CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

003. SEO-rapport 2025-106 - Terugverdientijd festivals en evenementen in Amsterdam (2).pdf

Raadscommissie Financiën, Kunst en Diversiteit 2 oktober 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het nieuwe Evenementenbeleid 2026 (VN2025-012998)15.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM RAPPORT

AUTEURS CHRISTIAAN BEHRENS, STEF KONIJN, & JEROEN CONTENT IN OPDRACHT VAN GEMEENTE AMSTERDAM AMSTERDAM, AUGUSTUS 2025

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

2

Samenvatting De evenementensector kent geringe investeringen in vaste activa en streeft per editie naar een sluitende begroting. Tegelijkertijd volgt uit dit onderzoek dat de gemiddelde organisator van evenementen een ingroeipad en dus terugverdientijd van meerdere edities hanteert. Vergunningen en terugverdientijd evenementen Vergunningen voor het organiseren van evenementen en festivals in de openbare ruimte in Amsterdam zijn schaars. De terugverdientijd is een factor bij het bepalen van de looptijd van deze vergunningen. De analyse van de terugverdientijd houdt rekening met een te behalen redelijk rendement op het geïnvesteerde vermogen en kijkt naar de ‘gemiddeld efficiënte toetreder’. Dit is een hypothetische partij met sectorgemiddelde kenmerken en kan gaan om: • een nieuw evenement door een startende organisator, • een nieuw evenement door een al actieve organisator, of • een bestaand evenement op een nieuwe locatie. Uit het onderzoek blijkt dat de gemiddelde toetredende organisator een portfolio met meerdere evenementen en/of festivals heeft.

Niet-commerciële organisatoren Voor niet-commerciële ondernemingen is de terugverdientijd minder goed of zelfs niet toepasbaar. Deze ondernemingen hebben geen winstoogmerk en zullen naar verwachting nagenoeg geen positief resultaat behalen. In dit geval zal de terugverdientijd nagenoeg gelijk zijn aan de te hanteren (boekhoudkundige) afschrijvingstermijnen van de activa. Dit geeft geen informatie in de relevante bedrijfseconomische context en prikkels voor de gemiddeld efficiënte toetreder in deze sector. Het verdient aanbeveling om bij het bepalen van de gemiddeld efficiënte toetreder enkel uit te gaan van ondernemingen met een winstoogmerk. Aangezien commerciële en niet-commerciële organisatoren potentieel wel meedingen naar dezelfde schaarse vergunningen, kan de op basis van de gemiddeld efficiënte commerciële toetredende organisator vastgestelde terugverdientijd ook worden gehanteerd voor nietcommerciële organisatoren.

Investeringen en vrije kasstroom De investeringen in activa zijn in deze sector beperkt en hebben een relatief klein aandeel in de totale financiële huishouding van de organisatie. Omdat de meeste kosten van organisatoren variabel zijn en niet te relateren zijn aan meerjarige investeringen, resulteert het mechanisch toepassen van de terugverdientijd in een uitkomst waarbij de terugverdientijd gelijk is aan het organiseren van één editie. Dit komt neer op een vergunning met een looptijd van een jaar. Er is een ondergrens van de terugverdientijd van één editie. Uit de gesprekken met ondernemers en de opgehaalde informatie blijkt dat organisatoren streven naar een sluitende begroting per evenement per editie. Hierdoor is er per periode (editie) slechts een beperkte vrije kasstroom. Omdat zowel de investeringen in activa als de kasstromen zeer beperkt zijn (richting nul), kan de berekening van de terugverdientijd leiden tot onrealistische uitkomsten die geen recht doen aan de relevante bedrijfseconomische context.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

3

Ingroeipad over meerdere edities De gemiddelde organisator hanteert een ingroeipad van enkele edities, waarbij de sector zelf spreekt over een vuistregel van drie tot vijf jaar. Hierbij worden exploitatieverliezen in eerste edities(s) gecompenseerd met winsten in latere edities. Uit hoeveel edities dit gemiddelde ingroeipad bestaat, is op basis van de in dit onderzoek opgehaalde en beschikbare informatie niet exact vast te stellen. Om hoeveel jaar het precies gaat hangt af van het toeschrijven van personeelsinzet en andere overhead, de investeringen in materiële en immateriële activa (specifieke decoratie, concessie bestaand merk) en natuurlijk in hoeverre het concept aanslaat bij het publiek. De variatie in deze factoren is groot; dit bemoeilijkt het exact en cijfermatig bepalen van een betrouwbaar en representatief gemiddelde. Het exact cijfermatig vaststellen van de duur van het ingroeipad is onhaalbaar binnen de reikwijdte van dit onderzoek. Dit komt door de complexe boekhouding van ondernemers van evenementen en festivals waarin niet noodzakelijk per evenement (binnen een portefeuille van titels) wordt bijgehouden wat de kosten zijn, zowel wat betreft het toerekenen van eigen uren voor de organisatie als andere overheadkosten op concernniveau. Illustratie terugverdientijd 1 jaar

3 jaar winst

winst → ← verlies

5 jaar winst winst

winst

winst breakeven

direct break-even

breakeven verlies

verlies

cumulatief resultaat over tijd

verlies cumulatief resultaat over tijd

Andere economische overwegingen De terugverdientijd kan via de looptijd van vergunningen van invloed zijn op de (toekomstige) dynamiek in de sector. Enkele dimensies die samenhangen met deze looptijd: • Risicospreiding over tijd (bijv. voor exogene factoren als het weer) • Startende organisatoren en doorgroei (vernieuwing en dynamiek van het aanbod) • Kwaliteit en pluriformiteit van evenementen (bijv. voor specifieke doelgroepen, een publiek belang) • Transactiekosten (rond het verdelen van vergunningen) Een eventuele aanpassing van de looptijd is hierbij niet het meest directe en geschikte economische instrument. Het verstrekken van subsidies is bijvoorbeeld een directer middel om pluriformiteit te sturen of niet-commerciële organisatoren tegemoet te komen voor transactiekosten.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

4

Inhoudsopgave Samenvatting

2

1

Inleiding

5

2

Terugverdientijd en efficiënte toetreders

7

3

Festival- en evenementenbeleid Amsterdam

10

4

Economische structuur evenementen

13

4.1

Typen evenementen en festivals

13

4.2

Gangbare bedrijfs- en verdienmodellen

17

5

6

7

Analyse evenementdagen en organisatoren

20

5.1

Dynamiek aanbod evenementen en festivals

20

5.2

Organisatoren en eigendomsstructuur

24

Inzichten uit de sector

28

6.1

Onderscheid commerciële en niet-commerciële partijen

28

6.2

Beeld niet-commerciële organisatoren

28

6.3

Beeld van commerciële organisatoren

30

Synthese en conclusies terugverdientijd

33

7.1

Terugverdientijd

33

7.2

Terugverdientijd en ingroeipad

34

7.3

Andere economische overwegingen

35

Referenties

37

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

1

5

Inleiding

Dit onderzoek analyseert de terugverdientijd voor de gemiddelde toetredende organisator van festivals en evenementen in de openbare ruimte in Amsterdam. De terugverdientijd is een belangrijke pijler bij het bepalen van de looptijd van schaarse vergunningen. Naast de economische context verkent dit onderzoek ook andere overwegingen die een rol spelen bij het bepalen van deze looptijd. Aanleiding Voor het kunnen en mogen organiseren van evenementen en festivals in de openbare ruimte in Amsterdam maakt de gemeente Amsterdam (hierna: ‘de gemeente’) gebruik van locatieprofielen en een evenementenkalender. Het aantal beschikbare dagen en locaties op de kalender is beperkt. Er is daarmee sprake van (in ieder geval) beleidsmatige schaarste aan vergunningen voor de evenementen en festivals in de openbare ruimte.1 Inzicht in de terugverdientijd van gedane investeringen voor een gemiddeld efficiënte toetreder is een factor waarmee de gemeente als vergunningverlener rekening dient te houden bij het vaststellen van de looptijd van die vergunningen. De gemeente kent een rijke variatie aan grote, kleine, bekende en onbekende, elk jaar terugkerende en nieuwe, evenementen. Daarbij beoogt de gemeente een balans te vinden tussen leefbaarheid en levendigheid in de stad voor zowel bewoners als bezoekers. Evenementen leggen beslag op de publieke ruimte.

