CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Maatwerk economisch daklozen 20362 DEF

Raadscommissie Werk Inkomen en Onderwijs 12 januari 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Aanbieden evaluatierapport pilot 'Maatwerk economisch daklozen' Nr. VN2021-03148313.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er wordt meer naar me om gekeken. Zij herinnert mij aan dingen, dat ik nog ergens op moet reageren enzo. Anders zou dat mis gaan’. Een goed voorbeeld hiervan is de meneer die we hierboven citeerden en die moeite had om zijn post te sorteren. Hij vertelde over de begeleiding: ‘Ik had schuld bij het ziekenfonds. Een maatschappelijk werker van een buurtteam heeft me geholpen met schuldhulpverlening in te schakelen en met inschrijven voor woningen.’ Een andere deelnemer antwoordde het volgende op de vraag hoe het leven eruit zou zien zonder de begeleiding van de RBG: ’Dan was er niks veranderd. Dan was ik niet geopereerd, gezondheid is het belangrijkste. Ze helpen me ook bij de afbetaling en ik ben ingeschreven bij Woningnet, ik heb me ingeschreven buiten Amsterdam. Ze hebben me daarmee geholpen.’ De deelnemers beschreven dat de begeleiding van de RBG vooral gericht was op het leefgebied huisvesting, bijvoorbeeld bij het motiveren voor en helpen bij het inschrijven van Woningnet

buiten Amsterdam of het ondersteunen bij het organiseren van Tijdelijk Onder Dak 16. Eén deelnemer vertelde bijvoorbeeld: ’Vroeger keek ik alleen naar vaste woningen eigenlijk en niet naar tijdelijke woonplekken. Nu word ik ook geholpen om tijdelijk onderdak te krijgen in bijvoorbeeld een hotel. Ik sta nu op de wachtlijst.’ Dat veel aandacht ging naar huisvesting tijdens de begeleiding is natuurlijk niet verrassend, want dat is het grootste probleem dat economisch daklozen hebben. Daarnaast bleek uit de interviews dat een aantal deelnemers ondersteuning kregen bij het leefgebied financiën, vooral als het ging om het oplossen van schulden en het verkrijgen van bijzondere bijstand, maar ook bij lichamelijke gezondheid (door een deelnemer te motiveren om een noodzakelijke medische ingreep te ondergaan) en werk en opleiding (door bijvoorbeeld het ondersteunen in het zoeken van werk, vooral door de WPI-professionals) werden vaak genoemd. Zoals hiervoor beschreven zorgde de intensieve begeleiding ervoor dat de problemen van de meeste deelnemers werden aangepakt en dat zij meer in beweging kwamen om te werken aan hun problemen. Zij ervaarden door de begeleiding en de daarmee gepaarde vooruitgang minder stress over (diverse onderdelen van) hun leefsituatie.

Vaak ging het om hulp bij praktische zaken waar de maatschappelijk werker van de RBG veel bij kon helpen, waardoor zij minder stress kregen. Een deelnemer vertelde bijvoorbeeld over de begeleiding die hij kreeg van de RBG: ’Dat helpt om de stress te verminderen. Deze hulp van Regenboog zorgt voor meer ruimte om helder te kunnen denken.’ Een ander gaf aan: ’De begeleiding heeft me tot rust gebracht. Ik kan nu normaal denken. Ik probeer mijn mindset zo stabiel te houden om de goede kant te blijven gaan’. Ervaring professionals Alle professionals waren, net als de daklozen, positief over de intensieve begeleiding. Ze zagen namelijk dat sneller problemen werden aangepakt en daardoor de deelnemers meer vooruitgang boekten op verschillende leefgebieden. De professionals ervaarden vooral de intensiteit van de begeleiding als een werkzame factor, waardoor de daklozen in de pilot vooruitgingen. Voor de maatschappelijk werker van de RBG is er in de pilot qua manier van begeleiden eigenlijk weinig veranderd. De maatschappelijk werker gaf aan dat voornamelijk de samenwerking met de gemeente Amsterdam anders was binnen de pilot. Verder begeleidt zij economisch daklozen ook buiten de pilot op een intensieve manier. Daarentegen ervaarden de klantmanagers een groot verschil in de manier waarop ze de daklozen hebben begeleid in de pilot in vergelijking met de situatie daarvóór.

