PLECK 5.0 en Evaluatie Leidraad duurzaam bouwen en gebiedsontwikkelen
Tekst van het document
3.1 BELEID Programma versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving In 2022 is het Programma versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving gepresenteerd. Het doel van het programma is om een duurzame woning voor iedereen binnen bereik brengen. Dat vindt plaats via vijf programmalijnen. Een van de programma lijnen is Inno-vatie in de bouw. Onderdeel van deze programmalijn is onder andere industrieel bouwen en verduurzamen als nieuwe standaard voor de toekomst, stimuleren innovatie voor natuurinclusief en klimaatbestendig bouwen, aanscherpen eisen circulair en emissievrij bouwen en een norm voor natuurinclusief bouwen. Nederland circulair in 2050 en Transitieagenda Bouw Het kabinet heeft de ambitie geformuleerd om als Nederlandse economie in 2050 volledig circulair te zijn. Dit is vastgelegd in het programma Nederland circulair in 2050. Als vervolg hierop is in 2023 het Nationale Programma Circulaire Economie 20232030 van start gegaan. In dit programma staan maatregelen om de komende jaren zuiniger om te gaan met grondstoffen. Er liggen twee belangrijke doelen in het vooruitzicht: In 2030 50% minder gebruik van primaire grondstoffen In 2050 heeft Nederland een circulaire economie Voor de vijf meest milieubelastende productketens van de Nederlandse economie zijn transitieagenda’s opgesteld.
In de Transitieagenda Bouw werkt de bouwsector aan vier speerpunten om de circulaire bouweconomie te realiseren. Dit zijn: marktontwikkeling, meten, beleid en wetgeving en kennis en
bewustwording. Door circulair en modulair te bouwen, neemt de vraag naar nieuwe grondstoffen en materialen af. En dat is nodig, want de bouwsector neemt 50% van het grondstoffenverbruik in Nederland voor zijn rekening. Het Transitieteam Circulaire Bouweconomie adviseert het Rijk over wet- en regelgeving en werkt samen met het Platform CB23 aan sectorbrede afspraken rond circulair bouwen. Beleidsagenda normeren en stimuleren circulair bouwen In 2022 is de Beleidsagenda normeren en stimuleren circulair bouwen gepresenteerd. In de beleidsagenda worden de beleidsmatige acties voor de komende periode uiteengezet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie hoofdlijnen: 1.
Het aanscherpen en verbreden van de milieuprestatie-eis voor nieuwe gebouwen Voor woningbouw wordt onderzocht of halvering van de MPG mogelijk is (naar 0,5). Ook wordt gekeken op welke de MPG uitgebreid kan worden naar andere gebruiks-functies. 2. Het introduceren van normering voor de CO2-emissie van het materiaalgebruik In deze nieuwe eis wordt ook de CO2 gewaardeerd van de koolstof die is vastgelegd in biobased materialen. 3. Het stimuleren van bouwen met biobased grondstoffen De ambitie is om de teelt van vezelrijke grondstoffen met een lage CO2-uitstoot (zoals vlas, hennep en olifantsgras) te bevorderen met het doel een alternatief te bieden voor traditionele bouwmaterialen met een hoge CO2-uitstoot. Om deze overstap te bereiken is een aantrekkelijk verdienmodel nodig.
50
Programma Schoon en Emissieloos Bouwen Samen met de bouwsector, medeoverheid en kennisinstellingen wordt er gewerkt aan een route kaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB). Deze routekaart verbindt de doelstellin-gen op het gebied van natuur (stikstof), klimaat (CO2) en schone lucht (fijnstof en stikstof) en beschrijft hoe we deze kunnen halen door steeds slimmer, schoner en emissieloos bouwmaterieel in te zetten. In een bijbehorend Convenant maken het Rijk, sectorpartijen en mede overheden afspraken over de uitvoering van de maatregelen uit de routekaart. Agenda Natuurinclusief Door de grote woningbouwopgave, die in relatief korte tijd gerealiseerd moet worden, bestaan de kans dat initiatiefnemers alleen voldoen aan de minimale wettelijke eisen. In de praktijk betekent dit een achteruitgang van de hoeveelheid en kwaliteit van groen en bio-diversiteit. Daarom is als onderdeel van het Programma Natuur uit de Structurele Aanpak Stikstof de Agenda Natuurinclusief opgesteld, om natuur buiten natuurgebieden te herstellen en versterken. Als doel is gesteld dat Nederland in 2050 natuurinclusief ingericht moet zijn, dat wil zeggen rekening houdend met de behoeften van planten en dieren. Er wordt gewerkt op acht domeinen: bouw, energie, financiële sector, infrastructuur, land-bouw, onderwijs en bewustwording, vrije tijdseconomie en water.
Vooral de domeinen bouw en energie hebben betrekking op duurzaam bouwen. Voor de bouw wordt een landelijke visie ontwikkeld die scherp maakt hoe natuurinclusief bouwen vorm krijgt en worden natuurinclusieve eisen opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor het domein energie wordt natuurinclusiviteit ingebed in het huidige en toekomstige beleids-instrumentarium voor duurzame energie en worden natuurinclusieve zonneparken gestimuleerd. Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving Met deze landelijke maatlat maakt het Rijk duidelijk wat onder klimaatadaptief bouwen en inrichten verstaan wordt voor nieuwbouw. De landelijke maatlat is de basis voor het klimaatadaptief bouwen, waaraan voldaan moet worden om toekomstbestendig te ontwikkelen. De maatlat bestaat uit kwalitatieve doelen, kwantitatieve prestatie-eisen en richtlijnen
voor de thema’s overstromingen, wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit en bodemdaling. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, verkent het Rijk wat de mogelijkheden zijn voor juridische borging van de maatlat. De maatlat is opgenomen in het Actieplan Klimaatadaptatie van Amstelveen.
3.2 WET- EN REGELGEVING Aan het bouwen van woningen en andere gebouwen zijn bouwregels verbonden. In het Bouwbesluit 2012 staan de minimale bouwtechnische voorschriften waaraan gebouwen moeten voldoen. Dit zijn onder andere voorschriften op het gebied van energie zuinigheid en milieu. MilieuPrestatie Gebouw (MPG) De MPG is op dit moment het belangrijkste sturingsinstrument voor het verlagen van de milieudruk door nieuw te bouwen woningen en kantoren. In de regelgeving wordt een eis gesteld aan de MPG-score. In januari 2021 is de MPG-eis voor een woonfunctie van maximaal 1,0 naar 0,8 verlaagd. Het Rijk heeft eerder aangegeven dat er een stapsgewijze verlaging komt richting een MPG-eis van 0,5 in 2030. Inmiddels is een verkenning gestart om de eis naar een MPGscore van 0,5 versneld in te zetten, namelijk in 2025. Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de BENG-eisen. Deze eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Nieuwe eisen Zoals uit hoofdstuk 3.1 blijkt komt er mogelijk een nieuwe eis voor circulair bouwen, namelijk een normering voor de CO2-emissie van het materiaalgebruik.
Daarnaast komen er mogelijk eisen voor het stimuleren van het toepassen van biobased grondstoffen in gebouwen en eisen voor natuurinclusief bouwen. In het voorjaar van 2024 wordt de juridische uitwerking hiervan geborgd in het Besluit bouw werken leefomgeving.
51
Op 1 januari 2024 treden de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging in werking. Op dat moment wordt het Bouwbesluit 2012 vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving. De Wet kwaliteitsborging moet erop toezien dat afspraken uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en gemaakte afspraken over duurzaamheidsprestaties tussen opdrachtgever en opdrachtnemer worden nageleefd. De toetsing op het gebied van duurzaamheid wordt door een afhankelijke partij (de kwaliteitsborger) uitgevoerd, in plaats van de gemeente.
