CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Erfgoednota

Raadsvergadering 24 april 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan Archeologie en Cultuurhistorie Amstelveen 202433.127 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vanaf 1925 ves gden zich grote groepen forenzen in NieuwerAmstel en waren er nieuwe kerken nodig voor de

Door de naoorlogse bevolkingsexplosie ontstond opnieuw een grote behoe e aan kerken. In het begin waren dat vooral, veelal houten, noodkerken. Vanaf 1950 zijn er in twin g jaar maar liefst 8 kerken bijgekomen: de Heilige Geestkerk (1961), de Carmelkerk (1963) en de Thaborkerk (de latere Titus Brandsmakerk, 1969) waren katholiek, de Adventkerk (1961) en de Immanuelkerk (1954) gereformeerd, de Paaskerk (1963) was hervormd en de Bankraskerk (1971) hervormd/gereformeerd. Aan het eind van de jaren zes g ze e de ontkerkelijking defini ef door en in de nieuwe wijken GroenelJohanneskapel, Amsterdamseweg 311

aan, Waardhuizen, Middenhoven en Westwijk zijn geen nieuwe kerken meer gebouwd. Wel zijn sindsdien enkele kerken gesloopt: in 1994 de Carmelkerk en de Adventkerk in 2001.1 Een rela ef groot deel van de Amstelveense kerken is aangewezen als monument. Niet alleen zijn het beeldbepalende gebouwen in hun omgeving en wijk, ook vertegenwoordigd de bouws jl van de kerk de jdgeest waarin zij gebouwd is. Bovendien ontlenen bewoners van Amstelveen vele herinneringen aan de verschillende kerken, en daarmee vertegenwoordigen zij een belangrijke cultuurhistorische waarde voor de gemeenschap. Door de verdergaande ontkerkelijking en regiovorming staan verschillende (monumentale) kerken leeg. We streven ernaar samen met de eigenaar een waardige herbestemming te vinden voor deze (monumentale) kerken. Zo is de Dorpskerk momenteel verbouwd tot gezondheidscentrum, met respect voor de monumentale onderdelen. 2.6.5 Molens Rond 1500 was de waterstaatkundige situa e in de omgeving van Amstelveen problema sch geworden. De gemiddelde waterstanden op het buitenwater (het IJ en de Zuiderzee) liepen ten opzichte van het voortdurend dalende maaiveld steeds hoger op, waardoor het water uit de Amstelboezem steeds moeilijker kon worden geloosd. Om Amstelland als geheel te beschermen tegen wateroverlast van buitenaf werd in 1525 in breder verband het hoogheemraadschap Amstelland ingesteld.

Door molenbemaling werden in de eerste hel van de 17de eeuw polders gevormd door gebieden te omsluiten met kades en leeg te malen door middel van molens. In 1630 zijn de Middelpolder, de Bovenkerkerpolder en de Buitendijkse Buitenveldertse polder ges cht en onder molenbemaling gebracht. Door middel van een zogeheten ‘molengang’ van een aantal molens achter elkaar, werd het water uit de polder rich ng de Amstel gepompt, en daar geloosd. In de loop van de 19de en 20ste eeuw is de molenbemaling Vrij uit ‘Nieuwer-Amstel en Amstelveen. 1000 jaar historie’. M.D.M. van Munster en P. van Schaik. 2006. 4

Molen De Dikkert, Molenweg 104

vervangen door bemaling door stoomgemalen. Het overgrote deel van de molens is gesloopt. De Bovenkerkpolder werd in 1629 bedijkt en bemaald door twee molens, aan de noordzijde ‘De Weteringsbrugmolen’ en aan de zuidzijde ‘De Nessermolen’ of ‘De Oude Gerard’. Nadat het grootste gedeelte van de polder in een plas was veranderd werd in 1764 door de Staten van Holland en Westfriesland octrooi verleend voor het droogmaken van de polder. Op circa 250 meter van de Amstel werd de Ringsloot aangelegd en met de vrijgekomen grond kon de Ringdijk worden opgeworpen. Aan de Ringdijk kwamen de molens ‘De Hoorn’ en ‘De Zon’ tot stand. Deze molens loosden op het niet verveende bovenland en om het waterpeil daar niet te veel te laten s jgen werd molen ‘De Parel’ gebouwd. Nadat het waterpeil in de polder was gezakt werden in 1767 op een lager niveau nieuwe molens opgericht, ‘De Johanna Bregi a’ en ‘De Cornelia Wilhelmina’. Een jaar later werden weer op een lager niveau molens bijgebouwd, totdat de polder in 1769 droogviel. Tussen 1818 en 1836 werden de schepradmolens verbouwd tot vijzelmolens. Na de overgang op machinale bemaling werden de molens in 1914 buiten gebruik gesteld. Begin 20ste eeuw werden de molens in rap tempo afgebroken en vervangen

door stoomgemalen. Van het bemalingsapparaat van totaal 11 molens zijn slechts drie onderstukken bewaard gebleven: molen De Hoorn aan de Ringdijk Bovenkerkerpolder 15 (1765, vervijzeld in 1819), molen De Parel aan de Amsteldijk zuid 117 (1766, vervijzeld in 1822) en molen De Cornelia Wilhelmina aan de Ringdijk Bovenkerkerpolder 18 (1766, vervijzeld in 1836). Een voorbeeld van zo’n stoomgemaal, de opvolger van de windmolens, waarvan de stoommachine in 1935 is vervangen door een dieselmotor, staat aan de Amsteldijk noord 69. Dit gemaal en bovengenoemde drie molenstompen zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De Legmeerplas bleef vooralsnog onbedijkt en het waterpeil zal hier gemeenschappelijk met het peil van de Amstelboezem zijn gebleven. In 1631 werd de Schinkelpolder ges cht, toen nog de Kleine Polder of Zwarte Polder genoemd. Ten noorden hiervan werd in 1645 de Rietwijkeroordpolder ges cht. De Buitendijkse Buitenveldertse Polder en de Rietwijkeroordpolder (het huidige Amsterdamse Bos) werden voorzien van een doorlopende kade langs de Nieuwe Meer, de Koenenkade genoemd, waaraan voor beide polders een molen (de Koenenmolen en de Noordermolen) werd geplaatst die uitsloeg op de Nieuwe Meer. De drooglegging van de Schinkelpolder werd voltooid in 1852, die van de Middelpolder in 1879 (zuid) en 1888 (noord).

Op dat moment was de drooglegging van de Noorder Legmeerpolder al een feit (1877).

Aan de Amsterdamseweg, op de hoek met de Molenweg, staat de Rijksmonumentale korenmolen De Dikkert. De molen werd in 1896 gebouwd naast een al bestaande stoommalerij. Voor de bouw werd gebruik gemaakt van de afgebroken houtzaagmolen De Dikkert uit Zaandam, alwaar deze molen al voor 1629 was gebouwd. De molen bleef tot 1929 in bedrijf en raakte in verval. Met steun van de gemeente werd de molen in de jaren 1939 en 1940 gerestaureerd. In 1966 werd de molen van binnen omgebouwd tot restaurant, hierbij ging het gangwerk van de molen verloren. In 2004 is de molen draaivaardig gerestaureerd en hee de molen eenmalig gedraaid. 2.6.6 Spoorlijn De Haarlemmermeerspoorlijnen vormen een netwerk van voormalige lokaalspoorlijnen in het gebied tussen Haarlem, Amsterdam, Utrecht en Leiden. De eerste plannen voor spoorlijnen door de Haarlemmermeer werden al gepresenteerd in 1864 door burgemeester Amersfoord, twaalf jaar na het droogvallen van de polder. Van uitvoering kwam niets terecht. Pas in 1912 werden de eerste lijnen geopend. De lijnen werden aangelegd door de HESM (Hollandsche Electrische-Spoorweg-Maatschappij). Ondanks die naam, die wijst op de ambi es van deze maatschappij, zijn de lijnen nooit geëlektrificeerd. Voor reizigersvervoer hebben er alleen stoomtreinen gereden. Door de economische crisis van de jaren der g werden diverse lijnen al na ruim twee decennia weer gesloten.

