Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan De Scheg Oost
Tekst van het document
Onder de kleilaag bevindt zich een uiterst fijne, matig kleiige zandlaag dat tot minimaal de geboorde diepte van 2,5 m mv aanwezig is. In de bodem zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Grond Algemene kwaliteit
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
De bovengrond is over het algemeen licht verontreinigd OCB (met name hexachloorbenzeen en drins) en bevat licht verhoogde gehalten PFOA. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Hergebruik grond (indicatief) De bovengrond (0,00,5 m mv) voldoet op basis van de onderzochte stoffen uit het NENpakket en PFAS (toetsing landelijk beleid) aan de bodemfunctieklasse ‘wonen’. De ondergrond (0,51,0 m mv) is op basis van de gemeten gehalten (NENpakket en PFAS) altijd toepasbaar en voldoet aan de bodemfunctieklasse ‘landbouw/natuur’. Grondwater Het grondwater is verspreid over de onderzoekslocatie licht verontreinigd met barium. Plaatselijk zijn er ook licht verhoogde gehalten molybdeen aangetoond. Toetsing hypothese bodem De hypothese ‘onverdacht’ (uitzondering homogeen verontreinigd OCB en licht verhoogde gehalten PFOA in de bovengrond) is correct gebleken. Er zijn naast de licht verhoogde gehalten aan OCB en verhoogde gehalten PFOA, geen verontreinigingen aangetoond boven de achtergrondwaarde. Aanbevelingen Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor het beoogd gebruik van de locatie.
7.2 Archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld.
Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> De verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> Het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie NoordHolland. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie NoordHolland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van NoordHolland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren.
De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Met de Leidraad wil de provincie partijen zoals gemeenten, initiatiefnemers, beheerders en ontwerpers stimuleren en inspireren om tot kwalitatieve en duurzame ruimtelijke ontwerpen te komen. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om inzichtelijk te maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. In de Leidraad wordt onderscheid gemaakt tussen 20 landschappelijke eenheden (ensembles) en tien provinciale structuren. Archeologiebeleid gemeente Amstelveen Erfgoednota Amstelveen De Erfgoednota beschrijft het erfgoed van Amstelveen en de beoogde omgang ermee in drie delen. Het eerste deel beschrijft de ambitie en de visie van de gemeente op de omgang met haar culturele erfgoed. Het tweede deel beschrijft Amstelveen in al haar (ruimtelijke) facetten; van de historische groei en de wijkopbouw tot het aanwezige waardevolle culturele erfgoed. In het derde deel wordt het instrumentarium beschreven: welke middelen zijn er om de visie en ambitie waar te maken. Met de Erfgoednota wordt ingegaan op de actualiteiten: het opnemen van cultuurhistorie in bestemmingsplannen, het actualiseren van het archeologiebeleid, de omschakeling van objectgericht naar gebiedsgericht denken en het credo 'behoud door ontwikkeling'.
De monumentenlijst van de gemeente bestaat momenteel uit: 37 Rijksmonumenten 1 Provinciaal monument 128 Gemeentelijke monumenten 1 Rijksbeschermd stads of dorpsgezicht 11 Gemeentelijke beschermde stadsof dorpsgezichten Hiermee zijn de meest waardevolle gebouwen, objecten en parken afdoende beschermd. Monumenten zijn bij wet beschermd: zonder omgevingsvergunning mag er niets wijzigen aan het uiterlijk aanzien. Andere zaken met cultuurhistorische waarden,
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
maar zonder monumentale bescherming hebben beleidsmatig een stuk minder bescherming. Sloop van bijvoorbeeld karakteristieke panden is niet tegen te gaan, en vergunningsvrij kan er op van alles worden op, aan en bijgebouwd. Een monumentale bescherming mag enerzijds geen keurslijf zijn waarbinnen de tijd stil staat, en een karakteristiek pand of cultuurhistorisch waardevol gebied moet anderzijds beeldbepalend zijn en blijven en inspiratie bieden bij nieuwe ontwikkelingen. De prioriteit in de Erfgoednota ligt niet meer in het inventariseren en aanwijzen van monumenten. De Erfgoedverordening maakt dat altijd nog mogelijk, maar veel meer zal er ingestoken worden op het behoud van structuren en ensembles. De omgang met het lokale cultureel erfgoed in meer algemene zin, zal in deze nota onder de loep worden gelegd. Er wordt niet lager gefocust op een strikt en statisch behoud van objecten, maar vooral op de ontwikkeling van gebieden, structuren, ensembles en gebouwen, waarbij cultuurhistorie en erfgoed wordt ingezet als inspiratiebron en verrijking. Actualisatie archeologiebeleid gemeente Amstelveen In opdracht van de gemeente Amstelveen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2015 een actualisatie van de bestaande gemeentelijk archeologische verwachtings en beleidsadvieskaart gemaakt.
