CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

01. Bekendmaking Nadere regels

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 14 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam januari 2024 en Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Amsterdam januari 2024 (VN2024-027759)41.348 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Van noodzaak is slechts sprake indien de beperkingen niet te voorzien waren, doordat ze bijvoorbeeld plotseling ontstaan zijn en het normale gebruik van de woning daadwerkelijk belemmeren. Hiervan kan sprake zijn als er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning. De beperkingen moeten voorts in of bij de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid en de bereikbaarheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden. 39

b. Verhuizen naar zelfstandige woning. Uitgangspunt is dat men naar een - zelfstandige - woning gaat verhuizen, en niet naar kamers of een niet-zelfstandige woonruimte. Van een niet-zelfstandige woonruimte is sprake, als de wezenlijke voorzieningen zich buiten de eigenlijke woonruimte bevinden. Als wezenlijke voorzieningen worden de keuken en het toilet aangemerkt. c. Verhuizen naar geschikte woning. De tegemoetkoming wordt alleen uitbetaald indien de te betrekken woonruimte voldoet aan de gestelde wooneisen en aan de overige voorwaarden uit de Wmo-verordening 2015. De eisen waaraan de nieuwe woonruimte moet voldoen worden in de beschikking opgenomen. In de beschikking wordt de toezegging gedaan dat een financiële tegemoetkoming van een verhuizing wordt toegekend, onder voorwaarde dat in de (nog te zoeken en te vinden) woning de beperkingen zullen worden weggenomen of aanzienlijk verminderd. Als een woonruimte beschikbaar is die voldoet aan de wooneis bestaat de mogelijkheid dat in die woonruimte aanpassing nog steeds noodzakelijk is, maar dat de kosten van de aanpassing aanzienlijk lager zullen zijn dan wanneer de persoon met beperkingen niet zou verhuizen. d. Verhuizen naar interim-woning. Personen die verblijven in een revalidatiecentrum moeten vertrekken nadat de behandeling voltooid is.

Als hun woning ongeschikt is en ook niet geschikt is te maken, is een verhuizing onvermijdelijk. Het kan voorkomen dat op korte termijn geen geschikte (rolstoel)woning beschikbaar is. Omdat verblijf in het revalidatiecentrum niet meer noodzakelijk is, bestaat dan de mogelijkheid te verhuizen naar een interim-woning. Dat is een (rolstoel)woning die niet geheel voldoet omdat hij te klein is (bijvoorbeeld te weinig kamers in relatie tot de gezinsgrootte) of in een verkeerd deel van Amsterdam ligt (bijvoorbeeld vanwege mantelzorg). In afwachting van het beschikbaar komen van een woning die wel voldoet, kan men verhuizen naar een interim-woning en dan een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing krijgen. Bij de daaropvolgende verhuizing naar de ‘definitieve’ (wel passende) rolstoelwoning kan men wederom in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. Dit wordt bij de verhuizing naar de interim-woning vastgelegd in de beschikking. De aanpassingen die aan de interim-woning zullen plaatsvinden, zijn minimaal. Uitsluitingen a. Oude woning verlaten voordat aanvraag is ingediend. Woont een persoon met beperkingen niet meer in de woonruimte op het moment dat een aanvraag wordt ingediend, dan dient de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing achteraf beoordeeld te worden.

Onderzocht wordt wat in deze situatie de goedkoopst adequate oplossing was geweest. De omstandigheden van de oude woonruimte worden bij de besluitvorming betrokken. Voor huurders geldt dus dat de financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in beginsel niet verleend wordt als een huuropzegging heeft plaatsgevonden voordat bij de gemeente een aanvraag is ingediend. Als huuropzegging wordt beschouwd de laatste dag waarop voor de te verlaten woning nog huur verschuldigd was en leeg opgeleverd moet worden. Voor woningeigenaren geldt hetzelfde: de aanvraag moet zijn ingediend voor de dag waarop de woning leeg opgeleverd moet zijn. Als de aanvraag voor huuropzegging, of in geval van verkoop voor het leeg opleveren van de woning, is ingediend dan is het college in de gelegenheid advies in te winnen over de aard en omvang van de door belanghebbende ondervonden beperkingen en aan de hand van de door de extern adviseur uitgebrachte rapportage uit te maken wat in de gegeven omstandigheden de 40

meest adequate oplossing is. Het college zal op basis hiervan een beslissing nemen over de aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. b. Verhuizen naar bijzonder type woonruimte. Een financiële tegemoetkoming is uitgesloten voor verhuizing naar een woonruimte die niet bestemd is om het gehele jaar te bewonen (bijvoorbeeld verhuizing naar vakantiehuizen). Als verhuisd wordt naar een Wlz-instelling, verzorgingshuis, verpleeghuis of een andere mede door de Wlz gefinancierde woonzorgvorm dan komt de persoon met beperkingen niet voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing in aanmerking. Bij verhuizing naar een woonruimte waarvoor geen huurovereenkomst maar een verzorgingsovereenkomst is afgesloten komt men niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. c. Algemeen gebruikelijke verhuizingen. De kosten van een algemeen gebruikelijke verhuizing geven de persoon met beperkingen geen meerkosten ten opzichte van anderen. Daarom wordt bij een algemeen gebruikelijke verhuizing geen financiële tegemoetkoming toegekend. Voorbeelden zijn: - Voor het eerst in Nederland zelfstandig gaan wonen, zoals kinderen die zelfstandig gaan wonen, en immigranten die eerst bij familie of vrienden gaan inwonen, en vervolgens een eigen woonruimte betrekken.

Dit geldt ook voor remigranten; - Verhuizen om economische redenen: een verhuizing die noodzakelijk is omdat elders ander werk wordt aanvaard; - Langzaam toenemende beperkingen, waarbij is te voorzien dat er op termijn aanpassingen in de woning nodig zijn; - Verhuizen uit een woning waarvan duidelijk is dat bewoning tijdelijk is, bijvoorbeeld omdat er een tijdelijke huurovereenkomst is die eindig is op redelijk korte termijn. Hierbij geldt dat per aanvraag een afweging wordt gemaakt op basis van de persoonlijke omstandigheden, gezinssituatie en woonsituatie. De capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien wordt ook bij de afweging betrokken. Aan persoon zonder beperkingen De gemeente stelt voor een verhuizing, waardoor een rolstoelgeschikte woning vrijkomt voor een persoon met beperkingen, een financiële tegemoetkoming beschikbaar. Sinds 1 augustus 2003 kan op grond van het huurrecht in het huurcontract een bepaling worden opgenomen waardoor verhuizing van de achtergebleven huisgenoten na vertrek of overlijden van de persoon met beperkingen niet langer een vrijwillige aangelegenheid is, maar rechtens afdwingbaar. 4.8.2