Naast de beleidsmatige schaarste, signaleert de gemeente daarnaast dat voor grote evenementen en festivals in de afgelopen jaren het steeds vaker voorkomt dat er meer vraag is naar dan aanbod van tijden en locaties om evenementen en festivals te organiseren. Er lijkt daarmee dus ook sprake van daadwerkelijke schaarste en deze lijkt toe te nemen.

Economisch-juridische context De gemeente dient bij de verdeling van schaarse vergunningen rekening te houden met de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG). De verplichting tot de beperking van de looptijd van schaarse vergunningen heeft zich ontwikkeld onder het Europese beginsel van het vrije verkeer van diensten en de bijhorende Europese Dienstenrichtlijn. De Dienstenrichtlijn stelt, kort gezegd, dat de looptijd van de vergunning niet onbepaald in tijd mag zijn. Voor natuurlijke schaarse vergunningen geldt dat de looptijd van de vergunning zodanig dient te worden vastgesteld dat deze niet disproportioneel beperkend is voor vrije marktwerking en concurrentie tussen aanbieders. 2 De gangbare toets hiervoor is dat het binnen de gestelde looptijd van de vergunning voor de gemiddeld efficiënte (toetredende) ondernemer mogelijk is om gedane investeringen (in vaste activa) terug te verdienen en om een redelijk rendement te behalen op het (totaal) geïnvesteerde kapitaal.3 Inmiddels heeft de rechtspraak verduidelijkt dat ook bij beleidsmatig schaarse vergunningen, waarbij het aantal beschikbare vergunningen is beperkt vanwege een dwingende reden van economisch belang, de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen "als factor" moet worden meegenomen.4 1

2

3 4

Mogelijk is er ook sprake van natuurlijke schaarste, of een mengvorm tussen beleidsmatige en natuurlijke schaarste. Voor de verdere economische analyse is dit onderscheid in dit onderzoek niet relevant. Er is sprake van natuurlijke schaarse vergunningen als het aantal vergunningen is beperkt wegens schaarste van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen, zie artikel 12 van de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG). Zie overweging 62 van de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG). Zie ABRvS 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1588, r.o. 4.2. Ook uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie bleek reeds dat de noodzaak om investeringen af te schrijven ook relevant is voor de beoordeling van de looptijd van beleidsmatig schaarse vergunningen. Zie Engelmann, ECLI:EU:C:2010:506, r.o. 48.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

6

De economische motivatie voor deze beperking in de looptijd op basis van gedane investeringen en redelijk rendement komt voort uit een afweging tussen het belang van de (zittende) ondernemer en de vrije marktwerking als geheel. Is de looptijd langer dan de terugverdientijd van de investeringen (inclusief redelijk rendement), dan wordt de toegang tot de markt en dus de mededinging onnodig beperkt. Is de looptijd korter, dan is een continue (duurzame) bedrijfsvoering niet mogelijk en leidt dit tot mogelijke verliezen of lagere investeringen door individuele ondernemers. Uiteindelijk zal dit ook resulteren in een verschraling van het aanbod en de kwaliteit. Op die wijze raakt dit direct of indirect het belang van de consument.

Onderzoeksvragen De gemeente heeft behoefte aan inzicht in wat een redelijke en houdbare looptijd van vergunningen is voor organisatoren (aanbieders) van festivals en evenementen in Amsterdam in de openbare ruimte. De gemeente heeft SEO Economisch Onderzoek (hierna: ‘SEO’) gevraagd om de economische context van organisatoren (aanbieders) van festivals en evenementen in Amsterdam in kaart te brengen en op basis daarvan inzicht te geven in de terugverdientijd van de vaste activa, rekening houdend met een redelijk rendement op geïnvesteerd kapitaal.

Aanpak en leeswijzer Dit rapport bouwt voort op de eerdere quickscan van SEO (2025), waarin de tussentijdse resultaten zijn gepubliceerd. Voor de volledigheid en zelfstandige leesbaarheid van het huidige rapport zijn de relevante passages uit de quickscan integraal opgenomen in dit rapport. De terugverdientijd is – gelet op de Europese Dienstenrichtlijn – een factor bij het vaststellen van de looptijd. Hierbij is de economische context van belang. Vanuit deze economische context bespreken we in dit onderzoek ook andere dimensies die de looptijd van de economische activiteiten van aanbieders van evenementen en festivals kunnen raken. Daarbij geldt de kanttekening dat de bevindingen over de terugverdientijd via de vergunningen weliswaar van invloed kunnen zijn op de (toekomstige) sectordynamiek, maar dat de analyse de huidige situatie en de gemiddelde mogelijke toetreder als uitgangspunt neemt. In een parallelle studie in opdracht van de gemeente wordt vanuit de juridische context in kaart gebracht in hoeverre deze dimensies en/of andere argumenten een rol kunnen spelen bij het vaststellen van de looptijd. Het onderzoek baseert zich op economische theorie, openbare bronnen en gedeponeerde stukken bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast maken we gebruik van de zogenoemde evenementenkalender van de gemeente.

Er zijn bovendien gesprekken gevoerd met organisatoren en brancheorganisaties en er is een online vragenlijst uitgezet onder deze groep. Hoofdstuk 2 definieert de concepten terugverdientijd en gemiddeld efficiënte toetreder. Hoofdstuk 3 bespreekt het voor dit onderzoek relevante festival- en evenementenbeleid van de gemeente. Hoofdstuk 4 beschrijft de economische structuur van vraag en aanbod van festivals en evenementen in het algemeen. Hoofdstuk 5 geeft een analyse van de ontwikkeling van evenementen en festivals in Amsterdam op basis van de evenementenkalender van de afgelopen jaren. Hoofdstuk 6 geeft inzichten vanuit de sector op basis van gesprekken en een vragenlijst. Hoofdstuk 7 bevat de synthese en conclusies. Centraal hierin staan de toepassing van de terugverdientijd en andere economische overwegingen in de evenementensector als onderbouwing van de looptijd van de vergunning.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

2

7

Terugverdientijd en efficiënte toetreders

De terugverdientijd is de tijd die een onderneming nodig heeft om de te maken investeringen terug te verdienen rekening houdend met een redelijk rendement. Om rekening te houden met verschillen tussen organisatoren neemt deze investeringsanalyse de gemiddeld efficiënte organisator als uitgangspunt. Uitgangspunten De terugverdientijd geeft aan hoeveel tijd (bijvoorbeeld in maanden of jaren) een onderneming nodig heeft om de gedane investeringen in (materiële) vaste activa terug te verdienen, met inbegrip van een redelijk rendement op het totaal geïnvesteerde vermogen. In het geval van evenementen en festivals is de terugverdientijd te interpreteren als het aantal (opeenvolgende) jaren dat een organisator nodig heeft om met hetzelfde evenement of festival de gedane investeringen terug te verdienen. met sectorgemiddelde kenmerken De berekening heeft tot doel om de terugverdientijd van de ‘gemiddeld efficiënte toetreder’ te onderbouwen. De gemiddeld efficiënte toetredende organisator is een hypothetische partij en kan zowel een ‘nieuwkomer’ als een gevestigde ondernemer met een nieuw of bestaand concept zijn. In de praktijk worden vervolgens vaak de gemiddelde bedrijfseconomische kenmerken van de huidige ondernemers gebruikt om deze hypothetische partij te definiëren.

