CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Vaststellen bestemmingsplan ‘Herziening Amstelveen Zuid-West 2014 - ZetterijGrutterij’ met gecoördineerde omgevingsvergunning

Gemeenteraad (vergaderingen t/m maart 2022) 24 maart 2021, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Herziening Amstelveen Zuid-West 2014 - ZetterijGrutterij’ met gecoördineerde omgevingsvergunning14.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.4.3 Detailhandelsnota 2016-2020 De detailhandelsnota 2016­2020 biedt het kader voor de toekomstige ruimtelijke economische ontwikkelingen. Het belangrijkste doel van de nota is het verschaffen van duidelijkheid over de gewenste ontwikkelingsrichting voor de detailhandel in de gemeente, en wel voor alle betrokken partijen, zoals inwoners, ondernemers, pandeigenaren en ontwikkelaars. De nota dient als toetsingskader voor nieuwe initiatieven waar gemeentelijke goedkeuring of medewerking is vereist, maar heeft tevens tot doel marktpartijen te prikkelen in te spelen op de kansen die de Amstelveense markt hen biedt. In de nota wordt uitgegaan van de volgende ambities: Het bieden van een goed en gevarieerd voorzieningenniveau voor inwoners, gelegen binnen een redelijk bereik. Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 28 van 41

Het beschikken over een representatief, aantrekkelijk en dynamisch Stadshart, dat zowel de eigen inwoners als de regio bedient. Het behoud van een vitaal economisch winkelapparaat dat het vermogen heeft mee te groeien met de toekomstige uitdagingen. De winkelstructuur in Amstelveen is als volgt opgebouwd: Het centrum wordt gevormd door het Stadshart, dat gericht is op de bewoners uit de hele gemeente alsmede bezoekers vanuit de regio. De wijkcentra, winkelgebieden die tenminste de volledige vraag naar dagelijkse artikelen kunnen bedienen en primair verzorgend zijn voor de omliggende wijk. Een cluster van Perifere Detailhandels Vestigingen (PDV), met grootschalig winkelaanbod met name gericht op doe­het­zelf en wonen. Dit cluster richt zich op de hele gemeente. Overig winkelaanbod, dit zijn veelal kleinere winkelclusters, die op verschillende manieren de bestaande structuur aanvullen. Dit bestaat zowel uit dagelijkse aanbod als uit doelgericht niet­dagelijks aanbod. Het perifere winkelaanbod is in Amstelveen adequaat geregeld. Het aanbod concentreert zich bijna volledig op het bedrijventerrein Bovenkerk en dit winkelcluster heeft voldoende kritische massa om zich goed te kunnen manifesteren. De gemeente Amstelveen houdt vast aan deze lijn.

Dit betekent dat geen medewerking zal worden verleend aan het realiseren van perifeer of grootschalig winkelaanbod op locaties elders in Amstelveen. Er is verder geen aanleiding voor uitbreiding van het PVD­winkelaanbod op Bovenkerk. Uitzondering op deze regel geldt een eventuele verplaatsing van de Gamma die nu op bedrijventerrein Legmeer is gevestigd, omdat dit immers zou leiden tot een verdere concentratie van het perifere winkelaanbod. Met het onderhavige bestemmingsplan wordt derhalve uitvoering gegeven aan de in de nota geschetste gewenste ontwikkelingsrichting van het PDV cluster Bovenkerk. 5.4.4 Erfgoednota Amstelveen Op 28 september 2016 heeft de gemeenteraad van Amstelveen de Erfgoednota Amstelveen vastgesteld. De Erfgoednota beschrijft het erfgoed van Amstelveen en de beoogde omgang ermee in drie delen. Het eerste deel beschrijft de ambitie en de visie van de gemeente op de omgang met haar culturele erfgoed. Het tweede deel beschrijft Amstelveen in al haar (ruimtelijke) facetten; van de historische groei en de wijkopbouw tot het aanwezige waardevolle culturele erfgoed. In het derde deel wordt het instrumentarium beschreven: welke middelen zijn er om de visie en ambitie waar te maken.