Zowel de klantmanagers van de eerste twee groepen waarbij voornamelijk de maatschappelijk werker van de RBG de daklozen intensief heeft begeleid, als de klantmanagers van de derde groep die de daklozen zelf intensief hebben begeleid, ervaarden verschil in de manier van begeleiden en wat dat de deelnemers opleverde. De klantmanagers zagen dat de intensievere begeleiding die zij en/of de maatschappelijk werker gaven een positief effect had op de daklozen. Ze vertelden dat de daklozen op deze manier beter geholpen werden en hun problemen op verschillende leefgebieden sneller werden aangepakt. Ze ervaarden namelijk dat intensieve begeleiding ervoor kan zorgen dat de daklozen meer in beweging komen en stappen nemen om hun problemen aan te pakken. Zo vertelde een klantmanager: ’Ja, er is gewoon meer aandacht en dat is gewoon heel belangrijk voor deze klanten, want dan voelen ze zich tenminste gehoord en dan worden ze wel gewoon serieus genomen, want op het moment dat je ze één of twee keer in de jaar spreekt, ja hoe serieus is dat. Je probeert ze wel te begeleiden, maar op het moment dat je iemand aangemeld hebt, hoop je dat diegene zo snel mogelijk opgepakt wordt voor werk of wat dan ook. Maar ja, soms blijft 16 Tijdelijk Onder Dak van de RBG verhuurt corporatiewoningen tijdelijk aan economisch daklozen. In elke

- of kamerwoningen is plaats voor twee bewoners, met elk een eigen huurcontract. Het contract loopt maximaal één jaar. Daarna moet de huurder zelf een meer permanente oplossing gevonden hebben.

dat ook gewoon liggen en dan raak je die klanten gewoon kwijt.’ De meeste van de klantmanagers zagen ook dat door de vele contactmomenten de daklozen sneller dingen gingen oppakken. Door de intensieve contacten wisten ze of de daklozen op de juiste weg zaten en konden ze bijsturen als dat nodig was. Zonder de pilot zou een klantmanager er bijvoorbeeld na een halfjaar pas achter komen of een dakloze bepaalde stappen heeft genomen of niets heeft gedaan en dingen heeft laten liggen. ‘Vooral dak- en thuislozen, die hebben gewoon die hulp nodig, die hebben gewoon een aanspreekpunt nodig, die hebben advies nodig, die hebben tips en tricks nodig. Dus het is altijd wel goed om in contact te blijven met die mensen en soms maken ze ook hele gekke beslissingen waarvan je denkt: dat moet je niet doen in de uitkering en dan kun je ze daarop in ieder geval attenderen.’ Een klantmanager zei: ’De intensiteit is waar het om draait. Ze reageren sneller op vragen die ik stel en ik zie dat er vooruitgang wordt geboekt, dat mensen sneller dingen zelf oppakken. Als je het hebt over schuldhulpverlening, of werk, of vrijwilligerswerk, als je daar meer opzit op een begeleidende manier, dan pakken ze dat sneller op’. Alle professionals ervaarden vooral de intensieve begeleiding als een werkzame aanpak in de pilot, in vergelijking met de twee andere aanpakken (hogere uitkering en tijdelijk onderdak).

De professionals vonden namelijk dat de intensieve begeleiding veel teweegbracht bij de deelnemers, waardoor zij positieve ontwikkelingen konden maken. Zo zei een klantmanager het volgende over de begeleiding die economisch daklozen ontvangen van de RBG: “Met de extra begeleiding kunnen ze bepaalde dingen oppakken en niet zozeer met het extra geld, maar wel met de extra begeleiding die ze krijgen, dat zij gewoon het leven kunnen ordenen. Dus als ze schulden hebben, dan gaan ze de schulden oppakken.” Niet iedereen positief Niet alle deelnemers waren positief over de begeleiding. Er waren meerdere geïnterviewden die duidelijk lieten merken dat ze geen toegevoegde waarde zagen. Het lijkt hier vooral te gaan om de deelnemers die op bepaalde leefgebieden juist wel al doenvermogen hadden, bijvoorbeeld dat ze een sociaal netwerk hadden om vragen aan voor te leggen of dat ze in staat waren zelf werk te zoeken. Zo legde een man uit: ‘’Die jobhunter was niet behulpzaam, ik kan het net zo goed zelf doen. Ik kan zelf zoeken! Ik kan ook anderen vragen om naar m’n sollicitatiebrief of CV te kijken.” Iemand anders vertelde: “Ja, ze kijken bijvoorbeeld op de computer voor woningen, maar dat kan ik ook zelf doen. Dat kan ik ook doen. Ik kan al werken met Woningnet’.

