02 Maatwerk economisch daklozen 20362 DEF
Tekst van het document
Maatwerk voor economisch daklozen Wat is de impact van een hogere bijstandsnorm, tijdelijk onderdak en/of extra begeleiding op economisch daklozen? Onderzoek, Informatie en Statistiek
In opdracht van: Directie Inkomen, gemeente Amsterdam Projectnummer: Auteur: Milou Haggenburg, Hetty van Kempen, Bilal Belhaj Met medewerking van Wassim Mahmoud E-mailadres: m.haggenburg@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat Telefoon: Postbus , AR Amsterdam data.amsterdam.nl Amsterdam, september ’ Foto voorzijde: fotograaf Hetty van Kempen (
)
Inhoud
Samenvatting Inleiding . Onderzoeksvragen . Methode . Beschrijving van de deelnemers aan de pilot
Achtergrond . Theoretische concepten . Instrumenten die zelfredzaamheid, doenvermogen, bandbreedte kunnen verhogen
Resultaten . . . . .
Hogere uitkering Tijdelijk verblijf Intensieve begeleiding Samenwerking Conclusie
Bijlage : Topiclists Bijlage : Literatuur
Samenvatting
Aanleiding In Amsterdam zijn ongeveer . zogenaamde economisch daklozen1. Dit zijn mensen zonder vaste woon- of verblijfplek die, in tegenstelling tot de meer ‘traditionele’ daklozen, weinig last hebben van psychiatrische of verslavingsproblemen. Economisch daklozen kunnen niet terecht bij de maatschappelijke opvang, aangezien ze als zelfredzaam worden gekwalificeerd en daardoor geen recht hebben op WMO-ondersteuning. Net als de meer traditionele daklozen krijgen economisch daklozen minder bijstand van de gemeente dan mensen mét een woonplek, wat neerkomt op % van het wettelijk sociaal minimum (WSM), oftewel netto per maand, exclusief vakantiegeld. De gemeente Amsterdam heeft in juni een motie aangenomen2 om een pilot te doen met een hogere bijstand, meer intensieve begeleiding en/of tijdelijke opvang. Het doel was om inzicht te krijgen wat voor impact dit heeft op de leefsituatie van economisch daklozen. Daarvoor zijn mensen die vallen onder de groep economisch daklozen gevraagd om mee te doen. Zij werden verdeeld over drie groepen: . Mensen die in een hotel verblijven, maatwerk krijgen van de Regenboog Groep (RBG) en % van het WSM ontvangen; . Mensen die geen structurele opvang hebben, maatwerk krijgen van de RBG, en maatwerk krijgen in de hoogte van de bijstand; en .
Mensen die geen structurele opvang hebben, intensieve begeleiding krijgen van een klantmanager van de gemeente Amsterdam, en maatwerk krijgen in de hoogte van de bijstand. Voor die laatste twee groepen geldt dat hun bijstand verhoogd kon worden tot of % van het WSM, als zij konden aantonen kosten te maken voor hun slaapplek. WPI, die de pilot uitvoerde, heeft OIS gevraagd om de pilot te evalueren en de impact expliciet te maken. Dit rapport beschrijft de resultaten van deze evaluatie, die tot stand gekomen zijn na een bescheiden literatuuronderzoek, een korte analyse van gemeentelijke data over de deelnemers, en semi-gestructureerde interviews met deelnemers aan de pilot en met zes professionals, zowel van de gemeente Amsterdam als van de RBG. Theoretische concepten Om de impact van meer bijstand, meer begeleiding en/of tijdelijk verblijf goed in kaart te kunnen brengen, gebruiken we in dit onderzoek drie nauw samenhangende concepten: doenvermogen, zelfredzaamheid en schaarste. In de figuur hieronder staat een visueel overzicht van deze concepten, gevolgd door een korte uitleg.
1 Bron: De Regenboog Groep, in Het Parool van
- -
, te downloaden via https://www.parool.nl/ps/dakloos-en-
modebewust-met-een-handnaaimachine-maak-ik-pakjes-voor-mijn-chihuahua~bd cf / 2 Motie ‘Pilot verhoging dak- en thuislozenuitkering’ van de raadsleden Taimounti en Roosma (nr. juli ).
accent, datum
Figuur . Zelfredzaam functioneren
Bronnen: WRR (2017), Lauriks et al. (2017), Mullainathan & Shafir (2013); bewerking OIS
Bij zelfredzaamheid gaat het om de mate waarin iemand in staat is acceptabel te functioneren op dertien verschillende leefgebieden3, of in hoeverre iemand in staat is ondersteuning te organiseren om acceptabel te functioneren (Lauriks et al., ). Huisvesting –voor economisch daklozen een belangrijk issue- is één van deze leefgebieden. Zoals in beschreven door de WRR, wordt zelfredzaamheid bepaald door twee aspecten: het doenvermogen en het denkvermogen. Bij het denkvermogen gaat het over de vraag of iemand in staat is om informatie te begrijpen, verzamelen en wegen. Volgens de WRR komt daar echter nog één belangrijk aspect bij: iemand kan namelijk wel de capaciteit hebben om te begrijpen wat er moet gebeuren om een probleem op te lossen, maar diegene is mogelijk niet in staat om de stappen ook daadwerkelijk te nemen. Daar gaat het dus om het doenvermogen, het mentale vermogen om een plan op te stellen, in actie te komen, met tegenslagen om te gaan en vol te houden. Of iemand voldoende doenvermogen heeft, wordt bepaald door situationele factoren. Schaarste is daar een belangrijk onderdeel van. We hebben het over schaarste als iemand ‘ergens niet voldoende van heeft’ en is meestal gericht op tijd en financiële middelen (Mullainathan & Shafir, ).
Een tekort hebben aan iets zorgt voor ‘verminderde bandbreedte’, wat wij in ons onderzoek voornamelijk omschrijven als (financiële) stress: onze hersenen kunnen minder bewerkingen aan, we kunnen minder aandacht opbrengen, minder goede beslissingen nemen, niet vasthouden aan onze plannen en verleidingen weerstaan. Op die manier beïnvloedt schaarste het doenvermogen en uiteindelijk de zelfredzaamheid. Daarmee heeft schaarste en een laag doenvermogen ook effect op het vinden van een woning, aangezien huisvesting één van de onderdelen van zelfredzaamheid is. Kort gezegd, de hypothese in dit onderzoek is dat economisch daklozen die leven van % van het WSM financiële schaarste ervaren, waardoor hun doenvermogen vermindert en daarmee 3 Dertien leefgebieden, namelijk financiën, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke
gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale activiteiten van het dagelijks leven, instrumentele activiteiten van het dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, justitie.
ook hun zelfredzaamheid. Uiteindelijk zorgt dit ervoor dat niet alleen het vinden van een huis moeilijk(er) is, maar heeft het ook impact op andere leefgebieden, zoals gezondheid en werk. Uit (inter)nationale literatuur naar (economisch) daklozen blijkt dat meer geld, meer begeleiding en tijdelijk onderdak een positief effect kan hebben op de leefsituatie van mensen (zie bijv. Muzus, ; Foundations for Social Change, ; Trimbos Instituut, ; Cuijpers, ). De resultaten van het huidige onderzoek geven meer inzicht op welke manier dat gebeurt, en voor wie dit het geval is. Hogere uitkering Daklozen met een uitkering ter hoogte van % van het WSM maken kosten die hoger zijn dan hun inkomsten (bijvoorbeeld relatief duur eten, bijdrage “Geestelijk doet dat veel. Je moet voor een slaapplek, kinderen, ov, etc.), waardoor ze niet elk dubbeltje omdraaien en kunnen rondkomen en al snel na het ontvangen van hun nadenken kan ik dit wel betalen en maandelijkse inkomsten veel zorgen hebben over hoe ze de maand financieel moeten doorkomen. Dit alles leidt tot hoe moet ik dat dan doen.” (grote) financiële stress. Hieruit komt bijna automatisch voort dat meer inkomen, bijvoorbeeld een verhoging van de uitkering naar of % van het WSM, leidt tot minder financiële stress.
