Plantoelichting vast te stellen bestemmingsplan Uilenstede - Kronenburg
Tekst van het document
Er is in elk geval door de jaren heen geen enkele aanleiding geweest om bezorgd te zijn over de studeeromstandigheden op Uilenstede of voor de veronderstelling dat studenten die op Uilenstede woonachtig zijn minder presteren dan andere studenten. Daarbij dient tevens in ogenschouw genomen worden dat studentenwoningen elders in de stad niet persé minder geluidbelast zijn. Vliegtuiglawaai is een specifieke bron van geluid op Uilenstede, maar hinder van andere geluidbronnen is hier ten opzichte van studentenwoningenlocaties in de stad juist relatief beperkt. In de periodes dat er geen vliegtuigen vliegen is het hier voor een stedelijk gebied uitzonderlijk stil. Gelet op wat er bekend is over de gezondheidsrisico’s van blootstelling aan geluid, kan worden geconcludeerd dat studenten niet tot de kwetsbare groepen behoren en gemiddeld als gevolg van de levensfase waarin zij verkeren in combinatie met de tijdelijkheid van hun verblijf minder hinder ervaren. Gezondheidsrisico’s kunnen voorts worden teruggebracht door voorlichting en goede communicatie, gericht ook op bewustwording van niet akoestische factoren, en door ‘soundscaping’ bij de verdere inrichting van het gebied (zie 3.4.4). Uit onderzoek komen steeds meer aanwijzingen dat een groene woonomgeving een positief effect heeft op de hinderbeleving.
Juist op Kronenburg zijn er door de ruime en groene opzet van de locatie, volop mogelijkheden om hierop in te spelen. Voorts is van belang dat op het deel van Kronenburg waar de studentenhuisvesting is voorzien de oorspronkelijke bebouwing reeds is gesloopt of op de nominatie staat om te worden gesloopt. Er is daar eerder sprake van sloopnieuwbouw dan van een functiewijziging van bestaande gebouwen. De nieuwbouw biedt uitstekende kansen om op akoestisch gebied de nodige geluidwerende maatregelen te nemen en met de aanwezigheid van vliegtuiggeluid rekening te houden zowel op het schaalniveau van stedenbouw, als op gebouw en materiaalniveau. Op grond van het Bouwbesluit is hoe dan ook bij nieuwbouw een goede geluidwering en adequaat binnenmilieu van de studentenwoningen gewaarborgd. In het kader van het verdere stedenbouwkundige ontwerp en bij het ontwerp van de verschillende gebouwen zal rekening worden gehouden met de nieuwste wetenschappelijke inzichten om hierbij tot een reductie van het vliegtuiggeluid te komen en wordt rekening gehouden met voldoende “beschutte” plekken in de verschillende clusters. In verband met de formele aanvraag om vvgb die de gemeente in 2017 heeft ingediend, heeft de gemeente Amstelveen zekerheidshalve opnieuw advies gevraagd aan de GGD Amsterdam. De GGD ziet geen aanleiding het oordeel over de
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 23
aanvaardbaarheid van uitbreiding van studentenhuisvesting op Uilenstede/Kronenburg te herzien. De GGD stelt: "De resultaten van het onderzoek bij Uilenstede (Gevolgen van overvluchten op de gezondheid en woontevredenheid te Uilenstede van 4 oktober 2013) kunnen gebruikt worden voor eventuele studentenwoningen op Kronenburg. Ik doel dan vooral op de conclusies. (…). De verhuismobiliteit is later nader onderzocht met als resultaat bijgaande notitie. Bij nieuwe studentenhuisvesting op een zwaar door vliegtuiggeluid belaste plek is het aan te bevelen naar verbetering te streven. Ik kan enkele elementen daarvoor noemen: <0000> Met een hoge geluidwering van de gevel worden geluiden binnen het gebouw opvallender. Bij de voor vliegtuiggeluid geïsoleerde woningen in Uilenstede bleken ‘buren’ de belangrijkste bron van slaapverstoring door geluid. Een goede geluidisolatie tussen woningen is daarom van belang. Een mogelijk nadeel van een goede geluidisolatie van de gehele woning is dat het in de woning ‘dood’stil wordt. Wellicht zijn hiervoor nog creatieve oplossingen mogelijk. <0000> Met een campuscontract kan ervoor worden gezorgd dat het altijd om een in tijdsduur beperkt verblijf gaat. Het is aan te bevelen dat een huurcontract gebaseerd is op een proefperiode van, bijvoorbeeld, een maand.
Mocht het geluid een bewoner (die dat geluid voorheen niet gewend was) ernstig tegenvallen, dan is deze bewoner niet aan een langlopend contract gebonden. <0000> Het lijkt mogelijk mensen al vooraf te informeren of zij tot de groep behoren die meer dan anderen last heeft van lawaai. Dat kan op basis van twee kenmerken: geluidgevoeligheid en een neiging tot bezorgdheid. <0000> Je kunt op Kronenburg vrij van vliegtuiggeluid slapen, althans tussen 23 en 7 uur, maar soms –met stevige westenwind- toch ook weer niet. Dus dan ramen dicht, hoewel ze vaak best open kunnen (en ¾ van de mensen in NL wil, in elk geval ’s zomers, met open raam slapen). Het zou prettig zijn als er, ook los van Kronenburg, een ‘weerbericht’ zou zijn dat vertelt of er het komende etmaal (startende en/of landende) vliegtuigen worden verwacht op vliegroute X. Dat ‘weerbericht’ is natuurlijk net zo (on)betrouwbaar als het echte weerbericht en zal dus niet altijd, maar gemiddeld over de tijd wel betrouwbaar zijn. Dit zou passen in zoveel mogelijkheid openheid van zaken en goede communicatie. <0000> Bij het ontwerp van gebouwen kan rekening worden gehouden met vliegtuiggeluid. Hoewel dit nog weinig ontwikkeld is, kunnen er met akoestische kennis toch al wel aanwijzingen worden gegeven voor een beter stedenbouwkundig (plaatsing van gebouwen) en architectonisch (oppervlak muren) ontwerp”.