3.3 INITIATIEVEN Cirkelstad Er zijn veel verschillende initiatieven op het gebied van duurzaam bouwen. Een van deze initiatieven is het platform Cirkelstad. Cirkelstad is ontstaan tussen publieke en private ondernemers die op zoek zijn naar oplossingen op het gebied van circulariteit, waaronder ook circulair bouwen. Binnen Cirkelsteden wordt gewerkt aan concrete projectervaringen. Op initiatief van Cirkelstad wordt vanuit het programma Samen Versnellen gewerkt aan Het Nieuwe Normaal. Met deze lerende aanpak, op basis van projectevaluaties, ontstaat inzicht in welke circulaire prestaties reeds mogelijk zin de gebouwde omgeving. De Leidraden Het Nieuwe Normaal (gebouw, gebied en infra) vormen daarbij de basis voor het uitvragen van deze prestaties. Amstelveen is partner van Cirkelstad en heeft in 2022 project Landtong geëvalueerd middels een audit. Convenant Toekomstbestendige Woningbouw MRA Amstelveen heeft het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw MRA ondertekend. Hiermee onderstrepen we de ambitie van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) om de woningbouwopgave ook duurzaam te maken. In het convenant zijn
zes pijlers opgenomen: circulair bouwen, energie neutraal, natuurinclusiviteit en biodiversiteit, duurzame mobiliteit, klimaatadaptief en gezonde leefomgeving. Het toetsingskader komt op de meeste punten overeen met de leidraad. Er zijn minder indicatoren binnen de pijlers van het convenant dan KPI’s binnen de thema’s uit leidraad. Voor klimaatadaptatie is in het convenant geen onderscheidt gemaakt tussen de drie ambitieniveaus. Ook is in het convenant een pijler voor gezonde leefomgeving meegenomen. Deze pijler bestaat uit twee indicatoren: toxiciteit in materialen en TOjuli. Toxiciteit wordt nog niet in de leidraad meegenomen en TOjuli zit in het thema klimaatadaptief.
3.4 KOSTEN DUURZAAM BOUWEN Vaak wordt gedacht dat duurzaam bouwen duurder is dan traditionele bouw. Dit hoeft niet per se zo te zijn. Door andere bouwwijzen en materiaalgebruik kan duurzaam bouwen soms goedkoper zijn. Daarnaast is van belang naar welke kosten wordt gekeken. Als alleen de stichtingskosten (de grond- en bouwkosten) worden bekeken, lijkt het of duurzaam bouwen duurder is. Maar vaak zijn de kosten voor het onderhoud van een duurzaam gebouw een stuk lager. Ook worden de energie- en waterbesparende maatregelen tijdens het gebruik van de woning terugverdiend. Dit zorgt voor een lagere energie- en waterrekening. Voor de kopers of gebruikers van een woning of gebouw is dat een voordeel. Bovendien is er na de gebruiksperiode van en gebouw een hogere restwaarde en kunnen de materialen worden her gebruikt. Het is belangrijk om een vooraf een realistische inschatting te maken van de kosten. Daarnaast is van belang dat bij het maken van een ontwerp van het begin af aan vanuit een duurzame perspectief wordt nagedacht. Het is namelijk duurder om een klassiek ontwerp te verduurzamen, dan om duurzaam te ontwerpen.
52
HOOFDSTUK 4
TOETSING PROJECTEN
Sinds de vaststelling van de leidraad is onderzocht hoe duurzaam projecten in Amstelveen zijn. Omdat er al veel projecten waren opgestart voordat de leidraad werd vastgesteld, is de leidraad in het eerste jaar voornamelijk ingezet als toetsingsinstrument. In het tweede jaar is de leidraad ook ingezet als sturingsinstrument bij projecten die werden opgestart. In dit hoofdstuk worden projecten besproken die getoetst zijn en waarbij duurzaamheid een rol heeft gespeeld.
4.1 LANDTONG Dit project is in 2022 geëvalueerd met Cirkelstad in het kader van de ontwikkeling van Het Nieuwe Normaal (zie hoofdstuk 3.3). Hierdoor is, in vergelijking met andere projecten, ook meer informatie beschikbaar over de toepassing van duurzaamheid in het project. Wat wordt er ontwikkeld? Het project betreft de sloop van twee basisscholen (in een cluster van acht schoolgebouwen) met bijbehorende gymzaal, gelegen aan de Landtong. In de plaats daarvan komt een nieuw schoolgebouw van drie bouwlagen waarin de twee scholen en een kinderopvang gehuisvest worden. Het cluster van acht schoolgebouwen en gymzalen aan de Landtong is rond 1970 gebouwd en aan het eind van de fysieke levensduur. Dit biedt kansen om het gebied opnieuw in te richten. Het nieuwe schoolgebouw wordt veel compacter gebouwd dan de huidige scholen. Zo ontstaat ruimte om woningbouw te realiseren, met behoud van groen- en buitenvoor zieningen die het gebied nu kenmerken.
Hoe duurzaam is het project? Het project scoort hoog op de thema’s circulair, energie en groen en ecologie (zie de integrale score op de volgende pagina). Er wordt minder hoog gescoord op de thema’s klimaatadaptief en mobiliteit. Voor mobiliteit is dat verklaarbaar vanwege het gegeven dat het geen toegevoegde waarde heeft om voor deze functie (onderwijs) extra in te zetten op deelconcepten of de OV-verbinding. Dat er niet hoog is gescoord op het thema klimaatadaptief komt mede doordat de onderwerpen niet gemeten waren (zoals waterverwerking) of moeilijk meetbaar zijn (zoals temperatuuroverschrijding en droogte). Bij het ontwerp van de buitenruimte wordt hier meer aandacht aan gegeven door toepassing van ‘buffer blocks’ (vertraagd afgeven regenwater) en toepassing van veel groen/bomen en open verharding.
Impressie van het nieuwe schoolgebouw met op de voorgrond het nieuwe binnenterrein
53
Circulair bouwen Voor de sloop van de gebouwen is een materialen- en grondstoffeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij is in kaart gebracht welke aanwezige bouwmaterialen en grondstoffen her-gebruikt kunnen worden. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er veel materialen zijn die opnieuw toegepast kunnen worden (brandblussers, terreinverharding en -inrichting, ramen, deuren, etc.). Echter, is tijdens de sloop gebleken dat in veel van de betonnen onderdelen asbest aanwezig was, waardoor het aandeel zuiver betonpuin lager is geworden. Van de overige aan wezige grondstoffen is menggranulaat (beton- en metselpuin) als enige overgebleven. De ketel is ingezet in een ander gebouw dat in beheer is van de gemeente. Het inbouwpakket (onder andere gymrekken, touwen, banken sanitair en radiatoren) is aangeboden aan inwoners/geïnteresseerden tijdens twee kijkdagen. Uit het ontwerp voor het nieuwe schoolgebouw blijkt dat is nagedacht over duurzaamheid. Er wordt
houtskeletbouw toegepast in elementen van het gebouw en minerale wol in de dakconstructie. Het gebouw bestaat uit aanpasbare elementen (scheiding tussen drager en inbouw) en de bouwmethode is afgestemd op meerdere levenscycli. Ook zijn er verschillende gebruiksfuncties mogelijk binnen het casco. De traptreden, gymzaalvloer en vrijkomend hout uit de renovatie van het Raadhuis worden hergebruikt in het nieuwe schoolgebouw. Ook komen de bomen, die gekapt zijn voor de bouw, terug als kasten in de nieuwe school. Het gebouw heeft een MPG van 1,35, deze valt iets hoger uit door de toepassing van PVpanelen; zonder PV-panelen bedraagt de MPG 1,02. Energie Ook op gebied van energiehuishouding scoort het project hoog. De energiebehoefte is 27% lager dan de wettelijke eis (BENG 1), het primaire fossiele energiegebruik is 76% la-ger dan de wettelijke eis (BENG 2) en het aandeel hernieuwbare energie is 87,1% (de eis is 36,7%). Het gebouw heeft het energielabel A+++.
