Concept jaarstukken 2021
Tekst van het document
Het project ‘zicht en grip op jeugdhulp’ heeft zich in 2021 en begin 2022 gericht op het voorbereiden en implementeren van de nieuwe inkoop, het beter inzichtelijk maken van data en de beheersbaarheid van de kosten. Nieuwe inkoop per 2022 Per 2022 zijn nieuwe contracten jeugdhulp gesloten. De jeugdhulp wordt niet langer op de huidige (boven)regionale schaal ingekocht, maar gezamenlijk met Aalsmeer. De huidige resultaatgerichte bekostigingsvariant is vervangen door de inspanningsgerichte variant (‘P x Q’). Daarnaast is er naar verwachting, door verkleining van de schaalgrootte, meer lokale sturing mogelijk. Hoe de kosten zich in de nieuwe contractperiode zullen ontwikkelen is nu nog moeilijk in te schatten. In de nieuwe contractperiode zal meer aandacht worden besteed aan de sturing op trajecten (doorstroom, uitstroom). Zo zal onder meer gebruik worden gemaakt van tussentijdse zorgevaluaties. Verandering landelijk Woonplaatsbeginsel Per 2022 verandert het woonplaatsbeginsel dat van invloed is op welke gemeente verblijf voor jeugdigen betaalt. Alle gemeenten hebben daarom een bestandsanalyse moeten doen op alle jeugdigen met verblijf. De financiële balans tussen de inkomende jeugdigen (financieel en inhoudelijk overgedragen vanuit andere gemeenten) en uitgaande jeugdigen (overgedragen naar andere gemeenten) is nog onduidelijk.
Dit komt mede doordat andere gemeenten nog niet volledig klaar zijn met overdragen. De gemeente heeft een extra bedrag gekregen van het Rijk, maar het is onduidelijk of dit voldoende is. Mocht de balans negatief uitvallen is er in de loop van 2022 nog een compensatieregeling vanuit het Rijk. Ondanks deze regeling blijft dit een risico. Tekorten op Wmo De eenzijdige invoering door het Rijk van een vast, laag abonnementstarief voor Wmomaatwerkvoorzieningen heeft voor gemeenten financiële gevolgen die veel groter zijn dan de door het Rijk verstrekte compensatie. We zien een sterke groei van het volume van de aanvragen. Op een lager aanvraagniveau gedurende de ‘corona-lockdown’ na ligt het aanvraagniveau voor hulpmiddelen, huishoudelijke hulp en begeleiding onveranderd hoog. Naast genoemde aanzuigende werking zijn andere factoren van het Rijksbeleid van invloed. Beleid dat gericht is op het langer thuis blijven wonen, de krapte op de woningmarkt (voor wat betreft woningaanpassingen) en de stijging van de salarissen en daarmee de tarieven in de zorg. In het coalitieakkoord is aangekondigd dat het kabinet zal werken naar een evenwichtigere eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp met landelijke normen en met oog voor betaalbaarheid van lage- en middeninkomens. Het Regeerakkoord boekt hiervoor echter tegelijkertijd een financiële opbrengst in.
Het risico op ondercompensatie van gemeenten blijft bestaan.
Jaarstukken 2021
99
Uitkeringen levensonderhoud (Bijstandsgelden) De BUIG-gelden (Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorziening Gemeenten) betreffen het budget dat gemeenten ontvangen voor het verstrekken van bijstandsuitkeringen. Dit budget wordt objectief bepaald. Als gemeenten meer of minder uitgeven aan bijstandsuitkeringen blijft dit voor rekening van de gemeente. Dit budget gaat alleen over de uitkeringsgelden. De bekostiging van de ambtelijke uitvoeringskosten wordt geacht plaats te vinden via de algemene uitkering gemeentefonds. Het hiervoor toegepaste objectieve verdeelmodel lijkt na veel discussie in de achterliggende jaren in rustiger vaarwater te komen. Amstelveen ontvangt in 2021 een uitkering van € 23,2 miljoen en behoort tot de grote voordeelgemeenten op dit verdeelmodel. Inhoudelijk verdiepingsonderzoek bij de grootste voor- en nadeelgemeenten laat zien dat er een verband bestaat tussen positieve financiële resultaten en de invulling die gemeenten geven aan beleid en uitvoering. De positieve Amstelveense scores in het onderzoek bevestigen dat. Dat wil overigens niet zeggen dat beleid en uitvoering in Amstelveen de totale omvang van het huidige voordeel verklaren.
Het voordeel op BUIG-gelden is geheel structureel ingezet om een deel van de tekorten op Jeugd en Wmo te dekken, alsmede op re-integratie (hier is sprake van een wisselwerking in de zin dat extra inzet op re-integratie een "terugverdieneffect" heeft op de bijstandsgelden). Aanvullend staat nog een tekort open van ruim € 8 miljoen. Dit is tot en met 2022 gedekt in de meerjarenbegroting in afwachting van uitsluitsel van het Rijk over meer middelen voor Jeugd na 2022. Daarmee zijn tot dusver andere, pijnlijke ingrepen voorkómen. Maar dit maakt onze structurele begrotingspositie wel kwetsbaarder op dit onderdeel. Een terugloop van het BUIG-voordeel is nu een budgettair risico. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: bij de verdeling van het landelijk budget kunnen schommelingen in de volumes van maatstaven, landelijk en lokaal leiden tot herverdeeleffecten; De toekomstige ontwikkeling van zowel de uitgavenkant als de inkomstenkant is op dit moment hoogst onzeker door de coronapandemie, de TOZO-regeling en het wegvallen daarvan, alsmede de algehele economische ontwikkeling en de impact van dit alles op het objectieve verdeelmodel en daarin optredende herverdeeleffecten (bijvoorbeeld mutatie aantallen expats). Dit is een budgettair risico·; Op dit moment (december 2021) blijkt er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt.
Tegelijkertijd zijn na de zomer verschillende steunpaketten van het Rijk afgebouwd. Vanwege de gedeeltelijke lockdown die is ingegaan in november 2021 worden nieuwe steunpakketten opgetuigd. Al met al blijft de economische situatie onzeker en is het niet duidelijk wat dit op de iets langere termijn gaat betekenen voor het bijstandsvolume; Ook de manier en de omvang van een mogelijke Rijkscompensatie van de kosten van stijgende bijstandsvolumes is onzeker. De bestaande rekenregels voor de bepaling van het macrobudget voorzien niet in deze uitzonderlijke situatie. Een nadeel van 10% op het huidige budget correspondeert met een bedrag van circa € 2 miljoen. Conclusie Effecten vanuit de decentralisaties en de financiële verhouding op de gemeentelijke financiële huishouding vragen structurele inpassing binnen de meerjarenbegroting. Daarbij moet in aanmerking worden genomen, dat de gemeente geen invloed heeft op de inkomsten via het gemeentefonds en dat de invloed op de uitgavenkant beperkt wordt door open einde regelingen en wettelijke verplichtingen. Hetgeen overigens onverlet laat, dat de decentralisaties ook kansen bieden om voordelen te realiseren. Al met al is het perspectief voor de ontwikkeling van de algemene uitkering niet rooskleurig. Structureel tekent zich met het nieuwe Regeerakkoord een tekort af.
Of de nu gepresenteerde incidenteel hogere accressen in de eerste jaren ook daadwerkelijke ruimte opleveren is hoogst onzeker vanwege de risico’s van inflatie en onderuitputting op de Rijksbegroting.
100
Jaarstukken 2021