In deze pilot kregen de deelnemers extra bijstand om te voorzien in kosten voor een slaapplek als ze aan konden tonen dat zij deze kosten ook daadwerkelijk maakten. Het ging “Je kan toch nog een beetje bijvoorbeeld om een bijdrage leveren aan de huur of houden tot de e. […]. Dat ik boodschappen doen voor de mensen waar ze toch nog twee weken overnachtten. Als de situatie van de deelnemer verder boodschappen kan doen.’’ niet veranderde (er kwamen geen aanvullende kosten bij), konden ze met het extra geld hun slaapplek financieren en konden ze de rest van hun inkomen gebruiken om in een aantal basisbehoeften te voorzien. Daardoor hoefden ze zich minder zorgen te maken, en waren soms zelfs in staat om te kunnen investeren in zichzelf. De deelnemers die % van het WSM ontvingen omdat zij tijdelijk onderdak hadden gevonden, bijvoorbeeld in een hotel, ervaarden juist geen vermindering van financiële stress. Bij hen veranderde er namelijk ook iets in hun uitgavenpatroon: zij “[…] en met alles afgetrokken kregen te maken met de (relatief hoge) kosten van het hotel, houd ik over. Ik kan daar niet ongeveer per maand plus de relatief hoge kosten voor van rondkomen.” boodschappen omdat ze in het hotel niet zelf konden koken. De hogere bijstand was niet voldoende om dit geheel te dekken, waardoor ze onderaan de streep nog steeds onvoldoende geld hadden om hun dagelijkse leven te bekostigen.
Uiteindelijk blijkt voor veel deelnemers ook een inkomen van % van het WSM onvoldoende om de financiële stress weg te nemen. De deelnemers zeggen het niet expliciet; ze zijn blij met het beetje extra geld dat ze krijgen. Toch komt uit de gesprekken naar voren dat zelfs met verhoging het moeilijk is om bijvoorbeeld huur te kunnen betalen van een tijdelijk verblijf, ontspannen boodschappen te kunnen doen of een buffer te hebben voor onvoorziene uitgaven.
Tijdelijk verblijf Kenmerkend voor economisch daklozen is dat ze vaak verblijven bij mensen uit hun sociaal netwerk: familie, vrienden of kennissen. Dit komt voort uit het feit dat zij zelfredzaam worden geacht, waardoor ze geen aanspraak maken op de “Je weet niet wat morgen brengt. Maatschappelijke Opvang. Uit ons onderzoek blijkt dat Je weet nooit wat gebeurt. Ik heb dit op twee manieren stress oplevert bij de deelnemers. spullen bij m’n vriendin. […] nu ben Aan de ene kant brengt het slapen bij het netwerk je nooit gerust.” zorgen met zich mee: de relatie goed willen houden en anderen niet tot last willen zijn, een financiële bijdrage moeten leveren die ze niet kunnen opbrengen, of zelfs onveilige situaties. Aan de andere kant leidt het tot onrust, omdat ze geen vaste verblijfplek hebben en daardoor (bijna) elke dag bezig zijn met de vraag waar ze ’s avonds moeten overnachten en hoe ze dat moeten organiseren. Tijdelijk onderdak in een (passanten)hotel of StayOkay loste een deel van de onrust op die hierboven beschreven is, zolang het verblijf voldoet aan de persoonlijke basisvoorwaarden van de deelnemer.
Bijna alle deelnemers noemden de rust die het tijdelijk onderdak opleverde, door de mogelijkheid om even “Dat ik een basisplek heb en alleen te zijn, om een eigen plek te hebben, met niemand meer rust kan pakken en rekening te hoeven houden, en zelf dingen te kunnen bepalen. gewoon op andere dingen in Uiteindelijk heeft deze rust tot gevolg gehad dat mensen zich m’n leven kan focussen.” beter gingen voelen. Naast het toegenomen welzijn zagen we ook dat er mensen waren die stappen zetten om hun situatie ook op langere termijn en op andere gebieden te verbeteren, bijvoorbeeld dat ze werk gingen zoeken, meer tijd konden besteden aan het zoeken van een eigen huis of hun schulden gingen aanpakken. Deze positieve effecten zagen we overigens niet bij mensen voor wie het hotel niet aan een aantal persoonlijke basisvoorwaarden voldeed, zoals de mogelijkheid om veilig medicatie te kunnen koelen en zelf (gezond en regelmatig) te kunnen koken (bij gezondheidsproblemen) of de mogelijkheid om het kind mee te nemen. “Vanaf [start verblijf] ben je aan het tellen hoe lang kan je nog verblijven in het hotel. […]. Dat geeft mij veel stress.’’
Uitgezonderd van de mensen bij wie het tijdelijk onderdak niet voldeed aan de basisvoorwaarden, waren mensen erg blij met de mogelijkheid om ergens te slapen. Hoewel deze blijdschap en de rust voorop staat, beseften ze wel dat dit geen stabiele oplossing was. Dit besef leidde ertoe dat uiteindelijk mensen toch stress en onzekerheid ervaarden.
Intensieve begeleiding Economisch daklozen worden door de gemeente Amsterdam als ‘zelfredzaam’ gekwalificeerd; echter uit dit onderzoek blijkt dat ze niet zo zelfredzaam zijn “Want zelf stel ik dingen als wordt verwacht (zie bijv. Muzus, ). Dat blijkt vaak uit, dan denk ik ‘laat bijvoorbeeld uit het feit dat veel van de geïnterviewden maar zitten’, dan ben ik problemen hadden op één of meerdere leefgebieden, maar boos enzo. Ik moet het niet zelfstandig actie ondernamen om hun problemen op te eigenlijk zelf doen.” lossen of hulp te vragen. Met andere woorden, veel deelnemers leken te kampen met een laag doenvermogen. De deelnemers, vooral degenen met een vermoed laag doenvermogen, hadden veel baat bij intensieve, vooral praktische begeleiding. De geboden begeleiding tijdens de pilot kon, blijkens de interviews, adequaat inspelen op diverse praktische hulpvragen van deelnemers. Zowel een groot aantal van de deelnemers als de professionals was positief over de begeleiding. De deelnemers beschreven dat de begeleiding van de RBG vooral gericht was op het leefgebied
huisvesting, bijvoorbeeld bij het motiveren voor en helpen bij het inschrijven bij Woningnet buiten Amsterdam of ondersteuning bij het organiseren van Tijdelijk Onder Dak4. Daarnaast bleek dat een aantal deelnemers ondersteuning kregen bij het leefgebied financiën (bijv. schulden en bijzondere bijstand), maar ook bij lichamelijke gezondheid (door een deelnemer te motiveren om een noodzakelijke medische ingreep te ondergaan) en werk en opleiding (door bijvoorbeeld het ondersteunen in het zoeken van werk, vooral door de WPI-professionals). Zoals hiervoor beschreven, zorgde de intensieve begeleiding ervoor dat de problemen van de meeste deelnemers werden aangepakt en dat zij meer in beweging kwamen om te werken aan hun problemen. Zij ervaarden door de begeleiding en de “De begeleiding heeft me tot daarmee gepaarde vooruitgang minder stress over rust gebracht. Ik kan nu (diverse onderdelen van) hun leefsituatie. Vaak ging het normaal denken. Ik probeer mijn om hulp bij praktische zaken waar de maatschappelijk mindset zo stabiel te houden om werker van de RBG veel bij kon helpen, waardoor zij de goede kant te blijven gaan”. minder stress kregen. Niet alle deelnemers waren positief over de begeleiding. Er waren meerdere geïnterviewden die duidelijk lieten merken dat ze geen toegevoegde waarde zagen.
Het lijkt hier vooral te gaan om de deelnemers die op bepaalde leefgebieden juist wel al doenvermogen hadden en zelfredzaam waren, bijvoorbeeld doordat ze een sociaal netwerk hadden om vragen aan voor te leggen of dat ze in staat waren om zelf werk te zoeken. Zij hadden echter wel behoefte aan ondersteuning, maar dan op andere manieren of andere gebieden dan de geboden hulp. De behoefte verschilde per deelnemer, maar kon uiteen lopen van een voorkeur aan fysieke afspraken in plaats van online afspraken, tot het actief contact leggen met andere hulpverleners of instanties (warme overdracht in plaats van zelf contact moeten opnemen). Het gebied dat bij alle deelnemers voorop stond, was hulp bij het verkrijgen van een stabiele woonplek. Uit dit onderzoek blijkt ook hoe essentieel een warme doorverwijzing is in de begeleiding van economisch daklozen. Zeker bij mensen met een laag “Dan krijg ik wel linkjes en moet doenvermogen kan niet altijd worden verwacht dat ze zelf ik contact opnemen of nemen ze een doorverwijzing oppakken, want precies het vermogen contact met me op via de mail, om dat soort stappen te zetten ontbreekt.
