”. Figuur 3.8 Wat is de belangrijkste reden waarom u kanoot? (procenten)

plezier

34

buiten zijn

28

sport

26

iets van de stad zien

2

gezelligheid 1 anders, namelijk

9 0

% 20

40

22

3.3 Tijdstippen van kanoën en afstanden Hoe vaak men kanoot varieert sterk. Een paar keer per week komt het vaakst voor, en wordt snel gevolgd door een paar keer per maand en één keer per week. Maandelijks of minder frequent worden minder vaak genoemd. Vier van de tien kanoërs doen dat het hele jaar door, maar het grootste deel (58%) kanoot (ook) in de zomer. Vier van de tien kiezen (ook) voor de lente en drie van de tien voor de herfst. Niemand noemt de winter als periode dat men kanoot. De zaterdag en daarna de zondag zijn het meest populair om te kanoën. Opvallend is dat de woensdag veruit favoriet is van de doordeweekse dagen. Bijna een kwart kanoot elke dag van de week. Het moment van de dag dat men meestal kanoot wisselt bij de helft van de beoefenaars. Kiest men wel voor een dagdeel, dan is de middag het meest populair. Figuur 3.9 Hoe vaak kanoot u? (procenten) dagelijks 0

27

22

24

12

paar keer per week

13

1 x per week

% 0

20

40

60

80

paar keer per maand

100

1 x per maand minder vaak

weet niet, geen antwoord

Figuur 3.10 Kanoën naar periode en dagen van de week (meerdere antwoorden mogelijk, procenten) %

70 60

40

60

58

50

47 41

40

36

30 28

20

23 16

10

16

0

0

8

In welke periode van het jaar kanoot u?

13

Welke dagen van de week kanoot u?

Figuur 3.11 Op welk tijdstip van de dag kanoot u meestal? (procenten) 12%

ochtend 21%

50%

middag avond

17%

dat wisselt

23

Het vaakst wordt een afstand van meer dan tien kilometer door de kanoërs afgelegd (36%). Ook tussen de vijf en tien kilometer komt vaak voor (27%). Overige afstanden zijn minder populair. Figuur 3.12Welke afstand legt u per keer tijdens het kanoën ongeveer af? (procenten)

minder dan 1 km tussen 1 en 3 km tussen 3 en 5 km 2

10

0

16

27

20

36

40

60

7 2 80

tussen 5 en 10 km %

meer dan 10 km

100

dat wisselt sterk dat weet ik niet

Zo’n tweederde van de kanoërs (64%) neemt voorzorgmaatregelen om zichtbaar te zijn tijdens het kanoën. Het gaat het vaakst om het dragen van felgekleurde of reflecterende kleding en het meenemen van verlichting (bijvoorbeeld een lampje op hoofd). Alle gegeven open antwoorden staan in de bijlage. Figuur 3.13 Neemt u voorzorgsmaatregelen om zichtbaar te zijn tijdens het kanoën? (procenten)

36% 64%

nee

ja, namelijk

3.4 Locaties kanoën en knelpunten op het water Waar kanoot men? Daarbij worden veel verschillende locaties genoemd. Veruit het vaakst worden de grachten genoemd en daarna de Amstel. Ook o.a. het IJ, IJmeer, (Kanovereniging) Zeeburg, de Sloterplas, het Amsterdamse Bos, Amsterdam-Noord, ‘t Twiske, rond IJburg, de Houthavens en de Westelijke eilanden worden door meerdere respondenten genoemd. Alle antwoorden zijn terug te lezen in de bijlage. De route die men kiest is het meest afhankelijk van het weer en de wind, maar ook de drukte wordt vaak genoemd. Daarnaast noemen enkelen nog de beschikbare tijd, het gezelschap en de vereniging. Alle opgegeven factoren staan in de bijlage.