Alleen de lijnen Amsterdam-Haarlemmermeersta on – Amstelveen – Aalsmeer en Bovenkerk

Tegeltableau op sta on Amstelveen, Sta onsstraat 28-30

– Uithoorn – Nieuwersluis bleven nog voor reizigersen goederenverkeer in gebruik. In 1950 reed hier de laatste reizigerstrein. In 1972 werden de lijnen gesloten. Het overgrote deel van de spoorrails is inmiddels opgebroken. Het nog bestaande tracé Amsterdam – Amstelveen – Bovenkerk loopt vanaf het Haarlemmermeersta on, langs het Zwarte Pad rich ng de kruising Handweg-Noorddammerlaan. Het tracé is tussen 1975 en 1997 geëlektrificeerd en wordt gebruikt door de Electrische Museumtramlijn Amsterdam. Voorheen splitste het tracé zich, in een zuidelijke route over de huidige Hammarskjöldsingel rich ng Uithoorn, en een zuid-westelijke route rich ng Aalsmeer over de Noorddammerlaan. Sommige loca es van spoorlijnen zijn nog herkenbaar. De metrolijn door Amstelveen van Poortwachter naar Westwijk maakt bijvoorbeeld gebruik van het oude Haarlemmermeertracé. Ook is de loop van de spoorlijn nog veelal te herkennen aan de resterende, herkenbare sta onsgebouwen en spoorwegwachterswoningen. In Amstelveen zijn deze sta onnetjes en spoorwachtershuizen allemaal aangewezen als gemeentelijke monumenten. Ook het tracé van de spoorlijn vertegenwoordigt cultuurhistorische waarde.

2.6.7 Verdedigingswerken Vanaf de 16e eeuw ontwikkelde de wapentechniek zich zodanig dat kastelen, stadsmuren en ves nggrachten niet voldoende bescherming boden tegen vijandelijk geschut. Er werden daarom steeds meer verdedigingswerken aangelegd in het buitengebied. De omgeving van Amstelveen maakte deel uit van het verdedigingsgebied rond Amsterdam. Om aaneengesloten stellingen te creëren werden in oorlogs jd in laag gelegen gebieden tussen de verdedigingswerken militaire inunda es aangelegd. Zodoende ontstonden in de loop der jd verdedigingslinies zoals de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dwars door Amstelveen loopt een stelling van een aantal oude verdedigingswerken: een voorloper van de Stelling van Amsterdam uit 1787. Deze linie werd aan het begin van de 19de eeuw door de luitenantgeneraal C.R.T. baron Krayenhoff aangelegd, in opdracht van Raadspensionaris R.J. Schimmelpenninck (1761-1825). Begin 19de eeuw dreigde oorlog tussen Frankrijk en Pruissen en bestond er de vrees dat het Koninkrijk bij het Franse Rijk zou worden ingelijfd. Dit was aanleiding om een verdedigingslinie met inunda es (het onderwater ze en van gebieden) en de verdedigingsposten te ontwerpen in een cirkel rondom Amsterdam, die de aanvallers op tenminste twee uur van de hoofdstad zouden houden.

De linie bestond uit zogeheten ‘posten’: dit zijn eenvoudige, hoger gelegen aarden wallen bewapend met één of meer kanonnen. De posten 11, 12, 13 en 14 van deze linie bevonden zich op het huidige Amstelveense grondgebied: twee ervan ter hoogte van

Kanon op post 12, Linie van Krayenhoff, nabij Kruitmolen

Koninklijke Nederlandse Springstoffenfabriek, Amsteldijk zuid

het oude dorp (post 13 aan de Ouderkerkerlaan en post 14 aan de Handweg), en twee ten zuiden van de Koninklijke Nederlandse Springstoffenfabriek, aan de Amstel (post 12 aan de Oostelijke Ringdijk in de Bovenkerkerpolder en post 11 aan weerszijden van de sluiswachterwoning). Van de posten is weinig meer terug te vinden. Ze zijn afgegraven of overbouwd. Alleen van de post 12 aan de Kruitmolen is in 2011 een reconstruc e gemaakt. Ter herinnering van post 13 en 14 is in 1996 een zwart granieten herdenkingssteen aangebracht in de bestra ng van het Tempelhof. 2.6.8 Koninklijke Nederlandse Springstoffen fabriek Aan de Amsteloever, ten zuiden van de Buurt over Ouderkerk, ligt de voormalige Koninklijke Nederlandse Springstoffenfabriek. Deze werd in 1719 ges cht, nadat de Amsterdamse kruitmolen aan de Overtoom in 1709 was ontplo . In de Koninklijke Nederlandse Springstoffen Fabriek in Ouderkerk aan de Amstel werden met name springstoffen voor militaire doeleinden geproduceerd, maar in mindere mate ook voor de mijnbouw en andere civiele doeleinden. Aanvankelijk werd er alleen zwart buskruit geproduceerd, later, in de tweede hel van de 19de eeuw, kwam het rookloze buskruit in produc e. Het huidige complex bestaat uit verschillende gebouwen, waaronder fabrieken, magazijnen, buskruitmolen, stallen en wagenschuren, een laboratorium, een kapberg en een watertoren.

In 1991 hee de fabriek defini ef haar deuren gesloten. De verschillende gebouwen op het terrein zijn in 2005 aangewezen als rijksmonument.

2.6.9 Banpalen In de 16e eeuw werden voor het eerst door de stad Amsterdam banpalen geplaatst om haar rechtsgebied aan te geven. In totaal stonden er zes banpalen in een cirkel rond Amsterdam, die de grens aangaf die niet mocht worden overschreden door uit Amsterdam verbannen personen; ‘ballingen’ genoemd. Van de zes banpalen zijn er nog drie over, waarvan er twee in Amstelveen staan en één in het dorp Sloten, gemeente Amsterdam. De ene Amstelveense banpaal staat aan de Amsterdamse weg, en werd oorspronkelijk geplaatst naast het toegangshek van de voormalige buitenplaats Elsrijk. De andere banpaal staat aan de Amsteldijk Noord, nabij nummer 65. Beide banpalen stammen uit 1625 en zijn in 1970 geplaatst op de Rijksmonumentenlijst.

Banpaal aan de Amsterdamseweg nabij 212

Deel 3:

Instrumentarium 3.1 Van visie naar uitvoering

3.2 Landelijk beleid

Het eerste deel van deze nota beschrijft de ambitie en de visie van de gemeente Amstelveen op de omgang met het cultureel erfgoed. Dat klinkt allemaal mooi en vooruitstrevend, maar hoe maken we dit waar? Welke middelen hebben we ter beschikking om onze visie en ambitie waar te maken?

Een groot deel van het gemeentelijke erfgoedbeleid komt direct voort uit het beleid dat het Rijk heeft bepaald. De lokale overheid geeft uitvoering aan de door het Rijk vastgestelde wetten en regels. Het is daarom van belang te weten wat er in de afgelopen jaren is besloten op rijksniveau, omdat dit grotendeels het lokale beleid en het dagelijks handelen verklaart.