Score integrale duurzaamheid, waarbij 1 = basis (eis), 2 = midden- en 3 = hoog ambitie-Niveau
54
4.2 BIESBOSCH 225 – TWOTWOFIVE Biesbosch 225 (TwoTwoFive) is een project dat al in uitvoering was toen de Leidraad Duurzaam Bouwen werd vastgesteld door de gemeenteraad. Desalniettemin is het een interessant project met duurzame aspecten. Zo heeft het project meegedaan als een pilot van de CityDeal Elektrische Deelmobiliteit. Wat is er ontwikkeld? Een verouderd, gedeeltelijk leegstaand kantorenpand van 12 verdiepingen is gesloopt en heeft plaats gemaakt voor een woongebouw van 18 verdiepingen met 276 appartementen. Ruim 80% van de appartementen zijn gerealiseerd voor het middeldure segment, voor de beoogde doelgroepen jongeren, doorstromers en ouderen. Het plangebied ligt in het noordwesten van Amstelveen, parallel aan de Beneluxbaan. Hoe duurzaam is het project? Het project scoort hoog op de thema’s mobiliteit en circulair bouwen (zie de integrale score op de volgende pagina). Er wordt minder hoog gescoord op de thema’s klimaatadaptief en groen en ecologie. Dit is deels verklaarbaar vanwege de beperkte grootte van het plot en vanwege het feit dat onderwerpen zoals droogte en waterverwerking achteraf lastig te bepalen zijn. Energie Ondanks dat de huidige BENG eisen ten tijden van de omgevingsvergunning nog niet van kracht waren (toen gold de EPC nog), scoort het gebouw goed qua energiebehoefte; het project voldoet zelfs ruimschoots aan de huidige BENG 1 eis.
Er wordt gebruik gemaakt van een WKO installatie in combinatie met zonnepalen, hoogwaardige isolatie en kozijnen met een hoge luchtdichtheid. Daarnaast zijn de appartementen voorzien van een hoog rendement warmteterugwinningsinstallatie en een separate douche warmte-terugwinningsinstallatie. De algemene ruimten zijn voorzien van LED verlichting. Mobiliteit Het project heeft meegedaan als pilot van de CityDeal Elektrische Deelmobiliteit in Stedelijke Gebiedsontwikkeling. De City Deal was een 3-jarige pilot waarbij de ministeries van I&W en BZK, provincie Zuid-Holland, 7 steden en grote private
partijen ervaring hebben opgedaan met het delen van elektrische auto’s in combinatie met door woningen opgewekte zonne-energie. Door de opgedane kennis te delen, kunnen innovaties vervolgens voor meer bouwprojecten in Nederland worden ingezet. Bewoners van Biesbosch 225 kunnen gebruik maken van een uitgebreid pakket aan deel-mobiliteit, waaronder verschillende typen elektrische (bak)fietsen en 10 elektrische deel-auto’s. Er is uitgegaan van één deelauto per 28 appartementen. Daarnaast zijn er 38 oplaadplekken voor elektrische auto’s gerealiseerd in de parkeergarage. Er zijn voorzieningen getroffen om het aantal oplaadplekken daarna (relatief eenvoudig) te kunnen vergroten. In het gebouw is een grote inpandige fietsenstalling opgenomen waar twee fietsen per appartement kunnen worden gestald. Voor de elektrische fietsen en scooters zijn er voorzieningen getroffen in de fietsenstalling. Daarnaast is het gebouw gesitueerd naast een OV-halte voor de sneltram, waardoor bewoners van het gebouw binnen 10 minuten zowel in het Stadshart als op De Zuidas kunnen zijn. Ook is ook een ‘Bringme Box’ voor pakketservice aanwezig, waardoor onnodige transportbewegingen voor komen worden.
55
Circulair bouwen Circulariteit was geen gedefinieerd speerpunt in TwoTwoFive. Het gebouw is opgezet om in een hoogwaardige en esthetisch fraaie omgeving toch betaalbare huurwoningen te kunnen realiseren met een uitgebreid pakket aan services en diensten. Uitgangspunt is wel dat de toe te passen materialen zo duurzaam mogelijk zijn en dat de materialen-kringloop zo klein en gesloten mogelijk is door onnodige verplaatsingen (met bijbehorende CO2-uitstoot) te voorkomen. Er is constructief rekening gehouden met doorbreekbare woning scheidende wanden zodat woningen desgewenst samengevoegd, verkleind of vergroot kunnen worden. De vloeren zijn constructief zodanig berekend dat binnen wanden vrij verplaatsbaar zijn. Het gebouw heeft een MPG van 0,56, en voldoet dus zelfs bijna aan het hoge ambitieniveau voor dit onderwerp.
Groen en ecologie Rondom het gebouw is een groene tuin aangelegd, die door de hoogteverschillen de sfeer heeft van een rustgevend park. Verstenen wordt zo veel mogelijk tegengegaan in verband met klimaatadaptatie en is zoveel mogelijk groen geïntegreerd in het ontwerp van het maaiveld. Ook in het gevelontwerp zijn groenelementen meegenomen in de vorm van groenbakken. Er zijn geen natuurinclusieve elementen in de vorm van gevelkasten toegepast. In het maaiveld is een waterretentie-systeem gerealiseerd. Bovendien is onderzocht of een waterbuffersysteem geïntegreerd kan worden in het dakpakket van de parkeergarage voor (extra) waterretentie. Er wordt hoogwaardige isolatie toegepast en kozijnen met een hoge luchtdichtheid om het hitte-eiland effect te verminderen. Dit in combinatie met CO2 gestuurde ventilatie.
Score integrale duurzaamheid, waarbij 1 = basis (eis), 2 = midden- en 3 = hoog ambitie-niveau
56
4.3 OUDERKERKERLAAN 150 AMSTELWOOD Ouderkerkerlaan 150 (Amstelwood) is een project dat al in voorbereiding was toen de Leidraad Duurzaam Bouwen werd vastgesteld door de gemeenteraad. Desalniettemin komt duurzaamheid ook in dit project tot uiting. Wat wordt er ontwikkeld? Aan de Ouderkerkerlaan 150 wordt een bestaand tankstation en voormalige autodealer met werkplaats herontwikkeld tot een nieuwe woontoren. Het woongebouw bestaat uit 17 bouwlagen met 131 appartementen. Aan de Ouderkerkerlaan komt een commerciële ruimte en een gemeenschappelijke fietsenstalling. Daarnaast wordt een half-verdiepte tweelaagse parkeergarage gebouwd. Het plangebied ligt nabij het centrum op de kruising van de Ouderkerkerlaan en de Beneluxbaan. Hoe duurzaam is het project? Het project scoort hoog op de thema’s groen en ecologie, circulair bouwen en mobiliteit (zie de integrale score op de volgende pagina). Er wordt minder hoog gescoord op het thema energie. Dit is niet geheel onverwachts, aangezien het moeilijker is om aan de wettelijke eisen (BENG) te voldoen bij (hoog) gestapelde bouw dan bij grondgebonden woningen. Groen en ecologie Voor het ontwerp van het gebouw is een biodiversiteitsscan gemaakt. Het doel van de scan is zichtbaar te maken welke diersoorten in het project kunnen worden gehuisvest.
Gebouw-bewonende soorten hebben hun eigen eisen en wensen voor geveloriëntatie, hoogte, vrije invliegruimte, kastgrootte en soort voordeur. Het plangebied ligt tussen de Amstelscheg en het Amsterdamse Bos, dus er zijn verbindingen met leefgebieden elders. Het leven in en rond de toren zijn in te delen naar drie urbane biotopen: waterbiotoop, tuinbiotoop en rotsbiotoop (toren). Voor elke biotoop zijn voorstellen gedaan voor wat betreft nest- en verblijfskasten en beplanting. Deze voorstellen zijn meegenomen in het ontwerp. De Noord- en Zuidgevel van het gebouw wordt groen ingericht met klimplanten in substraat, van minimaal drie verdiepingen hoog.