Belangrijk is dus maar ik ben niet zo iemand die om bij een doorverwijzing samen met de persoon naar de de hele tijd naar de e-mail kijkt.” nieuwe hulpverlener te gaan, bijvoorbeeld doordat de professional en de deelnemer samen een afspraak maken met de nieuwe hulpverlener en/of samen gaan naar het eerste gesprek. Samenwerking Alle geïnterviewde professionals spraken positief over de samenwerking in de pilot tussen WPI en de RBG. Ze kenden elkaar door gezamenlijke overleggen die ze regelmatig hadden in het kader van de pilot en de driegesprekken die ze soms hadden met de deelnemers. Dat ze elkaar goed kenden leidde volgens hen tot korte lijntjes, waardoor er qua begeleiding zaken sneller werden aangepakt en gerealiseerd.
4 Tijdelijk Onder Dak van de RBG verhuurt corporatiewoningen tijdelijk aan economisch daklozen. In elke
- of kamerwoningen is plaats voor twee bewoners, met elk een eigen huurcontract. Het contract loopt maximaal één jaar. Daarna moet de huurder zelf een meer permanente oplossing gevonden hebben.
Conclusie In figuur staat de probleemsituatie, waarin economisch daklozen zich bevinden, visueel weergegeven. Zowel financiële als huisvestings-stress leidt tot een verminderd doenvermogen, wat weer een negatieve impact heeft op de zelfredzaamheid, waaronder huisvesting. Figuur . Probleemsituatie
Bronnen: WRR (
), Lauriks et al. (
), Mullainathan & Shafir (
); bewerking OIS
Figuur laat dezelfde figuur zien, maar dan met de drie onderdelen van de pilot erin verwerkt: een hogere bijstand, tijdelijk onderdak en/of extra begeleiding. Het laat zien dat een hogere bijstand en tijdelijk onderdak beide een positieve impact hebben op het doenvermogen, en daarmee op het vermogen om een plan te maken en de zelfredzaamheid op verschillende domeinen (waaronder huisvesting). Belangrijk daarbij te vermelden is dat deze elementen het probleem (van onvoldoende doenvermogen) niet oplossen, maar dat de onderdelen er alle een positieve bijdrage aan leveren. Ook laat de figuur zien dat er een positieve impact is van intensieve begeleiding op de zelfredzaamheid (waaronder ook weer huisvesting). Ook voor dit onderdeel geldt weer: intensieve begeleiding is niet de oplossing, maar het levert wel een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid. De resultaten van het onderzoek wijzen erop dat het niet hebben van een woning ook een vorm van schaarste is, en leidt tot grote stress en het daarbij behorende verminderde doenvermogen. Tijdelijke opvang lijkt –in sommige gevallen- de stress deels te verminderen, waardoor de zelfredzaamheid wordt verhoogd. Ook een hogere bijstand leidt tot een vermindering van de financiële schaarste en daarmee de stress.
Het verschil tussen % en % lijkt echter onvoldoende om grote verschillen te maken in het doenvermogen en daarmee de zelfredzaamheid. De impact lijkt veel meer te zitten in het welzijn van mensen. Intensieve begeleiding heeft direct impact op de zelfredzaamheid, omdat het een vorm is van ‘ondersteuning om acceptabel te functioneren’. Daarmee heeft het uiteindelijk ook invloed op de schaarste en de stress die mensen ervaren, want een aantal van de veelal praktische problemen waar ze mee kampen worden voor hen opgelost. Uiteindelijk wordt dakloosheid, ook die van economisch daklozen, pas opgelost als er een stabiel verblijf is gevonden. Of dit doel uiteindelijk wordt behaald, wordt dan ook voor een deel beïnvloed door de huizenmarkt. Meer begeleiding, meer geld en tijdelijk onderdak kan hier een bijdrage aan leveren door mensen een stapje in de goede richting te laten maken, maar
uiteindelijk is er meer en structureler hulp nodig om het probleem van economische dakloosheid daadwerkelijk op te lossen. Figuur . Impact van meer bijstand, meer begeleiding en/of tijdelijk onderdak
Bronnen: WRR (2017), Lauriks et al. (2017), Mullainathan & Shafir (2013); bewerking OIS
Inleiding
In Amsterdam zijn ongeveer . zogenaamde economisch daklozen5. Dit zijn mensen zonder vaste woon- of verblijfplek die, in tegenstelling tot de meer ‘traditionele’ daklozen, weinig last hebben van psychiatrische of verslavingsproblemen (Slis, ). De belangrijkste oorzaken van dakloosheid zijn (een combinatie van) schulden, werkloosheid en/of hypotheeklast, gecombineerd met een tekort aan geschikte huurwoningen in Amsterdam (Planije & Tuynman, ; Diekman, ). De economisch daklozen kunnen niet terecht bij de maatschappelijke opvang, aangezien ze als zelfredzaam worden gekwalificeerd en daardoor geen recht hebben op WMO-ondersteuning. In Amsterdam lijkt het aantal economisch daklozen te stijgen; de hoofdstad had in meer dan economische daklozen (Gemeente Amsterdam, ). Momenteel zou dat aantal op circa personen liggen6. Bovendien zijn ze door de coronacrisis meer zichtbaar geworden: enerzijds is er een toename in baanverlies en relaties die stuklopen waardoor meer mensen op straat komen te staan; anderzijds kunnen mensen bang zijn voor corona en laten daardoor geen dakloze vrienden op de bank slapen7. Net als de meer traditionele daklozen krijgen economisch daklozen minder bijstand van de gemeente dan mensen mét een woonplek. De redenatie is dat mensen die dak- of thuisloos zijn, zonder huis lagere maandelijkse kosten hebben.
Ze ontvangen de alleenstaandennorm ( % van het wettelijk sociaal minimum, WSM) minus % van het WSM. Dit betekent dat zij % ontvangen van het WSM. Dit komt neer op netto uitkering per maand, exclusief vakantiegeld. Er zijn verschillende signalen dat deze bijstandsnorm van % van het WSM te laag is voor mensen zonder een vaste woon- of verblijfplaats in Amsterdam, zeker voor de groep economisch daklozen. Belangenbehartigers van dak- en thuislozen zoals MDHG8 en Bureau Straatjuristen geven aan dat dak- en thuislozen in het algemeen bijvoorbeeld wél dagelijkse woonkosten en extra kosten maken doordat ze van dag tot dag leven. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat economisch daklozen hogere kosten maken dan andere daklozen, bijvoorbeeld doordat zij de adressen niet weten waar ze terecht kunnen die ‘ervaren’ daklozen wel kennen (Muzus, ). Dit heeft een aantal andere steden, zoals de gemeente Utrecht, ertoe aangezet om voor alle economisch daklozen de bijstandsnorm te verhogen tot % van het WSM. In Amsterdam hebben de signalen geleid tot een motie voor een pilot onder een aantal economisch daklozen om beter inzicht te krijgen wat een hogere bijstandsnorm doet met de deelnemers9. Daarbij is ook gevraagd om te kijken naar de impact van meer en intensievere begeleiding en/of het hebben tijdelijk onderdak. 5 Bron: De Regenboog Groep, in Het Parool van
- -
, te downloaden via https://www.parool.nl/ps/dakloos-en-
modebewust-met-een-handnaaimachine-maak-ik-pakjes-voor-mijn-chihuahua~bd 6 Bron: De Regenboog Groep, in Het Parool van
- -
cf
/
, te downloaden via https://www.parool.nl/ps/dakloos-en-
modebewust-met-een-handnaaimachine-maak-ik-pakjes-voor-mijn-chihuahua~bd cf / 7 https://www.at .nl/artikelen/ /aantal-economisch-daklozen-in-amsterdam-verdrievoudigd-het-kan-iedereenoverkomen 8 Medisch-sociale Dienst Heroïne Gebruikers; thans cliëntondersteuning voor dak- en thuislozen en druggebruikers. 9 motie ‘Pilot verhoging dak- en thuislozenuitkering’ van de raadsleden Taimounti en Roosma (nr. accent, datum juli ).