In dit derde deel van de nota wordt uiteengezet welke beleidsstukken, welke we en en regels en welke werkwijze we hanteren om tot de gestelde ambi e en het gestelde doel te komen. Dat doel is tweezijdig: enerzijds ze en we in op duurzaam behoud van ons culturele erfgoed; onze monumenten, onze archeologische waarden in de bodem en de cultuurhistorisch waardevolle structuren en karakteris eken. Anderzijds weten we ook dat puur behoud niet haalbaar is in onze snel veranderende samenleving. Met een te starre opstelling gericht op louter behoud wordt het doel niet bereikt. We zullen ons flexibel moeten opstellen waar mogelijk om het erfgoed lee aar te houden en een rol binnen onze samenleving te geven. We bieden kansen aan herbestemming, waarbij het credo ‘behoud door ontwikkeling’ het uitgangspunt is, maar houden behoud van de monumentale onderdelen uiteraard hoog in het vaandel. Erfgoed voegt waarde toe aan een omgeving, het is het goud dat de gemeente glans gee . Dat mag wel meer bekendheid krijgen; de verhalen kunnen nog beter verteld worden om ook meer draagvlak tot stand te brengen. Daarom zullen we ook inzetten op de promo e en geven we ruchtbaarheid aan het Amstelveense erfgoed. Hoe meer kennis en besef van het aanwezige erfgoed en de historie van Amstelveen, hoe vaker het ingezet zal worden als uitgangspunt en ter inspira e.

Het laatste decennium is er sprake van een toenemende decentralisa e van taken vanuit de overheid en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed naar de lokale overheden. De Rijksdienst wordt steeds meer een kennis- en adviescentrum, terwijl gemeenten de uitvoering van we en, regels, vergunningaanvragen et cetera op zich nemen. Waar vroeger de Rijksdienst al jd mee adviseerde op bouwaanvragen voor Rijksmonumenten, doet zij dat nu nog maar in enkele gevallen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed adviseert de Tweede Kamer bij het herzien van de regelgeving. Ook adviseert zij lokale overheden en provincies door middel van publica es, cursussen en workshops. In de wetgeving is in de afgelopen jaren het een en ander gewijzigd dat directe invloed hee op het lokale erfgoedbeleid. Voor de uitvoerende gemeenten hebben de wetswijzigingen geresulteerd in een belangrijke taakwijziging en geven aanleiding tot actualisa e van het gemeentelijke erfgoedbeleid. In dit hoofdstuk worden onderstaande punten nader toegelicht: Landelijke wijzigingen: • Vaststelling Wet op de Archeologische Mo numentenzorg: sinds 2007 zijn gemeentes we elijk verplicht om archeologisch beleid

•

•

•

op te nemen in de bestemmingsplannen; Vaststelling van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) ten behoeve van een eenvoudiger en krach gere wetgeving en vergunningprocedures; Vaststelling van het Besluit ruimtelijke orde ning (Bro) waardoor gemeentes verplicht zijn cultuurhistorie op te nemen in de bestemmingsplannen; Vaststelling van de Erfgoedwet in 2016. Deze vervangt de Monumentenwet 1988. Een deel van de regels uit de Monumentenwet gaan over in de Omgevingswet.

3.2.1 Wet op de Archeologische Monumentenzorg Het Verdrag van Malta, ook wel het Verdrag van Valle a genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het gaat om archeologische resten als nederze ngen, grafvelden, en gebruiksvoorwerpen. Uitgangspunt van het verdrag is dat het archeologische erfgoed integrale bescherming nodig hee en krijgt. Dit is gevat in drie principes: ●

●

●

Streven naar behoud in situ van archeologische waarden. De bodem is de beste garan e voor een goede conservering van archeologische resten (ar kel 4). Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alterna even (ar kel 5). Zo wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waar den om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden jdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zo veel mogelijk reke ning mee worden gehouden. De verstoorder betaalt voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarde, wanneer behoud in situ niet mogelijk is (ar kel 6).

Het Verdrag van Malta werd in 1992 ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Nadat het wetsvoorstel in 2006 werd goedgekeurd door de Tweede Kamer trad in 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (waarbij de Monumentenwet 1988 werd gewijzigd) in werking. 3.2.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort Wabo) is op 1 oktober 2010 ingevoerd. Met de Wabo is een groot aantal vergunningen, ontheffingen en meldingen geïntegreerd tot één omgevingsvergunning. De dienstverlening aan burger en bedrijf is hiermee vereenvoudigd en versneld; één omgevingsvergunning leidt tot de invoering van één loket, één (digitaal) aanvraagformulier, één bevoegd gezag (één aanspreekpunt), één uniforme en in het algemeen ook kortere procedure, één procedure voor bezwaar en beroep en één handhavend bestuursorgaan. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de vergunningen voor gebouwde monumenten ondergebracht, gebundeld in de omgevingsvergunning. Voor alle monumenten behalve de archeologische rijksmonumenten is een omgevingsvergunning vereist. Voor het wijzigen, verstoren, slopen of verplaatsen van een beschermd monument is al jd een vergunning nodig. De gemeente is de aangewezen instan e om eigenaren en beheerders van monumenten te informeren en te begeleiden bij eventuele gewenste wijzigingen van hun monument.

‘In de groene hagedis’, Amsterdamseweg 485

3.2.4 Besluit Ruimtelijke Ordening Het is sinds januari 2014 we elijk verplicht om in de toelich ng van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (ar kel 3.1.6 lid 2 sub a Bro). In de Nota van Toelich ng op de wijziging van het Bro staat dat deze verplich ng betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Dat verankeren gebeurt op de verbeelding (bestemmingsplankaart) en in de regels. Doel hiervan is een meer generieke borging van cultuurhistorie vooraf in het planproces van de ruimtelijke ordening. 3.2.5 Erfgoedwet en Omgevingswet Medio 2016 komt er voor het eerst één integrale Erfgoedwet die betrekking hee op al ons culturele erfgoed: onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk door het bundelen van bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd.

Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de huidige we en en regelingen gelden tenminste worden gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed is nu geregeld in zes verschillende we en en een regeling. Hierin hebben roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke defini es, procedures en beschermingsmaatregelen. Deze sectorale versnippering van de erfgoedwetgeving en de noodzakelijke aanpassingen van bestaande we en zijn de redenen om één integrale Erfgoedwet op te stellen, waarin deze specifieke we en en regelingen zijn geïntegreerd. De Erfgoedwet gaat samen met de nieuwe Omgevingswet vanaf medio 2018 het fundament vormen voor de bescherming van Rijksmonumentale objec-

ten. Alle erfgoed-gerelateerde zaken die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zullen worden opgenomen in de Omgevingswet. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: ● Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van Rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; ● De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erf goed (stads- en dorpsgezichten en cultuur landschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet; ● De omgang met Archeologische waarden en bijbehorende regels staan vermeld in de bestemmingsplannen; dit is geregeld in de omgevingswet; ● De algemene uitgangspunten met betrekking tot archeologie, voortkomend uit het verdrag van Malta, blijven als basis vermeld staan in de Erfgoedwet.