Circulair bouwen De ontwikkelaar heeft de ambitie uitgesproken om te voldoen aan de eisen van Paris Proof. Voor materiaalgebruik betekent dat een beperking van CO2-uitstoot als gevolg van toegepaste bouwmaterialen. De Paris Proof-ambitie voor woongebouwen bedraagt 202 kg CO2-eq. De Paris Proof-indicator wordt bepaald aan de hand van MPG-berekening. De MPG van het gebouw is 0,62 (de wettelijke eis is 0,8) en de Paris Proof-indicator bedraagt 348 kg. Er is gekeken naar verbeteringen om de eis van de Paris Proof te halen, maar dat bleek niet mogelijk vanwege de betonkern die nodig is voor de stabiliteit van de toren. Het gebouw bestaat voor meer dan 30% uit biobased of hergebruikte materialen. De kolommen en vloeren van de constructie zijn van hout en ook de gevel wordt met hout bekleed. Daarnaast heeft gebouw een hoge flexibiliteit en alle materialen worden in een materialenpaspoort opgenomen. Op losmaakbaarheid wordt niet hoger gescoord dan het basisniveau.
57
Mobiliteit Op het thema mobiliteit scoort het project op de meeste onderwerpen hoger dan vereist is. Er worden meer fietsparkeerplekken gerealiseerd, er worden vijf deelauto’s aangeboden en er is een goede OV-verbinding. Daarnaast worden emissies in de bouwfase als gevolg van mobiele werktuigen gereduceerd.
Score integrale duurzaamheid, waarbij 1 = basis (eis), 2 = midden- en 3 = hoog ambitie-niveau
58
4.4 DE MEERKAMP Dit project betreft de uitbreiding van een zwembad-complex. De Leidraad Duurzaam Bouwen is meegenomen in de architecten-selectie en tijdens het verdere (ontwerp)proces.
Tegelijkertijd is ook voorzien in nieuwe huisvesting voor de organisatie van Amstelveen Sport. De huidige kantoren, in een klein gebouw achter De Meerkamp, zijn verouderd en te klein voor de groeiende organisatie van Amstelveen Sport.
Wat wordt er ontwikkeld? Het zwembad De Meerkamp is door de groei van het aantal gebruikers toe aan uitbreiding. Daarom is besloten het zwemwater uit te breiden door een extra bad te laten bouwen. Er is gekozen voor een breed inzetbaar bad van 21 x 25 meter. Door een beweegbare bodem en scheidingswand is het bad geschikt voor instructiezwemmen, wedstrijdzwemmen en/of watersportverenigingen.
Hoe duurzaam is het project? Het project scoort hoog op de thema’s energie en circulair bouwen (zie de integrale score op de volgende pagina). Er wordt redelijk gescoord op de thema’s klimaatadaptatie en mobiliteit, dit heeft te maken met de huidige locatie en situatie; er is onvoldoende ruimte om hoog op deze onderwerpen te kunnen scoren.
Groen en ecologie Er wordt minder hoog gescoord op het thema groen en ecologie. Dit komt mede doordat voor de uitbreiding van het zwembad groen plaats moet maken voor verharding/bebouwing. Om het midden ambitieniveau te halen had er net iets meer groene gevel toegevoegd moeten worden in het ontwerp. Wel worden bestaande bomen zo veel mogelijk behouden door compact te bouwen en optimale inpassing en zijn 20 bestaande bomen verplant binnen het plangebied. In de gevel worden nestmogelijkheden gecreëerd voor fauna en er komen bijenkasten op het dak.
Energie De ambitie is om het gebouw zo energiezuinig mogelijk te maken. Door de PV-panelen en heatpipes op het dak en de inzet van warmtepompen wekt het zwembad meer energie op dan het verbruikt en is het zwembad aardgasvrij. De energiebehoefte wordt verlaagd door middel van energiezuinige LED verlichting, hoogwaardige schilisolatie, triple beglazing in de zwemzaal en optimale oriëntatie (zuid/west) van de zwemzaal. Uit de BENG-berekening blijkt dat het zwembad ruimschoots voldoet aan de BENG-eisen.
59
Circulair bouwen Circulariteit wordt door de ontwerpers niet gezien als ‘losse’ doelstelling, maar als een integraal onderdeel van het ontwerp. Tijdens het ontwerpproces wordt iedere toepassing getoetst aan de circulaire ambities van het gebouw. Dit begint bij de gebouwlagen waar de meeste winst te behalen valt, namelijk de constructie en de schil. Het gebouw heeft een houten constructie (FSC-keurmerk) en gevel bestaande uit geprefabriceerde gevel-elementen. Zowel de constructie als de gevel zijn losmaakbaar ontworpen. Voor de zwembassin wordt gebruik gemaakt van gerecycled beton bestaande uit 100% beton granulaat. Het dak bestaat uit prefab houten elementen, deze zorgen onder andere voor een aangenaam en ‘warm’ binnenklimaat. Voor de akoestische wandafwerkingen wordt gebruik gemaakt van vilt van gerecycled PET flessen. Het gebouw heeft een MPG van 1,16, wat voor een zwembadfunctie redelijk goed is. Het overgrote deel (43%) van de milieukosten zijn te wijten aan de elektrische installaties. Ook zorgt de zware betonnen kelder (18%) voor een hogere MPG. Meer dan de helft van de materialen wordt opgeslagen in een materialenpaspoort (BCI gebouw). Met de BCI-berekening kan heel concreet en SMART inzichtelijk gemaakt
worden hoe de circulaire maatregelen bijdragen aan het realiseren van de gestelde ambities. Uit het ontwerp blijkt dat is nagedacht over de flexibiliteit en losmaakbaarheid van het gebouw. Het gebouw bestaat uit een onderhoudsarme en demontabele houten constructie. Ook de kleed cabines en gevelbekleding zijn demontabel. Daarnaast zijn functies makkelijk op te splitsen. Het gebouw is voorbereid op een extra bouwlaag op de kleedkamers/kantoorzone en op nieuwbouw in een eventuele tweede fase van het project. Ook zijn er mogelijkheden om in te krimpen, door middel van schakeling van zwemzalen en kleedruimten. Klimaatadaptief In het project zijn klimaatadaptieve maatregelen genomen. Zo wordt het dakoppervlak dat niet wordt ingezet voor installaties groen ingericht. Daarnaast zorgen screens en overstekken voor zonwering. Om het gebouw zijn waterpassende verhardingen, wadi’s en een groene terreininrichting met bloemrijke beplanting opgenomen in het ontwerp. Regenwaterbuffering wordt ingezet als speelelement en voor watergebruik voor het land-schap. De lichte dakbedekking zorgt voor een koelend effect en bevordert het rendement van de PV-panelen.
Score integrale duurzaamheid, waarbij 1 = basis (eis), 2 = midden- en 3 = hoog ambitie-Niveau
60
4.5 GROEN VAN PRINSTERERLAAN 114 – HOLLANDSE MEESTERS Groen van Prinstererlaan 114 (Hollandse Meesters) is een project dat al in voorbereiding was toen de Leidraad Duurzaam Bouwen werd vastgesteld door de gemeenteraad. Desalniettemin is duurzaamheid een integraal onderwerp in het project. Wat wordt er ontwikkeld? Het huidige kantoorpand aan de Mr. G. Groen van Prinstererlaan 114 staat al enkele jaren leeg. Op deze locatie wordt een nieuw appartementengebouw gerealiseerd met 303 appartementen. Het project ligt ten noorden van de A9, aan de noordoostzijde van het Stadshart. Het gebouw krijgt twee hoogte accenten, één tot 18 lagen hoog aan de Mr. G. Groen van Prinstererlaan en één van 16 lagen hoog aan de zuidzijde van het gebouw. Het parkeren wordt in twee lagen gerealiseerd, waarbij één parkeerlaag ondergronds ligt en één parkeerlaag op maaiveld. Op de hoek van de Mr. G. Groen van Prinstererlaan met de Burgemeester Haspelslaan is een gemengde bestemming voorzien voor bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte of fitness. Deze ruimte is niet alleen voor de bewoners van het appartementencomplex, maar ook omwonende kunnen hier gebruik van maken. Hoe duurzaam is het project? Duurzaamheid is een integraal onderdeel van het project. Al vroeg in het ontwerpproces zijn ambities gesteld, en mogelijkheden en beperkingen geanalyseerd om de ambities te halen.