De onderliggende aanname daarbij is dat het gemiddelde van de huidige ondernemers een benadering is van de efficiënte toetredende hypothetische organisator van een festival of evenement in Amsterdam. Dit uitgangspunt sluit aan bij de marktgerichte waarderingsmethoden van schaarse vergunningen uit de economische literatuur. De methode wordt onder meer toegepast in Nederland en elders voor de waardering van vergunningen.5

Investeringsanalyse De terugverdientijd is te berekenen door de gedane investeringen in (materiële) vaste activa om het evenement of festival te kunnen organiseren te delen door de vrije kasstroom toebehorend aan dit evenement of festival. De vaste activa van een onderneming zijn gelijk aan de waarde van alle bezittingen van een onderneming waarvan het benodigde kapitaal voor langer dan een jaar vast zit. In de context van evenementen kan het bijvoorbeeld gaan om een specifiek decor wat in meerdere evenementjaren gebruikt kan worden. De vrije kasstroom bestaat uit de (jaarlijkse) opbrengsten uit de exploitatie van de onderneming. De vrije kasstroom is te berekenen als de som van netto winst en afschrijvingen. De netto winst is gelijk aan de opbrengsten minus de kosten van de exploitatie. Tot de kosten van de exploitatie behoren ook de kosten van het redelijk rendement op het totaal geïnvesteerde vermogen. De vereenvoudigde te hanteren vergelijking is:

𝑡𝑒𝑟𝑢𝑔𝑣𝑒𝑟𝑑𝑖𝑒𝑛𝑡𝑖𝑗𝑑 (𝑖𝑛 𝑗𝑎𝑟𝑒𝑛) =

𝑔𝑒𝑑𝑎𝑛𝑒 𝑖𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔𝑒𝑛 𝑖𝑛 𝑚𝑎𝑡𝑒𝑟𝑖ë𝑙𝑒 𝑣𝑎𝑠𝑡𝑒 𝑎𝑐𝑡𝑖𝑣𝑎 𝑣𝑟𝑖𝑗𝑒 𝑘𝑎𝑠𝑠𝑡𝑟𝑜𝑜𝑚 (𝑝𝑒𝑟 𝑗𝑎𝑎𝑟)

(1).

Aangezien de investeringen mogelijk niet eenmalig zijn en de vrije kasstroom ook over de perioden (jaren) kan verschillen, is het gangbaar om bovenstaande vergelijking uit te werken als een investerings- en kasstroomoverzicht over meerdere perioden. Het eerste jaar waarin de som van de verdisconteerde kasstromen groter is dan de gedane 5

Bijvoorbeeld voor radiovergunningen (SEO, 2010), de ambulante handel (SEO, 2021, 2025) en de seksbranche (2024).

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

8

investeringen in materiële vaste activa is dan bij benadering gelijk aan de terugverdientijd in bovenstaande vergelijking. Deze benadering maakt gebruik van de Netto Contante Waarde (NCW-)methode. Daarbij vindt verdiscontering van de toekomstige kasstromen plaats tegen een intern rendement wat redelijk is voor een gemiddeld efficiënte organisator van evenementen in Nederland, of specifiek in Amsterdam. Box 2.1 geeft een illustratie van deze methode op basis van een fictief voorbeeld. Box 2.1

Door een investerings- en kasstroomoverzicht op te stellen is de terugverdientijd te bepalen

Stel, organisator X is gelijk aan de gemiddeld efficiënte toetreder en investeert €1.000.000 in materiële vaste activa, bijvoorbeeld in podia en ICT-voorzieningen. De opbrengsten variëren per jaar, zoals getoond in onderstaande tabel. Om te komen tot een inschatting van de terugverdientijd stellen we een investerings- en kasstroomoverzicht op. In het eerste jaar is er een operationele nettowinst van €200.000. Hier gaat belasting van af, bijvoorbeeld tegen een tarief van 25 procent. De afschrijvingen zorgen voor een verlaging van de winst waardoor er minder belasting afgedragen wordt, maar de afschrijving is geen uitgave en blijft binnen de onderneming en behoort daarmee tot de vrije kasstroom. Om de vrije kasstroom te berekenen tellen we bij de operationele netto winst de afschrijvingen op en verminderen we de kasstroom met de eventuele investeringen, in dit geval enkel in jaar 1. Tot slot verdisconteren we de (cumulatieve) vrije kasstroom tegen een interne rentevoet (geëist redelijk rendement) van, bijvoorbeeld, 5 procent. A B C D E F G H

(×€1.000) Investering Omzet Kosten Afschrijving (A/5) Netto resultaat (voor belasting) (B-C-D) Netto resultaat (na belasting) (E*(1-25%)) Vrije kasstroom (-A+D+F) Cumulatieve vrije kasstroom tegen 5%

Jaar 1 -1.000 600 -200 -200 +200 +150 -650 -620

Jaar 2

Jaar 3

750 -300 -200 +250 +188 +388 -268

800 -400 -200 +200 +150 +350 +35

Voor de opeenvolgende jaren, jaar 2 en jaar 3, volgt eenzelfde berekening. De enige additionele stap is de bepaling van de cumulatieve verdisconteerde kasstroom. Hiervoor is de Netto Contante Waarde-methode te gebruiken. Stel dat de onderneming aan het eind van jaar 2 moet stoppen. De netto contante waarde van de investering van €1.000.000 in vaste activa bedraagt dan de verdisconteerde vrije kasstroom in jaar 1 plus de verdisconteerde vrije kasstroom in jaar 2. Dit is gelijk aan -650/(1,05)^1 + 388/(1,05)^2, oftewel -€268.000. In dit rekenvoorbeeld zal de gemiddelde ondernemer X de investeringen van €1.000.000 binnen drie jaar kunnen terugverdienen, inclusief een redelijk rendement op het geïnvesteerde vermogen. Aangezien de investeringen eerder in de tijd liggen dan de opbrengsten, zal een toename van het redelijk rendement ook resulteren in een toename van de terugverdientijd. Ook als de investeringen toenemen of de netto winsten afnemen (of zich later in de tijd manifesteren) zal de terugverdientijd toenemen. Bron:

SEO Economisch Onderzoek

De verhouding tussen investeringen en de vrije kasstroom heeft een intuïtieve interpretatie. Als de investeringen hoog zijn en de vrije kasstroom laag is, heeft de onderneming meer tijd nodig om de investeringen inclusief redelijk rendement terug te verdienen. Met andere woorden, er is sprake van een langere terugverdientijd en daarmee een onderbouwing voor een langere looptijd van de schaarse vergunning. Als de investeringen laag zijn en de vrije kasstroom hoog is, zal de terugverdientijd kort zijn. In het geval van hoge investeringen en hoge kasstromen, of lage investeringen en lage kasstromen is het a priori niet aan te geven wat de impact is op de terugverdientijd. Omdat het gaat om de verhouding tussen investeringen en de vrije kasstroom is het mogelijk dat ondernemingen met verschillende niveaus van investeringen qua terugverdientijd toch niet veel van elkaar verschillen. Op het moment dat hoge investeringen samengaan met hogere kasstromen – wat in economische zin niet ondenkbaar is – zal een grote onderneming mogelijk een gelijke terugverdientijd hebben als een kleine onderneming met lage investeringen en lage kasstromen. Dit is uiteindelijk een empirisch vraagstuk.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

9

In het bepalen van de terugverdientijd ligt het zwaartepunt doorgaans bij de materiële vaste activa. Voor een gemiddelde toetreder zullen immateriële activa, zoals goodwill van het concept op de betreffende locatie bij bezoekers en de buurt, nog niet zijn opgebouwd. De kosten om deze op te bouwen worden wel meegenomen in het vaststellen van de vrije kasstroom.6

6

Zittende organisatoren hebben mogelijk wel immateriële activa. Bij eventuele overgangsregelingen —bijvoorbeeld van onbepaalde naar bepaalde tijd— kan hiermee rekening gehouden worden, zie het stappenplan in SEO (2021).

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

3

10

Festival- en evenementenbeleid Amsterdam

De gemeente streeft met haar beleid onder andere naar een gevarieerd aanbod van festivals en evenementen in de openbare ruimte. Locatieprofielen geven de kaders waarbinnen deze georganiseerd mogen worden; voor verschillende profielen zijn geprefereerde typen evenementen gedefinieerd. Met name voor de grotere evenementen en festivals lijkt het aantal beschikbare locatie-datumcombinaties lager dan de vraag. Beleidsvisie De gemeente Amsterdam (2024, p. 5) gaat in haar visie specifiek in op “publieksevenementen (met uitzondering van congressen en evenementen in venues) en festivals die in Amsterdam plaatsvinden (binnen de gemeentelijke grens)”. De gemeente spreekt daarin over “tientallen grote en honderden kleinere evenementen” met jaarlijks honderdduizenden bezoekers. Het gaat daarbij dus om evenementen en festivals in de openbare ruimte. De visie beoogt vier doelen: i) gevarieerd aanbod, ii) binding met de stad en de inwoners, iii) optimale spreiding over de stad en iv) ruimte voor vernieuwing en experiment. In de visie benoemt de gemeente expliciet het onderzoeken van “de mogelijkheid van een groeimodel voor beginnende organisatoren en welke mogelijkheden er zijn om voor beginnende organisatoren drempels te verlagen op het gebied van regeldruk en kosten”.