Het blijkt belangrijk om aan te sluiten bij de begeleidingsbehoeften van de individuele klant, zo laat ook de volgende quote van een geïnterviewde zien: ’Als je een doel hebt, je wilt ergens naartoe, dan helpen ze je daar niet mee bij de gemeente. Ik wil een BBL-leertraject voor onderwijsassistent volgen maar daar helpen ze me niet mee. Ze duwen me in de schoonmaak en dat wil ik niet. Dan ben je constant bezig met je hoofd boven water houden in plaats van leven.’ Warme doorverwijzing essentieel Uit de interviews met de klantmanagers is gebleken dat er niet een standaard werkwijze is van het doorverwijzen andere hulpverlenende instanties. Klantmanagers gaven aan dat ze normaal gesproken de daklozen ‘koud’ doorverwijzen door bijvoorbeeld aan de daklozen te vertellen bij welke instantie(s) ze kunnen aankloppen voor bepaalde hulp. Of dat ze bijvoorbeeld een mail met een link sturen van de instantie waar ze terecht kunnen voor hulp. De interviews met de deelnemers én met de professionals geven echter de indruk dat deze koude doorverwijzing onvoldoende is. De klantmanagers ervaarden namelijk vaak dat als ze een deelnemer ‘koud’ doorverwezen, hij/zij vaak geen actie ondernam bij de om bij andere organisatie aan te kloppen voor hulp.

Een klantmanager liet het volgende hierover weten: ’Als je zeg maar de dakloze alleen laat en je zegt: ga naar de maatschappelijk werker en probeer dat aan te vragen en doe dat, ook al maak je een briefje. Dat doe ik meestal, ik maak een briefje, schrijf van alles op en dan gaan ze gewoon niet naar die maatschappelijk werker. Of dan bel ik weer tien keer en dan zijn ze nog niet

geweest naar de maatschappelijk werker. Dan denk je ja, wil je geholpen worden, ja of nee, weet je wel, op een gegeven moment laat je het ook gewoon staan omdat je zo veel klanten hebt.” Niet alleen professionals wezen op het belang van ‘warme’ doorverwijzing, ook deelnemers zelf gaven aan het moeilijk te vinden om zelf opvolging te geven als ze koud werden doorverwezen. Het hangt nauw samen met het doenvermogen, zoals we ook eerder in deze paragraaf beschreven. Zo vertelde een deelnemer: “Ik had een intakegesprek met ene […] en die keurde mijn postadres goed en mijn uitkering. Die vroeg me ook of ik begeleiding wilde bij bijvoorbeeld mijn schulden en bij andere dingen, maar ik merk niet dat ze me echt doorverwijzen. Hij zei dat ze mij daarbij zouden helpen, maar dan krijg je een klantmanager en dan gaat alles anders. Dan krijg ik wel linkjes en moet ik contact opnemen of nemen ze contact met me op via de mail, maar ik ben niet zo iemand die de hele tijd naar de e-mail kijkt.”

. Samenwerking Sneller vooruitgang door intensieve samenwerking Alle geïnterviewde professionals spraken positief over de samenwerking in de pilot tussen WPI en de RBG. Ze kenden elkaar door de projectoverleggen die ze tweewekelijks hadden in het kader van de pilot en de driegesprekken die ze soms hadden met de daklozen. Dat ze elkaar goed kenden leidde volgens hen tot korte lijntjes; ze wisten elkaar beter te vinden met de contactgegevens die ze van elkaar hadden. Ze konden hierdoor elkaar bellen, mailen en appen. Dit zorgde er weer voor dat het laagdrempeliger was geworden om contact met elkaar op te nemen en hierdoor snel met elkaar konden schakelen. Daardoor konden ze regelmatig bespreken hoe het ging met de begeleiding van de daklozen en wat ze van elkaar kunnen verwachten in het begeleidingsproces. Volgens de professionals zorgde deze vorm van samenwerking ervoor dat er qua begeleiding van de daklozen dingen sneller werden aangepakt en gerealiseerd. Een klantmanager vertelde het volgende over de samenwerking met de maatschappelijk werker: “Ik vond het heel fijn dat ik samen met haar kon werken, we hadden echt korte lijntjes, we mailden, we belden, we appten, we konden heel snel met elkaar overleggen als er iets met de klant was en hoe we dat het beste zouden kunnen oplossen.