Woonruimteaanpassingen

a Productbeschrijving Woonruimteaanpassingen zijn voorzieningen die bestaan uit een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte. Ze worden aard- en nagelvast aangebracht. Dat betekent dat deze voorzieningen niet uit de woning zijn te verwijderen zonder daarbij gebruik te maken van gereedschap. Losse woonvoorzieningen, zoals doucherolstoelen, kan men ‘onder de arm’ meenemen. Dit worden daarom roerende woonvoorzieningen genoemd. Woonruimteaanpassingen beogen de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te maken door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van de belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Doorgaans wordt één verdieping aangepast. Liggen de woonactiviteiten verspreid 41

over meerdere woonlagen, dan doet de gemeente in eerste instantie een appèl op het reorganisatievermogen van de betrokkene en diens sociale omgeving. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn buitenshuis aanpassingen aan te brengen. Bijvoorbeeld het aanpassen van de oprit naar de woning. Deze aanpassing wordt in het kader van de Wmo verricht omdat de aanpassing noodzakelijk is om de beperkingen die de belanghebbende bij het betreden van de woning ondervindt op te heffen of te verminderen. Een aanpassing buitenshuis kan ook noodzakelijk zijn als de aanpassing het gevolg is van een Wmo-verstrekking, zoals het aanbrengen van een oplaadpunt voor een scootmobiel. De woonruimte wordt aangepast overeenkomstig het uitvoeringsniveau van een sociale huurwoning. Bij aanpassingen die naar verwachting de grens van het bij het primaat verhuizen in het Financieel besluit opgenomen bedrag te boven gaan, wordt vanaf de start van de melding het alternatief van verhuizen meegenomen. Onder woonruimteaanpassingen vallen onder andere: verbreden van deuren, aanpassing in de douche/badkamer (plaatsen van een drempelhulp, aanbrengen van een stroeve douchevloer), aanpassing in de keuken (plaatsen van een onderrijdbare keuken), trapliften, vaste patiëntenlift (plafondlift).

Ten behoeve van elektrische rolstoelen en/of scootmobielen tevens het aanleggen van een elektriciteitsvoorziening voor het opladen van accu's en aanpassing van de bestrating. De verhoogde toiletpot (6+ en 10+) en het plaatsen van beugels en steunen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. b Voorwaarden voor verstrekking Hoofdverblijf Op grond van de Wmo-verordening 2015 beperkt het verlenen van woonvoorzieningen zich tot het hoofdverblijf van de persoon met beperkingen. Een aanpassing is in beginsel alleen mogelijk van een woonruimte waar de belanghebbende daadwerkelijk zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin een belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling. Het college bepaalt of eenmalig een woonruimte wordt aangepast waar een persoon met beperkingen vaak verblijft. Het gaat dan om het bezoekbaar maken van een woonruimte door woonruimteaanpassingen voor het toegankelijk maken van de entree, de woonkamer en het toilet. De belanghebbende verblijft in die woonruimte slechts beperkt en het is dan ook redelijk, dat geen volledige, maar een beperkte aanpassing plaatsvindt. Het komt met name bij kinderen die in een Wlz-instelling verblijven steeds vaker voor dat zij in de weekends en gedurende de vakanties voor een langere periode naar het ouderlijk huis gaan.

Daarom is het ook mogelijk de ouderlijke woning logeerbaar te maken. Hierbij gaat het om het toegankelijk maken van de woning en het toegankelijk en bruikbaar maken van de slaapkamer, de douche en het toilet. Naar analogie van het beleid ten aanzien van kinderen die in een Wlz-instelling verblijven, kan ook, indien de ouders van een gehandicapt kind gescheiden leven, de tweede woning worden aangepast en logeerbaar worden gemaakt. Daarbij moet worden gedacht aan de situatie van gehandicapte kinderen die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Het spreekt voor zich dat dit alleen geldt voor woningen in Amsterdam. Voor roerende woonvoorzieningen geldt dat in beginsel slechts één roerende voorziening wordt verstrekt waarover ouders onderling afspraken maken. 42

Gemeenschappelijke ruimten Een tegemoetkoming voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten (bijvoorbeeld de aanleg van een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de toegang van het woongebouw) wordt alleen dan verstrekt als de persoon met beperkingen de toegang tot de woonruimte uitsluitend vanuit de gemeenschappelijke ruimten kan bereiken na het realiseren van deze aanpassing. De gemeenschappelijke ruimten betreffen voornamelijk entrees, trapportalen en portieken van woongebouwen. Het aanpassen van een gemeenschappelijke recreatieruimte wordt niet gecompenseerd. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen Voor woonwagens met een vaste standplaats, woonschepen met een officiële ligplaats en het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde regels als voor zelfstandige woningen. Personen met beperkingen ondervinden in deze woonvormen echter eerder problemen die ook ernstiger van aard zijn dan bij woningen. Dit houdt verband met de specifieke vormgeving van deze woonvormen. Aanpassingen moeten passen in het karakter van woonschepen en woonwagens. Aanvragen voor een overdekte overgang van de woonwagen naar het douche-/toiletgebouw komen bijvoorbeeld niet voor een vergoeding in aanmerking, omdat één van de kenmerken van het wonen in een woonwagen is dat het toilet zich buiten de wagen bevindt. Woonwagens, woonschepen en binnenschepen hebben een kortere levensduur dan woningen.

De voorziening kan slechts worden toegekend indien de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan tot de (technische) levensduur van de woonvorm. Hieronder wordt verstaan dat een woonschip en een woonwagen alleen aangepast worden als de resterende technische levensduur minimaal vijf jaar is en de lig- c.q. standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt. ADL-woningen Een ADL-woning is een woning die deel uitmaakt van een aantal bij elkaar horende rolstoeldoorgankelijke woningen (onder andere bekend als Fokuswoningen). ADL-woningen zijn bedoeld voor mensen met een zwaar lichamelijke beperking die zijn aangewezen op hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL-assistentie) vanuit een centraal gelegen unit. Individuele woonvoorzieningen in bestaande ADL-woningen worden verstrekt in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Hiermee is het aanspraakniveau van woonvoorzieningen in ADL-woningen gelijk aan dat van alle andere Amsterdamse woningen. Voor de volgende collectieve voorzieningen kunnen bewoners niet bij de Wmo terecht: het alarmintercomsysteem, het sanitair (waaronder het hoog/laagbad) en de deurmotoren in de ADLunit. Traplift Bij het overbruggen van hoogteverschillen bij het betreden van de woning en bij het verplaatsen binnenshuis kan het installeren van een of meer trapliften een adequate oplossing zijn.

Uitgangspunt voor toekenning van de voorziening is dezelfde als bij de afweging aanpassen/verhuizen. Bij plaatsing van trapliften in gemeenschappelijke trapportalen moet worden voldaan aan de eisen van de brandveiligheid zoals die door het college van burgemeester en wethouders zijn vastgesteld. 43

Bedieningselementen Om het normale gebruik van deuren, keukenkastjes en dergelijke mogelijk te maken, kan het noodzakelijk zijn een voorziening te treffen. Voorbeelden zijn het aanbrengen van elektrische deuropeners, bedieningsapparatuur voor (buiten)zonwering, maar soms ook voor het installeren van speciale knoppen op de centrale verwarming, de thermostaat van de centrale verwarming voor blinden of slechtzienden of speciale knoppen op keukenkastjes, waarbij deze worden beschouwd als vast onderdeel van de keuken. Bedieningselementen die in relatie staan tot aard- en nagelvaste zaken in de woning worden wel verstrekt, maar als het gaat om de bediening van losse of inrichtingselementen wordt geen voorziening verstrekt (zoals voor speciale knoppen op het gasfornuis of op kasten). Voor het openen en sluiten van gordijnen geldt een uitzondering. Indien installeren van een bedieningselement (een motor) de enige oplossing is, is verstrekking hiervan wel mogelijk. Stalling van een scootmobiel Voor verstrekking van een scootmobiel geldt als voorwaarde dat er een geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is of te realiseren moet zijn. Het betreft een voorziening die het mogelijk maakt de scootmobiel te stallen en op te laden.