24

Voorkeurslocaties Bijna de helft van de kanoërs (48%) heeft een voorkeur voor een locatie om te kanoën. Figuur 3.14 Heeft u een voorkeur voor een bepaalde locatie? (procenten)

nee, geen voorkeur 48%

52% ja, ik ga graag naar .. omdat

Daarbij worden het vaakst de grachten en het centrum genoemd, omdat je daar mooi uitzicht hebt. Ook kiest men voor de ruimte van grotere wateren zoals de Amstel, het IJ en het IJmeer. De rust en de natuur worden ook vaak genoemd, bijvoorbeeld in ’t Twiske, de Sloterplas, het Amsterdamse Bos en Waterland. De tocht naar Ouderkerk aan de Amstel en het gebied rond Pampus zijn ook in trek. Daarnaast is de voorkeur voor een locatie ook afhankelijk van de ligplaats van de kano en/of de plek van de kanovereniging. Alle gegeven antwoorden staan in de bijlage. Minder geschikte locaties Zes van de tien kanoërs menen dat er gebieden in Amsterdam zijn die minder geschikt zijn om te kanoën. Als reden daarvoor gaven ze veruit het vaakst dat het te druk is, daarbij werden vaak het IJ (o.a. vanwege veerboten, grote schepen, golfslag), de grachten (vanwege pleziervaartuigen, toeristen en lage bruggen) en het Amsterdams Rijnkanaal (vanwege beroepsvaart) genoemd. Alle gegeven antwoorden staan in de bijlage. Figuur 3.15 Zijn er gebieden die minder geschikt zijn om er te kanoën in Amsterdam? (procenten)

40%

nee, alle gebieden zijn geschikt om te kanoën

60% ja, er zijn gebieden die minder geschikt zijn om te kanoën omdat

Knelpunten Vier van de tien kanoërs ervaren geen knelpunten tijdens het kanoën, zes van de tien dus wel. Het vaakst wordt last van de pleziervaart ervaren en daarna van rondvaarboten. De beroepsvaart wordt het minst vaak genoemd. Bij “anders namelijk” worden veel verschillende dingen genoemd (zie bijlage) onder andere dat er te weinig aanlegplekken/opstapplekken zijn, er geen doorgangen zijn en je over het land moet (bijvoorbeeld ”Er mist een goede overstappunt om vanaf de Diem in het IJmeer te komen”), dat 25

er veel werkzaamheden zijn waardoor de doorgang gesloten is, vuil in het water, waterplanten en de drukte en onervarenheid op het water. Bij de pleziervaart noemt men als knelpunten het vaakst dat men te hard vaart en de vaarregels niet kent, waarbij vaak huurbootjes met (dronken en luidruchtige) toeristen worden genoemd. De rondvaartboten zijn groot, het zijn er veel en ze varen volgens sommige respondenten vaak te snel en houden geen rekening met anderen (bijvoorbeeld: “… nemen altijd voorrang”). Men moet oppassen bij bepaalde hoeken en het geeft soms opstoppingen (“Sommige knooppunten in en rond de binnenstad zijn moeilijk passeerbaar door de vele rondvaartboten of door hun hoge snelheid”). Bij de beroepsvaart gaat het vaak om grote boten die (te) hard varen en zorgen voor golfslag en stromingen waardoor het gevaarlijk kan zijn. Alle genoemde knelpunten zijn in de bijlage te vinden. Figuur 3.16 Ervaart u knelpunten op het water tijdens het kanoën, in de omgeving of van andere gebruikers op het water? (meerdere antwoorden mogelijk, procenten)

nee

40

ja, van rondvaartboten

27

ja, van beroepsvaart

9

ja, van pleziervaart

36

ja, anders

17 % 0

20

40

60

80

100

26

4 Suppen

4.1 Wie zijn de suppers De respondenten die weleens suppen (n=285) zijn iets vaker vrouwen dan mannen. De leeftijd varieert van 14 tot en met 68 jaar en is gemiddeld 42 jaar. De leeftijdsgroep 35 t/m 54 jaar komt het vaakst voor. Tabel 4.1 Verdeling van respondenten die suppen naar geslacht en leeftijd (absoluut en procenten) abs.