In het kader van de bezwarenprocedure tegen het weigeringsbesluit is naar aanleiding van vragen van de IL&T om een aanvullend advies van de GGD gevraagd. Dit briefrapport is in mei 2018 uitgebracht (zie Bijlage 7), waarbij de GGD opnieuw een positief advies afgeeft over de realisering van studentenhuisvesting op Kronenburg. Volgens de GGD is vanwege hun jonge leeftijd en de relatief korte duur dat zij in het gebied woonachtig zijn, de kans dat zij gezondheidsklachten ontwikkelen door vliegtuiglawaai extreem klein en altijd kleiner dan nagenoeg elke andere groep mensen die daar zou wonen. 3.4.4 Geluidbewust bouwen Het advies van de GGD luidt dat studenten geen gezondheidsrisico’s zullen ondervinden van het wonen op Kronenburg. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen hinder kan optreden. We weten al lange tijd dat maatregelen in de bebouwde omgeving geluid kunnen beperken. En dat de inrichting van de bebouwde omgeving van invloed is op de hinder die de mensen die er wonen of verblijven ervaren. Naast geluid spelen ook andere
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 24
factoren een rol. Nieuwe benaderingen als sound en sensenscaping zijn gericht op het ontwerpen van gebieden die comfort geven aan gebruikers, zodat zij zich veilig en prettig voelen. Dat vermindert alertheid en stress en daarmee gezondheidsrisico’s. Lang is gedacht dat tegen geluid “van boven” niets te doen is. Recent onderzoek uit 2019 (Lugten) heeft uitgewezen dat dit mogelijk onterecht is. Ook voor vliegtuiggeluid geldt dat een slimme inrichting van de bebouwde omgeving kan helpen de impact van het geluid te verminderen. Deze inzichten zijn voor de gemeente reden geweest Lugten opdracht te geven advies uit te brengen over het stedenbouwkundig ontwerp zoals dat in het planproces is ontwikkeld. Gekozen is voor een aanpak in twee fasen. Eerst is een geluidstresstest uitgevoerd op het oorspronkelijke stedenbouwkundig ontwerp. Hoe scoort het ontwerp met het oog op blootstelling aan vliegtuiggeluid en zijn er misschien verbeteringen mogelijk. Deze eerste ronde heeft geleid tot de conclusie dat de keuze voor clusters met een hoventypologie met relatief hoge bouwhoogten gunstig is vanuit het perspectief van vliegtuiggeluid. Wel zijn naar aanleiding van de stresstest een aantal aanpassingen doorgevoerd, met name om de reflectie van geluid tussen gebouwen te voorkomen.
Ook zijn een aantal bouwvolumes in hoogte of vorm aangepast, om hinderlijke geluidsreflecties tussen gebouwen te verminderen. In de tweede fase is gezocht naar de mogelijkheden om per cluster in de buitenruimte een zogenaamde “sweet spot” te realiseren, een plek waar het relatief stil is, maar die met het oog op zon en wind ook gunstig is gelegen, zodat iemand daar aangenaam kan vertoeven en de rust kan opzoeken. Hiervoor is het belangrijk dat de piekniveaus van passerende vliegtuigen zoveel mogelijk omlaag worden gebracht, maar in elk geval onder de grenswaarde van 65 dB (A) uitkomen. Een nadere studie van het ontwerp heeft uitgewezen dat zulke sweet spots in elk cluster kunnen worden gerealiseerd. De landschapsinrichting, en de plaatsing van geluidproducerend programma (zoals cafes, terrassen, ontmoetingsplekken), is vervolgens afgestemd op de plekken van de sweet spots. De aanbevelingen daartoe zijn vertaald in het stedenbouwkundig plan, het inrichtingsplan en/of in het beeldkwaliteitplan. De geluidstrestest en het advies omtrent sweet spots zijn bijgevoegd in Bijlage 26 3.4.5 Luchtkwaliteit Vanuit het beleidskader LIB speelt de situatie voor wat betreft luchtkwaliteit geen rol. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in een zorgvuldige belangenafweging van de beoogde ontwikkeling natuurlijk ook het aspect luchtkwaliteit te worden betrokken.
Luchtverontreiniging kan leiden tot luchtwegaandoeningen, zoals acute infecties van neus en keel, longontsteking en bronchitis en astma en COPD (chronische obstructieve longaandoeningen). Een mogelijk verband tussen luchtwegaandoeningen en Schiphol is onderzocht in het kader van het onderzoeksprogramma Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol (GES) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In het GESonderzoek is specifiek gekeken naar luchtwegaandoeningen bij kinderen. De globale conclusie was dat er geen relatie kan worden aangetoond met Schiphol. Dit bleek ook uit later GESonderzoek op basis van een vragenlijstenonderzoek en apotheek en ziekenhuisregistraties. Een onderzoek van de GGD in 2009 wees uit dat vliegverkeer en een luchthaven in vergelijking met andere bronnen slechts 3% bijdragen aan de luchtverontreiniging. De bijdrage van verbrandingsemissies en op en overslag van kerosine aan de koolwaterstofconcentraties in de directe omgeving bedraagt gemiddeld ca. 12%, waarbij de hoogste concentratie wordt gemeten bij Badhoevedorp (25%). Door de beperkte bijdrage van Schiphol aan de luchtverontreiniging is het noodzakelijk
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 25
om daar ook andere vervuilende bronnen bij te betrekken, zoals wegverkeer en industrie en leefstijlfactoren. De laatste jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor de gezondheidseffecten van ultrafijnstof. Over de effecten van uitstoot van (ultra)fijnstof door vliegtuigen op de gezondheid van omwonenden is nog maar weinig bekend. In maart 2016 heeft het RIVM een verkennend onderzoek naar de effecten van ultrafijnstof afgerond. In dit onderzoek werden de sterftestatistieken geanalyseerd en de mogelijkheden voor vervolgonderzoek geïnventariseerd. Er werden in dit verkennende onderzoek geen duidelijke aanwijzingen gevonden dat de sterfterisico’s in de omgeving van Schiphol afwijken ten opzichte van die in andere regio’s in Nederland. Volgens het RIVM zijn er echter aanwijzingen dat ultrafijnstofdeeltjes van vliegtuigmotoren gezondheidseffecten veroorzaken. De staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft de aanbevelingen voor nader onderzoek overgenomen en het RIVM opdracht gegeven voor vervolgonderzoek (Kamerbrief d.d. 20 april 2016, 20175, nr.238). Het vervolgonderzoek zal een aantal jaren in beslag nemen. De eindresultaten worden over 4 à 5 jaar verwacht (RIVM, Onderzoeksprogramma gezondheidsrisico's ultrafijnstof rond Schiphol, 15 mei 2017).
Onlangs op donderdag 27 juni 2019 zijn de resultaten van het deelonderzoek naar de acute gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan concentraties van ultrafijnstof bekend gemaakt. In deze module wordt geconcludeerd dat er inderdaad gezondheidseffecten zijn, maar dat deze niet anders lijken dan we al weten van ultrafijnstof van andere bronnen. Bij tijdelijke blootstelling aan ultrafijnstof zijn kortdurende verminderingen van de longfunctie gemeten, zowel bij kinderen als volwassenen. Gemiddeld genomen zijn de veranderingen klein en hoeven ze niet tot gezondheidsklachten te leiden. Vanwege de overwegend zuidwestelijke windrichting bevinden Uilenstede en Kronenburg zich in het gebied waar concentraties van (ultra)fijnstof te verwachten zijn. Lange termijn effecten op de gezondheid vanwege ultrafijnstof van vliegtuigen worden niet verwacht vanwege de relatief korte duur van het woonverblijf op de campus. Studenten behoren voorts niet tot de kwetsbare groepen zoals kinderen en ouderen. Wel is het zaak (toekomstige) bewoners te informeren over de mogelijkheid dat de klachten van personen die al een luchtwegaandoening hebben of daar gevoelig voor zijn, mogelijk worden verergerd. Of deze personen op andere locaties beter af zijn is voor een groot deel overigens ook afhankelijk van de mate van luchtverontreiniging door het wegverkeer op die locaties.