Met de Erfgoednota wordt ingegaan op het opnemen van cultuurhistorie in bestemmingsplannen, het actualiseren van het archeologiebeleid, de omschakeling van objectgericht­ naar gebiedsgericht denken en het credo 'behoud door ontwikkeling'. De monumentenlijst van de gemeente bestaat momenteel uit: 37 Rijksmonumenten. 1 Provinciaal monument. 128 Gemeentelijke monumenten. 1 Rijksbeschermd stads­ of dorpsgezicht. 11 Gemeentelijke beschermde stads­of dorpsgezichten. Hiermee zijn de meest waardevolle gebouwen, objecten en parken afdoende beschermd. Monumenten zijn bij wet beschermd: zonder omgevingsvergunning mag er niets wijzigen aan het uiterlijk aanzien. Andere zaken met cultuurhistorische waarden, maar zonder monumentale bescherming hebben beleidsmatig een stuk minder Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 29 van 41

bescherming. Sloop van bijvoorbeeld karakteristieke panden is niet tegen te gaan, en vergunningsvrij kan er op van alles worden op­, aan­ en bijgebouwd. Een monumentale bescherming mag enerzijds geen keurslijf zijn waarbinnen de tijd stil staat, en een karakteristiek pand of cultuurhistorisch waardevol gebied moet anderzijds beeldbepalend zijn en blijven en inspiratie bieden bij nieuwe ontwikkelingen. De prioriteit in de Erfgoednota ligt niet meer in het inventariseren en aanwijzen van monumenten. De Erfgoedverordening maakt dat altijd nog mogelijk, maar veel meer zal er ingestoken worden op het behoud van structuren en ensembles. De omgang met het lokale cultureel erfgoed in meer algemene zin, zal in deze nota onder de loep worden gelegd. Er wordt niet lager gefocust op een strikt en statisch behoud van objecten, maar vooral op de ontwikkeling van gebieden, structuren, ensembles en gebouwen, waarbij cultuurhistorie en erfgoed wordt ingezet als inspiratiebron en verrijking. 5.4.5 Archeologiebeleid gemeente Amstelveen In 2016 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau, in opdracht van de gemeente Amstelveen, een actualisatie van de bestaande gemeentelijke archeologische verwachtings­ en beleidsadvieskaart gemaakt.

Met name bestond behoefte aan een kritische evaluatie van de archeologische verwachtingswaarde met betrekking tot de kreeksystemen in de droogmakerij en de hieraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. De historische buitenplaatsen waren niet opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen. Vanuit de gemeente bestond behoefte aan borging van deze waarden in het proces van ruimtelijke ordening middels een aanpassing van het archeologiebeleid. Tevens waren in de tussentijd archeologische onderzoeken uitgevoerd, die wellicht tot nieuwe inzichten hadden geleid. De verwachtingskaart bevatte hoofdzakelijk archeologische­inhoudelijke informatie en was daardoor minder geschikt als een instrument voor het bepalen van de noodzaak tot het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek. Om tot een dergelijk bruikbaar instrument te komen is een vertaalslag gemaakt naar een beleidsadvieskaart. De bekende vindplaatsen en de verschillende verwachtingsgebieden zijn op deze kaart voorzien van voorschriften. Ook de gebieden waar reeds enige vorm van archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden zijn hierop ter informatie weergegeven. Bij het opstellen van het beleid is onderscheid gemaakt tussen zones met vastgestelde en met te verwachten archeologische waarden.

Onder de eerste categorie wordt verstaan terreinen van archeologische waarde (AMK­terreinen), historische kernen en vindplaatsen zonder status. Gebieden waarvoor op basis van bekende archeologische vindplaatsen, geomorfologie en landschap een archeologische verwachting is geformuleerd, worden gekenmerkt als archeologische verwachtingsgebieden. Op de archeologische verwachtings(waarden)kaart wordt de archeologische verwachting met de termen hoog, middelhoog, laag en geen/onbekend weergegeven. De verschillende vindplaatsen worden, indien mogelijk, naar categorie onderscheiden en ook staan de historische kernen en AML­terreinen met de daarvoor geldende status vermeld. In de voorschriften wordt aangegeven welke randvoorwaarden gelden vanuit de bekende archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden ten aanzien van de ruimtelijke ordening. Hier wordt dus aangegeven welke ondergrens voor onderzoek geldt. In het plangebied is sprake van één archeologische verwachtingswaarde: Waarde­Archeologie 5. Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm nader archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie.