Dus die samenwerking met haar vond ik wel heel goed.” In de samenwerking ging het voornamelijk om praktische zaken die voor de daklozen snel werden opgepakt, zoals het aanvragen van toeslagen, het regelen van een overbruggingslening en woonurgenties. Een professional zei: “Ik stuur een mailtje met deze persoon wil graag in het hotel, dan stuur ik de bon op met de vraag voor een overbruggingslening en de klantmanager stuurt het dan direct door naar de inkomensconsulent en dan echt dezelfde dag was het geld al gestort en kon hij gewoon inchecken, terwijl dat normaal even zou duren. Dus dat is een specifiek voorbeeld van een klant die in de pilot zit waarin dat contact en de samenwerking en de begeleiding eigenlijk gewoon top ging.” Alle klantmanagers die zijn gesproken hopen de samenwerking met de RBG na afloop van de pilot te kunnen voortzetten. Zo zei een klantmanager: “Het is een goede pilot geweest denk ik, waar je gewoon hele goeie conclusies kan trekken over de samenwerking met de Regenboog bijvoorbeeld en met de intensieve begeleiding van de klant en wat je voor elkaar kan krijgen.”

. Conclusie In figuur . staat de probleemsituatie, waarin economisch daklozen zich bevinden, samengevat in de figuur die we in het tweede hoofdstuk introduceerden. Door een situatie van financiële en/of huisvestings-stress wordt het doenvermogen aangetast. Het lagere doenvermogen leidt in combinatie met het denkvermogen tot een verminderd vermogen om tot actie te komen, een plan te maken. Hierdoor vermindert de zelfredzaamheid, niet alleen op het gebied van huisvesting en financiën maar mogelijk ook op andere gebieden. Figuur . . Probleemsituatie

Bronnen: WRR (

), Lauriks et al. (

), Mullainathan & Shafir (

); bewerking OIS

Figuur . laat zien wat de impact is van de drie elementen uit de pilot tijdelijk onderdak, een hogere uitkering en intensieve begeleiding, zoals uit de interviews is gebleken. Het bieden van tijdelijk onderdak en een hogere uitkering leidt tot een hoger doenvermogen. Belangrijk daarbij te vermelden is dat deze elementen het probleem (van onvoldoende doenvermogen) niet oplossen, maar dat de onderdelen er alle een positieve bijdrage aan leveren. Het hogere doenvermogen leidt, in combinatie met het denkvermogen, tot een grotere zelfredzaamheid op de verschillende gebieden, waaronder huisvesting. Ook de intensieve begeleiding leidt, blijkens de interviews, tot een hogere zelfredzaamheid. Ook voor dit onderdeel geldt weer: intensieve begeleiding is niet de oplossing, maar het levert wel een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid.

Figuur . . Impact van meer bijstand, meer begeleiding en/of tijdelijk onderdak

Bronnen: WRR (2017), Lauriks et al. (2017), Mullainathan & Shafir (2013); bewerking OIS

De resultaten van het onderzoek wijzen erop dat het niet hebben van een stabiele verblijfplaats ook een vorm van schaarste is. De manier waarop de deelnemers hun ervaringen met het overnachten bij mensen uit het sociaal netwerk omschreven, komt overeen met de beschrijvingen van het hebben van te weinig geld. Het gaat vooral om de stress die het oplevert: de constante zorgen over of ze ’s avonds ergens terecht kunnen, hoe ze dat dan moeten doen met kinderen, werk of financiën, etc. Qua geld gaan de zorgen ook om kinderen (hoe kan ik bij ze komen, hoe kan ik iets voor ze doen?), maar ook om het ov om naar een slaapplek of werk te komen, en überhaupt genoeg te eten hebben de rest van de maand. We hebben het hier dus over een ernstige vorm van constante stress, die grote invloed heeft op het doenvermogen van mensen en daarmee ook op de zelfredzaamheid. Zowel tijdelijke opvang als een hogere bijstand lijken deze constante stress en de daarbij behorende gevolgen deels te verminderen; bij beide maatregelen hebben de deelnemers het over ‘meer rust’. De impact tussen deze twee maatregelen lijkt wel verschillend. Zo lijkt het verschil tussen % en % bijstandsuitkering onvoldoende om grote verschillen te maken in het doenvermogen en daarmee de zelfredzaamheid.