%

abs.

%

man

118

41

t/m 34 jaar

61

21,4

vrouw

152

53

anders

2

1

35 t/m 54 jaar

173

60,7

55 t/m 64 jaar

25

8,8

wil ik niet zeggen

6

2

65 plus

3

1,1

onbekend

7

3

onbekend

23

8,1

285

100

totaal

285

100

geslacht

leeftijd

totaal

Zeven van de tien respondenten die suppen wonen in Amsterdam. Zeven procent woont niet in Amsterdam en van de rest (24%) is het niet bekend. De meeste respondenten die niet in Amsterdam wonen (n=20), wonen in de omgeving van Amsterdam. Diegenen die niet in Amsterdam wonen, kennen Amsterdam meestal redelijk tot zeer goed. De periode dat men al supt varieert sterk onder de respondenten. Het vaakst suppen ze al 1 tot 2 jaar of 2 tot 5 jaar, langer dan 5 jaar komt niet zo vaak voor. Figuur 4.2 Woont u in Amsterdam? (procenten)

24%

ja nee

7% 69%

onbekend

Figuur 4.3 Hoe lang doet u al aan suppen? (procenten)

20

39

31

11 %

0

20 korter dan een jaar

40

60

80

1 tot 2 jaar

2 tot 5 jaar

langer dan 5 jaar

100

27

4.2 De sup, met wie men supt en de reden om te suppen Iets meer dan de helft supt meestal met anderen samen en iets minder dan de helft meestal alleen. Figuur 4.4 Supt u meestal alleen of samen met anderen? (procenten)

alleen 46%

54%

samen met anderen

De meeste suppers, acht van de tien, hebben een eigen supboard. Een klein deel huurt het supboard (14%) of leent die (4%). Er wordt nauwelijks bij een vereniging gesupt, dat geldt slechts voor twee procent van de respondenten. Figuur 4.5 Is dat uw eigen sup? (procenten)

82

14

4 %

0

20

40

ja, eigen sup

60 nee, huursup

80

100

nee, leensup

Figuur 4.6 Bent u lid van een supvereniging? (procenten) 2% ja nee

98%

Suppen doet men het vaakst voor het plezier. De helft van de respondenten noemt dat als voornaamste reden om te suppen (zie figuur 4.7). Ook het buiten zijn en het sportief bezig zijn worden genoemd, zij het minder vaak als voornaamste reden. Een paar respondenten noemen dat het gaat om een combinatie van de genoemde redenen of dat het ontspannend is. De overige genoemde open antwoorden staan in de bijlage.

28

Figuur 4.7 Wat is de belangrijkste reden waarom u supt? (procenten) plezier

49

buiten zijn

27

sport

14

gezelligheid 2 iets van de stad zien 1 anders, namelijk

6

%

0

20

40

60

4.3 Tijdstippen van suppen en afstanden Het vaakst wordt een paar keer per maand gesupt, dat geldt voor vier van de tien beoefenaars. De overige frequenties worden ongeveer even vaak genoemd, behalve dat vrijwel niemand dagelijks supt. Figuur 4.8 Hoe vaak supt u? (procenten)

1

14

18

37

14

14 %

0

20

40

60

80

100

dagelijks paar keer per week 1 x per week paar keer per maand 1 x per maand minder vaak weet niet, geen antwoord

Negen van de tien suppers doen dat in de zomer, de helft doet het in de lente en ongeveer een kwart in de herfst. Niemand van de respondenten geeft aan in de winter te suppen. Twaalf procent van de respondenten supt het hele jaar door. Vier van de tien suppers hebben geen uitgesproken voorkeursdag en suppen op alle dagen van de week. en een even groot deel doet het op zaterdag en/of op zondag. De doordeweekse dagen zijn minder populair om te suppen, waarvan de vrijdag dan nog het meest (zie figuur 4.9).

