Toelichting vastgesteld bp Stadsplein Bioscoop
Tekst van het document
De verwachting is dat het gebruik van bodemenergiesystemen verder zal toenemen. Zon der bodemenergie kan immers nauwelijks worden voldaan aan de aangescherpte energie eisen voor nieuwe gebouwen. Met name open BEsystemen beïnvloeden elkaar. Dit is nu al het geval in het Stadshart en de directe omgeving. Het criterium voor (gesloten) bodemenergie is doelmatig bodemgebruik. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen doelmatige ruimtelijk benutting en doelmatig energetisch gebruik. Doelmatig ruimtelijk benutting betekent dat de ondergrondse ruimte door zo veel mogelijk systemen kan worden gebruikt. De thermische invloed van een eenvoudig enkelvoudig ge sloten BEsysteem is 8 meter. Doelmatig energetisch gebruik vindt plaats wanneer de geleverde energie met een optimaal rendement in de bovengrondse installatie wordt benut. Beleidsregels gesloten systemen Doelmatige ruimtelijk gebruik 1. Een aanvraag voor de aanleg van een gesloten bodemenergiesystemen op open baar grond wordt niet in behandeling genomen; 2. Bij de aanleg van en gesloten bodemenergiesysteem bij een individuele woning moet het geografisch middelpunt van het systeem zoveel mogelijk in het midden van het perceel zijn gelegen; Doelmatig energetisch gebruik 1. Een aanvraag voor een SPF kleiner dan 3,5 wordt niet in behandeling genomen; 2.
Gesloten bodemenergiesystemen voor collectieve warmte zijn niet toegestaan in zoekgebieden voor warmtebronnen van open systemen.
Actieplan klimaatadaptatie Amstelveen 2021-2026 Klimaatadaptatie is voor de gemeente Amstelveen een belangrijke transitie. Het is essentieel om de leefomgeving aan het veranderende klimaat aan te passen. De hete en
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 24
droge zomers van 2018, 2019 en 2020 hebben het belang van klimaatadaptatie extra duidelijk gemaakt. Klimaatverandering versnelt op de vier belangrijkste klimaattrends: het wordt warmer, natter en droger en de zeespiegel stijgt. De gemeente Amstelveen volgt de landelijke aanpak voor klimaatadaptatie via de volgende stappen: Kwetsbaarheid in beeld brengen (weten)Via klimaatstresstesten heeft de gemeente Amstelveen de lokale impact voorde vier klimaattrends op hoofdlijnen en knelpuntlocaties in kaart gebracht: 1. Wateroverlast: de kaart laat de waterdieptes op straat en tegen gebouwen bij een extreme regenbui en de grondwateroverlast zien. Er zijn 10 locaties als knelpunt voor wateroverlast aangewezen. 2. Hitte tijdens een hittegolf: de kaart geeft de (gevoels)temperatuur tijdens een extreem hete dag weer. Er zijn 7 onderwerpen als hitteknelpunt aangemerkt. 3. Droogte: de gevolgen van een langdurig droogte voor bodemdaling en het grondwater zijn aangegeven. Voor droogte zijn 8 knelpunten benoemd. 4. Waterveiligheid: de kans op een dijkdoorbraak bij extreme waterstanden is in beeld gebracht. Bij de analyse zijn geen locatie specifieke knelpunten geconstateerd voor waterveiligheid. Risicodialogen voeren en ambities (willen) De ambities zijn als volgt: 1. Wateroverlast: het inrichten van de stad op extreme buien. 2.
Hitte: het beperken van de impact op de gezondheid en de leefomgeving. 3. Droogte: het vergroten van de sponswerking van de stad en de bodem. 4. Waterveiligheid: het regionaal samenwerken aan gevolgbeperking en dijkversterking. Een belangrijk deel van de klimaatopgave zal binnen het particulier bezit moeten worden gerealiseerd. Voor het bevorderen van de bewustwording en actiebereidheid bij bewoners en bedrijven zijn aansprekende (appellerende) acties nodig. Klimaatadaptatieagenda opstellen (werken), waarin 1. Meekoppelkansen worden benut. 2. Stimuleren en faciliteren. 3. Reguleren en borgen. 4. Handelen bij calamiteiten. Als basis voor alle maatregelen hanteert de gemeente Amstelveen de volgende algemene principes bij de uitvoering: <0000> We maken ruimte voor een klimaatbestendige inrichting. <0000> We werken samen in een netwerksamenleving met gedeelde verantwoordelijkheid. <0000> Onacceptabele knelpunten lost de gemeente samen met partners binnen 10 jaar op. <0000> Voor de uitvoering van projecten wordt in principe aangehaakt bij bestaande processen en investeringen. <0000> Werken aan het klimaat vindt plaats aan de hand van een continu leerproces.