De ambities zijn uitgewerkt als onderdeel van het programma van eisen voor het ontwerpteam en de bouw. Dit is gedaan aan de hand van vier pijlers: energietransitie, klimaatadaptatie, circulair bouwen en duurzame mobiliteit. Dit komt overeen met de thema’s uit de leidraad. Energie De energiebehoefte van het gebouw is geminimaliseerd door het toepassen van hoge isolatiewaarden en hoogwaardige beglazing. Hierdoor wordt aan de BENG 1 eis (energiebehoefte) voldaan. Voor het energiesysteem is gekozen voor een collectieve WKO, met individuele boosterboiler en zonnepanelen. Naast maatregelen om de gebouwgebonden energiebehoefte te beperken, is er ingezet op een laag
huishoudelijk energieverbruik door middel van een aanbieding voor energiezuinige apparaten. Klimaatadaptief De benodigde waterberging om het project klimaatbestendig te maken is verder uitgewerkt. Daarbij hanteren we een ‘rainproof niveau’ hoger dan gebruikelijk. Deze ambitie wordt gerealiseerd met een waterretentiedak met een bergingscapaciteit van circa 80 mm/m2. Het water in de retentiedaken in de binnentuin en het dak van de plint wordt vertraagd afgevoerd naar de singel. De retentiedaken dragen tevens bij aan reductie van hittestress doordat er minder zoninstraling direct op het dak valt en het aanwezige water voor verkoeling zorgt door evaporatie. De retentiedaken worden zoveel mogelijk groen uitgevoerd waardoor het verkoelend effect wordt vergroot. Groen en ecologie In het ontwerp zijn nieuwe vleermuizenkasten verwerkt, met name voor de gewone dwergvleermuis. Daarnaast wordt het beplantingsplan voor de binnentuin zoveel mogelijk, maar minimaal met 60%, inheemse beplanting uitgevoerd. Samen met de nestelmogelijkheden voor vogels, zwaluwkasten, vleermuizen en insecten in de gevel wordt bijgedragen aan het versterken van de lokale biodiversiteit. Tevens wordt er een binnentuin aangelegd en een dakterras met groene elementen.
61
Circulair bouwen De materialen in het nieuwe gebouw worden opgenomen in een materialenpaspoort (Madaster). Al het houtwerk heeft een duurzame bron (gecertificeerd). Het doel is om afval te reduceren op de bouwplaats, met als streven naar een afvalloze bouwplaats. Het appartementengebouw wordt zonder steigers gebouwd, wat betekent dat er minder vervoers-bewegingen nodig zijn. Mobiliteit Aan de toekomstige bewoners wordt deelmobiliteit aangeboden met als doel om het autobezit te verminderen. De invulling van de deelmobiliteit bestaat uit vier parkeerplaatsen, die in beginsel met vier elektrische deelauto’s worden voorzien. Naar behoeften kan dit aanbod aangepast worden met andere vervoersmiddelen, zoals elektrische (bak)fietsen of scooters. Ook wordt zoveel mogelijk ingezet op een energiezuinige bouwplaats onder andere door middel van energiezuinige of emissieloos bouwmateriaal.
4.6 TENDERS De gemeente heeft niet veel eigen grond in bezit voor woningbouw. Dat maakt het ingewikkelder om eisen te stellen aan ontwikkelingen in het kader van duurzaam bouwen. Voor gronden in eigendom van de gemeente Amstelveen die tot ontwikkeling worden gebracht, worden tenders uitgezet. Het is belangrijk dat de Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen al aan het begin van een tenderprocedure wordt meegenomen. Per project wordt bepaald welke thema’s belangrijk zijn voor dat gebied. Deze thema’s vormen de basis voor het onderdeel duurzaamheid in de uitvraag in de selectie- en gunningsleidraden. De weging van het onderdeel duurzaamheid (naast andere onderdelen zoals prijs en kwaliteit) en de weging van de thema’s binnen duurzaamheid wordt per project bepaald, aangezien project specifieke factoren maatwerk vragen. Onderstaand is een voorbeeld opgenomen hoe uitgevraagd kan worden op duurzaamheid; in dit geval is gefocust op de thema’s energie, circulair bouwen en groen en ecologie.
Voorbeeld uitvraag Selectiecriteria Met een referentieproject wordt aangetoond en toegelicht wat de ervaring is met duurzaam ontwikkelen. Hieronder wordt verstaan dat in het ontwerp, constructie en materiaalkeuze rekening gehouden is met de milieu-impact gedurende de realisatiefase en de gehele levenscyclus. Bij de beoordeling van de referentie en toelichting wordt gekeken naar: in hoeverre materialen biobased of secundair zijn en daarnaast ook demontabel; de reflectie op het resultaat van het referentieproject; en de wijze waarop vorige punten zich vertalen in een aanpak die aansluit op de ambities van Amstelveen Gunningcriteria Energie (15%)*: gasloos = 0 punten, energieneutraal = 5 punten en nul-op-de-meter = 10 punten. Er wordt een toelichting op het energieconcept gegeven. Circulair (40%): MPG is lager dan 0,5. Toelichting op circulaire aanpak waarbij wordt ingegaan op de beperking en herkomst (biobased of secundair) van materiaalgebruik, gebruik van materialenpaspoort (vormvrij), losmaakbaarheid en gebouwflexibiliteit. Groen en ecologie (15%): minimaal 40 punten conform het Puntensysteem Natuurinclusief Bouwen. De maatregelen moeten uit minimaal twee verschillende onderwerpen gekozen worden. *dit is het percentage van de totale score
62
4.7 CONCLUSIES Uit de toetsing van de projecten blijkt dat het mogelijk is om duurzamer te bouwen dan wettelijk is vereist (of waar nog geen wetgeving voor is), en dat dit ook al gebeurt. Dit laat zien dat de markt voorloopt op de wet- en regelgeving. Wanneer ontwikkelaars hoge ambities hebben op het gebied van duurzaamheid is het haalbaar om op alle thema’s uit de leidraad hoog te scoren. Echter kunnen er technische en financiële beperkingen zijn waardoor op sommige thema’s niet hoger gescoord kan worden. Ook kan de ligging/locatie of politieke keuzes van invloed zijn hierop. Op het moment dat de leidraad werd vastgesteld waren er verschillende lopende projecten. Het is lastig om de eisen voor duurzaam bouwen halverwege het proces mee te nemen, omdat belangrijke keuzes over het ontwerp al gemaakt zijn. Om de ambities voor duurzaam bouwen waar te maken is het essentieel dat duurzaamheid bij het schetsontwerp al integraal wordt meegenomen in de afwegingen. Vooralsnog is de leidraad toegepast op gebouw(en) en niet op gebieden. De leidraad is meer geschikt om op gebouwen toe te passen, omdat een deel van de KPI’s toegespitst is op gebouwen (zoals de BENG en
MPG). Indien de leidraad in het vervolg wel toegepast wordt bij gebiedsontwikkeling kan alleen gekeken worden naar de onderwerpen die van toepassing zijn op gebieden (dit wordt in de aangepaste leidraad aangegeven per onderwerp/KPI). De toetsing van de projecten laat zien dat er vaak gescoord wordt op circulair bouwen en energie. Dit is niet verassend, omdat deze thema’s ook in de wet zijn vastgesteld middels de BENG en MPG. Ook op de thema’s mobiliteit en groen en ecologie wordt vaak hoger dan het basisniveau gescoord. Op het thema klimaatadaptatie wordt minder hoog gescoord. Dit heeft deels te maken met de KPI’s voor dit thema; dit wordt nader toegelicht in het volgende hoofdstuk. Het komt voor dat een project duurzaam is, maar dat informatie ontbreekt om de resultaten inzichtelijk te maken. Vooral voor circulair te bouwen is het essentieel om gedurende het ontwerpproces inzicht te hebben in de hoeveelheid en soort materialen dat toegepast wordt in een gebouw. Dit is nodig voor onder andere het materialenpaspoort en het bepalen van de losmaakbaarheidsindex. Dit is nog geen standaard bij ruimtelijke ontwikkelingen.