De visie spreekt over drie vormen van waarden die evenementen voortbrengen: sociaal-maatschappelijk, cultureel en economisch. Wat betreft de economische overwegingen benoemt de gemeente schaarste, hogere kosten en drempels voor startende organisatoren, zie Box 3.1 voor de integrale tekst van deze overwegingen. Box 3.1

“

Genoemde uitdagingen in de visie 2025-2035

Schaarste aan plekken in een steeds drukkere stad Het aantal geschikte plekken voor grootschalige evenementen in de buitenruimte neemt om allerlei redenen af. Door de grote bouwopgave in Amsterdam dreigen locaties als Blijburg, NDSM en Nelson Mandelapark te verdwijnen of sterk beperkt te worden. Ook neemt het draagvlak voor specifieke evenementenlocaties af. Dit hangt samen met de snelle groei en ontwikkeling van de stad. We zijn met steeds meer Amsterdammers in een steeds dichter bebouwde stad. De steeds schaarsere openbare ruimte wordt steeds intensiever gebruikt en met meer mensen gedeeld. Steeds meer activiteiten – recreëren, sporten, werken, ontmoeten, en dus ook evenementen – leggen beslag op die ruimte. Door de druk op de locaties, vooral voor grotere muziekevenementen, lukt het nog maar ternauwernood om een evenementenkalender voor een volgend jaar samen te stellen. Er moet een afweging gemaakt worden welke evenementen een plek op de evenementenkalender krijgen en welke niet. Er moeten logische en vooral heldere afwegingscriteria worden opgesteld op basis waarvan deze afweging gemaakt kan worden. Hogere kosten Kleinere en middelgrote evenementen staan onder druk, onder andere door stijgende kosten voor leges en vermakelijkheidsretributie (VMR) en omdat zij moeten voldoen aan eisen op het gebied van veiligheid, mobiliteit en geluid.

Vooral gratis evenementen en kleinere buurtgerichte festivals ervaren hiervan de gevolgen. Gratis evenementen hebben hoe dan ook een beperkte verdiencapaciteit. Omdat ze geen inkomsten uit kaartverkoop hebben, zijn ze afhankelijk van inkomsten uit de horeca en van een diversiteit aan subsidies. Dit maakt hun financiële basis smal en kwetsbaar. Ook betaalde evenementen met minder dan 10.000 bezoekers zijn vaak nauwelijks nog rendabel. Zelfs een cultureel-maatschappelijk evenement als Kwaku met 140.000 bezoekers verspreid over vijf weekenden, ondervindt de gevolgen van oplopende kosten. Door hogere kosten voor materieel, programmering en regeldruk moeten evenementen inkrimpen of dreigen ze te verdwijnen. Al met al zien organisatoren van betaalde evenementen zich genoodzaakt om zich te richten

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

11

op grotere publieksaantallen om de uitgaven te compenseren met meer inkomsten. Hierdoor zijn de laatste jaren steeds meer grotere festivals en evenementen ontstaan. Drempels voor vernieuwing en regeldruk Door de druk op locaties en de hoge kosten is het voor beginnende organisatoren moeilijk om een nieuw festival of evenement te starten in Amsterdam. Dit belemmert de vernieuwing van het aanbod. Kleine en middelgrote evenementen kampen vaak met de regels die bij het organiseren van een evenement komen kijken. De organisatoren van kleine evenementen, vaak vrijwilligers, geven aan dat de maatregelen en in te dienen stukken voor het verkrijgen van een evenementenvergunning en de daaraan verbonden kosten, vaak niet in verhouding staan tot het evenement zelf. Daarbij speelt mee dat de van de organisator gevraagde kwaliteit hoog is: er moet aan veel eisen worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vergunning. Terecht, want veiligheid is een voorwaarde, maar het stelt zowel nieuwe initiatieven als kleine en middelgrote evenementen voor grote uitdagingen. Bron:

”

Gemeente Amsterdam (2024, pp. 16-17)

Evenementenkalender en aantal bezoekers In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente is vastgelegd dat evenementen een vergunning dienen te hebben.7 Uitzonderingen hierop zijn eendaagse niet-commerciële evenementen die plaatsvinden tussen 9.00-23.00 met maximaal 100 personen en die geen hinder vormen voor de buurt en het verkeer. Een overzicht van vergunde grote (muziek)evenementen wordt vastgelegd in de evenementenkalender. Deze kalender wordt van oudsher gebruikt voor het tijdig inplannen en inschatten van de benodigde veiligheids-, hulp- en vervoersdiensten, maar de gemeente ziet deze kalender nu ook als onderdeel van de verdeling van schaarse vergunningen. Aanmelding voor de evenementenkalender is een minimumvereiste voor het aanvragen van een vergunning voor grote en risicovolle evenementen. De gemeente hanteert de volgende bezoekerscategorieën bij het vaststellen van schaarste: ● Tot en met 1.500 bezoekers; ● Tussen de 1.501 en 3.000 bezoekers; ● Tussen de 3.001 en 6.000 bezoekers; ● Tussen de 6.001 en 10.000 bezoekers; ● Tussen de 10.001 en 20.000 bezoekers; ● Meer dan 20.000 bezoekers. Het gaat hierbij om het aantal bezoekers op het drukste moment van de dag op het betreffende evenement of festival. Bij evenementen met meer dan 1.500 bezoekers geldt het minimumvereiste dat het evenement aangemeld moet worden voor de evenementenkalender.

Daaronder geldt deze verplichting in principe niet. Aanmelding voor de evenementenkalender is nodig voor de verdeling van (potentieel) schaarse ruimte.

Evenementenkalender en risicoprofiel Daarnaast bestaat er, net als in andere gemeenten en veiligheidsregio’s, een risicocategorisering voor evenementen die ook relevant is voor het aanvragen van een vergunning. De risicoprofielen in Amsterdam zijn: ● A, een regulier evenement, bijvoorbeeld een lokale markt; ● B, een aandachtsevenement, bijvoorbeeld een festival; en ● C, een risico-evenement, bijvoorbeeld Pride. De gemeente hanteert daarnaast een ophoging met een ‘+’ voor risicoprofielen A en B in geval er extra maatregelen nodig zijn, eventueel voor specifieke aspecten van het evenement (bijvoorbeeld rondom het verkeer, de 7

Zie https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR72510#hoofdstuk_n2_paragraaf_n5_artikel_n9.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

12

brandveiligheid of openbare orde en veiligheid). Hogere risicoprofielen moeten hun vergunningsaanvraag eerder indienen. De risicoclassificatie bepaalt ook de inzet van de benodigde publieke diensten. Voor evenementen met een A-classificatie is aanmelding voor de evenementenkalender vrijwillig wat betreft orde en veiligheid. Er bestaan ook evenementen met een classificatie ‘o-‘. Deze vereisen vaak geen vergunning en volgens de gemeente zal er hoogstwaarschijnlijk geen schaarste voor ontstaan. De enige vereisten zijn minimale veiligheidsmaatregelen en een eenvoudige melding bij de gemeente.