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 25
HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT 7.1 Bodem Wettelijk- en Beleidskader Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen tegen verontreiniging gericht, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik benadeeld. Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het doel, om in 2015 geen locaties meer te hebben waar acute gezondheidsrisico optreden, is in Aalsmeer/Amstelveen bereikt. Het 2e spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet Milieubeheer vormt hiervoor de basis. Het 3e en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een ‘goede ruimtelijke ordening. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfunctie (bv. wonen) alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijk momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast.
In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. In Amstelveen is wel gebiedspecifiek beleid opgenomen in de Nota bodembeheer(2019). De samenwerkende gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, OuderAmstel en Uithoorn willen met deze Nota een praktische richtlijn bieden hoe in de regio met grond, vrijkomende grond en baggerspecie moet worden omgesprongen. Er zijn geen regels opgenomen die het bestemmen van gebruiksfuncties beperken. Daar is ook weinig aanleiding voor, omdat de chemische bodemkwaliteit over het algemeen geen knelpunt vormt voor bestaand en toekomstig bodemgebruik. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en resp. omgevingsplannen. Provinciale milieuverordening De provincie beschermt aardkundig interessante gebieden, 'aardkundige waarden', die iets vertellen over manier waarop het landschap is ontstaan. Ze vormen ons aardkundig erfgoed.
In de praktijk betekent dit dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de bodemchemische normen en die bodemfysisch vergelijkbaar is met de in het toepassingsgebied voorkomende grondsoort. Dit is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. Paragraaf 5.1.3 geeft inzicht in het aanwezige aardkundige erfgoed. Gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. Relevantie plangebied Bodemopbouw Het Stadshart bevindt zich in de Middelpolder, een droogmakerij. De bodem bestaat oorspronkelijk uit humeuze klei. Het plangebied is vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw aangelegd op voormalig weidegebied. Het weidegebied werd ontsloten via de wegen langs de rand van de polder. Bodemkwaliteit
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 26
Aangezien het gehele plangebied in maagdelijk weidegebied is aangelegd, is er geen aanleiding om bodemverontreiniging te verwachten. Bodemverontreiniging kan wel naderhand zijn ontstaan, met name door het gebruik van huisbrandolie voor stookinstallaties. Een aantal kantoorgebouwen en woonbebouwing in de noordwesthoek van het plangebied heeft over ondergrondse huisbrandolietanks beschikt. In het kader van herinrichtingen zijn vanaf ca. 1990 op veel plaatsen bodemonderzoeken uitgevoerd. Afgezien van lokale olieverontreinigingen (gesaneerd) zijn geen andere relevante verontreinigingen in de grond waargenomen. In het grondwater wordt stelselmatig een (sterk) verhoogde concentratie arseen aangetoond. Dit arseen heeft een natuurlijke oorzaak omdat het wordt veroorzaakt door de kwelstroom van diep grondwater uit arseenhoudende bodemlagen. Uitvoerbaarheid Er is door Grondslag een milieukundig onderzoek uitgevoerd naar verhardingen en bodem (zie bijlage 3, d.d. 14 september 2021, project 35137). De bodem is geschikt voor de functie en voor hergebruik binnen de projectlocatie.
7.2 Water Beleidsdoelen water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Wettelijk kader De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer.
Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend. De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen. In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 27
doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Om water integraal onderdeel te laten uitmaken van de ruimtelijke planning, is het nodig dat de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven in ruimtelijke plannen worden uitgewerkt. Om dit effectief te kunnen doen, wordt in het planstelsel van de Waterwet een koppeling gelegd met het planstelsel van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Dit wil zeggen dat de waterplannen op Rijksniveau en op provinciaal niveau ook ruimtelijke plannen (structuurvisies) zijn op basis van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EGkaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysischchemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 20162021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht.
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 28
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma voor 2018 bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Het doel van dit deltaplan is adaptatie te versnellen en te intensiveren, zodat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. In het plan zijn 7 ambities opgenomen: 1. kwetsbaarheid in steden in beeld brengen middels een stresstest; 2. risicodialoog voeren op verschillende niveaus met gebiedspartners en een strategie opstellen; 3. uitvoerings en investeringsagenda opstellen per regio; 4. het koppelen van uitvoeringsagenda met andere ruimtelijke opgaven (bijv. nieuwbouw en (groot)onderhoud); 5. stimuleren met financiële middelen en faciliteren middels het delen van kennis, instrumenten en ervaringen; 6. reguleren en borgen in beleid en regelgeving; 7. handelen bij calamiteiten indien er toch overlast en schade is bij extreme weersituaties. De ambities, afspraken en acties kunnen alleen gerealiseerd worden door intensief met elkaar samen te werken. Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021.