Dorpskerk, Dorpsstraat 36

3.3 Gemeentelijk beleid De wetswijzigingen op Rijksniveau hebben directe invloed op het gemeentelijke erfgoedbeleid. Maar naast de landelijke wetswijzigingen hebben er ook een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden op gemeentelijk niveau. Denk bijvoorbeeld aan de afronding van het gemeentelijke monumentenproject, actualisering van het archeologiebeleid en de aanstelling van een ona ankelijke, deskundige erfgoedcommissie die het college adviseert over de omgang met het culturele erfgoed in de gemeente. Deze wijzigingen zullen in onderstaande paragraven worden beschreven, evenals de actuele beleidsdocumenten, procedures en de omgang met monumenten in Amstelveen. 3.3.1 Erfgoedverordening Om hier op een juiste en duidelijke manier uitvoering te geven aan haar omgang met het lokale erfgoed, werkt de gemeente met een aantal beleidsdocumenten waarin het erfgoedbeleid wordt geregeld. De juridische basis voor de omgang met het Amstelveens erfgoed, en dan met name die van de gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beschermde dorpsgezichten en archeologische (waardevolle) verwach ngsgebieden, staat in de Erfgoedverordening. Deze verordening is te zien als een lokale Erfgoedwet. Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanwijzen en afvoeren van gemeentelijke monumenten.

Ook zijn hierin regels opgenomen die het verbieden om zonder vergunning (toestemming van de gemeente) schade toe te brengen aan een monument (sloop, verbouw, wijzigingen) of een pand binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Ook zijn in de Erfgoedverordening regels opgenomen ten behoeve van de bescherming van archeologische waardevolle gebieden. Hierin is verboden om een archeologisch monument, of terreinen met (hoge) archeologische verwach ngswaarden, zonder vergunning te verstoren. De volledige Erfgoedverordening gemeente Amstelveen is opgenomen als bijlage 6 van deze nota.

Buskruitmolen, Koninklijke Nederlandse Springstoffenfabriek

3.3.2 Archeologisch beleid Sinds de vaststelling van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007 hee de gemeente Amstelveen haar archeologisch beleid en bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart in 2008 vastgesteld. Op deze archeologische beleidsadvieskaart is het grondgebied van Amstelveen onderverdeeld in verschillende verwach ngsgebied: van gebieden met een lage archeologische waarde tot gebieden van hoge. Elk verwach ngsgebied hee zijn eigen oppervlaktecriterium en toegestane verstoringsdiepte met betrekking tot toegestane bodemverstoring. Wordt dit oppervlaktecriterium overschreden door een bepaalde bodemverstoring, dan dient inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. In eerste instan e is dat een archeologisch bureauonderzoek waarin op basis van historisch kaartmateriaal en onderzoeken in de omgeving een inscha ng wordt gemaakt van eventuele aanwezige archeologische waarden in de bodem. Wanneer deze kans bestaat, zal worden aanbevolen een archeologisch inventariserend veldonderzoek op loca e uit te voeren. Sinds die vaststelling van de archeologische beleids-

advieskaart zijn enkele entallen archeologische bureau- en veldonderzoeken verricht. De conclusies van deze onderzoeken vroegen om een actualisa e van die beleidsadvieskaart. De actuele archeologische beleidsadvieskaart is te vinden in bijlage 5 van deze nota. Het rapport dat is geschreven naar aanleiding van de actualisa e van het archeologiebeleid is te vinden op www.amstelveen.nl/monumenten. 3.3.3 Bestemmingsplannen Het bestemmingsplan bepaalt wat er binnen een bepaald gebied met de ruimte mag gebeuren. Het is een juridisch uitvoeringsinstrument dat bindende regels gee voor het bebouwen en gebruiken van gronden. Een bestemmingsplan bestaat al jd uit drie delen: de verbeelding (plankaart), de regels en de toelich ng. De bestemmingen en het gebruik worden aangegeven op de verbeelding, door middel van bouwvlakken, bouwaanduidingen, maatvoeringsaanduidingen, func eaanduidingen, gebiedsaanduidingen en figuren. Op een gebied kunnen bovendien twee ona ankelijke bestemmingen tegelijker jd liggen, met behulp van een zogeheten dubbelbestemming. Sinds 1 januari 2012 is het verplicht om in de toelich ng van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (art. 3.1.6 lid 2 sub a Bro).

In bijlage 9 van deze nota zijn per bestemmingsplangebied de beschrijvingen van de aanwezige cultuurhistorische waarden te vinden. Deze waarden zijn uitgesplitst in cultuurhistorische Voormalig kantoor Van Leer’s Vatenfabriek, Amsterdamseweg 204

waarden (weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart), archeologisch beleid (weergegeven op de archeologische beleidsadvieskaart) en de in het gebied aanwezige monumenten. De uitwerking van deze inventarisa e en waardering, in de vorm van een verbeelding op de plankaart en in de regels, vindt uiteindelijk plaats bij de herziening van het betreffende bestemmingsplan. De cultuurhistorische beschrijving zal worden opgenomen in de toelichng van het bestemmingsplan. 3.3.4 De omgevingsvergunning voor monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten Met de komst van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht in oktober 2010 is een vergunning voor de verbouwing van een monument in de bredere omgevingsvergunning opgenomen, die is aan te vragen via het zogeheten ‘Omgevingsloket Online (OLO)’. In plaats van een monumentenvergunning én een bouwvergunning kan nu volstaan worden met één omgevingsvergunning. Voor gemeentelijke monumenten en gemeentelijke beschermde dorpsgezichten is een reguliere omgevingsvergunning vereist, met een vergunningstermijn van 8 weken (en een eenmalige mogelijkheid tot verlenging met maximaal 6 weken).

Voor een vergunningsaanvraag voor een Rijksmonument of een pand binnen een Rijksbeschermd dorpsgezicht staat een uitgebreide procedure van maximaal 26 weken, omdat hierbij in sommige gevallen extern advies moet worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Voor wijzigingen aan een Rijksmonument die geen betrekking hebben op gedeeltelijke sloop, func ewijziging of grootschalige wijzigingen aan het exterieur geldt de reguliere procedure.

Vergunningaanvragen met betrekking tot monumenten en beschermde dorpsgezichten worden getoetst door de ona ankelijke leden, deskundig op het gebied van bouwhistorie en architectuurgeschiedenis, van de Erfgoedcommissie. Dit ona ankelijke advies van deskundigen is een verplich ng die in de Erfgoedwet en de gemeentelijke Erfgoedverordening is opgenomen. Bij panden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht zijn alleen wijzigingen aan de gevels en dakvlakken die gekeerd zijn naar de openbare ruimte vergunningplich g voor het onderdeel monument. Dit geldt ook voor wijzigingen aan erfafscheidingen en bijgebouwen die binnen dit beschermde gebied staan, en zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voor onderdelen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, gelden de gewone regels uit de omgevingswet, evenals de eventuele vergunningsvrije ac viteiten. Het interieur van een pand binnen een gemeentelijk of Rijksbeschermd dorpsgezicht valt niet binnen de monumentale bescherming. Bij de behandeling van aanvragen voor wijzigingen binnen een gemeentelijk beschermd dorps- of stadsgezicht hanteren wij de regels van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze zijn vastgelegd in de brochure ‘Vergunningvrij. Informa e voor professionals. Voor welke ac viteiten in en aan monumenten en beschermde gezichten is geen vergunning nodig?’.