3.4.6 Conclusie In dit hoofdstuk zijn de gezondheidsaspecten die met de gedeeltelijke transformatie naar studentenhuisvesting zijn gemoeid, toegelicht. Voor wat betreft de gezondheidseffecten die kunnen optreden als gevolg van blootstelling van geluid, is in de eerste plaats relevant dat zowel de berekende als de gemeten geluidbelasting laat zien dat deze in grote delen van het gebied lager is dan op grond van de ligging in zone 4 van het LIB zou mogen worden verwacht en tevens dat een eventuele verdere groei van Schiphol niet zal leiden tot een verslechtering van de akoestische situatie in de toekomst. Dit blijkt uit de concept MER Schiphol die op 28 november 2018 is gepubliceerd. Gelet op de inzet van de minister op gecontroleerde groei onder voorwaarde van hinderreductie voor de toekomstige ontwikkeling van Schiphol lijkt een verslechtering van de akoestische situatie in het plangebied ten opzichte van de situatie zoals die nu is, niet aannemelijk. Vanuit het perspectief van gezondheid is tevens van belang dat de Buitenveldertbaan, na de Oostbaan, de minst preferente baan is. De baan is ’s nachts in beginsel gesloten en overdag wordt er niet structureel gevlogen. Er zijn dus ook rustperioden. Naast vliegtuiggeluid is er in het plangebied nauwelijks hinder van andere geluidbronnen,
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 26
zodat het er voor een hoogstedelijk gebied ook relatief stil kan zijn. Jongvolwassenen, dus ook studenten, ervaren gemiddeld minder hinder dan de gemiddelde bevolking met een hogere leeftijd. De specifieke levensfase waarin studenten verkeren speelt hierbij een rol, evenals het feit dat het woonverblijf een tijdelijk karakter heeft. Om diezelfde redenen en op basis van op de campus Uilenstede uitgevoerde hinderbelevingsonderzoek worden door de gemeente Amsterdam aan deze doelgroepenwoningen ten aanzien van de bescherming tegen wegverkeerslawaai minder hoge eisen gesteld dan aan andere woningen. De GGD Amsterdam adviseert positief over de voorgenomen gedeeltelijke transformatie tot studentenhuisvesting, mits de tijdelijkheid van het verblijf geborgd wordt en er voldoende aandacht is voor geluidwerende maatregelen. In dat kader is geconstateerd dat het feit dat de studentenhuisvesting is voorzien op het deel van Kronenburg waar de oorspronkelijke bebouwing reeds is gesloopt of zeer waarschijnlijk gesloopt zal worden, voldoende kansen biedt om zowel op stedenbouwkundig als op gebouwniveau rekening te houden met het vliegtuiggeluid. Hoewel luchtkwaliteit strikt genomen geen onderdeel is van het beleidskader LIB, heeft de gemeente in het belang van een zorgvuldige afweging ook dit aspect meegenomen in de afweging.
Ook voor luchtkwaliteit en de blootstelling aan uitstoot van ultrafijnstof, geldt dat juist door het tijdelijke karakter van het woonverblijf, de kans op de ontwikkeling van langetermijn gezondheidsklachten verwaarloosbaar is. Wel is er een risico voor verergering van klachten van toekomstige bewoners die reeds luchtwegaandoeningen hebben. Vanuit het perspectief van de volksgezondheid bestaan er geen bezwaren tegen de gedeeltelijke transformatie van Kronenburg naar studentenhuisvesting.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 27
HOOFDSTUK 4 PLANOPZET 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. In het voorgaande hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridischplanologische instrumenten daarbij worden ingezet. Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. Deze onderdelen zijn bindend voor de burger. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar wordt als handvat en beleidskader/interpretatiekader voor het bestemmingsplan gebruikt.
4.2 De planregels en bestemmingen De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: <0000> Hoofdstuk 1: inleidende regels; met daarin definities en de wijze van meten en berekenen en de reikwijdte van dit bestemmingsplan. <0000> Hoofdstuk 2: bestemmingsregels; die het hart van ieder bestemmingsplan vormen. Ze zijn opgebouwd uit een bestemmingsomschrijving, waarin een omschrijving wordt gegeven van de aan de grond toegekende functies. Per bestemming worden bouwregels gegeven, waarin voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bouwbepalingen worden geregeld. <0000> Hoofdstuk 3: algemene regels; deze hebben betrekking op in beginsel alle voorafgaande regels. Hierbij gaat het onder meer om de antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene bouwregels algemene afwijkingsbevoegdheid. <0000> Hoofdstuk 4: overgang en slotregels. De regels in hoofdstuk 1 en de algemene regels in hoofdstuk 3 gelden voor het bestemmingsplan als geheel. Zij werken door in de diverse bestemmingen. Artikelsgewijze beschrijving regels en bestemmingen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) Hierin worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt.
Wijze van meten (artikel 2) Hierin wordt aangegeven hoe de diverse maten worden gemeten en de inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden berekend om zo een eenduidige toepassing van de bebouwingregeling te bewerkstelligen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Bedrijf (artikel 3) Binnen de bestemming Bedrijf zijn bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.1. In dit geval gaat het om verkooppunten motorbrandstoffen. Bedrijf Nutsvoorziening (artikel 4) Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 28
De bestaande nutsgebouwtjes zijn bestemd als 'BedrijfNutsvoorziening'. Deze gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorgebouwen, gebouwen ten behoeve van de gasvoorziening, waterzuiveringsinstallatie, warmte en koudeopslag en daarmee gelijk te stellen gebouwen. Daarnaast heeft het gastontvangststation gelegen aan de Beneluxbaan een veiligheidszone in het kader van de externe veiligheid. Dit is geregeld middels de dubbelbestemming 'Veiligheidszonegasontvangststation'. Cultuur en ontspanning (artikel 5) De bestemming Cultuur en Ontspanning komt eenmaal voor in het plangebied en betreft de gronden van het Uilenstede theater. De gronden zijn bestemd voor culturele en sociale voorzieningen. Tevens zijn toegestaan een horecavoorziening en verenigings en vergaderruimten. Gemengd 1 (artikel 6) Een deel van Uilenstede en de voormalige Hogeschool heeft de bestemming Gemengd 1. Binnen deze bestemming zijn woningen toegestaan. Het totaal aantal woningen binnen deze bestemming en de bestemmingen Wonen 1 en Wonen 2 mag niet meer bedragen dan 3423. Bedrijven tot en met categorie 2, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, detailhandel en kantoren zijn tevens toegestaan. Het totaal oppervlakte aan voorzieningen binnen deze bestemming en de bestemming Wonen 2 niet meer bedragen dan 2500 m².