63
HOOFDSTUK 5
EVALUATIE AFWEGINGSKADER
Er zijn veel verschillen tussen de vijf thema’s qua werkbaarheid en realiseerbaarheid. Sommige KPI’s zoals de BENG-eisen, de MPG en TO-juli zijn wettelijk vastgelegd, waardoor deze KPI’s bij ontwikkelingen standaard berekend worden. Andere KPI’s zoals losmaakbaarheid, het aandeel secundaire of biobased materialen en waterverwerking worden niet standaard berekend, waardoor dit vaak extra uitzoekwerk vraagt. Voor wat betreft realiseerbaarheid zijn er ook verschillen tussen de thema’s. Zo is het aanbrengen van nestkasten goedkoop en relatief makkelijk, maar kan het behalen van een lage gebouwgebonden energiebehoefte moeilijk zijn voor hoogbouw. In dit hoofdstuk worden de thema’s en onderwerpen uit de leidraad geëvalueerd.
Energie Gebouwgebonden energiebehoefte: Het hoge ambitieniveau (30% reductie) voor dit onderwerp is wat aan de hoge kant, waardoor dit niveau vaak niet gehaald wordt. Primair fossiel energiegebruik: Deze KPI is goed toe te passen in de praktijk en de ambitieniveaus zijn goed te halen. Gebruiksgebonden energiebehoefte: Dit onderwerp blijkt lastig meetbaar, aangezien er geen duidelijke referentie is waar op basis van de reductie berekend kan worden. Bij woningen worden echter wel steeds vaker warmte terugwinning, slimme verlichting en energie zuinige apparaten toegepast. Energiegebruik realisatiefase: Het is nog niet voorgekomen dat actief gestuurd wordt op het energieverbruik in de realisatiefase. Het is een lastig onderwerp om te meten of berekenen. Tot nu toe is het hoogstens een ambitie die van te voren wordt uitgesproken. Aandeel hernieuwbare energie (gebouw): Voor dit onderwerp is het midden ambitieniveau voor grondgebonden woningen goed haalbaar, maar voor woongebouwen (vooral hoogbouw) blijkt dit lastiger haalbaar. Aandeel hernieuwbare energie (gebied): Tot nu toe wordt de hernieuwbare energie dat opgewerkt wordt voornamelijk ingezet voor het gebouw, en niet zozeer ten behoeve van het gebied.
Energieopslag (gebied): In de omschrijving van dit onderwerp worden voorbeelden gegeven zoals ondergrondse opslag van waterstof of hoge temperatuur warmte in zoutcavernes.
Deze voorbeelden zijn niet realistisch voor binnenstedelijke ontwikkelingen in Amstelveen. Het is twijfelachtig of een WKO systeem gezien kan worden als energieopslag. Energie-uitwisseling tussen bijvoorbeeld zonnepanelen en accu’s van elektrische auto’s kan wel gezien worden als energieopslag. Circulair bouwen Er is geen eenduidige manier om de mate van circulair bouwen te meten. Er zijn verschillende circulaire principes, die ieder hun eigen meet- en bepalingsmethode vragen. Een uniforme meet methode voor verschillende onderdelen van circulair bouwen (zoals flexibiliteit en losmaakbaarheid) zou hierbij een uitkomst bieden. Bouw niet meer dan nodig: Dit onderwerp blijkt lastig meetbaar, aangezien er geen duidelijke referentie is waar op basis van de reductie berekend kan worden. Tot nu toe is er niet voor gekozen om de KPI uit de leidraad te halen, omdat het wel stimuleert om inzet van materialen te heroverwegen. Maximale levensduur: De naam van deze KPI zorgde voor verwarring (in combinatie met C4) en is daarom aangepast naar ‘Gebouwflexibiliteit gedurende levensduur gebouw’. Gebouw flexibiliteit wordt steeds vaker meegenomen, vooral bij utiliteitsbouw zoals kantoren en scholen. Voor bijvoorbeeld grondgebonden woningen is dit onderwerp iets minder van belang.
64
Beheer en onderhoud: De leidraad wordt ingezet gedurende het planproces. In deze fase is het lastig om te sturen op reductie van vrijkomende materialen bij beheer en onderhoud. Vrij snel na vaststelling van de leidraad is ervoor gekozen om dit onderwerp eruit te halen. Dit betekent niet dat beheer en onderhoud geen belangrijk onderdeel zijn van het duurzaamheidsvraagstuk bij ruimtelijke ontwikkelingen. Meerdere levenscycli: De naam van deze KPI zorgde voor verwarring (in combinatie met C2) en is daarom aangepast naar ‘Losmaakbaarheid na einde levensduur gebouw’. Gebouwflexibiliteit wordt steeds vaker meegenomen, vooral bij utiliteitsbouw zoals kantoren en scholen. Voor bijvoorbeeld grondgebonden woningen is dit onderwerp iets minder van belang. Materialenpaspoort: Materialenpaspoorten worden steeds vaker toegepast. Materialenpaspoorten zijn van belang om uiteindelijk een centraal platform te creëren waar de paspoorten aan gekoppeld zijn waardoor een efficiënte markt in secundaire materialen kan ontstaan. Er zijn nu nog veel verschillende typen paspoorten, waardoor dit nog niet het geval is. De Leidraad paspoorten voor de bouw van Platform CB’23 kan hierbij helpen. Het hoge ambitieniveau van 100% van de materialen opnemen in een materialenpaspoort blijkt uit de toetsing niet realistisch.
Minimaliseer milieu-impact: Een MPG-score van minder dan 0,5 lijkt bij de meeste woningtypen haalbaar. Uit de praktijk blijkt dat een forse reductie nu nog vooral behaald wordt met de optimalisatie binnen de traditionele bouw en de inzet van biobased materialen. Het MPG-stelsel zou op een aantal punten verbeterd moeten worden om effectiever te kunnen sturen. Het midden ambitieniveau van een MPG van 0,75 wordt redelijk goed gehaald, en zou iets naar beneden kunnen. Herkomst materialen: Bij de meeste projecten worden tegenwoordig secundaire of biobased materialen ingezet. Soms is er echter geen inzicht in de hoeveelheid hiervan in relatie tot de totale hoeveelheid materialen van het gebouw.
Klimaatadaptief Temperatuurverschil: Het is erg lastig om het temperatuurverschil tussen de bebouwde en groene omgeving te berekenen op het moment dat een project in de ontwerpfase zit. Er is gekozen om dit onderwerp uit de leidraad te halen. Temperatuuroverschrijding: Dit is een wettelijke eis waar in de leidraad een ambitieuzere ambitie is voor gesteld. Als er actieve koeling wordt toegepast in een gebouw, dan is deze eis niet van toepassing. In dat geval zou het wel goed zijn om een eis te stellen aan zonwering, zodat de actieve koeling niet onnodig veel energie verbruikt om het huis te koelen terwijl de zon de woning opwarmt. Koele verblijfslocaties: Dit onderwerp is relatief makkelijk te berekenen en goed toepasbaar. Als er echter op eigen terrein beperkte ruimte is, is dit een onderwerp waar een individueel project weinig op kan sturen. Waterverwerking: Er is onderscheidt gemaakt tussen de waterverwerking van het gebouw en gebied, omdat dit twee aparte ‘onderdelen’ van een plangebied zijn waar waterverwerking plaatsvindt. Dit onderwerp is lastig meetbaar in het ontwerpproces, maar te belangrijk om uit de leidraad te halen. Droogte: Toen de leidraad werd vastgesteld was het midden en hoge ambitieniveau nog niet bepaald. Werkende met de leidraad blijkt dit onderwerp niet werkbaar aangezien schade door watertekort op voorhand niet te voorspellen is.