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 30 van 41

HOOFDSTUK 6 OMGEVINGSKWALITEIT 6.1 Bodem Wettelijk- en Beleidskader Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen gericht tegen verontreiniging, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik kan benadelen. Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het doel, om in 2015 geen locaties meer te hebben waar acute gezondheidsrisico's optreden, is in Amstelveen bereikt. Het tweede spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet milieubeheer vormt hiervoor de basis. Het derde en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een 'goede ruimtelijke ordening'. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfuncties alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijke momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast.

In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. In Amstelveen is wel gebiedsspecifiek beleid opgenomen in de Nota bodembeheer(2013), maar er zijn geen regels opgenomen die het bestemmen van gebruiksfuncties beperken. Daar is ook weinig aanleiding voor, omdat de chemische bodemkwaliteit over het algemeen geen knelpunt vormt voor bestaand en toekomstig bodemgebruik. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over de manier waarop het landschap is ontstaan. Ze vormen ons aardkundig erfgoed. Dit is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. Gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. Relevantie plangebied Bodemopbouw De ligging van het plangebied is beschreven in § 1.2. De bodem bestaat hoofdzakelijk uit humeuze klei.

Bodemkwaliteit Op basis van verwachtingen is het niet aannemelijk dat het terrein ernstig is verontreinigd . Voor zover bekend hebben in het verleden geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Haalbaarheid De haalbaarheid van een ruimtelijk plan kan onder druk komen te staan door de kosten van een noodzakelijke bodemsanering of noodzakelijk grondverzet ter bescherming van Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 31 van 41

het toekomstige bodemgebruik. Dit kan leiden tot een negatief resultaat op de grondexploitatie. Bodemkwaliteit op planniveau Uit het rapport van het verkennend (water)bodemonderzoek, opgesteld door OrtaGeo d.d. 7 september 2018 onder rapportnummer 209168­10/R01, blijkt dat geen relevante verontreiniging aanwezig is (zie bijlage 1). Het is daarom niet te verwachten dat de bodemkwaliteit van het plangebied een negatief effect heeft op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

6.2 Water Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. 6.2.1 Beleid 6.2.1.1 Europees beleid De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte­ en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet­ en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG­kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch­chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. 6.2.1.2 Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016­2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009­2015.

Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016­2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Ne­42 bestemmingsplan Herziening Landgoederen en Groene Gebieden verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 32 van 41

onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer­ en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; beheersbaar programma voor de waterkeringen; doelmatig beheer van de waterketen; werkzaamheden slim combineren; het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. 6.2.1.3 Provinciaal beleid Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021.

De volgende doelen worden nagestreefd: waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; kader stellen voor regionale waterkeringen; beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; waterrobuust inrichten bevorderen; bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; zorgen voor schoon en voldoende grondwater. Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. 6.2.1.4 Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Waterbeheerplan AGV 2016-2021 Het Waterschap heeft de zorg voor het regionale watersysteem. Het Waterschap streeft op een duurzame en kosteneffectieve wijze naar optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater. Daarnaast draagt het waterschap op het gebied van recreatie, landschap en cultuurhistorie bij aan verbetering. Met dit waterbeheerplan legt het waterschap vast hoe het invulling geeft aan de zorg voor de kerntaken.

Het Waterbeheerplan 2016­2021 bouwt voort op het plan voor de periode 2010­2015 en houdt tegelijk rekening met nieuwe ontwikkelingen. Voor de komende periode heeft het waterschap per thema een aantal stippen aan de horizon gezet: de wensbeelden voor 2030. Deze ambitie voor de lange termijn is vervolgens herleid naar doelen voor de planperiode en een aanpak op hoofdlijnen. Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 33 van 41