Meer bijstand Zoals gezegd, dak- en thuislozen ontvangen 50% van het WSM. Daar kan in specifieke omstandigheden vanaf worden geweken, bijvoorbeeld als iemand tijdelijk onderdak heeft gevonden of daarvoor ingeschreven staat. Dan kan de persoon een verhoging tot 70% van het WSM ontvangen. Een andere mogelijkheid is dat een persoon kan bewijzen kosten te maken voor de slaapplek waar hij/zij verblijft. Afhankelijk van de kosten kan de persoon een verhoging tot 60% of 70% krijgen, wat uiteindelijk €875,96 of €1021,91 per maand is (exclusief vakantiegeld). In de pilot is deze regeling niet veranderd, maar structureler ingezet. Zodra deelnemers aannemelijk konden maken woonkosten te maken, zoals bij verblijf in een hotel, kregen ze de verhoging. Ook werd met meer nadruk gekeken naar de mogelijkheden om kosten van verblijf in kaart te brengen, zodat de deelnemer daarvoor gecompenseerd kon worden. Meer begeleiding Nieuw in deze pilot was de intensieve samenwerking tussen de Regenbooggroep (RBG) en het team klantmanagers dat zich richt op dak- en thuislozen. Deze samenwerking betekende dat een sociaal werker van de RBG aansloot bij de teamoverleggen van het WPI-team en gezamenlijke gesprekken met de klanten. Afhankelijk van de deelnemer was ook meer contact tussen de RBG en de klantmanager mogelijk.
Daarnaast is er ook een aantal economisch dak- en thuislozen die in deze pilot intensiever door de WPI-klantmanagers werden begeleid. Dat betekent dat ze meer tijd konden nemen om de deelnemers in de pilot dan dat ze normaal gesproken hebben voor hun caseload. Deze deelnemers kregen geen aanvullende begeleiding van de RBG. Tijdelijk onderdak Aangezien de pilot liep tijdens de coronacrisis, was er kortdurend de mogelijkheid van een verblijf in een aantal geselecteerde hotels (deze stonden veelal leeg vanwege het wegblijven van toeristen). In deze pilot zaten een aantal mensen die hier gebruik van maakten. Daarnaast kregen deze deelnemers verhoging van de uitkering tot 70% van het WSM. Een aantal van deze deelnemers kregen ook intensieve begeleiding van de RBG, en de gebruikelijke begeleiding van de klantmanager.
. Onderzoeksvragen WPI heeft OIS gevraagd om deze pilot te evalueren. De pilot liep gedurende de periode december 2020-juni 2021 en er deden 50 geselecteerde economisch daklozen aan mee. Zij waren verdeeld over drie groepen, te weten: . economisch dak- en thuislozen die: a. in een hotel verblijven b. maatwerkbegeleiding ontvangen door de RBG, naast de begeleiding van de klantmanager van de Gemeente Amsterdam c. % van het WSM ontvangen . economisch dak- en thuislozen die kunnen worden aangemerkt als bankslaper10, en: a. Niet in een hotel verblijven b. maatwerkbegeleiding ontvangen door de RBG, naast de begeleiding van de klantmanager van de Gemeente Amsterdam
10 Een bankslaper is een dak- of thuisloze die bij vrienden, familie en/of kennissen op de bank slaapt.
c.
.
de hoogte van de uitkering is maatwerk; er wordt in ieder geval % van het WSM uitgekeerd en waar nodig wordt het opgehoogd tot % of % van het WSM economisch dak- en thuislozen die kunnen worden aangemerkt als bankslaper, en: a. Niet in een hotel verblijven b. intensieve begeleiding ontvangen van de klantmanager van de Gemeente Amsterdam c. de hoogte van de uitkering is maatwerk; er wordt in ieder geval % van het WSM uitgekeerd en waar nodig wordt het opgehoogd tot % of % van het WSM
De vraag van de opdrachtgever aan OIS was wat de drie onderdelen uit de pilot (extra uitkering, extra begeleiding en/of tijdelijk onderdak) hebben gedaan met de economisch daklozen, en waarom dat zo is. Het resulteerde in de volgende onderzoeksvragen: . Wat doet meer inkomen/meer begeleiding en het type begeleiding/tijdelijk onderdak met economisch dak- en thuislozen? . Tot welke uitkomsten leidt het hebben van meer inkomen/meer begeleiding en het type begeleiding/tijdelijk onderdak? . Wanneer komen deze uitkomsten wel en niet tot uiting (bij wie, of in welke omstandigheden)? . Waarom heeft meer inkomen/meer begeleiding en het type begeleiding/tijdelijk onderdak de uitkomsten die we in het onderzoek tegenkomen? De kleine omvang van de pilot, de aard van de vragen alsmede de complexiteit en variëteit in de (problemen van) de economisch daklozen maakt dat we geen ‘klassieke’ effectstudie hebben gedaan. Daarbij komt ook dat er geen één kwantificeerbare ‘uitkomstmaat’ is die voor alle economisch daklozen geldt. Om deze redenen hebben we gekozen voor een realistische evaluatie, in plaats van een ‘harde’ effectmeting met een voor- en nameting. Op deze manier kunnen we uitspraken doen over het waarom en het hoe van de werking van bepaalde mechanismen.
. Methode Om antwoord te geven op de onderzoeksvragen hebben we verschillende onderzoeksmethoden toegepast: een bescheiden literatuuronderzoek, een korte analyse van gemeentelijke data over de deelnemers, en interviews met deelnemers aan de pilot en met zes professionals, zowel van de gemeente Amsterdam als van de RBG. De semi-gestructureerde interviews werden gehouden aan de hand van een topiclist, die in samenspraak met de opdrachtgever is opgesteld (bijlage ). De gesprekken vonden plaats op locatie (Elisabeth Wolffstraat, Amsterdam) met twee onderzoekers van OIS, waarbij er één notuleerde en één de gespreksleider was. In sommige gevallen zijn de interviews telefonisch of via MS Teams gehouden. Ook dan waren er twee onderzoekers bij de gesprekken aanwezig; een enkele keer lukte dit niet en is het gesprek opgenomen of direct uitgewerkt door de gespreksleider. De deelnemers is gevraagd om een informed consent te tekenen zodat zij wisten wat hun rechten zijn betreffende deelname aan het onderzoek. Pilotdeelnemers ontvingen een cadeaubon van ,- als dank voor hun deelname aan het interview.
. Beschrijving van de deelnemers aan de pilot Van WPI heeft OIS een (geanonimiseerd) bestand ontvangen van registratiegegevens over de deelnemers aan de pilot. Het betreft registraties die gedaan zijn door de klantmanager, en zodoende is het dus ook zijn/haar zienswijze van de situatie. Bovendien is het een momentopname (namelijk aan het begin van de pilot), waardoor we geen uitspraken kunnen doen over ontwikkelingen over tijd. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers aan de pilot is jaar (tabel . ). Tien procent is jaar of ouder (met een maximumleeftijd van jaar), en % is jaar of jonger (met een minimumleeftijd van jaar). Driekwart van de deelnemers is man en een kwart is vrouw. De meeste deelnemers ontvangen nog maar sinds kort een bijstandsuitkering: % heeft minder dan jaar een uitkering, % ontvangt tussen jaar en jaar een uitkering, en % ontvangt twee jaar of langer een uitkering, met een maximum van jaar. Van de deelnemers heeft % (mede) de zorg voor kinderen. % heeft dat niet. Bijna alle deelnemers ( %) zijn full time beschikbaar voor werk. De groep deelnemers wordt verder gekenmerkt door een hoge motivatie om aan het werk te gaan: slechts % is (zeer) weinig gemotiveerd, terwijl het overgrote deel ( %) gemotiveerd is om aan het werk te gaan.
Voor % geldt dat zij zeer gemotiveerd zijn.11 Ook qua communicatieve vaardigheden scoort de groep hoog: % heeft goede communicatieve vaardigheden, % heeft zeer goede communicatieve vaardigheden, en slechts % heeft weinig communicatieve vaardigheden.12 Daarnaast is in de bestanden gekeken naar de aandachtspunten voor de klanten, zoals ingeschat door de klantmanagers. Economisch daklozen worden onder andere gekenmerkt door weinig problematiek op andere levensdomeinen (naast wonen), en dat blijkt ook uit de registraties. Als we kijken naar de opeenstapeling van problemen binnen de groep deelnemers aan de pilot, dan zien we dat het merendeel ( %) op één gebied een probleem ervaart (namelijk: huisvesting). % van de groep ervaart problemen op twee gebieden (namelijk: huisvesting in combinatie met schulden of gezondheidsproblemen), en % ervaart problemen op drie gebieden (namelijk: huisvesting in combinatie met schulden en gezondheidsproblemen). Tabel vat de resultaten samen.