29

Figuur 4.9 Suppen naar periode en dagen van de week (meerdere antwoorden mogelijk, procenten) %

88

50 42

41

24 12

0

11

In welke periode van het jaar supt u?

8

41

21

15

10

Welke dagen van de week supt u?

Het moment van de dag dat men meestal supt wisselt bij de helft van de beoefenaars. Kiest men wel voor een dagdeel, dan is de middag het meest populair. Figuur 4.10 Op welk tijdstip van de dag supt u meestal? (procenten)

ochtend

16%

middag

48% 24%

avond

dat wisselt

12%

Het vaakst wordt een afstand tussen de 1 en 3 kilometer of tussen de 3 en 5 kilometer op het supboard afgelegd. Andere afstanden zijn minder populair. Figuur 4.11 Welke afstand legt u per keer tijdens het suppen ongeveer af? (procenten)

5

36

36

15

242

% 0

20

40

60

80

100

minder dan 1 km tussen 1 en 3 km tussen 3 en 5 km tussen 5 en 10 km meer dan 10 km dat wisselt sterk dat weet ik niet

30

Drie van de tien suppers (28%) nemen voorzorgmaatregelen om zichtbaar te zijn tijdens het suppen. Het gaat het vaakst om het dragen van kleding met felle kleuren en het meenemen van verlichting. In de bijlage staan alle gegeven open antwoorden (zie figuur 4.12). Figuur 4.12 Neemt u voorzorgsmaatregelen om zichtbaar te zijn tijdens het suppen? (procenten)

28%

nee 72%

ja, namelijk

4.4 Locaties suppen en knelpunten op het water De Amstel wordt veruit het vaakst genoemd als plek waar men supt. Ook de grachten of het centrum worden vaak genoemd. Daarnaast worden de Admiralengracht, Nieuwe Meer, Oost (o.a. Oostelijk Havengebied), IJburg, Amsterdam-Noord en de Sloterplas door meerdere mensen genoemd. Alle genoemde locaties staan in de bijlage. De drukte op het water en de wind en de golven worden veruit het vaakst genoemd als factoren die de route bepalen. Daarnaast wordt ook de tijd (“hoeveel tijd ik heb”) en “waar ik zin in heb” door meerdere mensen genoemd. Alle gegeven antwoorden staan in de bijlage. Voorkeurslocatie Ongeveer de helft van de suppers heeft een voorkeur voor een locatie om te suppen. Daarbij wordt veruit het vaakst de Amstel genoemd, maar ook bijvoorbeeld de Sloterplas, Nieuwe Meer, IJburg. Als reden daarbij wordt vaak genoemd dat het dicht bij huis is, rustig is en/of mooi is. Zie de bijlage voor alle gegeven antwoorden. Figuur 4.13 Heeft u een voorkeur voor een bepaalde locatie? (procenten)

nee, geen voorkeur 53%

47% ja, ik ga graag naar .. omdat

Minder geschikte gebieden Acht van de tien suppers menen dat er gebieden zijn die minder geschikt zijn om te suppen (zie figuur 4.14). Zij geven als reden daarvoor veruit het vaakst de drukte, dat er te veel boten 31

langskomen en daardoor te veel golfslag is. Zij noemen daarbij het vaakst het IJ, maar ook de grachten (m.n. de Prinsengracht) en het centrum. Alle gegeven antwoorden staan in de bijlage.

Figuur 4.14 Zijn er gebieden die minder geschikt zijn om er te suppen in Amsterdam? (procenten)

21%

79%

nee, alle gebieden zijn geschikt om te suppen ja, er zijn gebieden die minder geschikt zijn om te suppen omdat