Watergebiedsplan Westeramstel Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft naast haar Waterbeheerplan voor verschillende gebieden aparte Watergebiedsplannen opgesteld met als doel gebiedsgerichte maatregelen te formuleren om het watersysteem te verbeteren. Daarvoor is zowel het grond­ als oppervlaktewater kwalitatief en kwantitatief in beeld gebracht. Tevens is de ecologische toestand onderzocht met het oog op het behalen van de Kaderrichtlijn Water doelen. Het hoofddoel van het watergebiedsplan is het nemen van een peilbesluit voor de polders in het Westeramstelgebied. Het watergebiedsplan focust op de volgende aandachtsgebieden: een peilbesluit voor de vier polders in het Westeramstelgebied; de kans op wateroverlastsituaties en eventuele maatregelen; de waterkwaliteit in het hele gebied en maatregelen voor de korte en lange termijn om de KRW doelen te halen; actualiseren van de legger; gebiedsgerichte maatregelen van reguliere waterschapstaken. Keur 2019 - Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het Waterschap Amstel, Gooi, Vecht. Binnen dit Waterschap is de Keur 2019 van kracht sinds 1 november 2019. De Keur is één van de instrumenten van beheer die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen.

De drie hoofddoelstellingen die vanuit de Waterwet zijn aangegeven zijn het: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Inrichting oppervlaktewater, waterkwaliteit en klimaatadaptatie Oppervlaktewater wordt zodanig ingericht het voldoet aan de Keur en het PvE beheer en onderhoud van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Het is van belang dat watergangen een doorlopend geheel vormen zonder doodlopende uiteinden. Waterkwaliteit mag niet achteruitgaan door de ontwikkeling. De wens is om maatregelen te treffen die bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit. Denk daarbij aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers, variaties in waterdiepte en een goede doorstroming van het watersysteem. Bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen is de norm dat rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat, waaronder hitte, droogte, hevige regen en overstromingen. Industrieterreinen staan bekend om grote verharde oppervlakken resulterend in meer hitte en wateroverlast. Om dit te ondervangen zouden groen/blauwe daken een uitkomst kunnen bieden. Meer informatie over dit type dakbedekking en andere inspiratie voor klimaat adaptief inrichten is te vinden op www.rainproof.nl.

Resultaten van stresstesten op wateroverlast en hitte zijn te vinden op www.agv.klimaatatlas.net of www.mra.klimaatatlas.net. Het plangebied ligt op een plek waar het aandeel overstromingen resulterend in een diepte van 20­50 cm gezamenlijk 50% of groter is. Het is op kavel terrein handig om hiermee rekening te houden en zo in te richten dat 50 cm water tot zo min mogelijk schade leidt. Deze risico’s zijn afgeleid van de klimaateffect atlas. Watervergunning

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 34 van 41

Op 13 augustus 2020 heeft het Waterschap de benodigde Watervergunning verleend voor het aanleggen van verhard oppervlak, het dempen en graven van water en het verplaatsen van een peilgrens. 6.2.1.5 Beleid gemeente Amstelveen Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Op basis van de Waterwet heeft de gemeente een zorgplicht voor het transport van afvalwater, voor hemelwaterafvoer en voor grondwateroverlast en ­onderlast. In het gemeentelijk rioleringsplan wordt uiteengezet hoe deze zorg wordt ingevuld. Het grondwaterzorgplan is een uitwerking van de grondwaterzorgtaak die in het GRP staat omschreven. 6.2.2 Watertoets Op de gronden binnen het plangebied is de Keur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) van toepassing. Bij de beoogde ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met het beleid van dit waterschap. Daarom dient elke demping van water voor 100% te worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied. Daarnaast dient, bij een toename van verharding met meer dan 1.000 m², binnen het betreffende peilgebied 10% van het extra verharde oppervlak als open water te worden gecompenseerd. Ten gevolge van het plan wordt ca. 747 m2 water gedempt. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw en het bijbehorende terrein leiden tot een toename van de verharding van het plangebied aan de Zetterij met ca. 8.310 m2. Daarom dient ca 831 m2 aan wateroppervlak te worden gecompenseerd.

In totaal moet het plan dus voorzien in 1.578 m2 wateroppervlakte. Het plan voorziet in de aanleg van 1.585 m2 water, zodat in voldoende mate wordt voorzien in water. Het aan te leggen water is in het bestemmingsplan ook dienovereenkomstig bestemd. Eén en ander is in figuur 13 weergegeven.