11 Voor
% van de deelnemers is de motivatie onbekend. % van de deelnemers is de score op communicatie onbekend. Onduidelijk is overigens hoe goed de kwaliteit is van de registraties. Ook is het goed om te beseffen dat het gaat om de inschatting van de klantmanager, het is dus per definitie subjectief.
12 Voor
Tabel . Kenmerken van de pilot-deelnemers
Leeftijd gemiddeld Geslacht man vrouw Duur uitkering < jaar - jaar > jaar Motivatie zeer gemotiveerd gemotiveerd niet gemotiveerd helemaal niet gemotiveerd niet ingevuld Communicatie zeer goed goed slecht niet ingevuld Beschikbaarheid voor werk dagdelen dagdelen dagdelen Aantal aandachtsgebieden
jaar % %
%
%
%
%
bron: gemeente Amsterdam/RAAK, mei
Achtergrond
In dit rapport gebruiken we drie theoretische concepten die samenhangen met de vraag wat de impact is van meer geld, meer begeleiding en tijdelijk onderdak op de situatie van economisch daklozen. Het gaat om zelfredzaamheid, schaarste en doenvermogen. Deze drie concepten hangen nauw met elkaar samen en beschrijven alle drie de aspecten van de mate waarin iemand in staat is zelfstandig te functioneren of zelfstandig hulp kan inschakelen als het (even) niet gaat. Naast het beschrijven van deze drie wetenschappelijke concepten, geeft dit hoofdstuk ook kort inzicht in de bestaande literatuur over de impact van meer geld, meer begeleiding en tijdelijk onderdak op het leven van (economisch) daklozen.
. Theoretische concepten Zelfredzaamheid Onder zelfredzaamheid wordt verstaan ‘het realiseren van een acceptabel niveau van functioneren op de belangrijke domeinen van het dagelijks leven, indien nodig door de juiste hulp te organiseren op het moment dat een daling van het functioneringsniveau dreigt of plaatsvindt, die de persoon niet zelf kan voorkomen of verhelpen’ (Lauriks et al., ). De zelfredzaamheid van een persoon omvat verschillende levensdomeinen, zoals financiën, wonen, sociale relaties, activiteiten dagelijks leven, fysieke en psychische gezondheid (Lauriks et al., )13. Economisch daklozen onderscheiden zich van ‘klassieke’ daklozen doordat ze op minder levensdomeinen problemen ervaren; in andere woorden, ze zijn meer zelfredzaam. Ze zijn vaak korter dakloos, en komen uit een relatief welvarende positie met een baan en een vaste woonplek. Vaak komen ze in de situatie terecht door bijvoorbeeld baanverlies of door een echtscheiding. Er is meestal geen sprake van GGZ-problematiek en/of een verslaving bij deze groep (Slis, ), in tegenstelling tot de ‘klassieke’ groep van daklozen waar veel GGZproblematiek speelt. Er zijn ook andere benamingen voor de groep economisch daklozen die vaak worden gebruikt: zelfredzame daklozen, nieuwe daklozen, onzichtbare daklozen, bankslapers, bankhoppers, stropdas daklozen, pechmannen, zelfredzame adreslozen (Platform , ).
Wij gebruiken in dit rapport het begrip ‘economisch daklozen’. De Amsterdamse ombudsman ( ) constateert echter dat economisch daklozen in de praktijk na jaren zo zijn afgegleden dat ze alsnog als ‘beperkt zelfredzaam’ gekwalificeerd zouden moeten worden. Ook blijkt het lastig om precies de vinger te krijgen achter de omvang en kenmerken van de groep economisch daklozen. Zo constateren Coumans et al. ( ) dat het ’zeer moeilijk (is) vast te stellen of iemand door economische factoren in de dakloosheid belandde of die weg al grotendeels had afgelegd en daardoor het werk verloor’. Ook ‘bleek een heel groot deel van de daklozen ook in het verleden uit een situatie van relatieve armoede te komen’ (Coumans et al., ). Niettemin hanteert de gemeente Amsterdam de tweedeling tussen ‘klassieke’ daklozen en economisch daklozen, waarbij voor economisch daklozen wordt
13 Alle
domeinen van zelfredzaamheid zijn: financiën, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale activiteiten dagelijks leven, instrumentele activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie.
verondersteld dat er een relatief grote zelfredzaamheid is op verschillende domeinen. Daardoor hebben zij geen recht op maatschappelijke ondersteuning. Schaarste De theorie van schaarste (Mullainathan & Shafir, ) verklaart wat de effecten kunnen zijn van (financiële) schaarste bij mensen. Schaarste kan zich op meerdere gebieden manifesteren, zoals een tekort aan geld, maar ook aan liefde bijvoorbeeld of aan tijd. Wat centraal staat in deze theorie is dat schaarste bij mensen leidt tot een ‘verminderde bandbreedte’, dat wordt gedefinieerd als ’een maatstaf voor de hoeveelheid bewerkingen die onze hersenen aankunnen, ons vermogen om aandacht op te brengen, om goede beslissingen te nemen, om vast te houden aan onze plannen en om verleidingen te weerstaan’ (Mullainathan & Shafir, ). Een verminderde bandbreedte vermindert enerzijds het mentale vermogen om problemen op te lossen, informatie op te slaan en logisch te redeneren. Anderzijds vermindert het de capaciteiten om vooruit te denken, concentratie te hebben, en het in gang zetten of onderdrukken van handelingen en het reguleren van impulsen. Mullainathan & Shafir ( ) laten in hun theorie zien dat schaarste zelfs effect op het IQ heeft: als de schaarste langer voortduurt, daalt het IQ met gemiddeld tot punten. Ook kan (financiële) schaarste een grote impact hebben op andere leefgebieden.
Arme mensen lenen meer, sparen minder, sporten minder, drinken meer, roken meer, en eten ongezonder (Bregman, ). Het verminderen van de armoede kan de bandbreedte vergroten, waardoor mensen ruimte kunnen krijgen om meer op lange termijn te kunnen denken. Uit onder andere een onderzoek van Muzus ( ) blijkt dat economisch daklozen mogelijk een te lage bijstandsnorm hebben om in hun bestaanskosten te kunnen voorzien. Ze maken meer kosten voor tijdelijk onderdak en voor bijvoorbeeld boodschappen dan betaald kan worden met de verlaagde uitkering. Economisch daklozen kunnen daarom baat hebben bij een hogere bijstandsnorm om de financiële stress te verminderen (Muzus, ). Indien de bijstandsnorm te laag is lijden de economisch daklozen aan financiële schaarste. Doenvermogen Traditioneel wordt er altijd gekeken naar het denk- en oordeelsvermogen van mensen als het gaat om hun zelfredzaamheid. Het denkvermogen omvat bijvoorbeeld intelligentie, kennis en basisvaardigheden als lezen en schrijven. Er zijn limitaties aan het vermogen van mensen om informatie te wegen en rationele keuzes te maken door verschillen in intelligentie en cognitieve vaardigheden. Het WRR ( ) gaat echter een stap verder, en betoogt dat het denkvermogen niet alles verklaart, maar samen met het doenvermogen de mentale vermogens bepaalt (WRR, 14).
Het doenvermogen houdt in dat zelfredzaamheid niet alleen afhangt van het (cognitief) begrijpen van zaken, maar ook van allerlei andere mentale vermogens: het daadwerkelijk maken van een plan, in actie komen, volhouden en kunnen omgaan met verleidingen en tegenslag. Vooral in stresssituaties komt het doenvermogen onder druk te staan. Bij economisch daklozen kan het doenvermogen tijdelijk lager zijn, door de stress die de woon- en financiële situatie met zich meebrengt. Het sec informeren van mensen is dan onvoldoende om hen in actie te laten komen. Met andere woorden: ‘weten is nog geen doen’. In de dienstverlening aan economisch daklozen is het belangrijk om rekening te houden met een beperkter doenvermogen. Concepten in samenhang Zoals gezegd, de concepten van zelfredzaamheid, schaarste en doenvermogen hangen nauw met elkaar samen. Figuur . geeft weer hoe die samenhang eruit ziet in de uitgangssituatie: in het geval van voldoende zelfredzaamheid. 14 WRR (
). Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid. Den Haag: WRR.