De brochure vindt u op de interpagina www.amstelveen.nl/monumenten. 3.3.5 Bouwplanadvisering Voor de welstandsbeoordeling van bouw- en verbouwaanvragen toetsen de stadsbouwmeester en/ of de stadsarchitect het bouwplan aan de algemene en gebiedsspecifieke criteria, zoals vastgesteld in de welstandsnota. Bij de advisering over een bouwplan met betrekking tot een monument is dat veel las ger. Omdat elk monument anders is, en monumenten veelal op zichzelf staande objecten zijn, is het onmogelijk om algemene criteria te formuleren voor de omgang met monumenten. Het streven is niet langer om een monument ‘onaantastbaar’ te laten zijn, en elke wijziging aan de beschermde onderdelen te verbieden. Zodoende zou de kans groot zijn dat het gebouw op den duur niet meer voldoet aan de geldende gebruikswen-

Dienstwoningen KNSF, Amsteldijk Zuid 23-40

sen en daardoor haar func e verliest. Het credo ‘behoud door ontwikkeling’ is hier van toepassing, waarbij wel wordt toegezien op zo veel mogelijk behoud van de monumentale onderdelen. De vraag blij bij elke aanvraag, wanneer is de verbouw of renova e van een monument een ongewenste aantas ng of verstoring, en in welke gevallen kan wél een vergunning worden verleent voor de beoogde wijzigingen van een monument? Hoewel we geen criteria kunnen geven voor de omgang met monumenten, geven enkele documenten wel enig inzicht over de advisering en omgang met monumenten. Ten eerste is van elk monument een zogeheten redengevende beschrijving opgesteld. Hierin wordt het monument beschreven, evenals de reden tot aanwijzing als monument. Ook worden de specifiek beschermenswaardige onderdelen van een monument beschreven, waarnaar met extra zorg wordt gekeken bij de vergunningverlening. Daarnaast gaat de Erfgoedcommissie bij haar advisering uit van de algemeen gebruikte uitgangspunten in de omgang met monumenten. In het boekje 10 Uitgangspunten voor het omgaan met monumenten van de werkgroep monumentenpublica es en de Federa e Welstand wordt een uitleg gegeven van deze uitgangspunten. Het boekje is te vinden op www.amstelveen.nl/monumenten.

3.3.6 Erfgoedcommissie De landelijke Erfgoedwet (ar kel 4.20) en de lokale Erfgoedverordening (ar kel 8) schrijven voor dat aanvragen met betrekking tot beschermde monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten voor advies worden voorgelegd aan een adviescom-

missie op het gebied van de monumentenzorg. Zij hebben de taak het college op verzoek te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Erfgoedverordening en het monumentenbeleid. De gemeente Amstelveen legt aanvragen met betrekking tot monumenten voor aan een ona ankelijke en deskundige adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg. Deze adviescommissie wordt ingehuurd bij een een ona ankelijke s ch ng zonder winstoogmerk die gemeente adviseert op het gebied van landschap, stedenbouw, architectuur en cultuurhistorie ‘Mooi Noord-Holland’. Deze Erfgoedcommissie maakt op basis van het gemeentelijke erfgoedbeleid en waar mogelijk met de betrokken par jen een zorgvuldige afweging van de impact van voorgestelde wijzigingen op aanwezige monumentale en cultuurhistorische waarden. De Erfgoedcommissie adviseert schri elijk en vergadert eens in de twee weken. De vergaderingen zijn openbaar toegankelijk. De commissie stelt het op prijs dat aanvragers en/of ontwerpers een toelichng geven bij het plan. Het Reglement van Orde van de Erfgoedcommissie is opgenomen als bijlage 8 van deze nota.

Tegeltableau Villa Cornelia, Dorpsstraat 10

3.3.7 Onderhoud aan monumenten Onderhoud aan monumenten en aan panden binnen een beschermd dorpsgezicht is vaak vergunningvrij. De stelregel in de omgang met monumenten is, dat wanneer het uiterlijk aanzien van een monument niet wijzigt, de werkzaamheden tot het reguliere onderhoud behoren, en vergunningsvrij kunnen worden uitgevoerd. Denk daarbij aan schilderwerkzaamheden in dezelfde kleur, gedeeltelijk vervangen van voegwerk met dezelfde detaillering en kleur, het gedeeltelijk vervangen van dezelfde dakpannen etc. Bij grootschalige restauraes, bijvoorbeeld van de construc eve onderdelen of bij het geheel vervangen van de dakbedekking of het voegwerk, zijn de werkzaamheden wel vergunningplich g. Hierbij wordt uitgegaan van de regels zoals vastgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze zijn vastgelegd in de brochure ‘Vergunningvrij. Informa e voor professionals. Voor welke ac viteiten in en aan monumenten en beschermde gezichten is geen vergunning nodig?’. De brochure vindt u op de interpagina www.amstelveen.nl/monumenten. Bij verbouwingen en renova es van monumenten gaat het om werkzaamheden waarbij het uiterlijk aanzien van het monument wel wijzigt, zoals uitbouwen, opbouwen en het plaatsen van dakkapellen. Deze aanvragen zijn per defini e vergunningplich g.

Bij panden binnen een gemeentelijk beschermd stads- en/of dorpsgezichten geldt een beschermde status voor de gevels en dakvlakken die zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. Alle wijzigingen aan deze gevels zijn dan ook vergunningplich g. Bij twijfel over vergunningplicht of de juiste uitvoering van de werkzaamheden kunt u contact opnemen met de adviseur Cultureel Erfgoed van de gemeente Amstelveen. 3.3.8 Monumentale interieurs De interieurs van Rijksmonumenten zijn al jd onderdeel van de monumentale bescherming. Alle wijzigingen aan interieuronderdelen met historische waarde zijn vergunningplich g. De interieurs van gemeentelijke monumenten zijn tevens beschermd. Alleen wanneer in de redengevende beschrijving van een gemeentelijk monument het interieur expliciet is uitgesloten van bescherming, geldt voor

dit onderdeel van het monument geen monumentale status. Vaak zijn de interieurs van gemeentelijke monumenten niet meegenomen bij de waardebepaling en niet omschreven in de redengevende beschrijving. Niet omdat ze niet beschermd zijn, maar bijvoorbeeld omdat het gebouw ten jde van de waardebepaling niet toegankelijk was. Bij een vergunningaanvraag met betrekking op het interieur is dan nader onderzoek nodig. Bij het aanvragen van wijzigingen in het interieur van een monument wordt aangeraden contact op te nemen met de gemeente. Dit kan door middel van een vooroverleg, zo gewenst met een loca ebezoek. Ook kunnen er foto’s van het interieur worden bijgevoegd bij de vergunningaanvraag. Zoals gezegd, alle wijzigingen aan interieuronderdelen met historische waarde in een beschermd monument, zijn vergunningplich g. De vraag is, wanneer hee een interieuronderdeel historische waarde? Niet historische onderdelen in het interieur van een monument, zoals een keuken uit de jaren ‘70 of een later toegevoegde trapli , kunnen zonder vergunning worden verwijderd. Bij twijfel of een onderdeel historische waarde hee , dient contact opgenomen te worden met de adviseur monumenten van de gemeente. Meer informa e hierover, evenals voorbeelden van al dan niet historische onderdelen, vindt u in de brochure ‘Vergunningvrij. Informa e voor professionals.

Voor welke ac viteiten in en aan monumenten en beschermde gezichten is geen vergunning nodig?’. De brochure vindt u op de interpagina www.amstelveen.nl/monumenten. 3.3.9 Subsidie voor onderhoud en restauratie De gemeente Amstelveen kent subsidie toe ten behoeve van onderhoud en restaura e van gemeentelijke monumenten. Omdat gemeentelijke monumenten worden aangewezen in het algemeen belang, draagt de gemeente bij aan de mogelijk hogere onderhoudskosten van haar monumenten. Deze financiële compensa e betre 25% van de kosten die ten gunste komen van de instandhouding van de oorspronkelijke onderdelen van het monument.