Knelpunten Ongeveer de helft van de suppers ervaart geen knelpunten tijdens het suppen. Het vaakst wordt last van de pleziervaart ervaren en daarna van rondvaarboten. De beroepsvaart wordt het minst vaak genoemd. Bij “anders namelijk” is een paar keer het afval in het water genoemd en dat er geen goede instapplekken zijn (bijvoorbeeld: “Geen goede steigers of trappen om in het water te komen”). Deze en antwoorden die maar een maal genoemd zijn, staan in de bijlage. Figuur 4.15 Ervaart u knelpunten op het water tijdens het suppen, in de omgeving of van andere gebruikers op het water? (meerdere antwoorden mogelijk, procenten)

nee

47

ja, van rondvaartboten

26

ja, van beroepsvaart

9

ja, van pleziervaart

34

ja, anders namelijk

7 % 0

20

40

60

80

100

Bij de pleziervaart gaat het bij de knelpunten vaak om dat er te snel en roekeloos wordt gevaren, bijvoorbeeld door dronken mensen, er veel golven worden gemaakt en het te druk is. Bij de rondvaartboten is een aantal keren genoemd dat zij veel golven maken en geen rekening houden met suppers (o.a. “Asociaal gedrag schippers”, “Ze zijn agressief”). Bij de beroepsvaart gaat het bij de knelpunten om de grote golven, dat de schepen groot zijn, het gevaarlijk is (“Ze zien je niet altijd”) en wordt de Kostverlorenkade/-vaart een aantal keren genoemd. Alle hierbij gegeven open antwoorden staan in de bijlage. 32

5 Zeilen

5.1 Wie zijn de zeilers Bij de respondenten die weleens zeilen (n=173) gaat het veel vaker om mannen dan om vrouwen; tweederde van hen is een man. De leeftijd varieert van 12 tot en met 90 jaar en de gemiddelde leeftijd is 47,5 jaar. De leeftijdsgroep 35 tot en met 54 jaar komt het vaakst voor. Tabel 5.1 Verdeling van respondenten die suppen naar geslacht en leeftijd (absoluut en procenten) abs.

%

abs.

%

man

116

67

t/m 34 jaar

32

18

vrouw

50

29

anders

2

1

35 t/m 54 jaar

79

46

55 t/m 64 jaar

27

16

wil ik niet zeggen

2

1

65 plus

22

13

onbekend

3

2

onbekend

13

8

173

100

totaal

173

100

geslacht

leeftijd

totaal

Zes van de tien zeilers die de enquête hebben ingevuld wonen in Amsterdam. Dertien procent komt van buiten Amsterdam en voor ruim een kwart is het niet bekend. Tweederde van de respondenten die zeilen en niet in Amsterdam wonen (n=23), woont in de omgeving van Amsterdam. De meesten van hen kennen Amsterdam redelijk tot zeer goed. De meeste zeilers, acht op de tien, doen dat al langer dan vijf jaar. Negen procent zeilt 2 tot 5 jaar en de rest doet het 1 tot 2 jaar of korter dan een jaar (resp. 6% en 5%). Figuur 5.2 Woont u in Amsterdam? (procenten)

27%

ja nee

60%

13%

onbekend

Figuur 5.3 Hoe lang doet u al aan zeilen? (procenten)

5

6

9

79 %

0

20 korter dan een jaar

40

60

80

1 tot 2 jaar

2 tot 5 jaar

langer dan 5 jaar

100

33

5.2 De zeilboot, met wie men zeilt en de reden om te zeilen De meeste zeilers zeilen meestal met anderen; negen van de tien. Eén op de tien zeilt alleen. Figuur 5.4 Zeilt u meestal alleen of samen met anderen? (procenten)

10% alleen samen met anderen 90%

De zeilers maken gebruik van vele verschillende type zeilboten, soms ook van meerdere boten. Zo noemt men het vaakst een kajuit(zeil)boot of – jacht, daarna een zeiljacht, een open zeilboot, catamaran of kitesurf. Daarbij worden specifieke namen genoemd zoals Laser, Valk, Optimist. Alle gegeven open antwoorden staan in de bijlage. Bij de meeste zeilers gaat het om een eigen boot. Dat geldt voor zeven van de tien zeilers. De rest leent de zeilboot, huurt de boot of de boot is van de zeilschool of vereniging. Deze drie mogelijkheden komen ongeveer even vaak voor. Figuur 5.5 Is dat u eigen boot? (procenten)