Dit kan op drie verschillende manieren: bij de woning: plaatsen van haak en oplaadpunt en leveren van beschermhoes, onder voorwaarde dat de persoon met beperkingen de haak, het oplaadpunt en de hoes kan hanteren; binnen de woning of wooncomplex: aanpassing van bestaande berging, aanpassing binnenruimte van de woning of aanpassing gemeenschappelijke ruimte wooncomplex; bij de woning: vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een openbare overdekte stalling. Indien er een scootmobielpool is en de persoon met beperkingen kan hier gebruik van maken is dat een voorliggende oplossing en worden geen aanpassingen ten behoeve van stalling gedaan. Als er geen geschikte stallingsmogelijkheid aanwezig is en een eventuele scootmobielpool is geen adequate oplossing dan wordt beoordeeld welke van de drie manieren de goedkoopst adequate oplossing biedt. Uitsluitingen a. Ruimte wordt bestemd voor andere doeleinden Als een ruimte wordt bestemd voor andere doeleinden - bijvoorbeeld een slaapkamer wordt studeerkamer of hobbykamer – beperkt de aanpassing zich tot het toegankelijk en bruikbaar maken van de ruimte voor zover het de oorspronkelijke functie betreft, in dit geval dus van slaapkamer. Alles wat extra nodig is om van die ruimte een hobbykamer of studeerkamer te maken, komt voor eigen rekening. b.

Aanpassingen uit therapeutisch oogpunt Aanpassingen uit therapeutisch oogpunt zijn uitgesloten omdat zij geen problemen in het normale gebruik van de woning wegnemen. Het gaat bijvoorbeeld om het plaatsen van een ligbad. De uitraasruimte, waar later nog op terug wordt gekomen, vormt hier een uitzondering op. c. Aanpassingen ten behoeve van derden Aanpassingen ten behoeve van derden zijn niet mogelijk, bijvoorbeeld ter voorkoming van door de persoon met beperkingen veroorzaakte geluidsoverlast, uit oppas- of verzorgingsoverwegingen (bijvoorbeeld de aanbouw van een kamer voor een verpleegkundige). d. Verhuizing naar ongeschikte woning Bij verhuizing naar een ongeschikte woning komen de noodzakelijke aanpassingen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat bij een dergelijke verhuizing de problemen voorzienbaar waren. 44

e. Inrichtingselementen Het aanbrengen van inrichtingselementen, zoals kasten, (keramische of inductie) kookplaten, stoffering en zonneschermen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ook centrale verwarmingsinstallaties en douches worden niet aangebracht in de woning. Dit zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen die vallen onder woningverbetering en het aanpassen van een woning aan de eisen van de tijd. Eigenaar/bewoner Bij aankoop van een (nieuwbouw)woning worden geen woonvoorzieningen verstrekt als ten tijde van het sluiten van het definitieve koopcontract te voorzien was dat in deze woonruimte aantoonbare beperkingen zouden worden ondervonden. Zou een hoger bedrag dan het in het Financieel besluit vastgelegde bedrag nodig zijn, dan is men voor verstrekking vanuit de Wmo verkeerd verhuisd. Het is dus van belang dat vooraf, in opdracht van het college, een bouwkundige beoordeelt of de woning geschikt is en wat de eventuele kosten van een noodzakelijke woningaanpassing zullen zijn.

Medewerking woningeigenaar In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is in artikel 2.3.7 vastgelegd dat, als het college heeft besloten om een woningaanpassing te verstrekken voor een woning waarvan de Amsterdammer met beperkingen niet de eigenaar is, het college dan wel de Amsterdammer met beperkingen, bevoegd is om zonder toestemming van de eigenaar deze woningaanpassing aan te (laten) brengen. De gemeente dient wel vooraf de woningeigenaar te horen. De medewerking van verhuurders kan worden gestimuleerd door het verlenen van een financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving. Het plaatsen van een of meer trapliften in een gemeenschappelijk trappenhuis is daarnaast onderhevig aan de eisen van brandveiligheid die de gemeente Amsterdam hiervoor hanteert. Het is aan de woningeigenaar om medebewoners over de aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten te informeren. 4.8.3 Roerende woonvoorzieningen Roerende woonvoorzieningen zijn woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Het gaat uitsluitend om tilliften en losse sanitaire voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn. Tilliften a Productbeschrijving De tillift is een hulpmiddel voor transfers in en uit het bed, naar en van het toilet enzovoort. Het verplaatsen van een persoon met beperkingen vanuit en naar de rolstoel kan in een aantal gevallen problemen opleveren.

Een tillift kan dan een oplossing bieden. Er zijn verschillende soorten tilliften, te weten: vaste of plafondliften (deze vallen onder de woonruimteaanpassingen omdat ze aard- en nagelvast zijn aangebracht in de woning) en losse mobiele tilliften. De tillift wordt in bruikleen verstrekt of als Pgb. b Voorwaarden voor verstrekking Uitgangspunt bij deze voorziening is dat een persoon met beperkingen niet in staat is zelfstandig in en uit bed te gaan, noch zelfstandig in een rolstoel plaats kan nemen. De persoon met beperkingen moet langdurig op het gebruik van deze voorziening zijn aangewezen. De functiebeperkingen van de betrokkene spelen een belangrijke rol. Een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning kan gebonden zijn aan een bepaald type tillift. 45

Een mobiele tillift heeft de voorkeur omdat dit doorgaans de goedkoopste oplossing biedt. Of een mobiele tillift mogelijk is hangt af van de bouwkundige situatie ter plekke, de beschikbare ruimte en de noodzakelijke lichaamsondersteuning die de voorziening moet bieden. Als er voldoende ruimte is, kan de keuze vallen op een mobiele tillift, anders ligt een vaste plafondlift meer voor de hand. Losse sanitaire voorzieningen a Productbeschrijving Losse sanitaire voorzieningen zijn hulpmiddelen bij het baden, douchen en toiletgebruik. Op grond van de Wmo komen de volgende voorzieningen voor verstrekking in aanmerking: doucherolstoelen, douchebrancards, badliften en de toiletlift. De toiletstoel, douchestoel, douchetoiletstoel, bad- of douchekruk (al dan niet in hoogte verstelbaar), toiletverhoger (6+ en 10+), badzitje en badplank worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Deze voorzieningen zijn niet algemeen gebruikelijk als het noodzakelijk is dat zij verrijdbaar of kantelbaar zijn of op het individu moeten worden aangepast. De voorzieningen die voor verstrekking in aanmerking komen krijgt men in bruikleen of als Pgb.