De volgende doelen worden nagestreefd: <0000> waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> zorgen voor schoon en voldoende grondwater. Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Keur 2019 – Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het projectgebied valt binnen het hoogheemraadschap Amstel, Gooi, Vecht. Binnen dit hoogheemraadschap is de Keur 2019 van kracht, dit is de opvolger van de Keur 2017. De Keur is één van de instrumenten van beheer die de waterbeheerder ter beschikking staat om de doelstellingen van waterbeheer te behalen.
De drie hoofddoelstellingen die vanuit de Waterwet zijn aangegeven zijn: <0000> voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; <0000> beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; <0000> vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. Waterbeheerplan AGV 2016-2021 Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht. Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 29
schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 20162021 en een aanpak op hoofdlijnen. Uitgangspunten: <0000> samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; <0000> een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; <0000> steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; <0000> een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; <0000> water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; <0000> gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; <0000> gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; <0000> vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; <0000> afstemming over alle watertaken per stroomgebied; <0000> behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2021-2026 Het GRP gaat voor een gezonde, duurzame en leefbare stad.
er worden maatregelen genomen om regenwater en rioolwater te scheiden om overtollig water beheerst te laten wegstromen naar bermen, sloten of speelweiden. Daarnaast wordt bestrating gebruikt die meer water doorlaat en worden groene daken gestimuleerd. Relevantie plangebied Het Stadshart valt onder de regels van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waterkering Binnen het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Waterkwantiteit Bij ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met het beleid van de waterschappen. Een van de beleidsregels betreft het compenseren van toename verhard oppervlak. Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van aanleggen van verhard oppervlak waardoor hemelwater niet in de bodem kan infiltreren. Deze beleidsregels gelden voor situaties met aanleg van verhard oppervlak van meer dan 500 of 1000 vierkante meter. In de keur is bepaald, dat bij nieuwe bebouwing en aanleg van nieuwe verharding naast de bestaande wateroppervlakte extra open water zal worden toegevoegd ter grootte van 10% tot 15% van die verharding. Dat houdt in dat bij iedere nieuwbouwontwikkeling voldoende oppervlaktewater gerealiseerd moet worden.
Deze uitbreiding kan niet alleen in de openbare ruimte gezocht worden, maar zal bij voorkeur (in ieder geval gedeeltelijk) op eigen terrein opgelost moeten worden en anders hetzelfde peilgebied. Het bouwplan van de bioscoop wordt gerealiseerd in reeds volledig verhard gebied. Er hoeft voor dit project geen water gedempt te worden of te worden gegraven. Waterleiding Binnen het plan liggen geen waterleidingen (WRKleiding) die op basis van een planologische regeling bescherming behoeven. Riolering en hemelwaterafvoer Het rioleringstelsel van het stedelijk gebied van Amstelveen bestaat grotendeels uit een gemengd rioolstelsel.
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 30
Bij nieuwbouwprojecten wordt het vuilwater gescheiden van het hemelwater. Tevens wordt er extra aandacht geschonken aan het voorkomen van verontreiniging van het regenwater, zoals: <0000> het vermijden van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper, zink en lood; <0000> teerhoudende dakbedekking (PAK's) en van met verontreinigende stoffen verduurzaamd hout in de bouw en bij de inrichting van de openbare ruimte.
7.3 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld.
Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen De gemeente Amstelveen heeft in 2008 archeologisch beleid vastgesteld.
Hiertoe is een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Op deze kaart zijn in verschillende gradaties de verwachte archeologische waarden opgenomen, waaraan criteria met betrekking tot oppervlakte en diepte van bodemverstoring zijn verbonden. In 2016 is het archeologisch beleid, en de daarbij behorende archeologische verwachtingskaart Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 31
geactualiseerd. Dit geactualiseerde beleid zal door een paraplubestemmingsplan gemeentebreed worden verankerd. De gebieden met de hoogste verwachting zijn vermeld als ‘AMKterrein’ (Archeologische Monumentenkaart) of als ‘historische kern’. Dit zijn de op kaart paars gekleurde gebieden (Amsterdamseweg, oude dorp, bestaande en voormalige buitenplaatsen langs de Amstel en locaties van voormalige molens en posten Linie van Krayenhoff). Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 50 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. In de zones waar ‘historische bebouwing’ heeft plaatsgevonden (Amsterdamseweg, Handweg, Legmeerdijk, Bovenkerkerweg en de Amsteldijk) geldt verplicht archeologisch onderzoek bij bodemverstoringen groter dan 100 m2. De zone van het onverveend bovenland (gebied ten westen van de Amsteldijk, groot loopveld (tracé ten zuiden van de A9) en het onverveende gebied in het noordwesten van Amstelveen) heeft een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Tot deze categorie van middelhoge archeologische verwachtingswaarde behoren ook de getijinversieruggen, die liggen in de Bovenkerkerpolder en de Noorderlegmeerpolder. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 5.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart.