Hiervoor is het onder ook belangrijk dat water wordt vastgehouden in het plangebied. Er is gekozen om dit onderwerp uit de leidraad te halen. Deze KPI is vervangen door een nieuwe KPI, namelijk het hergebruik van regenwater. Groen en ecologie Voor de eerste drie onderwerpen wordt het puntensysteem van de gemeente Amsterdam gebruikt. Er is onderzocht of het handig is om een Amstelveense puntensysteem te hebben, maar dit wordt niet van zodanige toegepaste waarde geacht, omdat de verschillen tussen de Amsterdamse puntensysteem niet zo groot zullen zijn.
65
Gevels en dak gebouw: Het midden ambitieniveau is redelijk goed te behalen. Het hoge ambitieniveau is wat lastiger, maar ook mogelijk. Voor dit onderwerp kan gekozen worden om meer groen op de gevel of meer groen op het dak te realiseren, of beide een beetje. Verblijf gebouw: De puntenrange van het midden ambitieniveau is niet logisch, omdat de onderkant van de range (2 punten) niet te behalen is. Er kan ofwel 1 punt gehaald worden, of gelijk 3 punten. Voorgesteld wordt om deze aan te passen. Omgeving gebouw, terrein: Het midden en hoge ambitieniveau zijn te hoog, waardoor deze vaak niet gehaald worden. Voorgesteld wordt om deze aan te passen. Groen in openbare ruimte: De KPI van dit onderwerp was eerst een procentuele toevoeging ten opzichte van het groenstructuurplan. Omdat dit niet werkbaar was is deze veranderd naar het percentage groen van het plangebied. Mobiliteit Actieve mobiliteit: Bij grondgebonden woningen wordt het hoge ambitieniveau altijd wel gehaald, bij hoogbouw steeds vaker ook wel. Wellicht moet de naam dit onderwerp aangepast worden, aangezien de naam doet vermoeden dat lopen hier ook onder valt.
Deelconcepten: Deelconcepten worden voor namelijk toegepast bij appartementengebouwen en niet bij grondgebonden woningen. Het gaat hier voornamelijk om deelauto’s en deelfietsen. Deelscooters worden in Amstelveen door verschillende aanbieders aangeboden aan inwoners. Het midden en hoge ambitieniveau zijn mogelijk wat aan de hoge kant; het hoge ambitieniveau kan gehaald worden als het aantal 10% van de woningen is, in een ontwikkeling waarbij 300 appartementen worden gebouwd, zou dan 30 deelauto’s aangeboden moeten worden. Voorgesteld wordt om de niveaus aan te passen. Openbaar vervoer: De verbinding met het openbaar vervoer is vanuit één project niet beïnvloedbaar en doet hierdoor feitelijk minder ter zake. Het is een plus als een bouwlocatie dichtbij een OV knooppunt is gelegen. Ook is het voor bepaalde functies (waarbij de bezoekers uit de buurt komen) minder belangrijk dat er een goede verbinding is. Uitstoot realisatiefase: Schoon en emissieloos bouwen wordt de norm. In het ontwerpproces is er nog geen informatie beschikbaar over de in te zetten mobiele werktuigen. Het is wel een belangrijke ambitie om aan het begin aan uit te spreken en gedurende het proces na te streven. Laadpalen: Het komt vaak voor dat voor bereidende infrastructuur wordt aangelegd (conform wettelijk vastgelegd in de EPBD) maar nog niet veel laadpalen gerealiseerd worden.
66
HOOFDSTUK 6
HET VERVOLG
De afgelopen twee jaar hebben laten zien dat er al duurzamer gebouwd wordt dan wet- en regelgeving vereist. Naar verwachting wordt de wetgeving voor duurzaam bouwen aangescherpt en uitgebreid in 2025. Om ons hier op voor te bereiden is het goed om de leidraad (aangepast) voort te zetten. Hiermee wordt voorkomen dat projecten met een langere door-looptijd tussentijds aangepast moeten worden om aan de nieuwe wetgeving te voldoen. Op deze manier doen we ook verder ervaring op met duurzaam bouwen, de leidraad stimuleert namelijk (kennis over) integrale duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. De leidraad blijft een ‘levend document’, dat aangepast kan worden naar aanleiding van nieuwe inzichten, ontwikkelingen of wetgeving.
Daarnaast is meer tijd (dan de afgelopen twee jaar) nodig om duurzaam bouwen goed te borgen in alle relevante organisatieonderdelen. De leidraad is voor een groot deel van afgelopen twee jaar ingezet als toetsingsinstrument bij projecten die al opgestart waren. Dit is nu aan het veranderen, de leidraad wordt steeds vaker als sturingsinstrument ingezet tijdens een planproces. Hiermee voorkom je dat je verderop in het proces een discussie krijgt over het stapelen van ambities. Op voorhand bepaal je (realistische) ambities, en die probeer je gedurende het proces te realiseren. Het Bouwbesluit 2012 geeft weinig ruimte om extra bouwvoorschriften te verplichten aan ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid. Bij facilitair grondbeleid kan er wel op vrijwillige basis afspraken gemaakt worden over duurzaamheidsmaatregelen en bij actief grondbeleid via gunningscriteria in tenders. De komst van de Omgevingswet biedt kansen om onderdelen uit de leidraad te borgen in de instrumenten van de wet, zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. In de omgevingsvisie kunnen de ambities voor duurzaam bouwen worden opgenomen. In het omgevingsplan is het bijvoorbeeld mogelijk om regels op te nemen over het scoren op (onderdelen van) de leidraad. Hierbij moet onderzocht worden welke eisen wij als gemeente kunnen opnemen in
het omgevingsplan en welke eisen wij niet kunnen opnemen (bijvoorbeeld als er wettelijke eisen gelden zoals de MPG en BENG). De voorgestelde inhoudelijke aanpassingen aan de leidraad zijn opgenomen in bijlage 1.1. Aanleiding hiervoor zijn de ervaringen zoals besproken in hoofdstuk 5. Ook wordt voorgesteld om de naam van de leidraad te veranderen naar ‘Leidraad Duurzaam Bouwen’ in plaats van ‘Leidraad Duurzaam Bouwen en Gebiedsontwikkelen’. Er is ook gekeken of bepaalde onderwerpen missen in de leidraad. Hiervoor is ook gekeken naar beleid voor duurzaam bouwen van andere gemeenten. Er zijn veel verschillende indicatoren voor duurzaam bouwen, vooral met betrekking tot circulair bouwen. Zo is er een indicator voor CO2 opname (bijvoorbeeld Paris Proof Protcol of Construction Stored Carbon) en toxiciteit van materialen (bijvoorbeeld REACH). Aangezien er een wettelijke eis komt voor CO2 opslag van materialen en de methodiek voor de bepaling van toxiciteit nog in ontwikkeling is, worden deze indicatoren niet opgenomen in de leidraad. Financieel Om de uitvoering van de Leidraad voort te zetten is €15.000 per jaar nodig. Dit wordt gefinancierd uit structureel budget.
67
BIJLAGE 1.1 A ANPASSINGEN LEIDRAAD De voorgestelde aanpassingen aan de leidraad zijn in deze bijlage opgenomen. Aanleiding hiervoor zijn de ervaringen en inzichten zoals besproken in hoofdstuk 5. Naast de aanpassingen aan de KPI’s en ambitieniveaus worden ook wijzigingen voorgesteld aan andere onderdelen van de leidraad zoals het referentiekader en de toelichting (zie het afwegingskader). Ook is een extra kolom toegevoegd met daarin het moment van toetsing: bij het voorontwerp of bij het definitief ontwerp. Dit zijn niet de enige momenten van toetsing, maar dit geeft een indicatie wanneer de toetsing van de desbetreffende KPI ongeveer plaatsvindt.
onderwerp uit de leidraad
aanpassing
Energie Aardgasvrij utiliteitsgebouw
Dit is een nieuwe KPI, specifiek voor utiliteitsbouw. Voor woningen is bepaalt dat er aardgasvrij gebouwd moet worden. Voor utiliteit geldt dat er nog wel gasaan sluitingen mogelijk zijn (bijv. voor industriële bedrijfsprocessen). Voor deze KPI zijn er twee niveaus: basis is ‘aardgasaansluiting’ en hoog is ‘geen aardgasaansluiting’.