b Voorwaarden voor verstrekking Uitgangspunt bij de verstrekking is dat een persoon met beperkingen niet staande kan douchen of problemen ondervindt bij de toiletgang of bij het gebruik van het bad en een algemeen gebruikelijke voorziening of een algemene voorziening (zie Wmo-verordening 2015 artikel 3.6) de beperkingen niet (voldoende) opheft. 4.8.4 Onderhoud, keuring en reparaties van voorzieningen a Productbeschrijving Reparaties, onderhoud en - indien noodzakelijk - keuringen van toegekende voorzieningen, bijvoorbeeld van trapliften, inrichtingen voor het verstellen van keukenblokken, elektromechanische openings- en sluitingsapparaten van deuren, washairs (voor reiniging na toiletgebruik), sanibroyeurs (vermaler bij tweede toilet), halofoons maar ook tilliften, douche- en toiletstoelen. b Voorwaarden voor verstrekking Reparatie-, onderhouds- en vervangingswerkzaamheden alsmede eventuele keuringen behoren in principe tot de verplichting van de eigenaar van de woning. De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van voorzieningen die in het kader van de Wmo verstrekt zijn, komen echter voor rekening van de gemeente. 4.8.5a Financiële tegemoetkoming tijdelijke huisvesting a Productbeschrijving Een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting voor een periode van maximaal 6 maanden, gerekend vanaf de tweede maand.

De tegemoetkoming wordt berekend op basis van het huurbedrag (exclusief eventuele individuele stookkosten) dat per maand is verschuldigd voor de woning die men wel moet huren maar nog niet kan gebruiken vanwege nog uit te voeren woonruimteaanpassingen. Indien de cliënt voor de woning recht heeft op huurtoeslag dan wordt dit in mindering gebracht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming stopt zodra de woonruimteaanpassingen zijn opgeleverd. b Voorwaarden voor verstrekking Wanneer een woonruimte van een belanghebbende wordt aangepast, is deze soms genoodzaakt tijdelijk elders te wonen. Ook kan de situatie zich voordoen, dat een belanghebbende of zijn 46

verzorger al een andere woonruimte heeft gehuurd, doch deze nog niet kunnen betrekken, omdat daarin nog aanpassingen moeten plaatsvinden en het niet mogelijk is zonder deze aanpassingen normaal gebruik van de woning te maken. Voor de periode dat dit noodzakelijk is, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke huisvesting worden overgegaan. De tegemoetkoming heeft betrekking op de kosten die gemaakt worden in verband met het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte, het tijdelijke betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte of de huur van de nieuwe woning zolang die nog niet betrokken kan worden. De eerste maand huur wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd, daarom gaat de vergoeding in vanaf de tweede maand van leegstand. Deze regeling is ook van toepassing op tijdelijke niet-zelfstandige woonruimte als de huidige woning niet meer bruikbaar is en iemand is opgenomen in een verpleeghuis ter revalidatie en de terugkeer naar de eigen woning pas mogelijk is nadat de noodzakelijke aanpassingen zijn uitgevoerd. De tegemoetkoming in de kosten wordt dan verstrekt als voor het verblijf in het verpleeghuis een eigen bijdrage is verschuldigd.

4.8.5b Financiële tegemoetkoming bij huurderving a Productbeschrijving Een financiële tegemoetkoming aan de verhuurder voor de kosten van huurderving van een aangepaste (rolstoelgeschikte) woonruimte voor een periode van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf de tweede maand van leegstand. De tegemoetkoming wordt berekend op basis van de kale huur (huur exclusief servicekosten, watergeld, eventuele stookkosten e.d.) van de betreffende woning. b Voorwaarden voor verstrekking Zowel gemeenten als verhuurders hebben er belang bij dat al aangepaste woningen weer opnieuw aan personen met een beperking worden toegewezen. Het vinden van een geschikte kandidaat die baat heeft bij de woonruimte zal veelal enige tijd in beslag nemen. Deze vergoeding bevordert dat de desbetreffende aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor personen met een beperking. Aan de eigenaar van de woonruimte kan een financiële tegemoetkoming worden verleend indien ten gevolge van huurbeëindiging van de aangepaste woonruimte niet direct een geschikte kandidaat aanwezig is en de eigenaar huurinkomsten moet derven. De eerste maand leegstand wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd bij het leegkomen van een woning en zijn als frictiekosten aan te merken. Daarom gaat de vergoeding in vanaf de tweede maand van leegstand.

Hergebruik Een woning die eenmaal is aangepast, wordt bij voorkeur ook in de toekomst weer aan een persoon met beperkingen toegewezen. Met de woningcorporaties zijn hierover afspraken gemaakt. Woningen, gebouwd of aangepast voor personen met beperkingen (onder andere rolstoelwoningen en ADL-woningen), zijn opgenomen in een apart bestand en worden voor deze groep gereserveerd. Komt een dergelijke woning vrij, maar is niet direct een geschikte kandidaat voorhanden, dan kan de eigenaar een vergoeding voor huurderving aanvragen. Met geschikte kandidaat wordt een persoon bedoeld voor wie de woning, gelet op diens beperkingen, adequaat is te achten. ~ 4.8.6 Uitraasruimte a Productbeschrijving 47

Ruimte waarin een persoon met beperkingen die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. De volgende woonruimteaanpassingen zijn mogelijk: het verwijderen van gevaarlijke onderdelen uit de slaapkamer van de persoon met beperkingen zoals het omhoog brengen van een radiator en het aanbrengen van veiligheidsglas maar ook het omheinen van de tuin en het afsluitbaar maken van andere (slaap)kamers zodat deze niet ongewenst betreden kunnen worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling de woning te veranderen in een privékliniek. b Voorwaarden voor verstrekking In het algemeen komen woonruimteaanpassingen alleen voor vergoeding in aanmerking als er sprake is van het wegnemen of aanzienlijk doen verminderen van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Voor een beperkte groep kinderen geldt hierop een uitzondering. Het gaat om kinderen met onbeheersbaar en oncontroleerbaar gedrag waarbij normale oppas- en zorgmaatregelen die je van ouders mag verwachten niet voldoende bescherming bieden. Therapeutische behandeling biedt daarbij geen soelaas. Het is dan noodzakelijk een aantal aanpassingen te verrichten in de sfeer van veiligheid die de bruikbaarheid van de woning vergroten. Zonder aanpassingen is het onmogelijk deze kinderen (langer) thuis te laten wonen.