Het overgrote deel van Amstelveen bestaat uit verveend, drooggemaakt of met zand opgespoten gebied. Binnen dit gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij bodemverstoringen van meer dan 10.000 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden gestart. Relevantie plangebied Paragraaf 5.1.3. geeft inzicht in de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het bestemmingsplan voorziet in een dubbelbestemming archeologie waarin voor de relevante waarderegimes regels worden gesteld voor het doen van nader onderzoek bij bodemingrepen in geval van bouwen en uitvoeren van werken.
7.4 Verkeer en parkeren Bereikbaarheid De ingang van de voorgenomen Pathé Bioscoop is gelegen aan het Stadsplein. Daarmee is deze Bioscoop voor alle modaliteiten uitstekend bereikbaar. Fiets: het Stadshart is vanuit heel Amstelveen uitstekend per fiets bereikbaar. Op het Stadsplein zelf zijn echter beperkt fietsparkeervoorzieningen aanwezig. Op enige loopafstand is echter voldoende capaciteit voorhanden en wordt gestreefd naar uitbreiding van de bestaande capaciteit, onder andere middels de wens om in de nabije toekomst een overdekte fietsenstalling in de directe nabijheid van het Stadshart te realiseren. Openbaar Vervoer: Het Stadshart is uitstekend per openbaar vervoer bereikbaar. Het Amstelveense busstation is direct naast het Stadsplein gelegen. Hier stoppen hoogfrequente buslijnen uit alle richtingen (AmsterdamCentrum, Zuid, Zuidoost, Aalsmeer, Uithoorn, Hoofddorp, Haarlem). Ook de halte van tramlijn 5 (AmsterdamCentrum) is op loopafstand van het Stadsplein gelegen. Auto: Het Stadshart is onmiddellijk gelegen aan afrit 5 van de A9 en daarmee uitstekend per auto bereikbaar. Parkeren vindt plaats in één van de vier parkeergarages: Stadsplein,
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 32
Schouwburg, Handelsplein of Buitenplein (voormalige V&Dgarage). Deze garages zijn allemaal direct aan of op korte loopafstand van het Stadsplein gelegen. Parkeren De voorgestelde bioscoop kent een capaciteit van 7 zalen met in totaal 1200 stoelen. De Amstelveense Nota Parkeernormen 2021 geeft aan dat voor een bioscoop in deelgebied A (Stadshart) een parkeernorm geldt van 1,6 parkeerplaats per 100 m2 BVO. Per zitplaats wordt gerekend met een vloeroppervlak van 3 m2. Voor deze studie (1.200 zitplaatsen) rekenen we dus met een vloeroppervlak van 3.600 m2 (1.200 x 3). Het overige oppervlak is bestemd voor ondersteunende voorzieningen voor de bioscoop. Dit komt neer op een parkeernorm van 58 parkeerplaatsen. Ruimtelijk gezien is het echter niet mogelijk de bestaande parkeercapaciteit uit te breiden op deze locatie. Er wordt daarom gekeken naar de aanwezige en potent iele restcapaciteit van de bestaande parkeergarages en naar functioneel dubbelgebruik. De drukste momenten, waarop 100% van de parkeervraag van de bioscoop ingevuld wordt, zijn volgens de landelijke kengetallen van het CROW de zaterdag en zondagavond. Op zaterdag en zondagmiddag bedraagt de parkeervraag 40%.
Het Stadshart kent momenteel juist op zaterdag en zondagmiddag de hoogte bezoekersaantallen: <0000> Parkeergarage Stadsplein (925 plaatsen): deze garage is de belangrijkste garage van het Stadshart en kent vrijwel geen restcapaciteit. <0000> Parkeergarage Schouwburg (600 plaatsen): deze garage is momenteel slecht toegankelijk. Hierdoor komt het maar weinig voor dat de garage vol staat. Op drukke momenten bedraagt de restcapaciteit gemiddeld ongeveer 140 plekken. Dit komt voornamelijk door het feit dat de entree van de garage moeizaam te bereiken is voor auto’s vanwege veel kruisend langzaam verkeer. Ook is de capaciteit van de toegangspoortjes gering, waardoor in en uitrijden erg langzaam gaat en veel bezoekers daarom bij voorbaat niet voor deze garage kiezen. Tegelijkertijd met de ontwikkeling van de bioscoop zal de toegang van deze garage verplaatst worden naar de Meander, waardoor de garage bij oplevering van de verbrede A9 veel beter toegankelijk zal worden en de capaciteit optimaal benut kan worden. <0000> Parkeergarage Handelsplein (530 plaatsen): deze garage kent op drukke dagen een restcapaciteit van ongeveer 250 plekken. <0000> Parkeergarage Buitenplein (475 plekken): deze garage is in maart 2019 heropend en zorgt ervoor dat het aantal parkeerplaatsen rondom het Stadshart voorlopig weer op acceptabel niveau ligt.