De impact lijkt veel meer te zitten in het welzijn van mensen, en een verschil in ‘heel veel constante financiële stress’ naar ‘iets minder constante financiële stress’. Tijdelijke opvang geeft een ander soort rust: de rust om even bij te komen en na te denken over de toekomst. Intensieve begeleiding heeft weer een andere impact, aangezien het direct ingrijpt op de zelfredzaamheid van iemand, en minder op schaarste of het doenvermogen. Begeleiding is namelijk een vorm is van ‘ondersteuning om acceptabel te functioneren’. Uiteindelijk heeft het wel invloed op de schaarste en de stress die mensen ervaren, want een aantal van de veelal praktische problemen waar ze mee kampen worden voor hen opgelost. Belangrijk bij bovenstaande beschrijving van de impact van meer begeleiding, meer geld en tijdelijk onderdak is te bedenken dat dit over algemeenheden gaat. De impact van deze

maatregelen zijn afhankelijk van de context van de deelnemer, bijvoorbeeld dat een tijdelijk verblijf aan andere eisen moet voldoen voor mensen met specifieke gezondheidsklachten of dat mensen die in een hotel verblijven nog steeds financiële stress ervaren ondanks de verhoging van de bijstand. Uiteindelijk wordt dakloosheid, ook die van economisch daklozen, pas opgelost als er een stabiel verblijf is gevonden. Of dit doel uiteindelijk wordt behaald, wordt voor een heel groot deel beïnvloed door de huizenmarkt. Meer begeleiding, meer geld en tijdelijk onderdak kunnen een bijdrage leveren aan dit doel door mensen een stapje in de goede richting te laten doen, maar uiteindelijk is er meer en structureler hulp nodig om het probleem van economische dakloosheid daadwerkelijk op te lossen.

Bijlage : Topiclists

Topiclist deelnemers aan de pilot Fase : Inleiding  Voorstellen interviewers (OIS): Wie we zijn en wat voor rol we hebben bij OIS. 

Opdrachtgever, wie wij zijn: Wij werken als onderzoekers bij het onderzoeksbureau OIS van de gemeente Amsterdam. De directie WPI heeft aan ons gevraagd om dit onderzoek te doen. Doel interview: Voor professionals: inzicht krijgen in wat zij zien gebeuren bij de mensen die deelnemen aan de pilot en hoe zij de pilot ervaren als professionals.

Duur van het interview: uur ongeveer.

Informed consent: Uitleggen dat je niet altijd antwoord hoeft te geven. En dat je altijd mag stoppen met deelname zonder een reden te hoeven aangeven. Vragen akkoord te gaan met dit onderzoek door het informed consent formulier te ondertekenen.

Toestemming vragen voor opname: Vragen of we het interview mogen opnemen en dat het opname alleen voor dit onderzoek gebruikt zal worden en dat het niet met anderen gedeeld zal worden.

Vragen/opmerkingen: De respondent vragen of hij/zij vragen of opmerkingen aan ons heeft voordat we gaan starten met het interview.

Fase 2: Vragen aan de cliënten Thema 1: Onderdak  Waar overnacht je vaak? En hoe was dat vroeger?  Hoe ervaar je het om op deze manier onderdak te hebben?  Wat voor cijfer geef je jouw onderdak? Waarom geen hoger/lager cijfer?  Wat voor verschil merk je in het onderdak van nu in vergelijking met een paar maanden geleden?  Heb je geprobeerd om onderdak te krijgen bij iemand in jouw netwerk? Zo ja, hoe is dat gegaan? Zo nee, wat is de reden dat je het niet hebt geprobeerd? Thema 2: (Maatwerk)begeleiding vragen zowel naar de kwaliteit als kwantiteit van de begeleiding  Krijg je begeleiding of ondersteuning? Zo ja, waar krijg je dat, van wie krijg je dat en waar richt het zich vooral op?  Wat vind je van de begeleiding die je krijgt?

     

Hoe ervaar je de begeleiding in vergelijking met een paar maanden geleden? Wat vind je in de begeleiding goed gaan? Zijn er dingen waar je tegen aanloopt in de begeleiding? Waarop concentreert de begeleiding zich? En voldoet dat aan jouw behoeften? Zo ja, vertel en zo nee: wat mist er? Wat zou volgens jou beter kunnen in de begeleiding? Wat voor cijfer geef je de begeleiding die je krijgt? Waarom geen hoger/lager cijfer?