St. Urbanuskerk Bovenkerk, Noordammerlaan 124-126

Voor par culiere woonhuizen betre het maximale subsidiebedrag € 10.000,- per jaar. Voor gebouwen met een collec eve func e, zoals scholen, kerken en boerderijen met een agrarische func e, is het maximale subsidiebedrag € 20.000,- per jaar. De Nadere Regels voor subsidiëring ten behoeve van de instandhouding van gemeentelijke monumenten vindt u in bijlage 7 van deze nota. 3.3.10 Promotie van het Amstelveense Erfgoed Dat Amstelveen een noemenswaardig aantal monumenten hee , is lang niet bij al haar inwoners bekend. Het is van belang dat het Amstelveense erfgoed meer bekendheid krijgt en goed wordt gepresenteerd. Bekendheid over het aanwezige erfgoed is niet alleen van belang voor (toekoms ge) bewoners vanwege het pre ge ves gingsklimaat, maar ook voor ontwikkelaars en bedrijven, vanwege het posi eve economisch klimaat. Het is daarom van belang dat we de kansen zoeken en benu en om onze kwaliteiten uit te dragen en bij nieuwe

ontwikkelingen te betrekken. Erfgoed is immers ons maatschappelijk kapitaal dat we in het algemeen belang beschermen en behouden, maar ook willen benu en. Niet alleen ze en we het erfgoed van Amstelveen le erlijk op de kaart (zie voor de Cultuurhistorische waardekaart bijlage 4 van deze nota: deze wordt overgenomen in de bestemmingsplannen) maar ook willen we het Amstelveens Erfgoed beter op de zogeheten ‘mental map’ ze en. Dat doen we door middel van promo e: we publiceren krantenberichten over Amstelveense monumenten, we gebruiken de Social Media-kanalen en de lokale televisie om bewoners ons erfgoed te tonen, zoals de korte filmpjes die we van onze monumenten hebben gemaakt. Ook organiseren we ac viteiten, zoals de jaarlijkse Open Monumentendagen, waarvoor we folders maken met wandel- en fietsroutes langs het Amstelveense Erfgoed. Bij het vaststellen van bestemmingsplannen waarbij cultuurhistorische waarden worden opgenomen, zullen we bewoners waar mogelijk informeren en betrekken.

Heempark de Braak, Amsterdamseweg nabij 286

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Begrippenlijst Selec ecriteria voor aanwijzing gemeentelijke monumenten, voortvloeiend uit de Erfgoedverordening Monumentenlijst gemeente Amstelveen (Rijksmonumenten, Provinciale Monumenten, Gemeentelijke Monumenten, Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten en Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten) Cultuurhistorische waardekaart gemeente Amstelveen Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Amstelveen, opgesteld door archeologisch advies bureau RAAP, 7 april 2016. Erfgoedverordening gemeente Amstelveen 2016 Nadere Regels ten behoeve van de instandhouding van gemeentelijke monumenten, gemeente Amstelveen 2016 Reglement van Orde Erfgoedcommissie Cultuurhistorische gebiedsbeschrijvingen per bestemmingsplangebied

Café-Restaurant Het dors ge Hert, Dorpsstraat 64

Bijlage 1

Begrippenlijst Archeologisch Beleid: Het archeologisch beleid van de gemeente Amstelveen is in 2008 vastgesteld en vastgelegd in de Erfgoedverordening, en met het vaststellen van deze nota, geactualiseerd. Sinds 1 september 2007 maken de ar kelen 44 tot en met 48 uit de Wet op de archeologische monumentenzorg het voor gemeentes verplicht een archeologisch beleid te voeren. Deze regelgeving komt voort uit het Verdrag van Malta, dat al in 1992 werd ondertekend door de lidstaten van de Raad voor Europa, en beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het verdrag is geënt op drie principes: Het streven naar behoud in situ van archeologische waarden, ervan uit gaande dat de bodem de beste conserveerder is; Het jdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid van aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alterna even; en het principe van ‘De verstoorder betaalt’ voor het doen van archeologisch onderzoek, opgravingen en het documenteren van archeologische waarde, wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Beeldkwaliteitplannen (BKP): Een Beeldkwaliteitplan is gericht op een goede vormkwaliteit van de (on)gebouwde omgeving en gee in woord en beeld en voor verschillende schaalniveaus uitgangspunten voor het stedenbouwkundig, landschappelijk en architectonisch ontwerp.

Het kan gaan om behoud en versterking van een bestaande iden teit of het realiseren van een nieuwe. Een beeldkwaliteitplan fungeert hierbij als referen ekader voor architectonische en landschappelijke vormgeving en vormt een schakel tussen stedenbouw-kundige uitgangspunten en feitelijke invulling. Een beeldkwaliteitplan hee een we elijke, juridische status. Na vaststelling door de raad is er sprake van een beleidsregel met doorvertaling in de welstandsnota. Een beeldkwaliteitplan kan worden opgenomen in de toelich ng van een bestemmingsplan, maar krijgt pas rechtskracht op het moment dat de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan zijn opgenomen in de bestemmingsplanregels.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro): Als gevolg van het aannemen van de Modernisering Monumentenwet is per 1 januari 2012 een en ander in het Besluit ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht (de omgevingsvergunning) en de Monumentenwet 1988 gewijzigd. Door een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen. In ieder bestemmingsplan dient een afweging gemaakt te worden over de wijze waarop met de cultuurhistorische belangen wordt omge-gaan. Daarnaast is in het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan (regels en verbeelding) een analyse verplicht naar de aanwezige cultuurhistorische waarden en een beschrijving van deze waarden. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren worden gehaald. Bestemmingsplannen (BP): Het bestemmingsplan bepaalt wat er binnen een bepaald gebied met de ruimte mag gebeuren. Het is een juridisch uitvoeringsinstrument dat bindende regels gee voor het bebouwen en gebruiken van gronden. Een bestemmingsplan bestaat al jd uit drie delen: de verbeelding (plankaart), de regels en de toelich ng.

De bestemmingen en het gebruik worden aangegeven op de verbeelding, door middel van bouwvlakken, bouw-aanduidingen, maatvoeringsaanduidingen, func eaanduidingen, gebiedsaanduidingen en fi-guren. Op een gebied kunnen bovendien twee ona ankelijke bestemmingen tegelijker jd liggen, met behulp van een zogeheten dubbelbestemming. Sinds 1 januari 2012 is het verplicht om in de toelich ng van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (art. 3.1.6 lid 2 sub a Bro).

Cultureel Erfgoed: De voor onze cultuur en geschiedenis waardevol geachte materiële en immateriële kenmerken van die cultuur uit het verleden, zoals monumenten, archeologische vondsten, verzamelingen, archieven en beschermde stads- en dorpsgezichten, maar ook ar s eke en bouwkundige kunstwerken, en rituelen en gebruiken. Cultureel erfgoed wordt van belang geacht omdat het huidige genera es een beeld gee van het verleden en kan bijdra-gen aan de culturele iden teit. Cultuurhistorie: De overblijfselen van de geschiedenis van de door de mens gemaakte en beïnvloede leefomgeving. Het gaat dus om meer dan alleen bouw- en kunstwerken, ook landschappelijke patronen (verkavelingen, dijken, akkers, polders etc) en archeologische vondsten en structuren onder het maaiveld behoren allemaal tot de cultuurhistorie. Sinds 1 januari 2012 is het verplicht om in de toelich ng van het bestemmingsplan een inventarisa e van de aanwezige cultuurhistorische waarden te maken en de beschrijving hiervan op te nemen. Erfgoedverordening: De Erfgoedverordening is te zien als een lokale Erfgoedwet, en maakt het mogelijk om een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht aan te wijzen en af te voeren van de gemeentelijke monumentenlijst. De regelgeving omtrent de voorbescherming, de aanwijzingsprocedure en de uiteindelijke aanwijzing worden in deze verordening vastgelegd.