De garage kent op reguliere zaterdag en zondagmiddagen momenteel een grote restcapaciteit van meer dan 400 vrije plaatsen. Deze onderbezetting wordt mede veroorzaakt doordat het winkel en bedrijfspand waar deze garage onderdeel van is, momenteel voor een groot deel te maken heeft met leegstand. Conclusie: de reeds aanwezige restcapaciteit (op reguliere drukke dagen) van de bestaande garages is meer dan ruim voldoende om de te verwachten parkeervraag van de bioscoop op te vangen. Verkeersgeneratie Door Goudappel is een rapport opgesteld 'Uitgangspunten Verkeerskundige effectberekening Pathé Stadshart Amstelveen' (zie bijlage 4, d.d. 23 maart 2022, kenmerk: 011317.20220323.N1.01) Volgens de kencijfers van het CROW kan er bij een bioscoop met 1200 zitplaatsen in een hoogstedelijke centrumomgeving uitgegaan worden van maximaal 227 motorvoertuigen per etmaal als verkeersgeneratie. Deze verkeersbewegingen worden veroorzaakt door personeel, leveranciers en bezoekers, en zal verdeeld worden over de verschillende parkeergarages en de achterzijde van de bioscoop (laden en lossen).
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 33
Daarnaast zorgt het verplaatsen van de ingang van de Schouwburggarage voor een wijziging van de verkeersstromen. Vanaf de nieuwe aansluiting vanaf de A9, rechtstreeks op de Meander, kan verkeer deze garage bereiken, zonder over de Keizer Karelweg te hoeven rijden. De verkeerskundige wijzigingen als gevolg van het verplaatsen van de toegang naar de Schouwburggarage en de groei van het verkeer als gevolg van de komst van de bioscoop zijn door onderzoeksbureau Goudappel ingepast in het verkeersmodel NHZ 3.0. De gevolgen van deze wijziging van de verkeersstructuur zijn met name zichtbaar op de Meander, aan de achterzijde van de bioscoop: <0000> Aansluiting van de Meander op de op en afritten van de A9 zorgt voor een toename van het verkeer op de Meander ten oosten van de locatie van de bioscoop van 2200 motorvoertuigen per etmaal naar 3800 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename van verkeer kan de Meander verkeerstechnisch goed opvangen. De maximum capaciteit voor wegen met een vergelijkbare inrichting ligt op ongeveer 10.000 motorvoertuigen per etmaal. De verlengde Meander richting op en afritten kent een verkeersintensiteit van 4000 motorvoertuigen per etmaal (momenteel nog geen bestaande verbinding). Deze aansluiting van de Meander op de A9 is reeds in de ruimtelijke procedure omtrent de verbreding en verdieping van de A9 besloten.
<0000> Het omklappen van de hellingbaan zorgt voor een groei tot ongeveer 3900 motorvoertuigen per etmaal op de Meander ten oosten van de bios en een groei tot 4600 motorvoertuigen per etmaal voor de nieuwe verbinding met de A9. De relatieve extra groei van de verkeersstromen op de Meander is daarmee vrij gering. <0000> Toevoegen van de bioscoop zorgt voor een extra verkeersgeneratie van ongeveer 200 motorvoertuigen per etmaal, met name op de verlengde Meander richting A9. Deze krijgt hierdoor 4800 motorvoertuigen per etmaal. De toename van verkeer op de oostelijke Meander als gevolg van de bioscoop is verwaarloosbaar. Geconcludeerd kan worden dat de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit kent voor het opvangen van extra verkeer ten gevolge van het omklappen van de hellingbaan van de Schouwburggarage naar de achterzijde van de Schouwburg, in combinatie met het toevoegen van een bioscoop met 1200 zitplaatsen.
7.5 Geluid Beleidskader In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluidproducerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 34
3. cumulatie en compensatie. Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNGuitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.