Figuur . . Uitgangssituatie – zelfredzaam functioneren
Bronnen: WRR (2017), Lauriks et al. (2017), Mullainathan & Shafir (2013); bewerking OIS
Zoals figuur . aangeeft, wordt de mate van zelfredzaamheid van een persoon niet alleen veroorzaakt door het denkvermogen, maar juist ook door het doenvermogen. Met andere woorden, iemand kan mogelijk wel begrijpen wat hij/zij moet doen om zelfredzaam te zijn, maar zal niet altijd in staat zijn om ook de nodige stappen te zetten om goed te kunnen functioneren of daar ondersteuning in te organiseren. Of iemand voldoende doenvermogen heeft, wordt bepaald door situationele factoren, waar schaarste –bijvoorbeeld in financiële middelen- een belangrijk onderdeel van is. Schaarste zorgt er bijvoorbeeld voor dat mensen minder goed hun situatie kunnen overzien, vooral gericht zijn op het korte termijn en slechter de consequenties van beslissingen kunnen inschatten. Op die manier beïnvloedt schaarste het doenvermogen negatief, en uiteindelijk ook de zelfredzaamheid. Daarmee heeft schaarste en een laag doenvermogen ook effect op het vinden van een woning, aangezien huisvesting één van de onderdelen van zelfredzaamheid is. Kort gezegd, de hypothese in dit onderzoek is dat economisch daklozen die leven van % van het WSM financiële schaarste ervaren, waardoor hun doenvermogen vermindert en daarmee ook hun zelfredzaamheid. Uiteindelijk zorgt dit ervoor dat niet alleen het vinden van een huis moeilijk(er) is, maar heeft het ook impact op andere leefgebieden, zoals gezondheid en werk.
. Instrumenten die zelfredzaamheid, doenvermogen, bandbreedte kunnen verhogen In de literatuur zijn verschillende studies beschikbaar die laten zien dat er manieren (instrumenten) zijn om de zelfredzaamheid en/of het doenvermogen te vergroten, en/of de schaarste te verminderen (en daarmee de bandbreedte te vergroten). We bespreken deze hieronder.
Uitkering Muzus ( )15 beargumenteert dat zeker mensen die net dak- of thuisloos zijn geraakt, al dan niet met zich steeds verder opstapelende andere problematiek, baat kunnen hebben bij hogere inkomsten vanuit de bijstand om bijvoorbeeld financiële stress te verminderen en kosten te kunnen maken om de dak- of thuisloosheid op te lossen. In Canada is bijvoorbeeld een experiment gedaan naar wat extra geld kan doen met mensen die onlangs dakloos waren in de omgeving van Vancouver (Foundations for Social Change, ). Zij ontvingen eenmalig een bedrag van . Canadese dollar. Het bleek dat mensen die dit geldbedrag ontvingen, op verschillende leefgebieden vooruitgang boekten, namelijk: Sneller een stabiele woning vinden Minder dagen dakloos zijn Meer dan . dollar aan spaargeld overhouden na maanden Meer uitgeven aan voedsel, kleding en huur Een grotere voedselzekerheid bereiken Verstandige financiële keuzes maken met een significante vermindering in uitgaven aan alcohol, sigaretten en drugs Verminderd afhankelijk zijn van het opvangsysteem van zorg, resulterend in kostenbesparing voor de samenleving. Uit deze studie bleek dus dat het verminderen van de financiële schaarste, door een grote financiële impuls in één keer, heeft bijgedragen aan het vergroten van verschillende aspecten van de zelfredzaamheid.
Begeleiding Daklozen beschikken vaak niet over bureaucratische vaardigheden die nodig zijn om hun problemen op te lossen (Van Geuns, ). Het kan helpen om belemmeringen voor (het aanvragen van) voorzieningen te verminderen en de communicatie en afstemming tussen verschillende organisaties te creëren. Dit is nu één van de grootste knelpunten voor het verbeteren van de leefsituatie van daklozen (Trimbos Instituut, ). Het beter organiseren van de begeleiding kan de (economisch) dakloze helpen om het doenvermogen te vergroten. Daardoor kan hun zelf- of samenredzaamheid vergroten op verschillende gebieden, zoals financiën, huisvesting en gezondheid. Tijdelijk verblijf in een hotel Het (tijdelijk) bieden van een verblijfplaats kan de economisch dakloze rust en ruimte geven om te werken aan diverse leefgebieden (doordat de schaarste wordt verminderd), en daarmee de zelfredzaamheid vergroten. Er is geen literatuur voorhanden over de impact van tijdelijk verblijf, maar wel over de impact van het hebben van een eigen woning op andere leefgebieden. Het Housing First-model (Cuijpers, ) houdt in dat mensen eerst een eigen woning krijgen, voordat het opbouwen van een verder bestaan (op andere leefgebieden) kan beginnen.
Wanneer mensen continu bezig zijn met het zoeken naar een plek om te overnachten, zijn zij niet in staat om helder na te denken over hoe je, bijvoorbeeld, kan netwerken om een baan te vinden. Het hebben van eigen plek waar men kan slapen, eten en rusten, creëert een toestand van rust waarin de economisch dakloze mogelijk op andere leefgebieden keuzes kan maken. Het Housing First-model werkt, zo blijkt uit de cijfers van Housing First Nederland. tot procent van de daklozen waren in een stabiele levenssituatie op diverse leefgebieden, jaren na het krijgen van een eigen huis (Cuijpers, ). 15 Muzus (
). Quickscan minimale bestaanskosten dak- en thuislozen. Delft: Muzus.
Uiteraard is het verkrijgen van een tijdelijk onderdak niet hetzelfde als housing first, maar het zou wel kunnen dat het tijdelijke onderdak dezelfde impact heeft (zij het in lichtere mate) op andere leefgebieden. In de pilot wordt met alle drie deze elementen, in verschillende combinaties, geëxperimenteerd: intensievere begeleiding, tijdelijk onderdak en een hogere uitkering, met als doel de zelfredzaamheid en het doenvermogen te vergroten, en de ervaren (financiële) schaarste te verminderen. In het volgende hoofdstuk gaan we in op de resultaten van de inzet van deze drie instrumenten, en van de combinatie daarvan.
Resultaten
In dit hoofdstuk bespreken we de belangrijkste resultaten van de pilot, en de manier waarop die tot stand zijn gekomen. Hierbij baseren we ons op de interviews met de economisch daklozen en met professionals.
. Hogere uitkering Het inkomen vanuit de bijstand dat de economisch daklozen ontvangen blijkt in veel gevallen onvoldoende om de kosten die ze maken te dekken, zeker voor de mensen die % van het WSM ontvangen. Een belangrijke kostenpost is het openbaar vervoer. De deelnemers gebruiken dat bijvoorbeeld om naar hun kinderen, hun slaapplek of naar (vrijwilligers)werk te gaan. Zo zei één van de geïnterviewden: ‘’Mijn zoon zei ook kom iets leuks doen, maar dan heb ik het geld niet om bijvoorbeeld het openbaar vervoer te gebruiken om bij hem te komen’’. Daarnaast bleken geïnterviewden kosten te maken voor het overnachten in hun netwerk. Zo werd soms verwacht dat ze boodschappen deden of financieel bij te dragen aan de huur, gas en licht. Het is niet alleen dat de mensen in het netwerk dat verwachtten, ook vonden deelnemers het zelf belangrijk om financieel iets bij te kunnen dragen: “Je wilt het niet misbruiken als je hulp krijgt. Het is niet leuk weet je. Ik wilde niet gratis bij hem leven”. Andere kosten die hoger bleken voor daklozen, zijn de boodschappen. Aangezien ze zelf geen koelkast hebben of een plek om te koken, moeten ze voor al hun eten buiten de deur zijn, en kunnen ze moeilijk overgebleven voedsel bewaren. Ze zijn aangewezen op bijvoorbeeld kant-en-klaarmaaltijden of de snackbar, wat vaak duurder is dan zelf koken.
Het spanningsveld tussen wat mensen ontvangen en wat ze uitgeven, leidt tot (grote) financiële stress bij de geïnterviewden. Zo zei een vrouw: “Geestelijk doet dat veel, je moet elk dubbeltje omdraaien en nadenken kan ik dit wel betalen en hoe moet ik dat dan doen. Ik kan geen koffie kopen en een broodje doen als vriendinnen op stap gaan, want dat is gewoon twee dagen boodschappen’’. Wat de impact precies is van te weinig inkomen, werd in de interviews vooral duidelijk als ze ná een verhoging praatten hoe het eerder was of als ze nadachten hoe het zou zijn als ze nog iets meer te besteden zouden hebben. De impact is te omschrijven als: minder zorgen, meer rust en verbetering van de leefsituatie. Allereerst blijkt dat meer bijstand leidt tot minder zorgen. Dit klinkt misschien onbeduidend, maar hiermee bedoelen we een verlichting van de dagelijkse en constante zorgen over bijvoorbeeld voldoende kunnen eten of kinderen kunnen zien.