Horeca tot en met categorie 2 is toegestaan daar waar dit nader aangeduid is. Als nadere eis is gesteld dat 100% van de woningen in de sociale huur dient te vallen. Gemengd 2 t/m 7 (artikel 7 t/m 12) De bestemmingen Gemengd 2 t/m 7 is opgenomen voor de percelen in het transformatiegebied. Binnen de bestemmingen Gemengd2, 4, 6, en 7 zijn studentenkamers toegestaan en binnen de bestemmingen Gemengd2, 3, 4, en 7 zijn tevens extended stay (horeca categorie 6) voorzieningen toegestaan. Voorzieningen zoals dienstverlening en horeca categorie 1 en 2 zijn over het algemeen binnen alle gemengde bestemmingen toegestaan. Binnen de bestemming Gemengd 2 is naast bovenstaande functies ook een gezondheidscentrum voorzien van maximaal 500 m2 bvo. De bestemming Gemengd 3 geldt voor een bestaand kantoorpand in het plangebied. De hoofdfunctie voor dit pand blijft kantoor, waar hoofdzakelijk extendedstay voorzieningen aan worden toegevoegd. De bestemming Gemengd 5 geldt voor een bestaande parkeergarage in het plangebied. Deze parkeergarage wordt getransformeerd. Binnen deze bestemming zijn kantoren, horeca en detailhandel en publieke voorzieningen toegestaan. De detailhandel en horeca moet in volume wel worden afgestemd met de bestemming Gemengd 6. Binnen de bestemming Gemengd6 zijn tevens zelfstandige kantoren toegestaan.
Het maximum oppervlak aan kantoren binnen deze bestemming mag tezamen met de nader met 'kantoor' aangeduide bestemming Kantoor niet meer bedragen dan 38.000m² bvo. Bij Gemengd7 is naast eerdergenoemde functies ook 3300 m2 bvo aan sportvoorzieningen waarvan ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' tevens een zwembad mogelijk is van maximaal 1000 m2 bvo. Voor de studentenwoningen en extendedstay voorzieningen geldt dat er per bestemming (waar deze zijn toegestaan) een maximum aantal is opgenomen. Voor de overige voorzieningen is per kavel/ bouwvlak opgenomen wat aan maximum oppervlak per voorziening is toegestaan. Voor studentenwoningen geldt dat deze binnen de sociale huur dienen te vallen.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 29
Groen (artikel 13) Het groen binnen het plangebied is als zodanig bestemd. Het groen is mede bestemd voor bermen en beplanting, paden, sport en speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede voor verhardingen, parkeervoorzieningen, kunstwerken en kunstobjecten. Horeca (artikel 14) Binnen de bestemming Horeca zijn horecavoorzieningen in de categorie 2 toegestaan, en hotels (categorie 5). De betreffende gebouwen zijn nader aangeduid met de toegestane categorie. Binnen de hotelvoorzieningen is ondergeschikte horeca in categorie 1 en 2 toegestaan en ondergeschikte dienstverlenende voorzieningen zoals en wasserette. Kantoor (artikel 15) De bestaande kantoorgebouwen danwel de planologisch nog mogelijk te realiseren kantoorgebouwen uit het voorgaande bestemmingsplan zijn per vestiging bestemd. Op elk bestemmingsvlak zijn bouwvlakken aangegeven, waar van de bebouwingsnormen, de maximale omvang van de toegestane bebouwing is weergeven. Ondergeschikte horeca ten dienste van de bestemming is toegestaan. Daar waar op de verbeelding de nadere aanduiding 'kantoor' is op genomen is, tezamen met de bestemming Gemengd 6, een maximum oppervlak aan kantoren toegestaan van 38.000m² bvo. Binnen de bestemming zijn 2 wijzigingsbevoegdheden opgenomen gekoppeld aan een aanduiding.
Binnen wijzigingsgebied 1 is het mogelijk om een nieuwe vestiging op te richten bestaande uit 502 extended stay kamers. Bij wijzigingsgebied 2 is het mogelijk om een hotel op te richten met een maximum van 180 kamers. Sport Sporthal (artikel 16) De bestemming SportSporthal is toegekend aan het sportcentrum VU in Uilenstede. Ondersteunende horeca en detailhandel aan de sportbestemming is toegestaan Tuin (artikel 17) Op de bijbehorende gronden van de woningen met de bestemming Tuin mag behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van ondergeschikte betekenis, geen bebouwing worden opgericht. Verkeer (artikel 18) De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden, parkeervoorzieningen, met de daarbij behorende bruggen, viaducten, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geluidwerende voorzieningen, fietsenstallingen en infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming. Verkeer Openbaar vervoer (artikel 19) De bestemming Verkeer Openbaar Vervoer is opgenomen voor de tram over de Beneluxbaan. Verkeer Parkeren (artikel 20) De bestemming Verkeer Parkeren is bedoeld voor de in het plangebied aanwezige parkeerterreinen en parkeergarages.
Verkeer Verblijfsgebied (artikel 21) De gronden die bestemd zijn voor fiets en voetpaden, (speel)pleinen, verblijfsruimten en openbare ruimten hebben de bestemming Verkeer Verblijfsgebied gekregen. Deze ruimtes zijn in principe niet toegankelijk voor autoverkeer. Terrassen zijn toegestaan daar waar het verblijfsgebied grenst aan een horecavoorziening. Gebouwde
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 30
fietsenstallingen zijn toegestaan daar waar deze nader zijn aangeduid. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding loopburg' is een loopbrug toegestaan. Dit betreft een gesloten luchtbrug tussen twee gebouwen. Water (artikel 22) De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen, waterpartijen. Met de bij voorstaande behorende: bruggen, steigers, dammen en / of duikers, openbare nutsvoorzieningen en speelvoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming, kunstwerken en kunstobjecten. Het is verboden de voor water bestemde gronden te gebruiken als ligplaats voor woonschepen, passagiersvaartuigen en bedrijfsschepen en ten behoeve van drijvende steigers en daarmee vergelijkbaar drijftuig. Wonen 1 (artikel 23) Het totaal aantal woningen binnen deze bestemming en de bestemmingen Gemengd 1 en Wonen 2 mag in totaal niet meer bedragen dan 3423. Als nadere eis is gesteld dat 100% van de woningen in de sociale huur dient te vallen. Kantoren op de begande grondlaag zijn toegestaan daar waar dit nader is aangeduid. Wonen 2 (artikel 24) Het totaal aantal woningen binnen deze bestemming en de bestemmingen Gemengd 1 en Wonen 1 mag niet meer bedragen dan 3423. Als nadere eis is gesteld dat 100% van de woningen in de sociale huur dient te vallen.