Thema 3: Geld en Financiële zaken  Wat zijn jouw belangrijkste inkomsten?  Hoe ervaar je het om te leven met dit inkomen?  Is je financiële situatie in de afgelopen drie maanden veranderd? Is het voldoende en waarom wel/niet?  Wat zijn normaliter je grootste uitgaven per maand?  Je krijgt nu extra geld doordat je meedoet aan de pilot. Merk je verschil? Vertel? Wat doet het met je?  Wat doe je met het (extra) geld?  Wat zijn je belangrijkste zorgen rondom geld? En is dat anders nu je meer geld ontvangt?  Wat voor verschil merk je met het geld dat je te besteden hebt in vergelijking met de periode dat je niet deelnam aan de pilot?  Wat voor geldbedrag denk je dat genoeg is om maandelijks van rond te komen? Thema 4: Algemene ervaring pilot  Merk je een verschil in hoe het nu met je gaat in vergelijking met voor de pilot? Zo ja: waar ligt dat met name aan? (extra geld/onderdak/begeleiding/anders)? En wat voor verschil merk je (waaraan merk je het?) Zo nee: waarom niet?  Wat was je verwachting toen je begon aan de pilot? In hoeverre zijn de verwachtingen uitgekomen? Thema 5: Toekomst (alleen vragen als we tijdens het interview genoeg tijd hebben) Wat heb je nodig om verder te komen in het leven? a. Onderdak b. Structuur c. Hulp d. Meer geld e. Anders

Topiclist professionals pilot Fase : Inleiding  Voorstellen interviewers (OIS): Wie we zijn en wat voor rol we hebben bij OIS. 

Opdrachtgever, wie wij zijn: Wij werken als onderzoekers bij het onderzoeksbureau OIS van de gemeente Amsterdam. De directie WPI heeft aan ons gevraagd om dit onderzoek te doen. Doel interview: Voor professionals: inzicht krijgen in wat zij zien gebeuren bij de mensen die deelnemen aan de pilot en hoe zij de pilot ervaren als professionals.

Duur van het interview: uur ongeveer.

Alle antwoorden zijn goed, anoniem, alleen terugkoppeling op grote lijnen (nooit herleidbaar en ook in bijvoorbeeld overleggen koppelen we niets op individueel niveau terug)

Akkoord om mee te doen met onderzoek

Toestemming vragen voor opname: Vragen of we het interview mogen opnemen en dat het opname alleen voor dit onderzoek gebruikt zal worden en dat het niet met anderen gedeeld zal worden.

Vragen/opmerkingen: De respondent vragen of hij/zij vragen of opmerkingen aan ons heeft voordat we gaan starten met het interview.

Fase : Vragen aan de professionals Voorstellen professionals:  Je bent een maatschappelijk werker/klantmanager. Wat houdt de functie in? Hoe lang doe je dat al? Algemeen:  Je bent nu begonnen met de pilot. Op welke manieren is dat dan anders werken dan eerst?  Welke mogelijkheden biedt de pilot voor de cliënten?  Hoe zet je deze mogelijkheden in voor de cliënt? Begeleiding:  Wat is de werkwijze/het proces van de begeleiding? Zie je een verschil in de werkwijze van de begeleiding van de daklozen die wel en geen begeleiding krijgen van de Regenbooggroep?

 Welke opbrengsten zie je voor de deelnemers met de manier van begeleiding? Hoe zie je dat?  Wat voor verschil zie je met betrekking tot de begeleiding die de cliënten krijgen in de pilot in vergelijking met de periode voor de pilot? (kwantiteit en kwaliteit)  Zie je dat onderdak/extra geld/begeleiding invloed heeft op de cliënten? Kan je dat toelichten?  Merk je dat de zelfredzaamheid van de cliënten verandert binnen de pilot? Zo ja, op welke leefgebieden (vooral)?  Zie je bij de cliënten een verschil in hoe zelfredzaam ze zijn in deze pilot en zonder deze pilot? En waarom ontstaat dat verschil (waar zit dat in)?  Wat voor verschil zit er tussen die cliënten die wel zelfredzamer worden tijdens deze pilot en die niet zelfredzamer worden?  Hoe wordt er in de begeleiding omgegaan met de wet- en regelgeving? Is dat met de pilot anders dan hoe er daarvoor mee werd omgegaan? Samenwerking:  Hoe ervaar je de samenwerking met de regenbooggroep/gemeente?  Hoe ervaar je de samenwerking met andere afdelingen binnen de gemeente? Is dat anders in de pilot? (deze vraag is voor de klantmanagers)  Hoe vaak komen jullie samen bij elkaar? Denk je dat dit op de juiste manier is geregeld of zijn er hierin nog dingen te verbeteren?  Wat zijn de belemmeringen bij de samenwerking? Wat zijn de verbeteringspunten?  Wat merkt de cliënt van de samenwerking tussen de gemeente en