68

10

12

11 %

0

20 ja, eigen boot

40 nee, huurboot

60 nee, leenboot

80

100

nee, van de zeilschool of vereniging

De zeilers zijn ongeveer even vaak lid van een zeilvereniging of zeilschool dan dat ze dat niet zijn. Figuur 5.6 Bent u lid van een zeilvereniging of zeilschool? (procenten)

ja 48%

52%

nee

34

Reden om te zeilen Zeilen wordt het vaakst voor het plezier gedaan; zes van de tien respondenten noemen dat als belangrijkste reden om te zeilen. Daarnaast wordt “het buiten zijn” genoemd en “sport” en doet een klein deel het voor de gezelligheid. Bij “anders namelijk” is nog onder andere genoemd: mee opgegroeid, voor de rust, met school, ik moest verplicht naar zeilkamp, zit bij het koor en beroepsmatig. Alle gegeven open antwoorden staan in de bijlage. Figuur 5.7 Wat is de belangrijkste reden waarom u zeilt? (procenten)

plezier

60

buiten zijn

16

sport

14

gezelligheid

4

anders, namelijk

6

%

0

20

40

60

80

5.3 Tijdstippen van zeilen en afstanden Hoe vaak men zeilt varieert sterk. Het vaakst wordt een paar keer per maand gezeild (door 32%), maar eenmaal per week komt ook relatief vaak voor (24%). Figuur 5.8 Hoe vaak zeilt u? (procenten)

paar keer per week 12

24

32

13

17

1 x per week

2 %

0

20

40

60

80

100

paar keer per maand 1 x per maand minder vaak weet niet, geen antwoord

Vier van de tien zeilers zeilen in de zomer (37%). In de lente en in de herfst zeilen komt minder vaak voor (resp. 27% en 21%). Een klein deel zeilt het hele jaar door (15%) en geen enkele zeiler gaf aan het in de winter te doen. Van de dagen van de week zeilt men het vaakst op zaterdag en/of zondag, dat geldt voor de helft van de respondenten (zie figuur 5.9). Daarna is vrijdag de meest populaire dag onder de zeilers en drie van de tien zeilen op elke dag van de week. 35

Figuur 5.9 Zeilen naar periode en dagen van de week (meerdere antwoorden mogelijk, procenten) % 60 56

50

52

40

37

30

30

27

20

27

21 15

10

0

0

9

4

In welke periode van het jaar zeilt u?

13

11

Welke dagen van de week zeilt u?

Het tijdstip van de dag waarop meestal gezeild wordt, wisselt voor de meeste zeilers; dat geldt voor zes van de tien. Kiest de respondent wel voor een tijdstip, dan is de middag het meest populair en de ochtend het minst. Figuur 5.10 Op welk tijdstip van de dag zeilt u meestal? (procenten)

4% ochtend

28%

middag

58%

avond

10%

dat wisselt

Een afstand van meer dan 10 kilometer zeilen komt het vaakst voor; bijna de helft van de zeilers legt per keer deze afstand af. Kortere afstanden komen veel minder vaak voor. Een kwart van de respondenten geeft aan dat de afgelegde afstand sterk wisselt. Figuur 5.11 Welke afstand legt u per keer tijdens het zeilen ongeveer af? (procenten)