Evenementenkalender en locatieprofielen Voor elke locatie in Amsterdam kan een vergunning worden aangevraagd; hierbij gelden vastgestelde regels voor het maximaal aantal evenementendagen in combinatie met geluidsbelasting. Deze combinatie verschilt tussen locaties binnen de ring S100 en daarbuiten. Daarnaast heeft de gemeente voor verschillende locaties een zogeheten ‘locatieprofiel’ opgesteld.8 Dit betreffen met name locaties die in mindere of meerdere mate geschikt zijn voor evenementen en festivals. De meeste grote evenementen en festivals in de openbare ruimte vinden plaats op een locatie met een locatieprofiel. Voor de grotere en meer risicovolle evenementen en festivals zijn locaties zonder locatieprofiel nauwelijks geschikt. In elk profiel staat per locatie hoeveel dagen per jaar er voor hoeveel bezoekers iets mag worden georganiseerd en wat de bijbehorende regels – zoals rondom geluidsbelasting – en faciliteiten zijn. Ook maakt de gemeente voor verschillende locatieprofielen onderscheid naar activiteiten met een commercieel of niet-commercieel karakter.

In de huidige set zijn er 63 locatieprofielen, waarvan:9 ● 15 locaties in het Centrum (zoals Dam, Spui en Elandsgracht); ● 13 locaties in Zuid (zoals Museumplein, Amstelpark en Zuidplein); ● 9 locaties in Zuidoost (zoals Ziggoplein, Gaasperplas en Nelson Mandelapark); ● 11 in Oost (zoals Kop van Java, Diemerpark en Oosterpark); ● 5 in Noord (zoals NDSM, Noorderpark en Overhoeks); ● 6 in West (zoals Erasmuspark, Bilderdijkpark en Westerpark); en ● 4 in Nieuw-West (zoals Rembrandtpark, Tuinen van West – de Polderheuvel en Ruigoord). In hoofdstuk 5 worden aan de hand van de evenementenkalender de dynamiek binnen de Amsterdamse evenementensector en de daarbij behorende locatieprofielen nader geanalyseerd.

8 9

Zie https://www.amsterdam.nl/ondernemen/vergunningen/evenement-organiseren/locatieprofielen-evenementen/. De gemeente werkt aan een update van de locatieprofielen.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

4

13

Economische structuur evenementen

Evenementen kennen zes belangrijke typeringen: bezoekersaantallen, frequentie, locatie, toegang en verdienmodel, eigendomsstructuur en soorten rendementen. De verdienmodellen kunnen zowel aan de opbrengsten- als kostenkant sterk verschillen. Er lijkt (beperkte) aanbodsubstitutie mogelijk tussen locaties en het aantal dagen dat een evenement of festival duurt.

4.1 Typen evenementen en festivals Wetenschappelijke literatuur en sectorstudies geven geen duidelijk onderscheid om de markt voor het organiseren van evenementen en festivals vanuit de aanbodszijde af te bakenen. Wel biedt het inzicht in grofweg zes belangrijke typeringen van evenementen en festivals, namelijk: 1) de bezoekersaantallen, 2) frequentie (aantal dagen en evenementen), 3) locatie, 4) toegang en verdienmodel, 5) eigendomsstructuur van de organisator en 6) het sociaalmaatschappelijk, cultureel en economisch rendement.

1. Bezoekersaantallen Een eerste voor de hand liggende factor is de omvang van het evenement in termen van het aantal bezoekers. Bezoekersaantallen kunnen op verschillende manieren worden gedifferentieerd: naar het aantal bezoekers op het drukste moment, naar het totaal aantal bezoekers gedurende het evenement of naar het gemiddelde aantal bezoekers per tijdseenheid gedurende het evenement. De gemeente maakt in haar beleid met name gebruik van het aantal bezoekers op het drukste moment. Dit relateert ook aan de locatieprofielen die de gemeente hanteert voor verschillende plekken in de stad waar evenementen kunnen worden georganiseerd met de maximaal toegestane bezoekersaantallen. Allen et al. (2020) maken in dit kader onderscheid tussen grofweg vier typen evenementen: lokaal, groot, iconisch en mega. Een mega-evenement trekt wereldwijde aandacht en is van het niveau Olympische Spelen of het WK voetbal. Een iconisch evenement is kenmerkend voor de stad of regio. In Amsterdam vallen bijvoorbeeld Pride en SAIL hieronder. 10 De overige twee categorieën betreffen commerciële festivals en andere grootschalige evenementen respectievelijk lokale en meer kleinschalige evenementen gericht op de regio. Een groter aantal bezoekers leidt in theorie tot schaalvoordelen: dezelfde vaste lasten of investeringen kunnen over meer (betalende) bezoekers worden verdeeld.

De schaalvoordelen lijken echter beperkt. Veel kosten, zoals beveiliging, zijn variabel en groeien mee met de omvang van het evenement.

2. Frequentie (aantal dagen en evenementen) Veel evenementen en festivals kennen meerdere evenement- of festivaldagen per (kalender)jaar en/of editie. Allereerst zijn er evenementen die meerdere keren per jaar binnen de gemeente Amsterdam georganiseerd worden. Dit kan zowel binnen één weekend (of een langere periode) als verspreid over meerdere momenten in het

10

En mogelijk ADE, al vindt dat hoofdzakelijk binnen in venues plaats.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

14

jaar zijn, bijvoorbeeld op verschillende locaties. 11 Ten tweede zijn er evenementen die in hetzelfde jaar ook buiten Amsterdam georganiseerd worden, bijvoorbeeld in andere grote steden in Nederland. 12 Er zijn ook evenementen die zowel meerdere keren in Amsterdam plaatsvinden alsook in meerdere andere gemeenten. 13 Tot slot is het mogelijk om extra activiteiten binnen in een venue (zonder evenementenvergunning) te organiseren. Tegelijkertijd zijn dit over het algemeen andere typen activiteiten waarvoor mogelijke schaalvoordelen voor de organisator niet aanwezig zijn.14 Bij meerdaagse evenementen scheelt het bijvoorbeeld dat de organisator langer kan profiteren van hetzelfde terrein zonder opnieuw op- en afbouwkosten te moeten maken. Dit deel van de vaste kosten kent schaalvoordelen in de (aaneengesloten) duur van een evenement. 15 Tijdens gesprekken met betrokkenen is gewezen op de mogelijk beperkte omvang van deze schaalvoordelen omdat veel kosten variabel zijn en een langere (aaneengesloten) duur van een evenement niet noodzakelijk tot meer bezoekers of een langer bezoek leidt.

3. Locatie Ook het type locatie is — nog los van de bijbehorende bezoekerscapaciteit — bepalend voor de organisatoren van evenementen en festivals. Een data-analyse van 139 Nederlandse muziekfestivals door Leenders et al. (2015) maakt een onderscheid naar drie typen locaties. Voor de eerste typering zijn de omvang en professionaliteit het meest van belang: het gaat om grote muziekfestivals (met gemiddeld 30.000 bezoekers, bijvoorbeeld Pinkpop, Lowlands, Dance Valley) waar de locatie een beperkte rol speelt en die dus niet gebonden zijn aan een specifieke plek. Verdere groei kan daarmee bijvoorbeeld ook elders gerealiseerd worden. Voor de andere twee typeringen is, naast het muziekgenre, juist de locatie erg belangrijk. Het gaat dan om festivals op kleinere locaties in dunnerbevolkte gebieden en een set aan uiteenlopende festivals in stedelijke gebieden. Deze typen festivals hebben daarmee minder uitwijkmogelijkheden en zijn gebonden aan de beschikbaarheid en ruimte op de desbetreffende locaties (Leenders et al., 2015). Wanneer festivals van grotere omvang zijn is de precieze locatie voor de bezoekers van relatief kleiner belang.16 De marktdefinitie voor festivals en evenementen is daarnaast niet geografisch afgebakend bij de gemeentegrens. Ook beschikbare locaties -en het daar geldende beleid- in nabijgelegen gemeenten is van belang.

In het geval van Amsterdam zijn er mogelijke alternatieve locaties, bijvoorbeeld, de Haarlemmermeer (bijv. Floriadeterrein met Mysteryland), Landsmeer en Oostzaan (bijv. Het Twiske met Lentekabinet), Zaanstad (bijv. Hembrugterrein met Dockyard Festival), Ouder-Amstel (bijv. Ouderkerkerplas met Buiten Westen), en Velsen-Zuid (bijv. Spaarnwoude met Dance Valley). Ook locaties binnen, zoals clubs of grote evenementenhallen, zijn onderdeel van dit ecosysteem.