In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Relevantie plangebied Binnen het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Het plangebied ligt ook niet binnen een geluidszone van een buiten het plangebied gelegen industrieterrein. Met betrekking tot het wegverkeerslawaai zijn er binnen het plangebied een aantal wegen die aan weerszijde een geluidszone hebben liggen. Deze geluidszone geeft het akoestisch aandachtsgebied weer. Dit is met name rond de doorgaande wegen en langs de A9. Wegen met een snelheidsregime van 30 km/h en woonerven zijn niet gezoneerd. Geluid activiteitenbesluit Door M+P raadgevende ingenieur BV is een akoestisch rapport opgesteld 'Akoestisch onderzoek bioscoop stadshart Amstelveen' (zie bijlage 5, d.d. 16 september 2022, rapportnummer: M+P.MEES.22.06.1). De nieuwe bioscoop wordt tegen de zuidkant van de Schouwburg geplaatst. In de nieuwe situatie zal de ingang van de schouwburggarage worden verplaatst naar de Meander en zullen de laad en losactiviteiten van de Schouwburg en Poppodium P60 veranderen. Door deze nieuwe situatie verandert de geluidssituatie.
Het laden en lossen geeft vanwege de binnensituatie minder geluid naar omwonenden en het wegrijden van een vrachtwagen wat meer. De expeditiefaciliteiten mogen uitsluitend door vrachtwagens in gebruik worden genomen indien de etmaalwaarde van het laden en lossen zal voldoen aan de richtwaarden van stap 2 van de VNG Handreiking bedrijven en milieuzonering. Dit zal bij de aanvraag omgevingsvergunning worden getoetst. Voor wat betreft de toekomstige verkeersbewegingen is er een te verwaarlozen invloed op geluid vanwege verkeer van – en naar de parkeergarage en bioscoop te verwachten.
7.6 Luchtkwaliteit
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 35
Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; <0000> een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSLprojecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.
Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' zoals een school of kinderopvang in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Relevantie plangebied Door Mees ruimte & milieu is een rapport luchtkwaliteit opgesteld (zie bijlage 6, datum 16 september 2022, projectnummer: 21240). In deze rapportage is een onderzoek gedaan naar het aspect luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek volgt dat de ontwikkeling van een nieuwe Pathé bioscoop aan het Stadsplein en de nieuwe ontsluiting van de schouwburggarage niet in betekende mate bijdraagt aan Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 36
verslechtering van de luchtkwaliteit en wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide NO2, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5. Gezien voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
7.7 Windhinder
Door Actiflow is een rapport 'CFDstudie windhinder en windgevaar opgesteld (zie bijlage 7, datum 11 maart 2022, AFR7212). Onderhavige rapportage omschrijft een windstudie waarin het effect van de nieuwbouw van de Pathé te Amstelveen inzichtelijk is gemaakt met betrekking tot het windklimaat op voetgangersniveau. Deze studie is uitgevoerd conform NEN 8100:2006. De resultaten hebben het volgende laten zien: <0000> De optredende windcondities rondom de projectlocatie van Pathé worden overwegend gekenmerkt door windhinderklasse A met uitzondering van enkele locaties waar de condities gekenmerkt worden door klasse B en C. Dit betekent dat deze condities geschikt of acceptabel zijn voor slenteren en andere meer inspannende activiteiten (bijv. doorlopen). <0000> Locaties waar de windcondities gekenmerkt worden door klasse A zijn ook geschikt voor de activiteit langdurig zitten. <0000> Er geldt geen risico op windgevaar op voetgangersniveau
7.8 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPGtankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 106 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 37
verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie plangebied Het plangebied ligt niet in de invloedssfeer van een inrichting of leidingentracé dat een gevarenzone rond zich heeft. A9 Bij nieuwe ontwikkelingen langs de A9 moet er gekeken worden naar eventuele groepsrisicotoenames tot een afstand van 200 meter ivm vervoer van gevaarlijke stoffen.
Door Prevent Adviesgroep is een groepsrisicobertekening A9 opgesteld (zie bijlage 8, datum 23 mei 2022, projectnummer 573D1 versie 02) en een toetsing externe veiligheid (zie bijlage 9, datum 23 mei 2022, projectnummer 573D2V02). Plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebied De normen voor het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebieden vormen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is voor de Rijksweg A9 met RBM II berekend voor de bestaande (bestemde) situatie en de nieuw te bestemmen situatie. Voor de bestaande (bestemde) situatie bedraagt het groepsrisico 2 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt door de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied toe tot 2,2 maal de oriëntatiewaarde (toename van 10 %). Door de wijzigingen aan de Rijksweg A9 (verbreding en realisatie overkappingen) neemt het groepsrisico voor de nieuwe omgevingssituatie in de toekomst af tot 1,5 maal de oriëntatiewaarde (afname van 25 % t.o.v. de bestaande, bestemde, situatie). Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico vereist omdat het plangebied gelegen is op minder dan 200 meter van de Rijksweg A9 en het groepsrisico hoger is dan 1 maal de oriëntatiewaarde. Verantwoording groepsrisico: <0000> De personendichtheid in het plangebied bedraagt in de bestaande (bestemde) situatie 0 personen.
