005. Advies Dhr. Wolswinkel vergunningenplafond evenementen (2).pdf
Tekst van het document
Juist voor grotere evenementen zullen deze andere locaties echter doorgaans niet geschikt zijn, zodat ook voor deze andere locaties het aantal evenementen dat kan worden vergund, impliciet begrensd is. Het volumebeleid zoals dat voortvloeit uit de locatieprofielen (en de standaardregel van maximaal een of drie geluidsdagen voor andere locaties) houdt in het bijzonder verband met het doel van een goede spreiding van evenementen over de stad. Het belang van die goede spreiding houdt op zijn beurt verband met het begrenzen van overlast en het behouden van de leefbaarheid van de stad, hetgeen als zodanig kan worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang. Het volumebeleid lijkt tevens geschikt om deze spreiding te realiseren. Aangezien per locatie maxima zijn vastgesteld, is de overlast per locatie beperkt tot een maximumaantal evenementdagen en wordt de overlast die evenementen meebrengen (geluid, afval, schade, onbereikbaarheid openbare ruimte) verspreid over meerdere locaties. Voorts is de beperking ‘coherent’ in de zin dat te rechtvaardigen valt waarom evenementen op een andere wijze worden gereguleerd dan andere activiteiten die overlast kunnen veroorzaken. Tot slot is het volumebeleid noodzakelijk in de zin dat het begrenzen van overlast niet met minder ingrijpende maatregelen kan worden bereikt.
Ook bij een ‘open’ vergunningstelsel zonder vergunningenplafond zou een (impliciete) grens moeten worden gesteld aan het aantal evenementen dat op een bepaalde locatie kan plaatsvinden teneinde overlast te begrenzen. Bovendien is bij het volumebeleid sprake van differentiatie tussen evenementen op basis van bezoekersaantallen, zodat rekening wordt gehouden met de mate van overlast die een evenement kan veroorzaken en die – in elk geval gedeeltelijk – samenhangt met het aantal bezoekers. Het antwoord op de onderzoeksvraag luidt dus dat het volumebeleid zoals dat voortvloeit uit de locatieprofielen, in beginsel een legitieme beperking vormt van het aantal voor verlening beschikbare evenementenvergunningen per locatie. Uiteraard zal bij de rechtvaardiging van een 21
specifiek maximum voor een specifieke locatie mede moeten worden betrokken de informatie die in het kader van de actualisatie van het betreffende locatieprofiel is verzameld.
5.2 Vervolgkeuzes
Wanneer het aantal voor verlening beschikbare vergunningen op bepaalde locaties is beperkt tot een maximum, rijst de vraag welke consequenties hieraan moeten worden verbonden. In elk geval zal het gemeentebestuur bij de verlening van deze vergunningen de nodige transparantie vooraf moeten betrachten, omdat het aantal gegadigden voor een vergunning mogelijk groter is dan het aantal beschikbare vergunningen en gegadigden met lege handen staan als niet ‘een passende mate van openbaarheid’ wordt betracht. Bovendien zal de duur van deze vergunningen vooraf moeten worden beperkt. Vervolgens zal dan moeten blijken hoeveel belangstelling voor deze vergunningen bestaat en of ze daadwerkelijk schaars zijn. In het kader van die zogeheten ‘schaarstevaststelling’ (is de vraag daadwerkelijk groter dan het aanbod?) is niet uitgesloten dat voor de ene locatie wel meer vraag dan aanbod bestaat, maar voor een andere locatie niet (of niet direct). Het is daarom van belang om vooraf vast te stellen hoe schaarste wordt vastgesteld: op het niveau van een individuele locatie of op het niveau van de locaties gezamenlijk. Dat niveau van schaarstevaststelling bepaalt namelijk ook hoe de verdelingsprocedure moet worden ingericht (kan een ondernemer inschrijven op meerdere locaties of niet?). Overigens heeft dit niveau van schaarstevaststelling niet direct gevolgen voor de looptijd van een vergunning.
Ook als een vergunning voor een bepaalde locatie op enig moment niet schaars blijkt, is niet uitgesloten dat in de toekomst wel meerdere gegadigden voor deze locatie bestaan, zodat ook in dat geval de duur van de vergunning moet worden beperkt. Daarnaast is van belang in hoeverre de dwingende reden van algemeen belang die ten grondslag ligt aan het volumebeleid (goede spreiding van evenementen over de stad), ook doorwerkt in vervolgkeuzes, zoals de inrichting van de verdelingsprocedure. Wanneer dit inderdaad het geval is, kan dit namelijk bijdragen aan het oordeel dat deze dwingende reden inderdaad ‘coherent en systematisch’ wordt nagestreefd. Wanneer dit niet het geval is, moet in elk geval kunnen worden uitgelegd waarom het niet mogelijk is om deze dwingende reden verder te verwezenlijken, anders dan door het volumebeleid, en waarom deze dwingende reden dus eigenlijk ‘uitgespeeld’ en daarmee niet langer relevant is bij de keuze tussen verschillende gegadigden.
22