11

12

13

14

15

16

Zo duurt festival DGTL op het NSDM-terrein meerdere dagen in het Paasweekend en kent de organisator ook een overdekte editie tijdens ADE in oktober. Zo is theaterfestival De Parade ruim twee weken in Amsterdam en toert het verder door Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Zo vindt het TAPT Festival in 2025 plaats in het Amsterdamse Flevopark (mei) en Rembrandtpark (september) alsook in Leiden, Amersfoort, Den Bosch, Alkmaar, Utrecht, Almere, Haarlem, Apeldoorn, Nijmegen, Rotterdam en Den Haag. De mogelijkheid om buitenpodia binnen in een venue verder te benutten lijkt bijvoorbeeld beperkt, al kan van ticketsystemen en de naamsbekendheid wel verder geprofiteerd worden. In een gerechtelijke uitspraak uit 2024 blijkt bijvoorbeeld dat nadat de gemeente Rotterdam besloot één festival niet op de evenementenkalender te plaatsen, de organisator ook een ander festival annuleerde, naar eigen zeggen vanwege het ‘niet meer kunnen realiseren van de schaalvoordelen’. Daarbij claimde de organisator ook een ‘na-ijleffect’ in daaropvolgende jaren, al ging de rechter daar niet in mee. Zie https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2024:380 Leenders et al. (2015) noemen specifiek de verplaatsing van North Sea Jazz van Den Haag naar Rotterdam als voorbeeld van een groot stedelijk festival waar een negatief effect in termen van bezoekersaantallen uitbleef.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

15

Organisatoren en evenementconcepten wisselen dan ook wel eens van locatie en gemeente (met name binnen de regio). Zo is er een aantal grote en kleinere titels die (voorheen) in Amsterdam georganiseerd zijn die nu (ook) in andere steden of landen plaatsvinden. Het feest van Radio 538 op Koningsdag is bijvoorbeeld verplaatst van het Amsterdamse Leidse- dan wel Museumplein (1993-2011) naar Breda. Evenementen van Awakenings zijn verplaatst en uitgegroeid van de Gashouder in Amsterdam naar onder andere het NDSM-terrein en de Ziggo Dome, het nabijgelegen Spaarnwoude en ook naar andere steden en provincies. Dit zijn voorbeelden van evenementen die mogelijk begonnen als locatiegebonden feesten in stedelijk gebied, maar na een dusdanige doorontwikkeling zijn uitgegroeid tot grote (inter)nationale evenementen waarbij de geografische locatie minder van belang is (conform de typering van Leenders et al., 2015). Recent kondigde Mystic Garden aan Amsterdam (2013-2025) vanaf 2026 te verruilen voor Zeewolde waar het een contract heeft voor tien jaar (Parool, 2025). Tegelijkertijd kent bijvoorbeeld Into the Woods, jaarlijks georganiseerd in Amersfoort (2015-…), ook een ADE-feest op de Amsterdamse NDSMwerf (2017-…). Ook zijn er middelgrote en kleine evenementen die jaar op jaar ook binnen Amsterdam op verschillende locaties worden georganiseerd.

Bovendien zijn er naast locaties die in eigendom zijn van de gemeente, zoals parken en pleinen, ook terreinen die eigendom zijn van private of andere (semi-)publieke organisaties. Voor evenementen op dergelijke locaties dient een organisator naast een evenementenvergunning van de gemeente ook toestemming te hebben van de eigenaar. Daarmee is toewijzing van een (schaarse) vergunning voor deze locaties niet alleen afhankelijk van de gemeente, maar ook van deze eigenaar/beheerder. Binnen de Amsterdamse gemeentegrenzen betreft het bijvoorbeeld openluchtlocaties en -terreinen als: ● Gaasperplas: Groengebied Amstelland (samenwerking provincie Noord-Holland en de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel);17 ● NDSM-werf: Stichting NDSM-werf;18 ● Ruigoord: door het Havenbedrijf Amsterdam verhuurd aan Stichting Ruigoord, die een deel verhuurt aan Stichting Landjuweel voor onder andere evenementen;19 ● Noorderpark: Stichting Noorderpark;20 ● Thuishaven: Thuishaven Events B.V./Thuishaven Zakelijk BV; ● Olympisch Stadion: wordt beheerd door Stichting Exploitatie Olympisch Stadion Amsterdam (SOSA) en is eigendom van Olympisch Stadion B.V. (SOSA en Bouwinvest).21 De NDSM-werf, beheerd door Stichting NDSM-werf, omvat bovendien de overdekte NDSM Loods, beheerd door Stichting Kinetisch Noord, waardoor extra afspraken nodig zijn voor het gebruik van het gehele terrein.

DGTL vindt bijvoorbeeld ieder jaar op beide locaties plaats. Daarnaast zijn er openbare locaties van de gemeente die alsnog (deels) gebonden kunnen zijn aan aangrenzende voorzieningen of locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Westerpark dat ook gebouwen omvat die door het private Westergas B.V. verhuurd worden. Ook voor evenementen die in principe volledig op openbaar terrein plaatsvinden kunnen aangrenzende private voorzieningen praktisch een vereiste zijn. Voorbeelden zijn samenwerkingen door het Prinsengrachtconcert (aangrenzend hotel) en het 5 mei-concert op de Amstel (aangrenzend theater).

17 18 19 20 21

Zie https://www.groengebied-amstelland.nl/over Zie https://www.ndsm.nl/over Zie https://ruigoord.nl/over-ruigoord/besturen/ Zie https://noorderpark.nl/over-het-noorderpark/ Zie https://www.olympischstadion.nl/structuur/

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

16

4. Toegang en verdienmodel Evenementen en festivals hanteren verschillende verdienmodellen. Dit kan variëren van ticketverkoop en inkomsten uit de catering, zoals drankverkoop, tot sponsoring en subsidies. Voor evenementen die voornamelijk afhankelijk zijn van kaartverkoop geldt dat marketing mogelijk van relatief groot belang is omdat potentiële bezoekers al van tevoren moeten kiezen of ze er geld voor over hebben. In Amsterdam geldt voor evenementen met meer dan 2.000 bezoekers dat kaartverkoop op de dag zelf, en daarmee ‘aan de deur’, niet meer is toegestaan sinds aangescherpte maatregelen uit 2023 (al is het via doorverkoopkanalen als TicketSwap nog wel mogelijk; Parool, 2023). Dit maakt dat het meerjarig organiseren van events mogelijk aantrekkelijker wordt: door eerdere marketing, positieve ervaringen en naamsbekendheid ontstaat een goede reputatie en is men eerder geneigd op tijd tickets aan te schaffen, bijvoorbeeld als ‘early bird’. Dit biedt voor de organisator zekerheid dat de kosten gedekt kunnen worden, ook bijvoorbeeld bij slecht weer. Tegelijkertijd kunnen tickethouders ervoor kiezen niet naar het event of festival te gaan (zonder hun ticket door te verkopen), waardoor additionele verkopen, zoals horeca, tegenvallen.

Evenementen die voornamelijk leunen op catering of andere verkopen op locatie zijn ook afhankelijk van naamsbekendheid en marketing om voldoende bezoekers te trekken, zelfs als het bijvoorbeeld slecht weer is. Dit ondernemersrisico kan deels worden gedeeld met externe partijen, zoals foodtruckhouders, bierbrouwerijen, theatergezelschappen of andere partijen die ter plekke hun eten, drank of activiteiten verkopen. Vanuit de sector blijkt dat het delen van dit risico op deze wijze echter niet de norm is. Vrij toegankelijke evenementen, met mogelijk ook lagere budgetten, hebben minder mogelijkheden om in te zetten op marketing of een aantrekkelijke line-up waardoor de naamsbekendheid van het evenement zelf relatief belangrijk is. Bij evenementen die hoofdzakelijk sponsoring of subsidie ontvangen moet worden aangetoond dat de beoogde doelstellingen voor voldoende deelnemers worden gerealiseerd om de ontvangen gelden te verantwoorden. Dit geldt des te meer bij evenementen die meermaals worden georganiseerd.