tussen 1 en 3 km tussen 3 en 5 km 1 8

11

45

25

tussen 5 en 10 km

11 %

0

20

40

60

80

100

meer dan 10 km dat wisselt sterk dat weet ik niet

36

5.4 Locaties zeilen en knelpunten op het water Waar zeilt men zoal? Het meest genoemd hierbij is het Markermeer, daarna het IJsselmeer en het IJmeer. Ook het Buiten IJ, het IJ, (rond) IJburg, de Waddenzee en de Noordzee worden door meerdere zeilers genoemd. Een paar zeilers noemen de Sloterplas, Durgerdam en de Vinkeveense plassen. In de bijlage staan alle genoemde locaties. Als factor die de route bepaalt wordt veruit het vaakst de wind (sterkte, richting, golfrichting) en het weer in het algemeen genoemd. Ook speelt mee of er waterplanten zijn of wier is, hoeveel tijd men heeft, of er wedstrijden zijn, het einddoel, de drukte, de beschikbaarheid van havens en voorzieningen en het gezelschap waarmee men is (zie bijlage). Voorkeurslocaties Zes van de tien zeilers hebben geen voorkeur voor een bepaalde locatie om te zeilen, vier van de tien wel. De voorkeur gaat het vaakst uit naar het Markermeer of het IJsselmeer en ook de andere plekken waar men zoal zeilt worden hier genoemd. Als reden van de voorkeur wordt genoemd dat het daar mooi is, rustig is en/of gezellig is. Maar ook dat er goede wind is, daar weinig waterplanten zijn, het goed bereikbaar is, dicht bij huis is of bij de vereniging is, er ligplaatsen zijn/de boot daar ligt, het rolstoeltoegankelijk is, en dat er les wordt gegeven (bij de Sloterplas) of wedstrijden worden gehouden.

Alle gegeven open antwoorden staan in de bijlage. Figuur 5.12 Heeft u een voorkeur voor een bepaalde locatie? (procenten)

nee, geen voorkeur

42%

58%

ja, ik ga graag naar .. omdat

Vier op de tien zeilers verblijven meestal op één locatie (37%). Een tocht maken of dat de locatie wisselt komen iets minder vaak voor (resp. 32% en 31%). Figuur 5.13 Blijft u meestal op één locatie (bijv. een plas of het Buiten IJ) of maakt u meestal een tocht? (procenten)

31%

37%

meestal op één locatie maak meestal een tocht dat wisselt per keer

32%

37

Knelpunten Vier van de tien zeilers ervaren geen knelpunten tijdens het zeilen in de omgeving of van andere gebruikers op het water. Bijna zes van de tien ervaren wel knelpunten. Het vaakst wordt overlast van pleziervaart ervaren en in mindere mate van beroepsvaart of rondvaartboten (zie figuur 5.14). Veel zeilers noemden een ander knelpunt waarbij waterplanten, met name fonteinkruid, veruit het meest worden genoemd. Alle open antwoorden hierbij staan in de bijlage. Bij knelpunten met betrekking tot de pleziervaart noemt men vaak dat het om onervaren bestuurders gaat (“die de vaarregels niet kennen”), er sprake is van geluidsoverlast en te hard varen en worden speedboten genoemd. Bij beroepsvaart gaat het volgens de zeilers om grote schepen die veel ruimte innemen en soms hard varen. Als plekken worden o.a. het IJ, het Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en de Oranjesluis genoemd. De knelpunten bij rondvaartboten gaan bijvoorbeeld over het hard varen en het voorrang nemen van deze boten en worden het IJ en de Oranjesluizen genoemd. Figuur 5.14 Ervaart u knelpunten op het water tijdens het zeilen, in de omgeving of van andere gebruikers op het water? (meerdere antwoorden mogelijk, procenten)