Bedrijven tm categorie 2, maatschappelijke voorzieningen, diensteverlening, detailhandel en kantoren zijn tevens binnen de bestemming toegestaan. Het totaal oppervlakte aan voorzieningen binnen deze bestemming en de bestemming Gemengd 1 mag niet meer bedragen dan 2500 m2 . Leiding Gas (artikel 25) Vanwege de in het plangebied aanwezige aardgastransportleiding is een dubbelbestemming voor deze leiding opgenomen. Deze dubbelbestemming legt beperkingen op aan de overige bestemmingen. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overigens geldende bestemmingen. Het Besluit externe veiligheid buisleiding (Bevb) stelt algemene regels voor de inhoud van bestemmingsplannen. Zo is het verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende van 4 tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen. Conform het Bevb geldt een geclausuleerd bouwverbod voor secundaire bestemmingen binnen de belemmeringstrook. Er kan alsnog toestemming verleend worden voor het bouwen als de veiligheid met betrekking tot de buisleiding niet wordt geschaad. Verder is een omgevingsvergunning verplicht gesteld voor de uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die de buisleiding kunnen beschadigen.
Waarde Archeologie 2 en 5 (artikel 26 en 27) Voor de gronden met de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 en 5 geldt dat de initiatiefnemer bij ingrepen in de bodem bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen of van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voorheen de aanlegvergunning) een archeologisch rapport dient te overleggen. Op basis daarvan kunnen aan de betreffende vergunningen voorschriften worden verbonden. In de planregels is geregeld welke dit kunnen zijn. Deze regels zijn van toepassing bij de volgende bodeningrepen: <0000> Waarde archeologie 2: dieper dan 0,30 meter en groter dan 100 m²
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 31
<0000>
Waarde archeologie 5: dieper dan 0,30 meter en groter dan 10000 m²
Waterstaat Waterkering (artikel 28) Voor de gronden binnen het plangebied waar een regionale waterkering is gelegen is de dubbelbestemming Waterstaat Waterkering opgenomen. Dit ten behoeve van de bescherming van de waterkerende functie. Deze bestemming voorziet in een vrijwaringszone aan weerszijde van de waterkeringen waarvoor specifieke regels zijn opgenomen ten aanzien van het bouwen binnen deze bestemming. Hoofdstuk 3 Algemene regels Antidubbeltelregel (artikel 29) Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan. Algemene bouwregels (artikel 30) In dit artikel (toegelaten overschrijdingen) wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en/of hoogtematen overschreden mogen worden. Dit betreffen bijvoorbeeld liftkokers, schoorstenen en balkons. Algemene afwijkingsregels (artikel 31) In dit artikel wordt bepaald in het kader van welke algemene afwijkingen in het plangebied gebruik gemaakt kan worden.
LuchtvaartverkeerszoneLIB (artikel 32 t/m 35) Hier wordt aangegeven waar de gronden binnen de gebiedsaanduidingen en vrijwaringszones (Luchtvaartverkeerzones LIB) voor bedoeld zijn. Binnen deze bestemmingen gelden regels ten aanzien van gevoelige bestemmingen (woningen, woonwagens, woonschepen, gebouwen met een gezondheidszorgfunctie en gebouwen met een onderwijsfunctie), maximale bouwhoogtes (toetshoogte en radarhoogte) en beperkingen ten aanzien van de vogelaantrekkende werking. Deze algemene regels hebben, gelet op het bepaalde in de Wet luchtvaart en het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol een deels informatief karakter. Op grond van het bij gewijzigde artikel 8.8, derde lid, van de Wet luchtvaart, bepaalt artikel 3.1, eerste lid, van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) dat gemeenten een bestemmingsplan in overeenstemming met het LIB moeten brengen bij de eerstvolgende wijziging van het bestemmingsplan. Dat is met dit bestemmingsplan gebeurd. Verwezen zij naar de planregels en de toelichting, in het bijzonder paragraaf 5.4. Met de artikelen 32.1 (algemeen), 32.2 (bouwen) en 32.4 (gebruik) in dit bestemmingsplan wordt bevestigd dat de in het bestemmingsplan opgenomen (directe) bouw en gebruiksmogelijkheden voldoen aan de regels in het LIB (art. 2.2.1c) met betrekking tot de zone met nummer 4 (beperkingen met het oog op de geluidbelasting).
De artikelen 32.3 en 32.5 stellen zeker dat als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend voor het binnen of buitenplans afwijken van deze bouw en gebruiksmogelijkheden en die afwijking niet in overeenstemming is met het LIB (en dus strijdig met artikel 32.2 resp. 32.4), B en W de bevoegdheid hebben om bij omgevingsvergunning af te wijken van het LIB, mits een verklaring van geen bezwaar conform het bepaalde in artikel 8.9 lid 1 Wlv is verleend. Bij de vraag of B en W deze omgevingsvergunnning verlenen maken zij een afweging van de relevante betrokken belangen.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 32
De artikelen 33 en 34 kennen een vergelijkbare systematiek. Lid 1 bevestigt dat in het bestemmingsplan de toetshoogten voor bouwen in acht zijn genomen, als weergegeven op de bijlagen 4 en 4A bij het LIB. Lid 2 specificeert de maximale bouwhoogten, onder verwijzing naar de artikelen 2.2.2 en 2.2.2a LIB. Lid 3 geeft aan onder welke condities B en W bij omgevingsvergunning kunen afwijken van deze hoogten. Daarbij zij overigens gewezen op het bepaalde in artikel 8.12 Wlv, omtrent het ontheffingsvereiste voor omgevingsvergunningvrije bouw- en aanlegactiviteiten. Artikel 35 regelt activiteiten met een vogelaantrekkende werking. Deze komen in het onderhavige plangebied niet voor en zijn ook niet bestemd. Aan artikel 35.2 is dus als vanzelf voldaan. Zouden binnen het plangebied initiatieven ontplooid worden voor dergelijke activiteiten, dan stelt artikel 35.3 buiten twijfel dat B en W de bevoegdheid hebben om bij omgevingsvergunning af te wijken van het LIB (artikel 2.2.3), mits een verklaring van geen bezwaar conform het bepaalde in artikel 8.9 lid 1 Wlv is verleend. Bij de vraag of B en W deze omgevingsvergunnning verlenen maken zij een afweging van de relevante betrokken belangen.
Veiligheidszone gasststation (artikel 36) De voor Veiligheidszonegasststation aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten vanwege een Gasontvangststation. Binnen het gebied van deze aanduiding mogen, in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de binnen dit gebied voorkomende bestemmingen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. Overige regels (artikel 37) Een bepaling waarin de wet en regelgeving wordt geduid die in dit bestemmingsplan wordt genoemd. Hoofdstuk 4 Overgangs en slotregels Overgangsrecht (artikel 38) Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik. Slotregel (artikel 39) Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het gehele plan inclusief de toelichting aangegeven.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 33
HOOFDSTUK 5 UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.1.1 Financieel-economische haalbaarheid Voor het conserverende deel van het bestemmingsplan blijkt dat er enkel kosten optreden die verband houden met het opstellen van het bestemmingsplan. Hiervoor staan dekkende fondsen uit de algemene middelen van de gemeente ter beschikking. 5.1.2 Verhaal van kosten De gemeente is op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht om bij het mogelijk maken van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen ten behoeve van het verhalen van de door de gemeente te maken kosten, tenzij voorafgaand aan de vaststelling van de bestemmingswijziging een overeenkomst tot stand is gekomen waarin dit kostenverhaal is verzekerd. Voor de ontwikkelingen in het gebied Kronenburg zullen anterieure overeenkomsten met de grondeigenaren afgesloten worden. Deze overeenkomsten zullen zijn afgesloten voordat het bestemmingspplan wordt vastgesteld.