Ook staat hierin de regelgeving met betrekking tot de instandhoudingsbepaling: het is verboden om zonder vergunning een gemeentelijk monument of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht te beschadigen, te vernielen, af te breken, te verstoren, te verplaatsen en in enig opzicht te wijzigen. Op basis van de Beleidsadvieskaart wordt bovendien het archeologisch beleid in de Erfgoedverordening geregeld. Het is in gebieden met een archeologische verwach ngswaarde niet toegestaan de bodem tot een bepaalde, in de erfgoedverordening nader toegelichte, diepte en oppervlakte te verstoren. Erfgoedwet: De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 vastgesteld en hee geleid tot een sterk ‘afge-slankte’ Monumentenwet. In navolging van de Omgevingswet waarin alle regelgeving omtrent ruimtelijke projecten is samengebracht in één wet, dient de Erfgoedwet als doel om verschillende we en op het gebied van erfgoed (zowel roerend als onroerend) op één lijn te brengen, samen te voegen en te

vereenvoudigen. Het doel van de wet is om erfgoedcollec- es van na onaal belang beter te kunnen beschermen en het toezicht op een integrale manier te verankeren. Bepaalde onderdelen van de wettelijke bescherming van het erfgoed verhuizen naar de nieuwe Omgevingswet. De vuistregel hierbij is: duiding van erfgoed in de Erfgoedwet, omgang met erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: Een gebied binnen een stad of dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter, aangewezen op basis van de Erfgoedverordening. Door deze bescherming blij het cultuurhistorische karakter behouden. Binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht kunnen zich monumenten bevinden, maar het hoe niet. De gezichtsbescherming beschermt de stedenbouwkundige structuur, en beoogt het cultuurhistorisch waardevolle straatgezicht te behouden. Derhalve maken alle gevelwanden, dakvlakken, bijgebouwen en erfafscheidingen, zichtbaar vanaf de straat, onderdeel uit van het be-schermde gebied. Gemeentelijk Monument (GM): Een monument met lokale waarde, aangewezen door het College van Burgemeester en Wethouders, op basis van de Erfgoedverordening.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: In de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ richt de provincie Noord-Holland zich op de cultuurhistorische structuurdragers, omdat deze mede bepalend zijn voor de iden teit en de beleving van het Noord-Hollandse landschap. Deze Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is de opvolger van de Cultuurhistorische waardenkaart en bevat de ‘Informa ekaart Landschap en Cultuurhistorie’ waarin landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwach ngen en structuurdragers zoals molens, militaire structuren en historische dijken en waterwegen. Modernisering Monumentenzorg (MoMo): De Beleidsbrief Modernisering Monumenten-zorg (afgekort tot Momo) is in 2009 opgesteld door het ministerie van OC&W. Deze gaf de nieuwe visie op de monumentenzorg weer. Sinds de vaststelling van de monumentenwet in 1988 is er een hoop veranderd in de omgang met het cultureel erfgoed en het denken over behoud, maar ook over de rol van de overheid hierin, en de verantwoordelijkheid van de bur-ger. De MoMO is gebaseerd op drie pijlers: Cul-

tuurhistorische belangen meewegen in ruim-telijke ordening, krach ger en eenvoudiger regelgeving, het bevorderen van herbestemmin-gen. Monument: Vervaardigde zaken of terreinen welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. De zaken of terreinen zijn vanwege hun cultuurhistorische waarde door de rijks-, provinciale of gemeentelijke overheid aangewezen als beschermd monument en als zodanig geregistreerd op de monumentenlijst. Omgevingsvergunning: Een omgevingsvergunning is een vergunning waarbij slechts één procedure vereist is voor het verkrijgen ervan in plaats van meerdere vergunningen voor verschillende aspecten. De omgevingsvergunning werd in Nederland op 1 oktober 2010 ingevoerd ter vervanging van de verschillende vergunningen voor wonen, ruimte en milieu. Dit waren onder andere de bouwvergunning, milieuvergunning, gebruiksvergunning, aanlegvergunning, sloopvergunning en de kapvergunning. De omgevingsvergunning is we elijk geregeld met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omgevingswet: Het Omgevingsrecht bestaat uit entallen we en en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. En allemaal met hun eigen uitgangspunten, procedures en eisen. De wetgeving is daardoor te ingewikkeld geworden voor de mensen die ermee werken.

Door die ingewikkelde procedure duurt het vaak erg lang voordat een project kan starten. Het kabinet wil het Omgevingsrecht daarom makkelijker maken en samenvoegen in één Omgevingswet. De Omgevingswet betre regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Voorlopig vervangt de Omgevingswet vij ien bestaande we en. Daarvan gaan de gehele of delen van de wet over in de Omgevingswet. Het plan is om onder andere de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo), de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), de Woningwet en de Monumentenwet 1988 onder te brengen in de integrale omgevingswet. De verwach ng is dat de Omgevingswet in 2018 in werking zal treden. Provinciaal monument (PM): Een monument van regionale waarde, aangewezen door Provinciale Staten, op basis van de Provinciale Monumentenverordening.

Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht: ‘Groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.’ In Nederland zijn er ruim 450 van deze Rijksbescherm-de gebieden. De aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht gebeurt door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu. Ze doen dit in samenwerking met gemeenten en provincies. De bescherming van gezichten en bescherming van objecten vullen elkaar aan, maar vervangen elkaar niet. De gezichtsbescherming beschermt de stedenbouwkundige structuur. De objectbescherming beschermt een bepaald pand en de authen citeit van het bouwmateriaal. Rijksmonument (RM): Een monument van na onale waarde, aangewezen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op basis van de Monumentenwet 1988, of na 1 juli 2016, op basis van de Erfgoedwet. Selec ecriteria: De reden voor de aanwijzing van een monument en beschermd dorpsge-zicht wordt aan de hand van vastgelegde selec ecriteria beargumenteerd. Deze criteria zijn verdeeld in de categorieën situeringswaarde; architectonische betekenis; historische beteke-nis/cultuurhistorische waarde.

De criteria die betrekking hebben op de betreffende monu-mentale waarden, worden vermeld in de redengevende beschrijving. De selec ecriteria zijn opgenomen in bijlage 2 van deze nota. Structuurvisie Noord-Holland 2040: De provincie wil de kwaliteit en diversiteit van het NoordHollands landschap en de dorpen behouden en ontwikkelen. Het begrip ‘ruimtelijke kwaliteit’ hee een belangrijke plek gekregen in de nieuwe Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie. De Provincie Noord-Holland wil verantwoord met het verleden omgaan en tegelijker jd ruimte bieden aan nieuwe ontwik-kelingen. De provincie wil de NoordHollandse landschappen op maal gebruiken door hun kenmerkende kwaliteiten te koesteren en te benu en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het basisuitgangspunt van het beleid is dan ook ‘behoud door ontwikkeling’.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in oktober 2010 is een vergunning voor de verbouwing van een monument in de bredere omgevingsvergunning opgenomen, die digitaal is aan te vragen via het zogeheten ‘Omgevingsloket Online (OLO)’. De Wabo integreert een groot aantal vergun-ningen, ontheffingen en meldingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving (waaronder het milieu, wonen, ruimtelijke ordening, natuurbescherming, monumentenzorg enz.) omgeving tot één omgevingsvergunning. De belangrijkste uitvoeringsregelingen van de Wabo zijn het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Redengevende beschrijving: Van elk aangewezen monument wordt een beschrijving ge-maakt, waarin zowel de cultuurhistorische als de uiterlijke kenmerken worden beschreven. Ook wordt hierin de reden van aanwijzing vermeld, aan de hand van de vastgelegde selec- ecriteria. De redengevende beschrijving maakt onderdeel uit van het aanwijzingsbesluit. De redengevende beschrijvingen van Rijksmonumenten zijn op te vragen in het monumentenre-gister: h p://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl De redengevende beschrijvingen van gemeentelijke monumenten zijn op te vragen bij de gemeente.