Eén van de deelnemers gaf bijvoorbeeld aan dat ze met wat meer geld, niet meer dan de volledige bijstandsnorm, minder hoofdpijn zou hebben en minder vaak zorgen zou hebben over bijvoorbeeld “ik heb nog een week te gaan en hoe doe ik dat met die twee/vijf euro?” Iemand anders legde uit dat hij door het ontvangen van meer bijstand nu niet meteen na de eerste week van de maand zich zorgen hoefde te maken over de boodschappen: “Je kan toch nog een beetje houden tot de e. […]. Dat ik toch nog twee weken boodschappen kan doen.’’ Naast verminderde zorgen, maar waarschijnlijk wel daaraan gerelateerd, maken de interviews duidelijk dat een verhoging van de bijstand leidt tot meer rust in het hoofd: ‘’Nu heb ik meer ruimte vanwege het geld. Ik word
rustiger. Ik heb de ruimte om ermee te spelen.’’ Een andere deelnemer noemde, naast de toegenomen rust, dat meer bijstand ervoor zorgde dat hij zich beter kon focussen op zijn opleiding: ‘’Je hebt meer dan wat je moet betalen en dat geeft een ruimte. Als ik bijvoorbeeld een drankje wil hebben dan kan dat. Maar ik laat dit geld voor noodzakelijke gevallen. Ik ervaar ook minder stress en ik focus meer op mijn les. Ik hoef niet te focussen op wat ik vanavond ga eten.’’ Dat meer bijstand positieve impact kan hebben op andere aspecten van de leefsituatie, blijkt ook uit het interview met de deelnemer die nu ook in staat was om meer schulden af te kunnen lossen, of de persoon die nu kleren kon kopen om er representatief uit te kunnen zien bij sollicitaties. Wat uiteindelijk ook weer een “mentaal beter gevoel (geeft) dat je daar niet meer over hoeft te stressen”. Of, zoals de solliciterende deelnemer zei: “En je hebt in je hoofd minder stress. Dat klinkt raar maar dat is echt zo. Het helpt’’. Een nuancering op bovenstaande alinea’s is dat deze resultaten minder te zien waren bij mensen die in een hotel of in een passantenhotel verbleven. Zodra een dakloze zulk tijdelijk onderdak vindt, kan de bijstand van % naar % van het WSM verhoogd worden. In deze pilot hadden alle mensen in een hotel de hogere bijstand.
Uit de interviews kwam naar voren dat de % extra die mensen ontvingen direct opging aan de huur van het hotel, maar ook dat er bijkomende kosten bij kwamen omdat ze bijvoorbeeld in het hotel nog steeds niet zelf konden koken. Zowel klantmanagers als de daklozen zelf gaven aan dat de huur van het hotel hoog was; die was rond de ( per nacht). Het verschil tussen % en % is , waardoor de verhoging niet de volledige kosten dekt. Zoals een geïnterviewde in een hotel berekende: “[…] en met alles afgetrokken houd ik over. Ik kan daar niet van rondkomen.” Uiteindelijk merkten deze deelnemers dus weinig van de verhoging, waardoor ze ook geen verbetering ervaarden in financiële stress. Zo blijkt voor veel deelnemers ook een inkomen van % van het WSM onvoldoende om de gehele financiële stress weg te nemen. De deelnemers zeiden het niet expliciet; ze waren blij met het beetje extra geld dat ze kregen. Toch komt uit de gesprekken naar voren dat zelfs met verhoging het moeilijk is om bijvoorbeeld huur te kunnen betalen van een tijdelijk verblijf, ontspannen boodschappen te kunnen doen of een buffer te hebben voor onvoorziene uitgaven.
. Tijdelijk verblijf Overnachten in sociaal netwerk Kenmerkend voor economisch daklozen is dat ze vaak verblijven bij mensen uit hun sociaal netwerk: familie, vrienden of kennissen. Veel geïnterviewden gaven echter aan dat ze dit erg vervelend vinden, om verschillende redenen. Een belangrijke reden is dat de deelnemers de relatie tot hun sociale netwerk goed willen houden. Ze willen niet tot last zijn of ze willen niet dat de vriendschappen die ze nog hebben, verstoren door een te groot beroep op ze te doen. Geïnterviewden zeiden bijvoorbeeld: “Ik voel me soms ook een last” en “Soms wil je mensen rust geven”. Dit leidt er ook toe dat ze zich vaak inhouden en niet de vrijheid voelen om zichzelf te zijn. Ze willen niet te veel aanwezig zijn en bijvoorbeeld niet te veel tijd nemen om te douchen. “Ik probeer mijzelf dan goed neer te zetten zodat ze geen slecht beeld van me krijgen: de pot leeg eten, slapen, en niks doen. Ik wil niet dat ze zo over me denken.” Andere redenen voor deelnemers om moeite te hebben met het slapen bij hun sociaal netwerk bleken bijvoorbeeld dat verwacht werd dat ze een financiële bijdrage leveren aan het huishouden, terwijl ze dat geld niet hebben
(zie ook de paragraaf hierboven), en dat ze soms in ongezonde of zelfs gevaarlijke situaties terecht kwamen. Voorbeelden daarvan zijn de deelneemster die verbleef in een kelder vol schimmel en de geïnterviewde die tijdens een verblijf in haar netwerk bedreigd werd met een mes. Uiteindelijk leidt dit er allemaal toe dat het overnachten in het netwerk veel stress met zich meebrengt. Zelf benoemden deelnemers vaak dat ze geen rust hadden door het ontbreken van een vaste verblijfplek. Een deelnemer zei heel kernachtig: “als je omgeving onrustig is, is je hoofd ook onrustig.” Ze moeten dagelijks nadenken waar ze kunnen slapen, inclusief de vraag hoe ze dan de kosten moeten betalen om daar heen te kunnen met het ov, hoe laat ze daar terecht kunnen, of het wel veilig is en hoe lang ze daar kunnen blijven. Zo legde iemand uit: “Ik zit er sowieso over na te denken. En zit veel te denken. Dat ik teveel hier ben. Of dat ik iets verkeerds gedaan wat hij niet leuk vindt. Of dat ik te laat kom.” Die onrust komt dus blijkbaar voor een groot deel voort uit de onzekerheid die het slapen bij het netwerk met zich meebrengt. Zoals een deelnemer zei: “Je weet niet wat morgen brengt. Je weet nooit wat gebeurt. Ik heb spullen bij m’n vriendin.
Zo doe ik dat, maar als je je eigen huis hebt… nu ben je nooit gerust.” Dat onrust en stress over de slaapplek invloed heeft op het welzijn van mensen, blijkt wel uit de toon die uit de citaten spreekt. De deelnemers spraken vaak emotioneel over hun situatie. De gevolgen gaan echter verder dan het welzijn; een gebrek aan veilige en stabiele woonruimte maakt ook dat de meeste mensen geen ruimte in hun hoofd hebben om andere stappen te zetten om hun situatie te verbeteren. Zo had een deelnemer wel een baan, maar gaf hij aan dat de constante zorgen over waar hij ’s avonds kon slapen invloed had op z’n werk, bijvoorbeeld omdat hij geen geld had om erheen te gaan met het ov. Een andere deelneemster met kind zei, nadat ze een plek had gekregen via HVO Querido: “Ik had niet het gevoel, de vrede of de rust om te gaan werken. Nu heb ik een buurt, nu kan ik scholen gaan bekijken. En daar kan ik me dan thuis voelen. Vastigheid, rust. Dat zorgt ervoor dat ik dingen kan gaan opbouwen. Dat ik weet dat ik niet meteen weer weg moet en dat ik een baan kan zoeken en een crèche/school in de buurt.” Kortdurende opvang Voor economisch daklozen is de kortdurende opvang, wat vroeger de nachtopvang heette, geen optie. Dat heeft zowel een bureaucratische als een persoonlijke reden. Bureaucratisch gezien heeft een economisch dakloze geen recht op kortdurende opvang.