regenbooggroep? Evaluatie:  Zijn er opvallende verhalen die je recent hebt meegemaakt met cliënt(en) in de pilot? Waar ging het over, hoe gaat het met de cliënt, wat voor iemand is het, hoe steek je de begeleiding in?  Wat denk je dat goed gaat in de pilot? Waarom?  Wat denk je dat beter kan in de pilot? Waarom en hoe?  Zijn er nog onderwerpen die we nog niet hebben besproken en die je wel graag zou willen vertellen?

Bijlage : Literatuur

Bregman, R. ( ). Waarom arme mensen domme dingen doen. In: De Correspondent. Opgeroepen op augustus , van https://decorrespondent.nl/ /waarom-arme-mensendomme-dingen-doen/ -f c a bd Coumans et al. ( CBS.

). Inzicht in dakloosheid. Een onderzoek naar daklozen

-

Cuijpers, L. ( ). Eerst een huis, dan de rest. In: Sprank, april . Opgeroepen op , van https://sprankmagazine.nl/eerst-een-huis-dan-de-rest/

. Rijswijk: augustus

Diekman, A. ( ). ‘Economisch daklozen’ vallen tussen wal en schip. Opgeroepen op Februari , , van https://vng.nl/artikelen/economisch-daklozen-vallen-tussen-wal-en-schip Foundations for Social Change. (2020). Foundations for Social Change New Leaf project: Taking Bold Action on Homelessness. Vancouver. Opgeroepen op Februari 21, 2021, van https://static1.squarespace.com/static/5f07a92f21d34b403c788e05/t/5f751297fcfe7968a 6a957a8/1601507995038/2020_09_30_FSC_Statement_of_Impact_w_Expansion.pdf Gemeente Amsterdam. ( , Juli ). Besluit Wob-verzoek over thuis- en dakloosheid. Opgeroepen op Februari , , van Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/ / / /besluit-wobverzoek-over-thuis--en-dakloosheid Lauriks S, Buster MCA, Wit MAS de, et al. ( ). Zelfredzaamheid-Matrix Zelfredzaamheid-Matrix . Amsterdam: GGD Amsterdam

. Handleiding

Mullainathan, S., & Shafir, E. ( ). Schaarste: hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen. Amsterdam: Maven Publishing. Muzus. (

). Quickscan minimale bestaanskosten. Delft: Muzus.

Ombudsman Metropool Amsterdam. ( ). Opvang voor iedereen Dak- en thuisloos in Amsterdam. Amsterdam: OMBUDSMAN METROPOOL AMSTERDAM. Opgehaald van https://www.ombudsmanmetropool.nl/Nieuws-Publicaties/article/ /Opvang-vooriedereen-dak--en-thuisloos-in-Amsterdamse-context Planije, M., & Tuynman, M. ( ). Ondersteuning van dakloze personen zonder OGGzproblematiek. Utrecht: Trimbos-instituut. Opgeroepen op Februari , , van https://www.trimbos.nl/docs/ f f- f eed e .pdf?_ga= . . . .

Platform . ( , Januari ). Oproep: onderzoek Economische daklozen. Opgeroepen op Februari , , van PLATFORM : https://www.platform .nl/nieuws/oproeponderzoek-economische-daklozen Slis, J. (

, April ). Vastgoedbezitters aan zet: wekelijks economische daklozen erbij. Opgeroepen op Februari , , van DE REGENBOOGGROEP: https://www.deregenboog.org/nieuws/vastgoedbezitters-aan-zet-wekelijks- economische-daklozen-erbij

Van Geuns ( ). Inkomensvoorzieningen zijn voor veel armen te gecompliceerd. In: Sociale Vraagstukken. Opgeroepen op augustus , van https://www.socialevraagstukken.nl/inkomensvoorzieningen-zijn-voor-veel-armen-tegecompliceerd/

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10992516/1