In sommige gevallen kan een verhuizing naar een grotere woning noodzakelijk zijn zodat het betreffende kind over een eigen kamer kan beschikken. Een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing behoort dan tot de mogelijkheden. Het maken van een ‘echte’ uitraasruimte (in een aparte kamer) is in Amsterdam meestal niet mogelijk vanwege de aard van de woningvoorraad: veel kleine huur(etage)woningen. Daarom is gekozen voor de bovenstaande oplossing die toch in bepaalde gevallen uitkomst kan bieden. De uitraasruimte is niet bedoeld om overlast voor huisgenoten en omwonenden te beperken. 4.9 Hulp bij het huishouden (artikel 4.8 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Hulp bij het huishouden (Hbh) is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten bij Amsterdammers die deze niet of niet meer zelf kunnen (regelen). De gemeente Amsterdam onderscheidt vijf te bereiken resultaten: een schoon en leefbaar huis, beschikken over schone was, beschikken over boodschappen, beschikken over maaltijden en thuis zorgen voor kinderen. Voor meer informatie zie ook bijlage 1, maatstaf hulp bij het huishouden, bijlage 2, toelichting puntensysteem persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden en bijlage 3 normering thuis zorgen voor kinderen.

Daarnaast worden twee producten voor bijzondere doelgroepen onderscheiden: Hbh OGGZ (openbare geestelijke gezondheidszorg) en Hbh Bijzondere schoonmaak. Hulp bij het huishouden kan ook worden geboden aan de Amsterdammer als zijn mantelzorger overbelast dreigt te raken. Om de zelfredzaamheid van de Amsterdammer te bevorderen kan advies, instructie en voorlichting worden geboden. Onderdeel van advies, instructie en voorlichting is de activering en ondersteuning van de Amsterdammer en zijn netwerk en signalering van veranderingen in de persoonlijke situatie. Zo nodig wordt de Amsterdammer ook ondersteund bij de dagelijkse organisatie van het huishouden.

48

De noodzakelijke inzet van de huishoudelijke hulp wordt bepaald in overleg met de Amsterdammer en betreft altijd maatwerk. In het ondersteuningsplan worden door het buurtteam en/of de zorgaanbieder afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, resultaten en activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning (zie ook paragraaf 2.4 van de Nadere regels). Voor de resultaten van hulp bij het huishouden worden de activiteiten en frequentie benoemd in het afsprakenoverzicht dat naast het ondersteuningsplan wordt opgesteld. Basis hiervoor is de vastgestelde maatstaf in bijlage 1. Op verzoek is voor de Amsterdammer een beschikking in uren beschikbaar. Een schoon en leefbaar huis Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke) overname van schoonmaakactiviteiten nodig zijn. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden alle structurele basis schoonmaakactiviteiten en incidentele schoonmaakactiviteiten, inclusief de uitvoeringsfrequentie, voor een schoon en leefbaar huis, omschreven. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald wat daadwerkelijk gedaan moet worden. Beschikken over schone was Elke Amsterdammer moet kunnen beschikken over schone was.

Hieronder wordt verstaan dat de normale, dagelijkse kleding van de Amsterdammer, inclusief textiel zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen. Ook wordt aangegeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten worden uitgevoerd. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat een ieder kan beschikken over strijkvrije bovenkleding. Op grond hiervan maakt strijken alleen bij uitzondering deel uit van het resultaat schone was. Beschikken over boodschappen Dit resultaat heeft betrekking op de boodschappen die voor elke Amsterdammer nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen. Ook wordt aangegeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten worden uitgevoerd. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als boodschappenservices ontoereikend zijn. Beschikken over maaltijden Ook het klaarzetten van brood- en/of warme maaltijden valt onder hulp bij het huishouden. In de maatstaf hulp bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat horen.

Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn kunnen tot ’s avonds in de koelkast bewaard worden. Als dat nodig is, wordt de Amsterdammer één keer per dag ondersteund bij het opwarmen van een maaltijd. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft uitsluitend een taak als maaltijdservices ontoereikend zijn. Het bereiden van warme maaltijden is gezien het aanbod van kant en klaar maaltijden in beginsel niet noodzakelijk. Kant en klaar maaltijden zijn voorliggend op het bereiden van maaltijden. Thuis zorgen voor kinderen Bij het thuis zorgen voor kinderen gaat het om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders/verzorgers niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, een maaltijd 49

voorbereiden en toezicht houden. Ook problemen op het gebied van mobiliteit, zoals het begeleiden van kinderen naar school vallen eronder. Het is de verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers om opvang te regelen, op tijden dat zij beiden niet in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. Om het resultaat thuis zorgen voor kinderen te behalen wordt, als het om opvang gaat, maximaal drie maanden ondersteuning ingezet. Deze niet-structurele opvang van kinderen wordt alleen ingezet bij ontwrichting of calamiteiten, bijvoorbeeld bij het acuut wegvallen van één of beide ouders/verzorgers. Voor de verzorging van kinderen kan langer hulp worden ingezet. Hierbij wordt rekening gehouden met gebruikelijke hulp voor kinderen per levensfase, zie bijlage 4. De Wmo is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft vooral een taak in het bijspringen, zodat voor het gezin ruimte ontstaat om zelf een al dan niet tijdelijke oplossing te vinden. Meer informatie over de normering voor thuis zorgen voor kinderen staat in bijlage 3. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van hulp bij het huishouden wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam of op advies van de gecontracteerde aanbieder. Per huishouden worden alleen de huiskamer, de als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s), sanitaire ruimten (max.

1 badkamer en 2 toiletten), de keuken en de hal structureel schoongemaakt. Als een trap aanwezig is hoort deze bij de hal. Overige en niet in gebruik zijnde ruimtes worden incidenteel of niet schoongemaakt. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal inwoners van de woning heeft geen invloed op het aantal te behalen resultaten binnen het huishouden. De grootte van de woning en het aantal bewoners kan wel invloed hebben op de frequentie van ondersteuning. Huisdieren kunnen invloed hebben op de tijdsbesteding van schoonmaak, maar hebben geen invloed op de frequentie van de huishoudelijke ondersteuning. Een uitzondering hierop is de hulphond; deze kan zowel invloed hebben op de tijdsbesteding als op de frequentie van huishoudelijke ondersteuning. Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van het huis, zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van hulp bij het huishouden. Ook het onderhouden van de tuin, het uitlaten van huisdieren en overige activiteiten buiten het huis, vallen buiten de reikwijdte van hulp bij het huishouden. Dit is ook van toepassing op hand- en spandiensten zoals het vervangen van een lamp of ophangen van een plank. Bij het resultaat beschikken over schone was wordt alleen in uitzonderingssituaties gestreken. In beginsel wordt strijkvrije bovenkleding als voorliggend beschouwd.