5. Eigendomsstructuur van de organisator Bij het differentiëren van evenementen kan ook rekening gehouden worden met de bedrijfsstructuur van de organisator en de achterliggende eigendomsstructuur. Allereerst geldt dat de organiserende vergunninghouder onderdeel kan zijn van een overkoepelend moederbedrijf (of: holding, concern). Dit is met name relevant voor de mogelijkheid om het risico te spreiden over meerdere evenementen/economische activiteiten per (kalender)jaar. Op het moment dat de gemiddeld efficiënte ondernemer in deze sector binnen een concern meerdere titels organiseert (of in het algemeen meerdere activiteiten ontplooit), kan het risico van een enkele editie (jaargang) van een van de evenementen beter gespreid worden binnen dezelfde tijdshorizon. Daarmee is de noodzaak van risicospreiding over de tijd (meerdere kalenderjaren) kleiner. Daarnaast is de bedrijfsstructuur mogelijk richtinggevend voor de beoogde doelen en/of het verdienmodel. Zo zetten stichtingen zich over het algemeen meer in voor niet-commerciële doelen als sociaal-maatschappelijke en culturele impact zonder winstoogmerk, terwijl commerciële besloten vennootschappen (bv’s) meer gericht zijn op economische doelen. Voor niet-commerciële organisatoren geldt geregeld zelfs dat het organiseren van één specifiek evenement het bestaansrecht vormt.

Desondanks kan dit onderscheid in de praktijk beperkt zijn (of lijken). Dit heeft verschillende oorzaken. Dit komt allereerst door de eerder beschreven eigendomsstructuren waarbij geldt dat een bv bijvoorbeeld onderdeel kan

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

17

zijn van een overkoepelende stichting. 22 Ook geldt in de praktijk dat enerzijds stichtingen ook grote festivals organiseren met alle facetten die een commerciële bv ook zou opnemen, terwijl bv’s ook gericht kunnen zijn op kunst en cultuur of een ander maatschappelijk streven. Zo werd Kwaku Summer Festival voorheen georganiseerd door een gelijknamige stichting (destijds: Kwakoe), maar nu door een gelijknamige bv binnen een zeggenschapsstructuur met een overkoepelende bv daarboven.23 Daarnaast maken stichtingen ook gebruik van private dienstverleners waardoor de opzet in de praktijk vergelijkbaar kan lijken. Zo wordt Keti Koti, een belangrijk sociaal-maatschappelijk evenement, vergund aan een organiserende bv, maar is de opdrachtgever van dit festival de stichting NiNsee (Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis), die ook wordt gesubsidieerd door de gemeente Amsterdam. 24 Ook maken evenementen gebruik van externe partijen voor de programmering of catering. 25 Zo kan een evenement georganiseerd door een stichting of vereniging in de praktijk gedeeltelijk of voornamelijk uitgebaat worden door commerciële partijen.

6. Sociaal-maatschappelijk, cultureel en economisch rendement De gemeente Amsterdam (2024, pp. 14-15) spreekt over sociaal-maatschappelijk, cultureel en economisch rendement dat evenementen genereren voor de stad. Evenementen zijn mogelijk ook hiernaar te differentiëren: terugkerende activiteiten die van dusdanig groot sociaal-maatschappelijk belang zijn, dat deze altijd over een vergunning beschikken en doorgang vinden. Vanuit sociaal-maatschappelijk oogpunt noemt de gemeente een aantal evenementen expliciet met betrekking tot gedeelde waarden en identiteit: Keti Koti, 4 en 5 mei, en Queer & Pride. Ondanks dat deze worden benoemd als één overkoepelend evenement geldt in de praktijk dat het gaat om verschillende vergunningen voor meerdere organisatoren op uiteenlopende locaties. Waar Keti Koti relatief ‘overzichtelijk’ is vergund op twee locaties, in het Oosterpark en op het Museumplein, kent 5 mei verschillende (typen) organisatoren en evenementen verspreid over de stad. Zo staan op de evenementenkalender 2025 naast het 5 mei-concert op de Amstel van Stichting Nationaal Comité 4 en 5 Mei (4.000 bezoekers) ook een bevrijdingsfestival in het Westerpark (totaal 15.000 bezoekers) en een commercieel festival in het Olympisch Stadion (30.000 bezoekers).

Daarbij geldt vermoedelijk dat niet dit ene specifieke evenement invulling geeft aan de ‘gedeelde waarden en identiteit’ die op Bevrijdingsdag worden gevierd, maar dat het om het geheel aan evenementen voor verschillende doelgroepen op 5 mei gaat. Bij de mogelijkheid van het discretionair aanwijzen van sociaal-maatschappelijke evenementen door de gemeente dient hiermee rekening te worden gehouden.

4.2 Gangbare bedrijfs- en verdienmodellen Verdienmodel: kosten Kosten kunnen zowel eenmalig (bijvoorbeeld het opzetten van de organisatie en branding) als periodiek terugkerend (het huren van een podium en de techniek) zijn. Afhankelijk van zaken zoals de locatie en omvang worden de volgende kosten gemaakt voor het organiseren van een festival (indeling conform Allen et al., 2020): ● Kaartverkoop en registratie (verkoopsysteem, proceskosten); ● Marketing (branding, advertenties, website, sociale media etc.); ● Programmering (optredens, muziek, activiteiten etc.); ● Personeel (zowel planning en opzetten door organisator als tegemoetkoming vrijwilligers); 22

23

24 25

Uit stukken van de Kamer van Koophandel volgt bijvoorbeeld dat Stichting NDSM-werf als dochter-bv Gebiedspromotie NDSM B.V. heeft en Stichting Mobile Art heeft De Parade B.V. onder zich. In 2025 op de evenementenkalender als organisator ‘KWAKU SUMMER FESTIVAL B.V.’. Zie ook https://devriesproducties.nl/portfolio/kwaku-summer-festival/ Zie https://devriesproducties.nl/portfolio/keti-koti/ Zoals foodtruckhouders op evenementen van Stichting Rollende Keukens of FOUR Entertainment BV (Festival TREK).

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

●

●

●

18

Locatie en terrein (inclusief bijbehorend personeel): ● Beveiliging & verkeersregelaars; ● Terreinopbouw (tenten, podia etc.) met bijbehorende techniek; ● Catering; ● Sanitair en schoonmaak; ● Vervoersopties (verkeersregelaar, pendelbussen, afspraken met OV etc.); Algemene kosten: ● Evenementenvergunning (in Amsterdam specifiek); ● Verzekering (evenementenverzekering, bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering ‘AVB’); ● Overige zakelijke dienstverlening (administratie, accounting, juridisch etc.); en Onvoorzien (reserve voor onvoorziene kosten).

Verdienmodel: opbrengsten Daar tegenover staan de volgende inkomstenbronnen (indeling conform Allen et al., 2020): ● Verkoop toegangskaarten (inclusief exclusieve kaarten); ● Sponsoring, subsidies26 en donaties/crowdfunding; ● Reclame en marketingacties27; ● Catering; ● Merchandise en uitgeven licenties; ● Extra betaalde activiteiten (bovenop toegangskaarten); ● Extra aankopen (bijvoorbeeld kluisje, ongebruikte munten). Voor evenementen in de gemeente Amsterdam zijn inkomstenbronnen voor parkeren en overnachting (bijvoorbeeld op een bijbehorende camping) voor de organisator hoogstwaarschijnlijk niet relevant.

Rol van de gemeente De gemeente heeft zelf invloed op de kosten voor een evenementenvergunning, ontheffing voor alcohol en de verkeersregelaars. Daarnaast kan de gemeente financieel bijdragen aan evenementen middels subsidies of het beschikbaar stellen ven bepaalde locaties. Deze middelen vanuit de gemeente zijn van invloed op de terugverdientijd voor organisatoren. Daarbij geldt ook dat organisatoren in hun bedrijfsmodel en investeringen ook rekening houden met het vergunningenbeleid van de gemeente. Stel dat de gemeente enkel vergunningen verleent voor één jaar, dan zullen de strikt meerdaagse evenementen de markt verlaten of zich zodanig aanpassen dat het in éen editie wordt terugverdiend, bijvoorbeeld door een ander (lager) investeringsniveau te hanteren. 28 Bij vergunningen van meerdere jaren kan daarentegen meer geïnvesteerd worden. Dit kan noodzakelijk zijn als toetredende organisatoren als nieuwkomer meerdere edities nodig hebben om aan eisen omtrent veiligheid en milieu te voldoen of om voldoende sociaal-maatschappelijk of cultureel rendement te realiseren.