nee

43

ja, van rondvaartboten

5

ja, van beroepsvaart

10

ja, van pleziervaart

20

ja, anders, namelijk

36 % 0

20

40

60

80

100

38

6 Waterfietsen

Van alle watersporters hebben 16 respondenten in 2022 een waterfiets gehuurd in Amsterdam en 21 respondenten zijn van plan om dit vaarseizoen (nog) een waterfiets te huren in Amsterdam (tabel 6.1). De respondenten die weleens hebben gewaterfietst, deden dit vooral in het Centrum bij Stromma of het Amsterdamse Bos. Respondenten die nog van plan zijn om een waterfiets te huren, willen dit gaan doen bij de Sloterplas of het Amsterdamse Bos, maar er zijn ook respondenten die het nog niet weten. Alle gegeven antwoorden zijn te vinden in de bijlage. Van de 30 respondenten die weleens een waterfiets hebben gehuurd of dit willen doen, hebben zeven respondenten weleens knelpunten op het water ervaren bij het waterfietsen. Die gaan onder andere over het besturen van de waterfiets en over rondvaartboten, de gegeven antwoorden zijn te vinden in de bijlage. Onder waterfietsers zijn de twee hoofddoorvaartroutes de Amstelroute en de Kostverlorenvaartroute beperkt bekend. Van 11 respondenten die weleens hebben gewaterfietst of dit nog gaan doen, zijn drie respondenten bekend met de Amstelroute, vijf respondenten zijn bekend met de Kostverlorenroute en vijf respondenten zijn niet bekend met de hoofddoorvaartroutes. Een van de respondenten is weleens bij de Amstelroute in de problemen gekomen en een respondent is bij de Kostverlorenroute in de problemen gekomen.

Dit kwam omdat men daar niet mocht komen met de waterfiets. Tabel 6.1 Waterfietsen in Amsterdam abs.

%

waterfiets gehuurd in Amsterdam in 2022 Ja

16

1

Nee

1664

99

Ja

21

98,7

Nee

1654

1,3

Nee

23

76,7

Ja

7

23,3

van plan (nog) waterfiets te huren in Amsterdam dit vaarseizoen

ervaart u knelpunten op het water bij het gebruik van een waterfiets? (n=30)

bent u bekend met de volgende doorvaartroutes? (n=11, meerdere antwoorden mogelijk) ja, de Amstelroute

3

ja, de Kostverlorenroute

5

Nee

5

39

7 Voorzieningen, vaar- en gedragsregels

7.1 Voorzieningen die men mist aan de wal Ongeveer vier op de tien watersporters (38%) geven aan dat zij geen voorzieningen missen op het water of op de kant/aan de wal. Zes op de tien missen wel voorzieningen. De voorzieningen die het vaakst worden gemist, zijn aanlegsteigers/aanlegmogelijkheden (37%), zwemtrappen (20%) en toiletten (20%), 14% van de watersporters geeft aan nog iets anders te missen dan de opties die zijn voorgelegd in de vragenlijst. Afvalbakken, goede uitstap/overstapplekken en overdraagplaatsen zijn veelgenoemde antwoorden. Alle gegeven antwoorden zijn te vinden in de bijlage. Figuur 7.1 Mist u bepaalde voorzieningen op het water of op de kant / aan de wal? (n=1.081, procenten, meerdere antwoorden mogelijk) nee

38

aanlegsteigers

37

zwemtrappen

20

toilet

20

kluisjes voor je spullen

8

douches

4

anders, namelijk

14

weet niet, geen antwoord

7 0

% 10

20

30

40

50

Het missen van voorzieningen op het water of op de kant/wal, verschilt naar de sport die de respondent beoefent (figuur 7.2). De helft van de roeiers (49%) geeft aan niets te missen, voor de andere sporten is dit aandeel kleiner. Kanoërs, suppers en zeilers missen vooral aanlegsteigers. Onder suppers is het aandeel dat zwemtrappen en toiletten mist, hoger dan bij andere sporten.

40

Figuur 7.2 Mist u bepaalde voorzieningen op het water of op de kant / aan de wal? (uitgesplitst naar sport, procenten, meerdere antwoorden mogelijk) Roeien nee

Kanoën

49%

aanlegsteigers

nee

25%

22%

aanlegsteigers

51%

zwemtrappen

13%

zwemtrappen

20% 24%

toilet

10%

toilet

kluisjes voor je spullen

3%

kluisjes voor je spullen

douches

2%

douches

anders, namelijk weet niet, geen antwoord

14%

anders, namelijk

9%

weet niet, geen antwoord

Suppen nee

5% 1%

6%

Zeilen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13283722/1