In de nieuwe situatie bedraagt de personendichtheid gedurende weekdagen maximaal 670 personen in de dagperiode en de avond/nacht periode. In het weekend bedraagt de personendichtheid 1005 personen in de dagperiode en de avond/nacht periode. Het aantal personen neemt door de ontwikkeling in het
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 38
<0000>
<0000>
<0000>
plangebied rekenkundig toe met 1005 personen in de dagperiode en de avond/nacht periode. Voor de bestaande (bestemde) situatie bedraagt het groepsrisico 2 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt door de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied toe tot 2,2 maal de oriëntatiewaarde. Door de wijzigingen aan de Rijksweg A9 (verbreding en realisatie overkappingen) neemt het groepsrisico voor de nieuwe omgevingssituatie in de toekomst af tot 1,5 maal de oriëntatiewaarde. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een toename van het groepsrisico (toename van 10 %). Door de wijzigingen aan de Rijksweg A9 (verbreding en realisatie overkappingen) neemt het groepsrisico voor de nieuwe omgevingssituatie in de toekomst met 25 % af t.o.v. de bestaande, bestemde, situatie. Het plangebied is bij de huidige ligging van de Rijksweg A9 geheel gelegen binnen de PR=108 contour waardoor een andere positionering van het gebouw geen significant effect zal hebben op de hoogte van het groepsrisico. Gezien de ligging van het plangebied is een positie van het gebouw verder weg van de Rijksweg A9 overigens ook niet mogelijk.
Bij de toekomstige situatie van de Rijksweg A9 (met in achtneming effect overkappingen) ligt het plangebied buiten de PR=108 contour en draagt daarmee niet meer significant bij aan de hoogte van het groepsrisico (voor de toekomstige situatie van de Rijksweg A9 wordt voor zowel de bestaande, bestemde, situatie als de nieuwe situatie een groepsrisico van 1,5 maal de oriëntatie waarde berekend).
Gezien de niet significante bijdrage van het plangebied aan de hoogte van het berekende groepsrisico in de toekomstige situatie van de Rijksweg A9 bestaat er geen aanleiding om functies binnen het plangebied aan te passen om een lagere personendichtheid te realiseren. Rampenbestrijding en zelfredzaamheid Na het optreden van een koude of warme BLEVE kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. De toegang van de bioscoop ligt aan de noordzijde aan het stadsplein (bereikbaar via de Thomas Cookstraat). Aan de zuidzijde is het bioscoopgebouw gelegen aan de Meander en via 2 rijrichtingen te bereiken (vanuit westelijke en oostelijke richting). De bereikbaarheid van de locatie is voldoende. Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Het Stadsplein en de daarop aansluitende Rembrandtweg bieden verder voldoende mogelijkheden voor ontvluchting/ontruiming noordelijke richting naar veilig gebied. Conclusie De normen voor externe veiligheid vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Er is een advies aangeleverd door de Veiligheidsregio Amsterdam Amstelland (zie bijlage 10, referentie 022/RoEv2022, datum 18 mei 2022). Hierin staan maatregelen opgenomen die de risico's in het plangebied kunnen beperken en/of de mogelijkheid de hulpverlening en zelfredzaamheid te vergroten.
7.9 Natuur
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn).
Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 39
De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper. De gemeente Amstelveen adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen. Relevantie plangebied Het plangebied betreft een sterk verstedelijkt gebied. In het verstedelijkte gebied is sprake van beperkte natuurwaarden. Dit neemt niet weg dat er beschermde planten en dieren kunnen voorkomen. Met name diverse vleermuissoorten, huismussen en gierzwaluwen zijn bekend in deze omgeving voor te komen en deze soorten en hun verblijfplaatsen zijn strikt beschermd. Er is een quickscan Wet Natuurbescherming uitgevoerd voor dit project (zie bijlage 11, d.d. 21 maart 2019, ref: 1600006A18R19341).
Voor de bouw van de bioscoop dienen werkzaamheden te worden uitgevoerd aan gevels van bestaande gebouwen. Ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden aan de bioscoop en het verwijderen van meerdere bomen is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit deze quickscan komt het volgende naar voren: <0000> Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden zijn niet aanwezig of worden niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop. <0000> Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn verschillende soorten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings of verblijfplaats en algemene broedvogels. <0000> De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op nieuwe vogelnesten van algemene broedvogels. <0000> Voor de soortgroep vleermuizen zijn meerdere geschikte omstandigheden waargenomen zoals gaten en spleten waar deze soortgroep in kan voorkomen. Vervolgonderzoek wordt aangeraden om gebruik van deze soortgroep in het projectgebied na te gaan. <0000> Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd is het aan te bevelen om nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd.