Gebouwgebonden energiebehoefte
Het hoge ambitieniveau voor gebouwgebonden energiebehoefte is verlaagd van 30% reductie naar 20% reductie.
Compensatie gebruiksgebonden energie
Deze KPI is aangepast, aangezien de oorspronkelijke KPI niet goed meetbaar was. Het betreft de compensatie van het (verwachte) gebruiksgebonden energiegebruik door energie zelf op te wekken.
Energiegebruik eigen terrein
Deze KPI is aangepast, aangezien de oorspronkelijk KPI niet goed meetbaar was. Het energiegebruik op eigen terrein wordt uitgedrukt in gemiddelde vermogensdichtheid van het verlichte terreindeel.
Energiemonitoring en -bemetering utiliteitsgebouw
Dit is een nieuwe KPI, specifiek voor utiliteitsbouw. Het gaat om sub-meters voor verwarming, koeling en elektriciteitsgebruik.
Energieopslag
Voorgesteld wordt om alleen de toelichting en de omschrijving van de ambitieniveaus iets te verduidelijken.
Circulair bouwen Beheer & onderhoud
Deze KPI is uit de leidraad gehaald. Omdat het niet mogelijk is om in het ontwerpproces al inzicht te hebben in de vrijkomende materialen bij beheer en onderhoud.
Milieu-impact materialen
Voor utiliteitsbouw zijn aangepaste ambitieniveaus opgesteld en voor woningbouw is het midden niveau iets verlaag (van 0,75 naar 0,7).
Materialenpaspoort
Het hoge niveau is aangepast van 100% naar 80%, omdat het lastig om álle materialen in een materialenpaspoort op te nemen.
68
Klimaatadaptief Temperatuurverschil
Deze KPI is uit de leidraad gehaald. Dit, omdat het niet mogelijk is om in het ontwerpproces al inzicht te hebben in het temperatuurverschil in de gebruiksfase.
Temperatuuroverschrijding
De TOjuli eis (om verhitting te beperken) geldt alleen voor woningen, maar het is handig om het risico op oververhitting door een hoge zonbelasting binnen ook voor utiliteit te beperken. Hiervoor is de KPI uitgebreid met aanvullende eisen voor utiliteitsbouw. Buitenzonwering kan een overstek zijn of een andere vorm van beschaduwing van de ramen.
Waterverwerking
Deze KPI is opgesplitst in twee KPI’s: een op gebouwniveau en een op gebiedsniveau.
Droogte
Deze KPI is uit de leidraad gehaald omdat schade door droogte niet kwantitatief te maken is en moeilijk op te sturen aan de voorkant.
Groen en ecologie Natuurinclusief
De punten voor de drie onderdelen (dak/gebouw, gevelkasten en groene ruimte) zijn iets aangepast. Daarnaast is aan de toelichting toegevoegd dat een inrichtingsplan en beheerplan cruciaal zijn voor slagen en in stand houden van bedachte natuurinclusieve ontwerpen.
Aandeel groen
Oorspronkelijk ging deze KPI over de toevoeging aan het groenstructuurplan. Dit is veranderd naar het aandeel groen in het plangebied.
Mobiliteit Deelconcepten
Toen de leidraad werd vastgesteld was er nog geen midden en hoge ambitieniveau bepaald. Voor midden is gekozen voor deelconcepten voor 5% van het aantal en voor het hoge niveau is gekozen voor deelconcepten voor 10% van het aantal eenheden.
Uitstoot realisatiefase
De KPI is gewijzigd naar een percentuele reductie van de stikstofuitstoot voor het midden niveau van 50% en bij het hoge niveau moet sprake zijn van Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB).
69
BIJLAGE 2 BEGRIPPENLIJST
Aardwarmte Oftewel geothermie maakt gebruik van warmte uit de grond. Biodiversiteit De verscheidenheid aan leven in een bepaald gebied. Het omvat alle soorten planten, dieren en micro-organismen en systemen en de interacties daartussen. Circulaire economie In een circulaire economie staat het hergebruik van grondstoffen centraal, wat van groot belang is bij het tegengaan van milieuproblemen, zoals klimaatverandering en biodiversiteits verlies. Het kan bijdragen aan de beperking van de leveringsrisico’s van grondstoffen. Het biedt kansen voor Nederlandse bedrijven en is een middel om meerdere maatschappelijke doelen te bereiken. (Bron: Planbureau voor de Leefomgeving, PBL). CO2 Footprint (ook wel CO2-voetafdruk) is de berekening van de totale uitstoot van CO2 door een mens, een organisatie of een gemeenschap. Energiearmoede Als een huishouden een laag inkomen heeft en een hoge energierekening, in combinatie met een energie-onzuinige woning. Energietransitie De overgang van het gebruik van energie uit fossiele (eindige) bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen. (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, CBS). Fit for 55 heeft tot doel de ambities van de Green Deal in wetgeving om te zetten. Het pakket bestaat uit een reeks voorstellen om de klimaat-, energie- en vervoerwetgeving van de EU te herzien en af te stemmen op de klimaatdoelstellingen.
Green Deal De Europese Green Deal is een pakket beleidsinitiatieven dat de EU moet helpen met de groene transitie, waarbij het einddoel klimaatneutraliteit in 2050 is. Om dit te bereiken is een Europese
klimaatwet aangenomen, die leidt tot de wettelijke verplichting tegen 2030 de netto uitstoot van broeikasgassen met tenminste 55% te verminderen ten opzichte van 1990. De grondbank bestaat uit gecertificeerde depots, waar de gemeente groenafval, bagger, grond en veegvuil mag innemen. Er is een composteerinrichting, een veegvuildepot en in eigen beheer maken we specifieke grondmengsels voor hergebruik in de gemeente. Klimaatadaptatie De voorbereiding op de risico’s van het veranderende klimaat en hierop de omgeving aanpassen. (Bron: Rijksoverheid). kV stations zijn meestal grote stations waar twee of meer hoogspanningsnetten met verschillende netspanningen aan elkaar zijn verbonden. Hernieuwbare elektriciteit/warmte, ook wel duurzame of groene energie genoemd, is energie afkomstig van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Dit is energie uit wind, waterkracht, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa. Hybride warmtepomp Kleine warmtepomp waarmee de cv-ketel wordt uitgebreid. Bespaart jaarlijks tot 70% op gasverbruik. Kritieke grondstoffen zijn van cruciaal economisch belang, maar kunnen niet op betrouwbare wijze binnen de EU worden gewonnen en moeten dus grotendeels worden ingevoerd.
Omgevingsdienst (OD) verleent (omgevings) vergunningen en ziet erop toe dat partijen in het werkgebied (Noordzeekanaal gebied) hun (wettelijke) verplichtingen nakomen op het gebied van milieu, bodem en bouw.
70
ROM Inwest Regionale Ontwikkelmaatschappij https://rominwest.nl/ RWZI Riool Water Zuivering Installatie, zuivert afvalwater uit vuilwaterriolen. De warmte uit het afvalwater kan benut worden voor verwarming van gebouwen. Warmtenet Ondergronds buizenstelsel met warm water waarmee gebouwen verwarmd worden. WKO Warmtekoudeopslag om een gebouw duurzaam te verwarmen en koelen in combinatie met een warmtepomp. WKO staat voor een open bodemenergiesysteem en slaat energie op in de bodem. WRK-leiding Watertransportleiding Rijn-Kennemerland waardoor water uit de Lek stroomt richting de Amsterdamse Waterleidingduinen.
71