Onderkleding (ondergoed en sokken) en alle vormen van bed-, keuken- en badtextiel worden niet gestreken. Van de Amsterdammer wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de Amsterdammer wordt verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Ook wordt van de Amsterdammer gevraagd om binnen zijn mogelijkheden werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Het schoonmaken van verzamelingen valt niet onder hulp bij het huishouden. Als de Amsterdammer regie kan voeren over het huishouden, mag van hem tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt. Naast bovenstaande wordt bij hulp bij het huishouden gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Er wordt gekeken welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. 50

 Het inzetten van eigen kracht Ter versterking van de zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt allereerst gekeken naar de mogelijkheden en vaardigheden van de Amsterdammer zelf om het huishouden op eigen kracht te organiseren en uit te voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan: het aanschaffen van algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een uitschuifbare ramenlapper, een wringmechanisme voor een dweil of strijkvrije kleding, een strijkservice, het anders organiseren van de boodschappen of de maaltijden of het inzetten van vormen van opvang, zoals een crèche, kinderopvang of buitenschoolse opvang. Een droger of afwasmachine hoeft niet verplicht aangeschaft te worden. Maar als deze aanwezig zijn, is het gebruik ervan voorliggend op de inzet van hulp bij het huishouden.  Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Gebruikelijke hulp Bij het eigen sociaal netwerk gaat het allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp (zie hoofdstuk 2). De gemeente gaat ervan uit dat volwassen huisgenoten een bijdrage leveren aan het huishouden. Van kinderen wordt geen bijdrage verwacht. Bij gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de belastbaarheid van de volwassen huisgenoot. Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar gelden als volwassen huisgenoten en kunnen een eenpersoonshuishouden voeren.

Taken die bij een eenpersoonshuishouden horen zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen alle huishoudelijke taken volledig overnemen. Gebruikelijke hulp en werk Als gebruikelijke hulp geleverd wordt door (fulltime) werkenden, wordt met het werk en daarmee samenhangende drukte ten aanzien van huishoudelijke taken geen rekening gehouden. Stofzuigen of de badkamer schoonmaken kan immers ook in het weekend of vrije tijd verricht worden door werkenden in het kader van gebruikelijke hulp. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn personen die op grond van hun beroep langdurig van huis moeten zijn zoals zeevarenden of (internationale) vrachtwagenchauffeurs en daarmee vergelijkbare beroepen. In de volgende situaties is er geen sprake van een leefeenheid, oftewel van een gezamenlijk huishouden en daarom ook geen sprake van gebruikelijke hulp: Kamerverhuur (op basis van een huurovereenkomst) Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. Van huurders mag niet verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken overnemen; er is bijvoorbeeld geen sprake van familiebanden.

Er moet wel een huurovereenkomst aanwezig zijn. Als mensen zelfstandig samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt overgenomen door de andere leden van een leefeenheid. Overig sociaal netwerk Naast de gebruikelijke hulp wordt ook gekeken naar het overig sociaal netwerk van de Amsterdammer. Het sociaal netwerk bestaat bijvoorbeeld uit vrienden, kennissen of buren. Er wordt met de Amsterdammer besproken of het sociale netwerk, op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid, ondersteuning kan bieden op gebied van het huishouden, zoals grootouders die 51

de kinderen opvangen, vrienden die maaltijden verzorgen of buren die boodschappen meenemen of het afval aan de straat zetten of in de container doen.  Een beroep doen op andere wetgeving De Zorgverzekeringswet (Zvw) kan voorliggend zijn als behandeling of medicatie kan leiden tot verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden). Ook het opnemen van ouderschapsverlof of zorgverlof of het gebruik van buitenschoolse opvang kan een voorliggende oplossing zijn. Voor Amsterdammers die een indicatie hebben of kunnen krijgen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), geldt dat de Wlz voorliggend is op de Wmo. 

Het gebruik maken van voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen in de wijk Hulp bij het huishouden wordt pas verstrekt als er geen alternatieve basis- of algemene voorzieningen in de wijk of buurt voorhanden zijn, van waaruit activiteiten worden georganiseerd en diensten worden aangeboden. Zo zijn bijvoorbeeld eettafels, het doen van boodschappen of het verzorgen van een maaltijd voorliggende activiteiten op ondersteuning voor boodschappen of maaltijden vanuit de Wmo. Ook eventuele nieuwe algemene voorzieningen, waarvan gestimuleerd wordt dat ze ontwikkeld worden in de komende jaren, zijn voorliggend als zij de belemmeringen op het gebied van het huishouden voldoende oplossen en kunnen tot bijstelling van de geleverde hulp leiden. Bijzondere producten Als de reguliere hulp bij het huishouden niet voldoende is, wordt gekeken of de Amsterdammer tot een bijzondere doelgroep behoort. Hulp bij het huishouden OGGZ a Productbeschrijving Hulp bij het huishouden OGGZ wordt ingezet bij Amsterdammers bij wie sprake is van een ernstig vervuild huishouden of een onveilige woning en bestaat uit:  De benodigde hulp bij het huishouden voor een schoon en leefbaar huis, beschikken over schone was, beschikken over boodschappen en beschikken over maaltijden.

 Het formuleren en bijstellen van doelen met betrekking tot het huishouden en het helpen verkrijgen en handhaven van structuur en organisatie in het huishouden.  Het motiveren van de Amsterdammer om mee te helpen.  Het actief signaleren van problemen en veranderingen in de situatie van de Amsterdammer en zijn sociale netwerk (waaronder mantelzorg) waardoor mogelijk inzet van andere/aanvullende dienstverlening en/of voorzieningen noodzakelijk is. Hulp bij het huishouden OGGZ heeft het volgende resultaat: een veilige en hygiënische leefomgeving voor de Amsterdammer en de omwonenden en een zodanige organisatie van het huishouden dat de ondersteuning, waar mogelijk, kan worden geboden door reguliere hulp bij het huishouden al dan niet in combinatie met aanvullende individuele ondersteuning of begeleid thuis. b Voorwaarden voor verstrekking Er is sprake van een ernstig vervuild huishouden of een onveilige woning als gevolg van een psychische beperking (denk aan verslaving, verzameldwang of een ernstig psychosociaal probleem) en de aanwezigheid van meerdere problemen op andere leefgebieden zoals inkomen en dagbesteding. De Amsterdammer is hierdoor onvoldoende in staat om in zijn eigen bestaansvoorwaarden te voorzien, er is sprake van een gebrek aan mogelijkheden om zelf problemen op te lossen en 52

daarbij speelt de afwezigheid van een adequate hulpvraag een rol. Er is mogelijk sprake van een beperkt sociaal netwerk. Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak a Productbeschrijving Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak betreft het eenmalig en in een aaneengesloten periode grondig schoonmaken van een te volle of extreem vervuilde woning van een Amsterdammer. Hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak bestaat uit de volgende werkzaamheden:  Het motiveren van de Amsterdammer voor schoonmaak van zijn/haar woning.  Opruimen van de woning.  Bepalen, zoveel mogelijk in overleg met de Amsterdammer, welke huisraad en overige spullen kunnen worden afgevoerd.  Afvoeren van overtollig huisraad en overige spullen.  Reinigen van de complete woning zodanig dat daarna reguliere hulp bij het huishouden voldoende is om de woning schoon te houden.  Motiveren van de Amsterdammer om mee te helpen.  Het opruimen van buitenruimten voor zover deze overlast gevend zijn voor de omgeving.  Het uitvoeren van activiteiten ten behoeve van de veiligheid van de medewerkers en het faciliteren van de praktische uitvoering van de Hbh Bijzondere schoonmaak (bijv. het repareren van loshangende stopcontacten, watervoorziening).