Figuur 13: Watercompensatie Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 35 van 41

6.3 Archeologie en cultuurhistorie 6.3.1 Archeologie Voor het perceel aan de Zetterij geldt de archeologische verwachtingswaarde 5. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 0,30 meter, die tevens groter zijn dan 10.000 m², archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De verwachtingswaarde is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische verwachtings­ en beleidsadvieskaart. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw heeft een grondoppervlakte van ca. 4.000 m2 en wordt gerealiseerd op gronden die niet zijn bebouwd. Daarnaast wordt een waterloop verplaatst en opnieuw aangelegd. Het gaat hier om een oppervlakte van circa 960 m² aan nieuw te graven water. Tezamen komt dit neer op een bodemverstoring van circa 5.000 m². Archeologisch onderzoek is voor deze ontwikkeling daarom niet vereist. 6.3.2 Cultuurhistorie In het kader van de Erfgoednota Amstelveen zijn voor het Amstelveense grondgebied cultuurhistorische gebiedsbeschrijvingen opgesteld. De Zetterij ligt binnen het gebied Amstelveen Zuid­West. Voor dit gebied zijn met name cultuurhistorische waarden vastgesteld voor de dorpskern Bovenkerk, de uit 1915 stammende spoorlijn en de Sint Urbanuskerk. Voor het plangebied aan de Zetterij zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden opgenomen.

6.4 Geluid 6.4.1 Wettelijk kader en beleidskader De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt, voor spoor­ en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen, zijn grondslag in de Wet geluidhinder. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid plaats in het kader van een goede ruimtelijke ordening op basis van de Wet ruimtelijke ordening. In de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh) zijn voorkeursgrenswaarden ten aanzien van de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies opgenomen. Als daaraan niet kan worden voldaan, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. Voor de hogere waarden van de geluidsbelasting geldt dat deze lager dienen te zijn dan de maximaal te verlenen hogere waarde, voor verschillende situaties, die zijn neergelegd in de Wgh en het Bgh. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is uitgewerkt op welke wijze de hogere waardenprocedure moet worden doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van het vaststellen van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie.

6.4.2 Geluidsituatie plangebied Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw van de Gamma aan de Zetterij is geen geluidgevoelig object. Naast deze locatie staat aan de Maalderij 33­41 een gebouw, waarin onder andere een school en een praktijk voor fysiotherapie zijn ondergebracht. Dit gebouw wordt daarom als geluidgevoelig beschouwd.

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 36 van 41

In de VNG­brochure Bedrijven en milieuzonering wordt een afstand van 30 meter geadviseerd tussen een bouwmarkt en een geluidgevoelig gebouw. Tussen de nieuw te bouwen Gamma en Maalderij 33­41 is in het definitieve ontwerp van het gebouw een afstand aangehouden van 30 meter. Delen van het parkeerterrein echter, en de route naar het bevoorradingspunt, liggen op iets geringere afstand. Daarom is van het verkeer op het parkeerterrein en de bevoorradingsroute de geluidbelasting berekend op het gebouw aan de Maalderij 33­41. Daarnaast is ook de indirecte hinder door verkeersbewegingen op de openbare weg van en naar het bedrijf beoordeeld. Op 15 januari 2019 is door BügelHajema, onder nummer 063.15.50.00.00, een rapport opgesteld van het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie bijlage 2). In het onderzoek is uitgegaan van klinkerverharding van het terrein en een scherm, met een hoogte van 1,5 meter, een lengte van 60 meter en een reflectievermogen van 80%, ter hoogte van de buitenruimte van het kinderdagverblijf. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van zowel het verkeer op het parkeerterrein (inclusief bevoorradend verkeer), als de indirecte hinder, voldoen aan de geldende normen van 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag­ en de avondperiode.

6.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 37 van 41

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3 . Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig.