5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In dit bestemmingsplan vindt een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaats binnen de zogenaamde transformatiezone. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. De revitalisering van het plangebied is van substantiële omvang en is boven de grens van 500 m². Dit betekent dat op grond van artikel 3.1.6 Bro de behoefte van deze ontwikkeling onderbouwd moet worden. Plangebied Voor het programma in het nu voorliggend bestemmingsplan heeft Bureau Stedelijke Planning onderzoek gedaan naar de behoefte van nieuwe stedelijke functies in het plangebied (zie Bijlage 8). Onderzoek is gedaan naar de behoefte aan studentenhuisvesting, extended stay, horeca, detailhandel, sportvoorzieningen en overige kleinschalige voorzieningen (cultureel, maatschappelijk, medisch, dienstverlening). Per functie is een regioafbakening gemaakt en is gekeken naar de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.
Studentenhuisvesting De huidige markt voor studentenhuisvesting laat grote tekorten zien waardoor studenten gedwongen zijn om thuis te blijven wonen of in een andere stad te gaan wonen. Het gaat om een tekort van circa 11.000 studenteneenheden. Het saldo van de grote toename van het aantal (internationale) studenten, de verwachte afname van tijdelijke studentenkamers en de geplande voorraad permanente en tijdelijke studentenkamers resulteert in de komende tien jaar in een extra behoefte van nog eens 10.775 tot 14.605 studentenkamers. De kwalitatieve behoefte aan studentenhuisvesting richt zich op zelfstandige kamers met eigen voorzieningen. Zo wenst 77% van de studenten een zelfstandige studentenkamer, terwijl slechts 55% van de studentenkamers van in Amsterdam studerende studenten een zelfstandige kamer betreft. In Kronenburg wordt goed op deze behoefte ingespeeld. Er is voldoende Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 34
kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor de ontwikkeling van 2500 studentenkamers op de locatie Kronenburg. Extended stay In de regio bestaat een behoefte aan een kleine 39.000 extended stayeenheden. Aangezien het huidige aanbod niet toereikend is om de grote vraag aan extended stay op te vangen is er momenteel al meer dan genoeg behoefte aan de ontwikkeling van 1580 extended stayeenheden op locatie Kronenburg. Amstelveen Kronenburg is een aantrekkelijke locatie voor de extended staydoelgroep, mede door de goede bereikbaarheid waar voorzien kan worden in een deel van de behoefte. Gezien de sterke groei van de doelgroepen zal naar verwachting de vraag verder toenemen, Daarmee voldoet extended stay in Kronenburg aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Horeca Op basis van de berekeningen van de kwantitatieve marktruimte in het onderzoeksgebied kan er minimaal 7.600 m² vvo en maximaal 12.000 m² bvo horeca worden toegevoegd aan Amstelveen. Daarnaast zorgt het toevoegen van horeca voor versterking van het multifunctionele totaalconcept van het gebied Kronenburg. De ontwikkeling sluit aan op het gemeentelijk beleid om meer ruimte te geven aan horeca en past het volledig binnen de doelstellingen van de gebiedsvisie.
De doelgroepen binnen AmstelveenKronenburg zijn grootgebruikers van horeca, hetgeen een bovengemiddeld bestedingspotentieel oplevert. Alleen al vanuit deze extra bewoners en gebruikers die de ontwikkeling in AmstelveenKronenburg genereert, is er al ruimte om minstens 4.075 tot 4.345 m² bvo horeca toe te voegen. De toevoeging in dit bestemmingsplan van maximaal 2.500 m2 bvo aan horeca voldoet dan ook ruimschoots aan de ladder. Detailhandel In Amstelveen is er tot 2025 ruimte om 13.500 tot 38.600 m² wvo detailhandel toe te voegen. Daarmee kan een ruim voorzieningenaanbod worden gerealiseerd. Vanuit het plangebied AmstelveenKronenburg ontstaat er de komende jaren veel vraag naar detailhandel door de groei van het inwonertal, het aantal werknemers en verblijvers. De uitbreidingsruimte voor dagelijkse detailhandel bedraagt 1.400 m² wvo (exclusief de reeds bestaande supermarkt). Voor het nietdagelijkse segment is dit circa 1.500 m² wvo, verdeeld over de verschillende sectoren: <0000> Maximaal 900 m² wvo voor de branche In en Om Huis; <0000> Maximaal 500 m² wvo voor de branche Mode & Luxe; <0000> Maximaal 100 m² wvo voor de branche Vrije Tijd (exclusief de reeds bestaande Duikwinkel Sublub). Het toevoegen van detailhandel versterkt het multifunctionele totaalconcept van het gebied.
Daarbij is het voorziene detailhandel programma vooral ondersteunend aan het gehele programma en primair gericht op de bewoners en verblijvers van Kronenburg. Middels dit bestemmingsplan wordt maximaal 1.500 m2 bvo aan detailhandel toegevoegd waarvan maximaal 750 m2 bvo ten behoeve van een supermarkt. Hiermee voldoet het programma ruimschoots aan de ladder. Sport In Amstelveen betreft de uitbreidingsruimte voor sport (fitness en kleinschalige sport) 950 m² bvo, oplopend naar 1.800 m² bvo in 2030. Gezien de focus op sport in de gebiedsvisie zou de helft tot de volledige marktruimte op Kronenburg kunnen landen, waardoor Kronenburg als dé sportlocatie in Amstelveen uit kan groeien. De uitbreidingsruimte voor zwembaden betreft één vestiging van een omvang van ongeveer 2.000 m² bvo. Voor het zwembad ligt de focus op de realisatie van een zwembad gericht op sport (banenbad), waardoor logischerwijs slechts de helft van de marktruimte moet worden toegewezen aan het gebied (1.000 m² bvo). In totaal
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 35
kan dus tot 2.800 m² sport gemotiveerd worden. Naast de voornoemde aantallen bestaat ook nog behoefte aan een multifunctionele sporthal. Sport en health is één van de belangrijkste uitgangspunten voor de positionering van AmstelveenKronenburg. Het toevoegen van sport en health versterkt het multifunctionele totaalconcept van het gebied. Daarnaast versterkt het de sociale binding en levendigheid in het gebied. Het voorziene programma sport & health is primair gericht op de bewoners en verblijvers van Kronenburg en de directe omgeving. Met een programma van maximaal 3.300 m2 bvo aan inpandige sportvoorzieningen (oa fitness, sporthal, en zwembad) voldoet dit bestemmingsplan aan de ladder Overige voorzieningen In juli 2020 is door Bureau Stedelijke Planning nog een nader onderzoek gedaan naar de behoefte aan dienstverlenende voorzieningen en medische voorzieningen, dit onderzoek is eveneens opgenomen onder Bijlage 8 en hieronder vind u de conclusies. Het draagvlak voor medische voorzieningen in het onderzoeksgebied neemt de komende jaren fors toe. • Voor KronenburgUilenstede is er vooral behoefte aan eerstelijnszorg, te weten huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten en apotheken. Uit de behoeftetoets blijkt dat er voor KronenburgUilenstede behoefte is aan 6 tot 8 medische voorzieningen de komende tien jaar. Dit komt neer op 490 tot 760 m² bvo.