Het resultaat van hulp bij het huishouden Bijzondere schoonmaak is dat de woning in een zodanige staat verkeert dat er een veilige, hygiënische leefomgeving voor de Amsterdammer en de omwonenden is ontstaan, en dat de voorwaarden zijn gecreëerd voor de meer structurele inzet van hulp bij het huishouden OGGZ, reguliere hulp bij het huishouden en/of aanvullende individuele ondersteuning of begeleid thuis. b Voorwaarden voor verstrekking Er is sprake van een ernstig vervuild huishouden of een onveilige woning als gevolg van een psychische beperking (denk aan verslaving, verzameldwang of een ernstig psychosociaal probleem) en de aanwezigheid van meerdere problemen op andere leefgebieden zoals inkomen en dagbesteding. De Amsterdammer is hierdoor onvoldoende in staat om in zijn eigen bestaansvoorwaarden te voorzien, er is sprake van een gebrek aan mogelijkheden om zelf problemen op te lossen en daarbij speelt de afwezigheid van een adequate hulpvraag een rol. Er is mogelijk sprake van een beperkt sociaal netwerk. Hbh Bijzondere schoonmaak wordt ingezet in een acute of urgente situatie waarbij sprake is van een veiligheids- en gezondheidsrisico’s voor de Amsterdammer of de omwonenden, of om voorwaarden te scheppen voor de structurele inzet van hulp bij het huishouden OGGZ, reguliere hulp bij het huishoudenHbh en/of aanvullende individuele ondersteuning of begeleid thuis.

4.10 Vervoersvoorzieningen (artikel 4.9 en 4.11 Wmo-verordening 2015) Inleiding Leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving Compensatie voor langdurige beperkingen bij het lokaal verplaatsen van personen is gericht op het sociaal vervoer, ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of 53

leefomgeving genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn of haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen. De directe woon- of leefomgeving is de wijk of het stadsdeel waarin de persoon met beperkingen woont. Sociale bestemmingen buiten het eigen stadsdeel maar binnen Amsterdam kunnen ook in de directe woon- of leefomgeving vallen als deze bestemmingen dichterbij niet voorkomen en voor de aanvrager aantoonbaar van belang zijn voor het leven van alledag. Een voorbeeld hiervan is familie en vrienden bezoeken die aan de andere kant van de stad wonen. Vervoer naar nog verder weggelegen bestemmingen valt onder verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt uitgevoerd door Valys. Uitgangspunt is dat de Amsterdammer 1.500 kilometer in zijn directe woon- en leefomgeving kan afleggen. Wegingsfactoren Wanneer een persoon met beperkingen in overwegende mate en langdurig niet kan deelnemen aan het leven van alledag kan een Wmo vervoersvoorziening die sociale participatie bewerkstelligt verstrekt worden. Een verstrekking hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van de aanvrager.

Het is aanvaardbaar dat de aanvrager zich ook enige beperkingen getroost en zijn vervoerspatroon en de vervoersbehoefte aanpast aan zijn mogelijkheden. Door het uitblijven van een verstrekking mag de aanvrager echter niet in een sociaal isolement terecht komen. Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een Wmo vervoersvoorziening wordt rekening gehouden met: a. de individuele vervoersbehoefte van de aanvrager aan sociaal-recreatieve activiteiten; b. de beperkingen van de aanvrager; c. de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in die vervoersbehoefte te voorzien. d. de mogelijkheid van de aanvrager om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van een vervoersvoorziening; Ad a. Individuele vervoersbehoefte Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo valt; anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is Ad b. Beperkingen De beperkingen moeten de aanleiding zijn voor het vervoersprobleem. De beperkingen moeten blijvend of langdurig aanwezig zijn en dit moet medisch zijn vastgesteld.

Dit is nodig omdat alleen nadat gebleken is dat het fysieke of psychische probleem niet (verder) door behandeling kan worden opgelost, vastgesteld kan worden of een vervoersvoorziening - en zo ja welke - langdurig noodzakelijk zal zijn. Ad c. Voorliggende oplossingen Voorliggende oplossingen die aan de orde komen zijn andere wet- en regelgevingen, oplossingen die de aanvrager zelf zonder meerkosten kan bewerkstelligen (zoals de aanwezigheid van een eigen vervoermiddel, mogelijkheden in het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarvan in ieder geval het openbaar vervoer, daarin begrepen OV-reisassistentie 54

en de OV-coach. Van verwijzing naar andere wet en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte geen betrekking heeft op sociaal vervoer. Voorbeelden hiervan zijn woonwerk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer). Als na de weging van voorliggende oplossingen een sociale vervoersbehoefte resteert waarin niet wordt voorzien dan biedt het college hiervoor compensatie door het verstrekken van de goedkoopst adequate voorziening Ad d. Gebruik Bij het vaststellen van de goedkoopst adequate voorziening, wordt ook gekeken naar de mogelijkheid van de aanvrager om van de beoogde voorziening op een verantwoorde wijze gebruik te maken. Problemen in bijvoorbeeld de waarneming en/of de motoriek kunnen dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid, dat toekenning van een voorziening niet verantwoord is. Leven van alledag: de weging van verschillende vervoersdoelen a. Doen van boodschappen Als een persoon met beperkingen problemen heeft met het doen van boodschappen zijn er binnen de Wmo voorzieningen van de verordening twee oplossingsrichtingen: hulp bij het huishouden of een vervoersvoorziening. Een vervoersvoorziening als oplossingsrichting komt in beeld als er sprake is van langdurige noodzaak en het doen van boodschappen voor de persoon met beperkingen belangrijk is voor zijn sociale participatie. b.

Recreatief vervoer en buiten zijn Als recreatief vervoer of het buiten zijn voor de persoon met beperkingen deel uitmaakt van het leven van alledag, wordt met dit vervoersdoel rekening gehouden in de afweging voor een Wmo vervoersvoorziening. c. Zorg voor kinderen Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen aan ouders met een beperking wordt rekening gehouden met de zorg voor kinderen. Dit kan aanleiding zijn voor het verstrekken van een individueel vervoermiddel. Er worden echter ook alternatieven betrokken die de ouders zelf voor dat vervoer kunnen organiseren. Als dergelijke alternatieven voorhanden zijn, wordt geen individueel vervoermiddel verstrekt. Intramuraal verblijf Er worden geen individuele vervoersvoorzieningen en vervoer naar dagbesteding verstrekt aan bewoners van Wlz-instellingen . Collectief vervoer buiten de instelling kan wel verstrekt worden. Uitsluitingen a. Algemeen gebruikelijk Algemeen gebruikelijk is onder andere reizen met het openbaar vervoer, lopen, fietsen, rijden op een bromfiets, (mee)rijden in een auto als die beschikbaar is. Als mensen een vervoersprobleem hebben dat zij met een algemeen gebruikelijk middel kunnen oplossen, dan is er geen aanleiding om op grond van de Wmo in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. b.

Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor werkgerelateerde voorzieningen zijn andere regelingen voorliggend. Deze regelingen worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) of vallen onder de Participatiewet.