Relevantie plangebied Voor de onderhavige ontwikkeling is door BügelHajema, d.d. 4 oktober 2018 onder projectnummer 063.15.50.00.00, een notitie luchtkwaliteit opgesteld (zie bijlage 3). Het plan houdt de realisatie van een bouwmarkt in. Met behulp van CROW­publicatie 317 is de verkeersgeneratie binnen het plangebied als volgt vastgesteld: Een bouwmarkt met 4.089 m2 bruto vloeroppervlakte (bvo) in een zeer sterk stedelijke omgeving (CBS) genereert 22,0­28,6 ritten/etmaal/100 m2 bvo, hetgeen neerkomt op een totaal van maximaal 1.170 ritten per etmaal. Op basis van de gegevens van de Gamma en ervaringscijfers is het percentage vrachtverkeer vastgesteld op 3.5%. Invoering van deze gegevens in de NIBM­tool geeft aan dat de toenames aan NO2 en PM10, die daarmee gepaard gaan, zodanig gering zijn dat het plan als NIBM valt aan te merken. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk. Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd NIBM­project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed leefklimaat worden overschreden. Uit de eerdergenoemde notitie luchtkwaliteit blijkt dat de grenswaarden van NO2, PM2.5 en PM10 nergens worden overschreden.

De waarde van NO2 en PM10 ligt op alle punten ruim onder de geldende norm van 40,0 µg/m3 en de waarde van PM2,5 ligt ruim onder de geldende norm van 25,0 µg/m3. Het aantal overschrijdingsdagen voor fijn stof PM10 ligt met een aantal van maximaal 7 ruim onder de norm van 35 dagen. Hieruit wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig is, dat een goed verblijfsklimaat wordt gewaarborgd.

6.6 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de vraag of de veiligheid van personen in de omgeving van een risico­opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen voldoende is gewaarborgd. Het gaat hier met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. De

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 38 van 41

veiligheidsnormen zijn vastgelegd in respectievelijk het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De risicokaart Noord­Holland geeft inzicht in de risico's in de woon­ en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. De gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en Rijk. Door Peutz is, onder nummer O 16088­1­RA­001, een rapport opgesteld over het door hen uitgevoerde onderzoek naar de externe veiligheid in en rond het plangebied (zie bijlage 4). Omdat het plangebied zich bevindt in de nabijheid van meerdere hogedruk aardgastransportleidingen, is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Binnen het plangebied zijn drie hogedruk aardgastransportleidingen van de Gasunie en een afsluiterlocatie aanwezig. Aan weerszijden van de leidingen geldt een belemmeringenstrook van 4 meter. Ten gevolge van deze strook gelden onder meer beperkingen ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden en het gebruik van de gronden. In deze zone mag volgens het bestemmingsplan uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het aanleggen en onderhouden van de gasleiding, waarbij een maximale bouwhoogte geldt van 3 meter.

Rondom de afsluiterlocatie geldt een zone van ten minste 4 meter. Met de Gasunie is overeenstemming bereikt over het aanleggen van parkeerplaatsen op een deel van het leidingentracé. De gronden rondom de afsluiterlocatie zijn daarvan uitgesloten. Tijdens de bouwperiode van het project kan het zijn dat aanvullende maatregelen nodig zijn ter bescherming van de buisleidingen. Op basis van de QRA kan worden geconcludeerd dat het plangebied zich buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10­6 per jaar bevindt. Aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico wordt derhalve voldaan. Het groepsrisico bedraagt in de huidige situatie 0,206 maal de oriëntatiewaarde, voor de toekomstige situatie bedraagt het groepsrisico 0,208 maal de oriëntatiewaarde. Omdat het groepsrisico meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt, maar er geen sprake is van een toename van meer dan 10% is het niet noodzakelijk het groepsrisico te verantwoorden. Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen, die zich bevinden binnen het invloedsgebied, te worden beschouwd. Na realisatie van het bouwplan moeten de toekomstige medewerkers worden gewezen op de aanwezigheid van de hogedruk aardgastransportleiding.

Eveneens dienen de medewerkers er van op de hoogte te zijn dat zij van de gasleiding(en) af moeten vluchten bij een calamiteit aan de gasleiding(en). Het is hierbij noodzakelijk dat nooduitgangen van het te bouwen bedrijfsgebouw zich in ieder geval aan de oost­ en zuidzijde van het gebouw bevinden, zodat het mogelijk is om van de gasleidingen af te vluchten. Voor de bestrijding van een eventuele calamiteit ter zake van de hogedruk aardgas transportleiding zal bij de planinrichting voor zover mogelijk rekening moeten worden gehouden dat het plangebied via meerdere zijden bereikbaar moet zijn en dat voldoende bluswater beschikbaar is.