Bankgebouw vm. Incassobank, Amsterdamseweg 419-421

Bijlage 2

Selectiecriteria In deze bijlage zijn de selec ecriteria, die voortvloeien uit de Erfgoedverordening. Ze zijn niet gewijzigd sinds zij in 1993 zijn vastgesteld in de Integrale Monumentennota, want de terminologie van de regelgeving is in de loop der jaren niet veranderd. Op basis van deze criteria hee toen ook een nadere invulling plaatsgevonden ten behoeve van de concrete beoordeling van objecten. Ook deze invulling blij onverkort van kracht.

A. Selec ecriteria In de Erfgoedwet wordt onder monumenten verstaan ‘onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed’. Wil een object voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst in aanmerking komen, dan moet het voldoen aan de eisen die vastgelegd zijn in ar kel 1 van de gemeentelijke Erfgoedverordening. Deze eisen zijn iden ek aan die van de Erfgoedwet. In deze bijlage zijn vanuit deze algemene gezichtspunten criteria ontwikkeld. Om aan de hand van deze criteria daadwerkelijk objecten te kunnen selecteren is een nog nadere verfijning noodzakelijk. Overigens is het voor de rechtszekerheid van belanghebbenden belangrijk dat de criteria in de prakjk hanteerbaar en objec ef zijn. Het is echter niet te vermijden dat bij het opstellen van deze criteria een zekere mate van abstrac e optreedt die bij de feitelijke toepassing tot interpreta everschillen kan leiden. Geen enkel systeem voor het selecteren van monumenten is immers zodanig te objec veren, dat met behulp daarvan voor iedereen onomstotelijk is vast te stellen of een object wel of niet voor plaatsing op de monumentenlijst in aanmerking komt. Er zal al jd sprake zijn van een zeker subjec ef element in de waardering. Daarnaast is voor het op de juiste wijze hanteren van de criteria een zekere mate van deskundigheid onontbeerlijk.

Tenslo e moet erop worden gewezen, dat het met het oog op een verantwoorde afweging en selec e niet juist is om ieder object strikt op zichzelf te beschouwen. De

cultuurhistorische waarde in al haar face en dient mede te worden afgemeten aan de kwaliteit van het totale monumentenbestand in de gemeente. Een verantwoorde waardebepaling van een object kan dan ook eerst plaatsvinden, wanneer een redelijk inzicht bestaat in de opbouw en de kwaliteit van het totale bestand. Uit een nadere analyse van het eerste ar kel van de monumentenverordening komt het volgende naar voren: 1. Monumenten kunnen zowel zaken als terreinen zijn. 2. Deze zaken en terreinen dienen van algemeen belang te zijn. Dit algemeen belang kan gegrond zijn op: 3. Schoonheid. 4. Betekenis voor de wetenschap. 5. Cultuurhistorische waarde. Deze vijf punten zullen hieronder ten behoeve van de algemene begripsvorming stuk voor stuk in het kort worden besproken. 1. Zaken en terreinen. De aanduiding “zaken” maakt het in principe mogelijk om naast onroerende ook roerende monumenten te beschermen. Dit wordt in sommige gemeenten ook wel gedaan (bijvoorbeeld historische zeilschepen en trams). De defini e van “gemeentelijk monumenten” omvat echter alleen onroerende monumenten. Roerende zaken zijn door ons aangekocht (zoals de brandweerauto) en zijn daarmee voldoende beschermd. Onroerende monumenten kunnen behalve gebouwen ook andere onroerende zaken zijn, zoals bijvoorbeeld hekwerken, pompen, gedenktekens en ook onderdelen van gebouwen.

Tevens kunnen bij gebouwen behorende terreinen (bijvoorbeeld erven, tuinen en parken) en ook op zichzelf staande terreinen als monument worden aangemerkt.

2. Van algemeen belang. Wanneer gesproken wordt over “algemeen belang”, dan wordt hier met name onder verstaan: algemeen belang voor de gemeente Amstelveen. De vraag of een zaak of terrein van algemeen belang is voor de gemeente Amstelveen is alleen te beantwoorden indien kennis aanwezig is van de kwaliteit en de samenstelling van het Amstelveense gebouwenbestand en van de lokale en regionale geschiedenis in al haar face en. Een gebouw kan bijvoorbeeld de enige (gave) representant van een bepaald type binnen de gemeente Amstelveen zijn. Het doet dan niets ter zake, dat andere gemeenten beschikken over veel meer en wellicht mooiere voorbeelden van datzelfde type. Ook kan een zaak of terrein in de Amstelveense lokale geschiedenis een belangrijke rol hebben gespeeld, terwijl in het licht van de landelijke geschiedenis nauwelijks van betekenis is geweest. 3. Schoonheid. De schoonheid van een bouwwerk is met name afhankelijk van de vormgeving. In het licht van de kwaliteit van het totale monumentenbestand dient een uitspraak te worden gedaan over de ar s eke/architectonische kwaliteit van een bouwwerk, gemeten naar de bouw- of s jlperiode. Daarbij dient te worden gelet op de architectonische verhoudingen van de hoofdvorm en de geleding daarvan, op bijzondere vormen en bouwonderdelen en op materiaal gebruik en construc ewijze.

De detaillering verdient bijzondere aandacht, aangezien de schoonheid van de lokale architectuur, die bij uitstek het object is van de gemeentelijke monumentenzorg, vaak niet zozeer is gelegen in het totaalconcept als wel in het toepassen en combineren van voor een bepaalde periode kenmerkende architectonische details. 4. Betekenis voor de wetenschap. Betekenis voor de wetenschap wil vooral zeggen geschiedkundige betekenis. Daarbij kunnen vele face en van de geschiedenis worden onderscheiden, bijvoorbeeld: - nederze ngsgeschiedenis; - geschiedenis van de architectuur, kunst en stedenbouw; - volkshuisves ngsgeschiedenis; - geschiedenis van de sociale verhoudingen; - geschiedenis van handel, nijverheid en industrie; - militaire geschiedenis;

- kerkgeschiedenis. Bij dit criterium gaat het vooral om de meer algemene (dat wil zeggen bovenlokale) geschiedenis. Is sprake van een meer lokale betekenis, dan kan dit beter onder de noemer cultuurhistorische waarde worden gerangschikt. Bijzondere aandacht verdienen in dit verband de zeldzaamheidswaarde en de representa ewaarde van een bepaalde s jl of van het werk van een bepaalde architect. Ook hier dient weer onderscheid te worden gemaakt tussen de bovenlokale en lokale betekenis. Zo kan aan een schepping van een landelijk of zelfs interna onaal vermaard architect een wetenschappelijke betekenis worden toegekend, terwijl het werk van een plaatselijk bekende architect wellicht aanspraak kan maken op het predikaat “cultuurhistorische waarde”. 5. Cultuurhistorische waarde. Cultuurhistorische waarde is volgens de memorie van toelich ng op de Monumentenwet 1988 de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk op dat gebied hee gemaakt. Zoals hierboven reeds is aangegeven hee het criterium “cultuurhistorische waarde” vooral betrekking op de lokale geschiedenis. Naast hetgeen hierboven reeds is genoemd is in dit kader belangrijk de historische plaats, die een object in het beeld van de nederze ng of het landschap inneemt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=c2a0f85b-2ec8-49c5-92b4-ce43394e1bd6