55

c. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagbesteding of bezoek aan medische behandelaars Vervoer van en naar dagbehandeling of dagbesteding gefinancierd vanuit de Wlz of de Zvw valt niet onder de Wmo. Voor deze vervoersbestemmingen zijn de Wlz en de Zvw voorliggend. Voor vervoer van en naar medische behandelaars is er voor bepaalde situaties een voorliggende voorziening vanuit de Zvw. d. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs en opleiding Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Participatiewet. Individuele vervoersvoorzieningen: vervoermiddelen in natura of als persoonsgebonden budget, en financiële tegemoetkomingen De individuele Wmo vervoersvoorzieningen bestaan uit: - vervoersvoorzieningen in natura; - vervoersvoorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden budget; - vervoersvoorzieningen als financiële tegemoetkoming; - sportvoorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming meerkosten. a. Verstrekkingen in natura of als persoonsgebonden budget Onder naturaverstrekkingen vallen goederen en diensten die aan de persoon met beperkingen in bruikleen worden toegekend.

Het onderhoud, de reparatie en verzekering van door de Wmo verstrekte vervoermiddelen komen ten laste van de gemeente. Voor vervoermiddelen die in bruikleen zijn verstrekt zijn de kosten van onderhoud, reparatie en verzekering in de bruikleenovereenkomst geregeld. In principe kan op verzoek van de aanvrager een individuele vervoersvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt. De situaties waarin dat niet mogelijk is zijn in paragraaf 4.2 van deze Nadere regels opgenomen. Een aantal vervoersvoorzieningen wordt enkel als persoonsgebonden budget verstrekt, te weten aanpassingen aan een eigen vervoermiddel, gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden en gebruik (rolstoel) taxi of vervoer door derden naast fiets, scootmobiel of (elektrische) rolstoel. b. Financiële tegemoetkomingen vervoer Financiële tegemoetkomingen in de kosten van vervoer zijn vergoedingen voor het gebruik van een vanuit de Wmo verstrekt of eigen vervoermiddel, of een geldbedrag bedoeld voor zelf te regelen vervoer. De hoogte van de vergoeding is gebaseerd op een aantal aflegbare kilometers in het kader van het leven van alledag, op de kosten van het gebruik van het vervoermiddel dat nodig is om de afstand te overbruggen of om het vervoer naar dagbesteding mogelijk te maken. De vergoeding wordt toegekend voor één jaar; daarna volgt een verlenging met mogelijk een herbeoordeling.

Het bedrag van een toegekende vergoeding voor vervoer wordt berekend beginnend op de eerste dag van de maand waarin de aanvrager het verzoek hiertoe heeft ingediend. De vergoeding voor vervoer wordt vooraf per drie maanden uitbetaald. Een bedrag lager dan € 300,00 per jaar wordt in één keer uitbetaald. Als binnen een huishouden de persoon met beperkingen samen reist met een ander lid van het huishouden dan zijn er geen of minder meerkosten dan in de situatie dat de persoon met beperkingen alleen reist. Daarom wordt met samenvallende vervoersbehoeften rekening 56

gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding. Deze situatie doet zich voor bij leden van één huishouden, kinderen en volwassenen. Als meerdere leden van een huishouden op grond van hun beperking in aanmerking komen voor een vergoeding, wordt er vanuit gegaan dat een deel van de vervoersbehoefte samenvalt. De hoogte van de vergoeding bedraagt in het geval dit twee personen betreft voor iedere persoon met beperkingen 75%. c. Financiële tegemoetkoming meerkosten sportvoorziening De financiële tegemoetkoming in de meerkosten van een sportvoorziening is een geldbedrag als tegemoetkoming in de (meer)kosten van de aanschaf en het onderhoud van een, door de persoon met beperkingen zelf te bepalen, sportvoorziening of aanpassing op een sportvoorziening. Individuele vervoersvoorzieningen Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van het openbaar vervoer onvoldoende mogelijk maken. Uitsluitend aantoonbare beperkingen in relatie tot de individuele vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen zijn bepalend voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een voorziening. Is een bus of tram voor iemand met een beperking niet toegankelijk, dan kan men recht hebben op verstrekking van een vervoersvoorziening.

Als er een voorliggende voorziening mogelijk is wordt geen individuele vervoersvoorziening verstrekt. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang in een tram) zijn in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Behandeling is in dat geval de voorliggende voorziening. Als blijkt dat het probleem niet (meer) door behandeling opgelost kan worden dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. De Amsterdammer met beperkingen wordt in staat gesteld om zich te verplaatsen, zodat hij datgene kan doen wat mensen normaal gesproken doen: het zogenaamde leven van alledag. ~ 4.10.1 Collectief vervoer a Productbeschrijving Collectief vervoer is een uitsluitend voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep zittend worden vervoerd. De chauffeur biedt de cliënt de benodigde begeleiding. De begeleiding kan variëren van licht (ondersteuning bij het bereiken van het voertuig, en bij het in- en uitstappen) tot intensief (hulp bij het bereiken van het voertuig, waaronder zo nodig ook tilservice, en bij de toegang tot het voertuig). De chauffeurs zijn professionele krachten die op grond van ervaring en/of opleiding in staat zijn de dienstverlening van het vervoersproduct te bieden. De cliënt betaalt aan de vervoerder een ritbijdrage die is vastgelegd in de verordening.

Het collectief vervoer maakt vervoer over alle afstanden mogelijk in de directe woon- en leefomgeving en biedt een actieradius van 25 kilometer volgens een erkende routeplanner gerekend vanaf woonadres volgens de BRP, of zoveel meer dan nodig om vanaf het woonadres een bestemming binnen Amsterdam te bereiken. Het vervoer wordt uitgevoerd in personenbusjes, personenauto’s of combi-voertuigen.

57

De vervoerder bepaalt welk voertuig ingezet wordt en houdt daarbij rekening met de beperkingen van de cliënt. Het materieel biedt de mogelijkheid om loophulpmiddelen, rolstoelen en scootmobielen te vervoeren. Een cliënt kan op aanvraag een reisgenoot meenemen. De reisgenoot maakt exact dezelfde rit als de pashouder. Het is cliënten niet toegestaan een reisgenoot mee te nemen die begeleiding van de chauffeur nodig heeft, tenzij deze reisgenoot zelf een pas heeft voor het collectief vervoer. Voor reisgenoten geldt: • voor cliënten in het bezit van een OV-Begeleiderskaart: de begeleider reist gratis mee; • voor cliënten met indicatie “Begeleider verplicht”: verplichte begeleider reist gratis mee; • voor gehandicapte kinderen jonger dan 12 jaar, en voor ouders met een beperking met kinderen jonger dan 12 jaar: alle gezinsleden mogen meereizen en betalen dezelfde ritbijdrage als de pashouder; • kinderen tot en met 3 jaar reizen gratis. Kinderen jonger dan 12 jaar dienen altijd onder begeleiding van een volwassen begeleider gebruik te maken van het vervoer; • sociaal reisgenoten: dit betreft reisgenoten anders dan voorgaande categorieën. Zij betalen dezelfde bijdrage als de pashouder. Hulphonden en blindengeleidehonden mogen gratis meereizen. Kleine huisdieren mogen alleen mee zolang deze op schoot genomen kunnen worden, en reizen dan eveneens gratis mee.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13764177/2