<0000> Bij werkzaamheden dienen negatieve effecten op algemene grondgebonden zoogdieren en broedende vogels te voorkomen. Afhankelijk van op welke termijn de werkzaamheden worden uitgevoerd kan het raadzaam zijn nogmaals een controle uit te voeren op aanwezigheid van vaste rust en verblijfplaatsen van bijvoorbeeld de buizerd en roeken. Vleermuizen Naar aanleiding van de conclusie van de quickscan is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen (zie bijlage 12, d.d. 12 november 2019, ref: 1600006A20R191042 Gedurende het onderzoek is binnen het projectgebied één soort vleermuis aangetroffen: <0000> Gewone dwergvleermuis. Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 40
Uit het vleermuisonderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: <0000> Het projectgebied heeft geen vaste rust en verblijfplaatsen van vleermuizen; <0000> Het projectgebied heeft geen functie als essentieel foerageergebied voor vleermuizen; <0000> Het projectgebied heeft geen functie als essentiële vliegroute voor vleermuizen. Wanneer in de periode van april t/m november tussen zonsondergang en zonsopkomst geen gebruik gemaakt wordt van breed uitstralende bouwverlichting is geen verstoring van aanwezige vleermuizen aan de orde. Het aanvragen van een ontheffing voor vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Stikstofdepositie Er is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd door Mees ruimte & milieu (zie bijlage 13, datum 6 april 2022, projectnummer: 21240, kenmerk KODU/2140.02.ST). om de stikstofdepositie als gevolg van het project op Natura 2000gebieden te berekenen. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.
Daartoe wordt een stikstofberekening gemaakt met behulp van de AERIUScalculator. De stikstofdepositieberekening heeft tot doel de NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) emissies door het voornemen inzichtelijk te maken en de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. De AERIUScalculator 2021 geeft als uitkomst van de berekening dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het aspect stikstof vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.
7.10 Duurzaam bouwen en energie PLECK 3.0 Het duurzaamheidsbeleid van Amstelveen gaat over de Energietransitie, Circulaire Economie en Klimaatadaptatie (PLECK). Het maatschappelijk belang van een duurzame samenleving is groeiende. Klimaatextremen van het afgelopen jaar leiden tot een steeds groter en breder gedragen besef van de noodzaak om maatregelen te nemen om minder CO2 uit te stoten. De gemeente hanteert als algemene doelstelling de volgende CO2 doelen: <0000> De gemeentelijke organisatie is in 2030 fossiel onafhankelijk en werkt CO₂uitstootvrij; <0000> In 2040 wil Amstelveen 95% minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990. Energietransitie Het proces waarbij we stap voor stap op een andere manier gaan zorgen voor energieopwekking. De veranderingen betreffen onder andere de overgang van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, naar duurzame energiebronnen. Toelichting vastgesteld bestemmingsplan Stadsplein Bioscoop
pagina 41
Doelen energietransitie: <0000> De gemeentelijke organisatie is in 2030 fossielonafhankelijk; <0000> Het gemeentelijk vastgoed heeft in 2030 50 gebouwen met energielabel A; <0000> In 2040 wil het bestuur van de stad onafhankelijk van fossiele brandstoffen functioneren, dan is alle energie die we in Amstelveen gebruiken afkomstig van hernieuwbare energiebronnen. Dit heeft betrekking op vervoer, energiegebruik in woningen en gebouwen en door bedrijven en instellingen. Circulaire economie Een circulaire economie is een economisch systeem dat het hergebruiken van producten en grondstoffen als uitgangspunt neemt. Het oneindig hergebruiken van grondstoffen maakt een economie circulair. De aanpak voor Circulaire economie is verdeeld in 4 onderwerpen: Inkoop en aan besteding <0000> 10% circulair inkopen in 2020 en 50% in 2025. Grondstoffen <0000> In 2021 hergebruiken we 75% van onze grondstoffen die vrijkomen uit huishoudens; <0000> Maximaal 100 kilo restafval per inwoner per jaar in 2021. De doelstelling van het Landelijk Afvalbeheer Plan is aangescherpt naar 30 kilo restafval per inwoner per jaar in 2025; <0000> Bedrijfsafval beter scheiden. Circulair bouwen <0000> Ervaring opdoen met circulair bouwen. Bedrijven en instellingen <0000> Ervaring en kennis opdoen middels pilots en samenwerking.