Aan alle type (eerstelijns)zorg is de behoefte aannemelijk gemaakt. • Daarnaast is er ook behoefte aan andere specialistische zorg op de campus (zoals psychologen, logopedisten en diëtisten), doch niet als zelfstandige praktijk, maar voor één of enkele dagen per week als onderdeel van het medisch cluster. • Clustering van de verschillende zorgvoorzieningen draagt bij aan optimale zorg, waarbij zorgverleners direct kunnen ondersteunen patiënten én gemakkelijk doorverwijzen. • Afstemming met de gevestigde zorgaanbieders op en rondom de campus is gewenst om zo het programma optimaal af te kunnen stemmen op de behoefte vanuit de doelgroepen (en bestaande zorgverleners). Binnen het bestemmingsplan wordt maximaal 500 m2 bvo aan maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt (in de vorm van een medisch centrum). Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan de ladder. Net als voor medische voorzieningen geldt dat het draagvlak voor dienstverlening in het onderzoeksgebied fors toeneemt. • De behoefte voor dienstverlening is bepaald voor een vijftiental dienstverlenende branches, verdeeld over de hoofdbranches Verhuur (zoals rijwiel en gereedschapsverhuur), Ambacht (zoals reparatie, kapper, schoonheidssalon, drukwerk/copyshop) en Particuliere dienstverlening (zoals bellen/internet, fietsenstalling, stomerij/wassalon).
• Uit de behoeftetoets blijkt dat er voor KronenburgUilenstede de komende tien jaar behoefte is aan 13 tot 20 dienstverlenende voorzieningen. Dit komt neer op 650 tot 2.000 m² bvo. • Een slimme mix van dienstverlening draagt bij aan een gevarieerd voorzieningenpakket, zowel voor de campusbewoners als gebruikers. Door exploitaties te combineren en samenwerking met onderwijsinstellingen (bijvoorbeeld door stages) aan te gaan, wordt invulling gegeven aan de roltrapfunctie van het gebied. Binnen het bestemmingsplan is in totaal 650 m2 bvo aan dienstverlening mogelijk gemaakt. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan de ladder. Consequenties voor dit bestemmingsplan Het bestemmingplan maakt binnen de bestemmingen 'Gemengd 2 t/m 7' diverse nieuwe stedelijke functies mogelijk. Deze functies zijn onderzocht in het behoefte onderzoek stedelijke functies. De ontwikkeling voldoet aan de eisen uit de Ladder voor
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 36
Duurzame Verstedelijking. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De functies passen binnen het geldende beleid en er is voldoende behoefte aan deze functies.
5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3.1 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het voorontwerp toegezonden aan de hieronder genoemde instanties op 6 december 2019. De toezending is gedaan met het verzoek om binnen 6 weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het voorontwerp bestemmingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Gedeputeerde Staten van NoordHolland Waterschap Amstel, Gooi en Vecht N.V. Nederlandse Gasunie Gemeente Amsterdam Brandweer Amsterdam Amstelland NMF erfgoedadvies Steunpunt Monumenten & Archeologie NoordHolland (MOOI NoordHolland)
De reactie van Provincie, Brandweer AmsterdamAmstelland, Gasunie en Waterschap AGV hebben aanleiding gegeven het bestemmingsplan enigszins te wijzigen. De reactienota op de vooroverlegreacties is toegevoegd als Bijlage 25 5.3.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende 6 weken terinzage gelegd. De binnengekomen zienswijzen hebben voor een deel geleid tot wijzigingen in het bestemmingsplan. Een Nota van Beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage bij deze plantoelichting.
5.4 Juridische uitvoerbaarheid Het plangebied ligt geheel binnen zone 4 en 5 van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. 5.4.1 Regels LIB 4 Binnen LIB 4 gelden op grond van artikel 2.2.1c LIB bouwbeperkingen voor geluidgevoelige gebouwen. Bestaand gebruik van geluidgevoelige gebouwen is zonder meer toegestaan op grond van onderdeel a van artikel 2.2.1c. Bestaand gebruik is omschreven in artikel 2.2.1e. Onder bestaand gebruik vallen in elk geval geluidgevoelige gebouwen die op 1 januari 2018 rechtmatig aanwezig zijn, zoals de bestaande studentenflats van Uilenstede. Onder bestaand gebruik valt ook herbouw van een gebouw dat rechtmatig aanwezig is geweest maximaal 10 jaar voorafgaand aan de datum waarop een omgevingsvergunning is aangevraagd voor de herbouw. Bij herbouw moet het gaan om een gebouw op dezelfde plaats, met gelijke schaal en aard. Het in 2013 gesloopte woonzorgcentrum van Amstelring kan onder deze bepaling tot en met 2023 als bestaand gebruik worden beschouwd.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 37
Artikel 2.2.1c, onderdelen b tot en met d bevat de voorwaarden waaronder nieuwe woningbouwontwikkelingen binnen LIB4 zijn toegestaan. Als sprake is van bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel h van het Besluit ruimtelijke ordening is het mogelijk op een kavel te verdichten, te transformeren en te herstructureren met, voor zover het de gronden binnen LIB4 betreft, steeds een maximum van 25 nieuwe woningen per bouwplan. Ook mogen geluidgevoelige gebouwen worden vervangen door nieuwe geluidgevoelige gebouwen, als het te vervangen gebouw wordt verwijderd of de functie ervan naar een nietgeluidgevoelige functie wordt omgezet. Dit laatste betekent dat salderen binnen een gebied mogelijk is. Dit wordt in de Nota van Toelichting bevestigd. In de Nota van Toelichting wordt verder nog opgemerkt dat er geen sprake mag zijn van het faseren of opknippen van plannen op een dusdanige wijze dat daardoor het maximum van 25 woningen per bouwplan alsnog wordt overschreden. Toets Het plangebied is conform de definitie in artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel h van het Besluit ruimtelijke ordening aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat de ontwikkelingsmogelijkheden als opgenomen in artikel 2.2.1c, onderdelen a tot en met d van toepassing zijn. In het plangebied worden in totaal 2500 nieuwe woningen voorzien.