Eén van de kenmerken van economisch daklozen is namelijk dat ze geen last hebben van psychische problemen en/of verslavingen, wat wel een eis is om tot de kortdurende opvang toegelaten te worden. De persoonlijke redenen gaan meer over de stress die het oplevert om bij een dergelijke opvang te slapen. De daklozen die ervaring hebben met de opvang spraken van geweld en de onveiligheid die ze soms voelden. Twee deelnemers lichtten hun ervaring toe. De één vertelde: “Ik was zes weken bij het Leger des heils […]. Daar zaten allemaal mensen van de straat, er was stress! Ik werd er gestresst van. […] er waren verslaafden en geweld.” De andere vertelde: “De één doet gek, het stinkt. Gedrag is anders. Ik kon het niet. Paar dagen ook geslapen in de slaapzaal. Eén oog is altijd open, iedereen is verslaafd. Misschien gaat één je vermoorden. Ik heb het een maandje volgehouden.” Tijdelijke opvang Zeven van de geïnterviewde deelnemers hadden ten tijde van het gesprek een plek in een tijdelijk (passanten-)hotel of Stayokay, variërend van een paar maanden tot een half jaar. Het tijdelijk onderdak loste een deel van de onrust op die hierboven beschreven is. Bijna alle
deelnemers noemden de rust die het opleverde, zoals deze geïnterviewde: “De rust is gekomen door het hotel. Toen kreeg ik meer rust. De eerste dag voelde ik dat het een grote opluchting was.” Deze rust komt door de mogelijkheid te hebben om even alleen te zijn, om een eigen plek te hebben, met niemand rekening te hoeven houden, en zelf dingen te kunnen bepalen. Een deelnemer legde uit: “Het is beter dat ik nu plek voor mezelf heb. Ik ben vrij, ik kan lang douchen. Bij vrienden kon ik weinig gas en elektra gebruiken, want mijn vrienden hebben weinig inkomen.’’ Uiteindelijk heeft deze rust tot gevolg dat mensen zich beter gaan voelen. Een vrouw legde uit: “Dat ik een basisplek heb en meer rust kan pakken en gewoon op andere dingen in m’n leven kan focussen.” Naast het toegenomen welzijn zien we ook dat er mensen zijn die stappen zetten om hun situatie ook op langere termijn en op andere gebieden te verbeteren, bijvoorbeeld dat ze werk gaan zoeken, meer tijd kunnen besteden aan het zoeken van een eigen huis of schulden aanpakken. Tijdelijk onderdak dient te voldoen aan de basisvoorwaarden van de individuele deelnemer om een positieve impact te hebben op zijn/haar leven. We zagen bijvoorbeeld deelnemers met slechte gezondheid die niet de mogelijkheid hadden om zelf eten te koken en bij wie de medicatie uit de gedeelde koelkast kapot werd gemaakt.
Het niet zelf kunnen zorgen voor regelmatig en gezond eten, maakte de gezondheidsklachten erger. Een ander voorbeeld is de vrouw die nu voor de tweede keer ergens tijdelijk woonde met haar kind, terwijl deze plekken eigenlijk niet gericht zijn op of geschikt zijn voor kinderen. Uiteindelijk heeft dit tot gevolg dat er geen verbetering was in de situatie van de deelnemers en zelfs soms dat er verslechtering optrad in bijvoorbeeld de gezondheid. Uitgezonderd van de mensen bij wie het tijdelijk onderdak niet voldeed aan de basisvoorwaarden, waren mensen erg blij met de mogelijkheid om ergens te slapen. Hoewel deze blijdschap en de rust voorop staat, beseften ze wel dat dit geen stabiele oplossing was. Dit besef leidde ertoe dat uiteindelijk mensen toch stress en onzekerheid ervaren. Het tijdelijke verblijf kwam vaak met de onzekerheid hoe lang mensen precies mogen blijven. Zo vertelde iemand: “Het was perfect alleen de onzekerheid. En dat is een belangrijk punt. Het is onzeker want je mag twee maanden, je mag drie maanden, afhankelijk van de maatregelen of er toeristen mogen komen, dat is onzeker. Ik moest blijven bellen: mag ik blijven of niet.” Zelfs al weten mensen dat ze zes maanden mogen blijven, levert dat alsnog stress op: ’Vanaf [het moment dat hij in het hotel verblijft] ben je aan het tellen hoe lang kan je nog verblijven in het hotel.
Ik kan daardoor niet goed slapen, omdat ik een onzekere situatie zit. Dat geeft mij veel stress.’’ Sommige mensen zien zelfs helemaal geen vooruitgang in de stress die ze ervaren, terwijl ze wel dankbaar zijn voor de plek waar ze nu zitten. Zo vertelde een man dat hij het op straat als heel zwaar had ervaren en het hotel als vooruitgang zag, maar de “stress is hetzelfde sinds ik in het hotel verblijf. Ik heb wel een plek om te slapen maar het is toch hetzelfde.’’ Een aantal van de klantmanagers vertelden dat ze ook de ervaring hebben dat sommige mensen in een tijdelijke opvang geen stappen zetten, maar “achterover gaan leunen”. We zagen dit niet direct terug in de interviews met de deelnemers, maar we zagen wel dat niet alle deelnemers in het hotel de mentale ruimte hadden om aan zichzelf te werken. De deelnemers bij wie het onderdak niet voldeed aan de basisbehoeftes, hadden ook niet de mentale ruimte om stappen te ondernemen om hun situatie duurzaam te verbeteren, zelfs al hadden ze nu tijdelijk wel een stabiele plek. Daarnaast leverde de tijdelijkheid van het onderdak ook nog een vorm van stress op, die bij de ene deelnemer meer verlammend leek te werken dan bij anderen.
. Intensieve begeleiding In de pilot werden de economische daklozen breder en intensiever begeleid: de eerste twee groepen door een maatschappelijk werker van de RBG, en de derde groep door de klantmanagers van de gemeente Amsterdam. Minder zelfredzaamheid en doenvermogen Economisch daklozen worden door de gemeente Amsterdam als ‘zelfredzaam’ gekwalificeerd (Ombudsman Metropool Amsterdam, ). Dit houdt in dat ervan uitgegaan wordt dat economisch daklozen ofwel zelf, ofwel met hulp vanuit hun netwerk, zich kunnen redden op de verschillende leefgebieden. Uit de interviews is echter gebleken dat ze niet zo zelfredzaam zijn dan wordt verwacht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat veel van de geïnterviewden niet zelfstandig actie namen om hun problemen op te lossen of hulp te vragen. Veel van hen hadden problemen op één of meerdere leefgebieden, zoals financiën, geestelijke en lichamelijke gezondheid, werk en opleiding, tijdsbesteding en sociaal netwerk. Vanzelfsprekend is huisvesting het grootste probleem dat speelt bij deze mensen. Een klantmanager zei bijvoorbeeld: ’Je kan pas zeggen dat de zelfredzaamheid duurzaam is als iemand een woonplek heeft gevonden en werk’. Achter de beperkte zelfredzaamheid gaat bij veel van de deelnemers een beperkt doenvermogen schuil.
Hoewel de geïnterviewden wel leken te weten wat nodig is om hun problemen op te lossen (denkvermogen), lukte het ze vaak niet zelfstandig om die stappen te zetten, waardoor de problemen erger werden. Zo vertelde een deelnemer: “Als ik die hulp niet zou hebben, dan zou ik doen alsof ik er niet ben. Ik zou nergens meer op reageren.’’ Een ander legde uit: “Zonder die begeleiding zou ik niets doen, zou ik het laten. Ik zou niet mijn eigen post kunnen sorteren.” Een ander voorbeeld was van een jonge deelnemer, die veel last had van boosheid doordat de dingen hem niet lukten: “Want zelf stel ik dingen vaak uit, dan denk ik ‘laat maar zitten’, dan ben ik boos enzo. Ik moet het eigenlijk zelf doen.” Baat bij praktische, intensieve begeleiding Bovenstaande citaten sluiten aan bij wat de Ombudsman in ook constateerde: economisch daklozen hebben begeleiding nodig bij hun problemen. Dat bleek ook uit de interviews: veel deelnemers, vooral die een laag doenvermogen lijken te bezitten, hebben baat bij de intensieve begeleiding. Vooral als het gaat om praktische begeleiding op verschillende leefgebieden, vonden ze deze erg behulpzaam. De geboden begeleiding tijdens de pilot kon, blijkens de interviews, adequaat inspelen op diverse praktische hulpvragen van deelnemers. Zo zei een klant: ‘Het geeft me een beter gevoel. Ik kan bij iemand terecht als ik vragen heb of ergens mee zit. Dat is fijn.