6.7 Natuur en Ecologie Wettelijk kader

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 39 van 41

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De Wet natuurbescherming beslaat zowel soorten­ als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen voor de andere soorten. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000­gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Relevantie plangebied Gebiedsbescherming Natura­2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden.

Op grond van de Wet natuurbescherming zijn Natura­2000­gebieden beschermd tegen significante negatieve effecten, waaronder de gevolgen van stikstofdepositie. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura­2000 gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied "Botshol" is gelegen op een afstand van circa 6 kilometer. Uit onderzoek naar de stikstofdepositie ten gevolge van de uitvoering van dit bestemmingsplan, is gebleken dat vanwege de sloop­, aanleg­ en gebruiksfase sprake is van een stikstofdepositie (afgerond op twee decimalen) van 0,00 mol/ha/jaar ter plaatse van het stikstofgevoelige Natura 2000­gebied Botshol (zie bijlage 5). Hieruit wordt geconcludeerd dat geen negatieve effecten zijn te verwachten op Botshol ten gevolge van de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkeling. Derhalve is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Verstorende effecten op onderdelen van het NNN (Natuurnetwerk Nederland), ecologische verbindingszones of weidevogelleefgebied zijn uit te sluiten op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied. Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een vergunning of ontheffing is niet nodig.

Soortenbescherming Op 25 september 2018 heeft het adviesbureau Ecoresult een rapport uitgebracht over de uitgevoerde quickscan, waarbij de geplande ontwikkeling is getoetst aan de natuurwetgeving (zie bijlage 6). Door middel van een verkennend veldonderzoek is beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant­ en diersoorten. Het plangebied is redelijkerwijs ongeschikt voor groeiplaatsen, vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van nationaal beschermde soorten die niet van een ontheffing zijn vrijgesteld, vaste rust­ en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten, waarvan de vaste rust­ en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen jaarrond zijn beschermd. Verdiepend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 40 van 41

Wel dient rekening te worden gehouden met het vogelbroedseizoen (globaal 15 maart ­ 15 augustus) van algemene vogels. Nesten van al deze vogels zijn strikt beschermd zodra ze bezet of in gebruik zijn. Ze mogen nooit worden verstoord. Daarom moet met de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden gestart of moet worden voorkomen dat deze vogels zich ter plaatse niet kunnen vestigen door bijvoorbeeld het verwijderen van de vegetatie in het plangebied. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht ten behoeve van nationaal beschermde soorten die zijn vrijgesteld van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (voornamelijk gewone pad, bruine kikker, bosspitsmuis spec., huisspitsmuis en egel). Een en ander houdt in dat alles in het werk moet worden gesteld om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Daartoe moeten zij de ruimte krijgen om te vluchten, dan wel zich te verplaatsen. In het bijzonder dient aandacht te worden besteed aan het dempen van de sloten. Dit dempen dient in afstemming met een deskundig ecoloog zorgvuldig te worden verricht.

6.8 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Wettelijk kader Het instrument en de procedure milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit. Voor alle projecten waarbij de activiteit is opgenomen in Bijlage D van dit Besluit, moet door het bevoegd gezag worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. De wijziging van dit Besluit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in deze wetgeving voor alle in het Besluit genoemde activiteiten van de D­lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D­drempel. Via een m.e.r.­beoordeling worden de milieueffecten van de gewenste ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan wordt beoordeeld en beslist of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Op 7 januari 2019 hebben burgemeester en wethouders, basis van een door de initiatiefnemer aangeleverde aanmeldnotitie, besloten dat het bouwplan niet leidt tot significante nadelige gevolgen voor het milieu (zie bijlage 7). Daarom hoeft geen milieueffectrapport of m.e.r.­beoordeling voor de onderhavige ontwikkeling te worden opgesteld.

Toelichting bestemmingsplan Herziening Amstelveen Zuid­West 2014 ­ Zetterij/Grutterij

pagina 41 van 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=89f07698-7122-43a3-822d-b500bbaec307