26

27 28

De gemeente Amsterdam stelt bijvoorbeeld subsidies uit het Evenementenfonds beschikbaar, zie https://www.amsterdam.nl/subsidies/subsidieregelingen/subsidie-evenementenfonds/. In 2025 betreft het voor 27 evenementen ruim 1,9 miljoen euro https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/college/wethouder/touriameliani/persberichten/verdeling-subsidies-evenementenfonds2025/ Zie ook FD (2025) Dit betekent dan wel dat bepaalde evenementen in potentie niet of in een andere vorm plaatsvinden.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

19

Aanbodsubstitutie tussen locaties, aantal dagen etc. Ook de substitutiemogelijkheden voor organisatoren zijn van belang. Daarbij kan worden gekozen voor het organiseren op verschillende (andere) dagen of locaties, waaronder het overstappen naar een venue binnen (zonder evenementenvergunning) of naar een locatie in een andere gemeente. Daarmee is een enkele vergunning van de gemeente Amsterdam mogelijk niet doorslaggevend om ‘quitte’ te kunnen draaien en het evenement plaats te laten vinden. Het evenementenbeleid in andere gemeenten is dus ook van belang voor het bedrijfsmodel van organisatoren en voor de feitelijke terugverdientijd van evenementen die ook in Amsterdam plaatsvinden. Daaronder vallen zowel de beschikbaar gestelde locaties als het vergunningenbeleid aldaar. Echter geldt ook dat organisatoren rekening houden met het aantal keer dat en de locatie waar ze iets kunnen organiseren en aan de hand daarvan hun begroting, waaronder de beoogde investeringen, aanpassen.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

5

20

Analyse evenementdagen en organisatoren

Het aantal evenementdagen in de openbare ruimte is in 2025 lager dan in 2019 terwijl de bezoekersaantallen per evenement lijken te stijgen. Voor de meeste locatieprofielen geldt dat het maximum aantal evenementdagen nog niet wordt behaald. Veel evenementen worden georganiseerd door zittende organisatoren, waarvan concernrelaties de eigendomsstructuur complex maken. Beschikbare data en aanpak De gemeente hanteert een evenementenkalender. De huidige kalender bevat alle vergunningplichtige evenementen in de regio Amsterdam-Amstelland met meer dan 2.000 bezoekers of die gebruikmaken van een geluidsdag (75-85 dB(C)). Incidenteel zijn ter informatie ook grote, niet-vergunningplichtige, evenementen opgenomen. Ook staat er een aantal 'opties' op, waarvan de doorgang nog onzeker is. Omdat 2025 het lopende jaar betreft, kan deze kalender gedurende het jaar nog gewijzigd worden. Herdenkingen (bijvoorbeeld de Nationale Dodenherdenking op 4 mei) en openbare manifestaties zijn niet opgenomen omdat dit formeel geen 'evenementen' zijn. Voetbalwedstrijden hebben een eigen kalender, behalve de wedstrijden van Hera United in het Olympisch Stadion. Voor de analyse van de dynamiek in het aanbod van evenementen en festivals in Amsterdam maken we gebruik van de evenementenkalenders van 2019 tot en met 2025.

Niet elk evenement of festival op de evenementenkalender vindt plaats op een locatie met een locatieprofiel of in de openbare ruimte. Zo staan op de kalender ook evenementen en festivals die binnen worden gehouden. Voor het in beeld brengen van de dynamiek kijken we in dit hoofdstuk naar alle evenementen en festivals op de kalender. Aanvullend op het delen van de evenementenkalender heeft de gemeente enkele stappen uitgevoerd om de data aan te vullen, te verbeteren en op te schonen. Dit is mede gedaan op basis van gegevens uit de vergunning. Het valt niet uit te sluiten dat er onvolkomenheden resteren. Op basis van de opgeschoonde data hebben we vervolgens nog enkele additionele bewerkingen uitgevoerd om de data consistent over de jaren te maken, met name daar waar het gaat om namen van evenementen en organisatoren. Dit is ook gedaan om het aantal evenementdagen per evenement goed in te schatten, rekening houdend met de mogelijk onvolledige dekking van alle kenmerken van de evenementen en festivals in de evenementkalender. De analyse van de evenementenkalender gaat niet in op het geluidsniveau van de genoemde evenementen.

5.1 Dynamiek aanbod evenementen en festivals Aantal evenementen en aantal dagen Het aantal evenementen per jaar ligt momenteel nog altijd lager dan in 2019, het laatste pre-COVID-19 jaar (zie paneel A in Figuur 5.1). Het aantal daalt van 263 evenementen in 2019 naar 11 (2020) en 39 (2021) in de eerste COVID-jaren. Sinds 2022 is het aantal evenementen per jaar relatief stabiel rond de 130 met een uitschieter van 163 in 2023. Dit ligt nog altijd ruim onder het niveau van 2019.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

21

Ook het totaal aantal evenementdagen ligt nog altijd lager dan in 2019 (zie paneel B van Figuur 5.1). In 2019 waren er in totaal 642 evenementdagen, terwijl dit tegenwoordig rond de 400 dagen ligt. In de eerste pandemiejaren in 2020 en 2021 gingen veel evenementen niet door en waren er slechts 33 respectievelijk 139 evenementdagen. In 2022 herstelde dit snel naar 508 en vervolgens in 2023 zelfs naar 562 dagen. De afgelopen twee jaar is dit echter gezakt tot 412 dagen in 2024 en 381 in 2025. Figuur 5.1

Het aantal evenementen en aantal dagen ligt nog altijd lager dan voor COVID-19 (A) Evenementen per jaar

Bron:

(B) Aantal evenementdagen

Evenementenkalender gemeente Amsterdam (2019-2025), bewerking door SEO Economisch Onderzoek

De daling van het aantal evenementen sinds COVID-19 blijkt zowel te gelden voor eendaagse als meerdaagse evenementen (zie paneel A in Figuur 5.2). In 2019 waren er nog 136 eendaagse evenementen terwijl dit na een geleidelijk herstel na COVID-19 er niet meer dan 80 in 2024 zijn. In 2025 staan er 67 eendaagse evenementen op de kalender. Terwijl het aantal meerdaagse evenementen sneller is hersteld volgend op de eerste COVID-jaren, ligt het aantal in 2024-2025 juist opvallend lager. In 2019 waren er nog 126 evenementen verspreid over meerdere dagen. Sinds de vrijwel lege kalenders in 2020 en 2021 herstelde het aantal meerdaagse evenementen opvallend snel naar 91 in 2022 en 106 in 2023. Vervolgens zakte het aantal echter ook weer terug naar 44 meerdaagse evenementen in 2024 en 60 in 2025. Tussen de verschillende jaren loopt de verhouding tussen eendaagse en meerdaagse evenementen daarmee redelijk uiteen. Tegelijkertijd is het gemiddeld aantal dagen per evenement gestegen sinds 2019 (zie paneel B in Figuur 5.2). In 2019 duurde een evenement gemiddeld 2,5 dagen. In 2022 was dit al 3,6 dagen. Sindsdien neemt het gemiddelde weer af en ligt dit in 2025 op 2,9 dagen. De mediaan (niet getoond) ligt weer op het oorspronkelijke niveau: van 1 dag in 2019-2020 naar 2 dagen in 2021-2023 en vervolgens weer naar 1 dag in 2024-2025.

Bij meerdaagse evenementen bestaan er enige schaalvoordelen (minder kosten voor op-/afbouw). Deze zijn echter niet oneindig en er bestaat een uitruil tussen schaalvoordelen en bijvoorbeeld (het risico op) een gemiddeld lager bezoekersaantal per dag.

TERUGVERDIENTIJD FESTIVALS EN EVENEMENTEN IN AMSTERDAM

Figuur 5.2

Verhouding tussen eendaagse en meerdaagse evenementen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15988206/1