Dit programma is verdeeld over diverse kavels binnen het plangebied. Daarbij is de bestaande kavelstructuur leidend. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde dat er geen sprake mag zijn van een ongeoorloofde fasering of opknippen van plannen. Het programma is opgebouwd door benutting van de mogelijkheden om: <0000> Op kavelniveau te verdichten met maximaal 25 woningen per bouwplan; <0000> De bestaande gevoelige bestemmingen (zoals een onderwijsgebouw en een woonzorgcomplex) te vervangen door een woonbestemming met gelijke aard en schaal; <0000> Te salderen tussen (de bouwmogelijkheden voor) verschillende kavels. Gelet op de omvang van het gebied, de bestaande kavelstructuur en de bestaande geluidgevoelige bestemmingen, past het programma van 2500 studentenwoningen ruimschoots binnen de ontwikkelingsmogelijkheden van artikel 2.2.1c LIB. Een overweging ten overvloede is nog dat het programma van 2500 woningen ook grotendeels gerealiseerd kan worden door te salderen tussen de (nog niet) gerealiseerde woonbestemming ter plaatse van de campus Uilenstede en de nieuwe wooncomplexen. Het aantal woningen op Uilenstede is in het vigerende bestemmingsplan gemaximeerd op 3.423, conform het aantal bestaande woningen in de telling van vóór de wijziging van het BAG in 2017. Als gevolg van de wijziging van de BAG bedraagt het feitelijke aantal woningen op Uilenstede nog slechts 1268 woningen.
Een vermindering van het woningbestand met 2160 woningen. Voor de onderbouwing dat sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat verwijzen wij naar 3.4 5.4.2 Regels LIB 5 Vanwege LIB 5 gelden voor bestaand stedelijk gebied geen bouwbeperkingen. Wel geldt op grond van artikel 2.2.1.d, onderdeel 2 een plicht om te motiveren hoe rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Aan deze motiveringsplicht is voldaan. Hiervoor verwijzen wij naar paragraaf 7.4. 5.4.3 Conclusie
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 38
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de bepalingen en beleidsdoelstellingen van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
5.5 Handhaving Handhaving op het gebied van ruimtelijke ordening spitst zich toe op het gebruik van de gronden en opstallen, de maatvoering van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Handhaving kan kortweg worden omschreven als: elke handeling die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Handhaving is geen doel op zich maar draagt bij aan de realisatie van de ruimtelijke doelstellingen die met het bestemmingsplan worden beoogd en de bescherming van de verschillende belangen die worden gewaarborgd. Een bestemmingsplan bevat daarom een handhavingsparagraaf. Hierin wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop de gemeente het juridische normenkader van het bestemmingsplan handhaaft, dat door middel van de planregels in samenhang met de planverbeelding in het leven is geroepen. Het niet naleven van een bestemmingsplan komt neer op het ondergraven van één van de meest waardevolle en invloedrijkste instrumenten van de gemeentelijke overheid. Daarnaast is het een inbreuk op en aantasting van de belangrijkste waarborgen die de burger en bedrijven op gemeentelijk niveau hebben. De maatschappij mag immers verwachten en eisen van de gemeentelijke overheid dat zij de regelgeving die zij in het bestemmingsplan heeft opgenomen ook zal handhaven.
Het niet naleven en handhaven van het bestemmingsplan tast de geloofwaardigheid van de gemeente in het algemeen aan. Om deze redenen is het noodzakelijk het bestemmingsplannen te handhaven en te blijven handhaven. De gemeente is verplicht om uitvoerings (vergunningverlening) en handhavingsbeleid vast te stellen in een of meer documenten, waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen wij onszelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten we daarvoor zullen uitvoeren. Deze verplichting is nu al opgenomen in het Besluit omgevingsrecht en komt ook in de Omgevingswet terug. De gemeente heeft aan deze verplichting invulling gegeven in het actuele VTH beleidsplan, waarin zowel het uitvoerings als het handhavingsbeleid is opgenomen. Deze nota beschrijft de visie, doelstellingen, prioriteiten, uitgangspunten en strategieën op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van de geldende wetgeving, waaronder dit bestemmingsplan. Een andere belangrijk uitgangspunt zijn de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften, de beleidskaders en een analyse van inzichten, technieken en werkwijzen die gebruikt kunnen worden voor de uitvoering.
Het gehele uitvoerings en handhavingsbeleid geeft ten minste inzicht in: <0000> De prioriteiten bij de uitvoering van voorgenomen activiteiten. <0000> De methodiek die de gemeente gebruikt om te bepalen of gestelde doelen worden bereikt. <0000> De objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissingen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen. <0000> De werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. <0000> De afspraken die door de gemeente met de Omgevingsdienst en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 39
<0000> <0000>
<0000>
De wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de gestelde doelen te bereiken. De wijze waarop bestuurlijke sancties en de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen. De wijze waarop de gemeente handelt na overtredingen die zijn begaan door of in naam van de eigen gemeente of van andere organen behorende tot de overheid.
In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s worden deze prioriteiten vertaald in daadwerkelijke activiteiten. Jaarlijks evalueren we de uitgevoerde inspanningen en toetsen we de bijdrage aan de beleidsdoelstellingen. Doen we nog de juiste dingen op de juiste wijze of signaleren we ontwikkelingen die een aanpassing van het (ruimtelijke) beleid vragen? Het uitvoeringsprogramma, jaarverslag en de evaluatie worden toegestuurd aan de gemeenteraad.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 40
HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 7.
6.2 Rijksbeleid Hieronder volgt het beleid van het rijk, waar indien relevant voor het plangebied met dit Rijksbeleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en AMvB Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: <0000> de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; <0000> de bereikbaarheid verbeteren; <0000> zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld.
De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de Amvb Ruimte. Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 10.Ecologische hoofdstructuur; 11.Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12.IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13.Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Ontwerp toelichting KronenburgUilenstede
pagina 41
De in het Barro geregelde onderwerpen hebben geen invloed op het voorliggende bestemmingsplan. De betreffende onderwerpen zijn namelijk niet aan de orde in of nabij het plangebied. 6.2.2 Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 20 juni 2019 heeft het Rijk online het Ontwerp NOVI beschikbaar gesteld. De officiële ter inzagelegging van het NOVI zal naar verwachting eind augustus starten. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De NOVI richt zich op vier prioriteiten. 1. Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en winwin situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Voor het plangebied geldt de prioriteit "Sterke en gezonde steden en regio's". Binnen deze prioriteit zijn een aantal beleidskeuzes gesteld waaronder de beleidskeuze "het hanteren van een integrale verstedelijkingsstrategie". Verstedelijking vraagt zorgvuldig en gebiedsgericht maatwerk vanuit een brede benadering. In lijn met de drie afwegingsprincipes moet integrale leefomgevingskwaliteit voorop staan als basis voor de te maken keuzes. Op basis daarvan kan een afweging plaatsvinden waarbij aan alle relevante ruimtelijkfysieke opgaven zoveel mogelijk recht wordt gedaan. Er moet daarbij voor worden gezorgd dat er flexibel en snel kan worden ingespeeld op nieuwe wensen en ontwikkelingen in de samenleving.