Om tot een dergelijk bruikbaar instrument te komen is een vertaalslag gemaakt naar een beleidsadvieskaart. De bekende vindplaatsen en de verschillende verwachtingsgebieden zijn op deze kaart voorzien van voorschriften. Ook de gebieden waar reeds enige vorm van archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden zijn hierop ter informatie weergegeven. Bij het opstellen van het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen zones met vastgestelde en met te verwachten archeologische waarden. Onder de eerste categorie wordt verstaan terreinen van archeologische waarde (AMKterreinen), historische kernen en vindplaatsen zonder status. Gebieden waarvoor op basis van bekende archeologische vindplaatsen, geomorfologie en landschap een archeologische verwachting is geformuleerd worden gekenmerkt als archeologische verwachtingsgebieden. Op de archeologische verwachtings(waarden)kaart wordt de archeologische verwachting met de termen hoog, middelhoog, laag en geen/onbekend weergegeven. De verschillende vindplaatsen worden indien mogelijk naar categorie onderscheiden en ook staan de historische kernen en AMLterreinen met de daarvoor geldende status vermeld. In de voorschriften wordt aangegeven welke randvoorwaarden er gelden vanuit de bekende archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden ten aanzien van de ruimtelijke ordening.
Hier wordt dus aangegeven welke ondergrens voor onderzoek geldt. Relevantie/beschrijving plangebied Anteagroup heeft op 4 mei 2021 een archeologisch onderzoek opgeleverd. Dit onderzoek is in zijn geheel opgenomen als Bijlage 3 . Hieronder volgen de conclusies uit dit rapport. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? De basis van het profiel bestaat uit getijdeafzettingen die in boringen 23 en 37 en 17 het hoogst opgeslibd (tot circa 5,5 m NAP) zijn en daar worden geïnterpreteerd als een oeverwal. Deze afzetting is mogelijk ook aanwezig in boringen 04, 05 en 06 maar daar is (ten minste) de bovenzijde van het pakket niet intact. Waar intact bevindt zich bovenop deze oeverwal, aan de onderzijde van de jongere overstromingspakketten, een zeer dunne laklaag (alleen in boring 37 zeer duidelijk aanwezig). De interpretatie als oeverwal wordt ondersteund door een veelal slappe kleiafzetting aan de westzijde hiervan die mogelijk de vulling is in de randzone van een brede, ondiepe erosiegeul (met een restgeulachtige afzetting). Aan de oostkant bevindt zich een (in de ondergrond) vrij vlak gebied met een standaard opbouw van getijdeafzettingen tot circa 6 m NAP, overstromingsafzettingen tot circa 5,5 m NAP en een meermolmlaag (omgewerkt tot ploegvoor) tot het maaiveld op circa 5 m NAP.
Plaatselijk, maar vooral langs de westelijke rand van het terrein alsook langs de uiterste noordzijde, ligt het
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
actuele maaiveld hoger gelegen en in het profiel gaat dit gepaard met een zandige kleilaag die bovenop het overstromingspakket ligt. Mede door de stratigrafische ligging op de overstromingsklei, alsook door de humeuze brokken in het pakket, wordt deze laag als ‘opgebracht’ geïnterpreteerd. De zandige klei is vermoedelijk opgebracht bij het uitgraven van de Amstelveense Tocht en/of de perceelsloten. Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? De zwak gevormde laklaag in boringen 37 en in iets mindere mate ook de vegetatievlekken in boring 23 (beide op circa 0,7 mmv), op een pakket gelegen dat lithogenetisch als oeverwal kan worden aangeduid, markeren het loopvlak in de fase van de sluiting van kustbarrière. In boring 17 zijn wel mogelijke resten van de oeverwal aanwezig, maar geen vegetatievlakken of laklaag. De laklaag komt vermoedelijk overeen met het niveau uit de periode neolithicum. Een laklaag markeert soms een bewoond niveau en soms ook niet meer dan een oud loopvlak: in dit niveau kan dus een archeologische vindplaats uit het neolithicum aanwezig zijn, maar de aanwezigheid daarvan is nog niet aangetoond. Er zijn geen nadere indicatoren aangetroffen.
Wel is bij het onderzoek op het terrein van de tramremise enkele honderden meters ten zuidwesten van deze locatie, houtskool en botmateriaal aangetroffen in de geulvulling dat kan wijzen op een vindplaats elders op de oeverwallen van dat geulsysteem. Dat ‘elders’ kan het huidige plangebied betreffen. Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? De vegetatievlekken/laklaag in boringen 23 en 37 bevinden zich op een diepte van circa 0,7 mmv. De oeverwalafzetting begint in deze boringen direct daaronder. In boring 17 begint de (mogelijke) oeverwalafzetting direct onder de bouwvoor en daar ontbreekt de laklaag of vegetatievlekken. Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Zoals hierboven genoemd: een als oeverwal geïnterpreteerd pakket met daarop een zware kleilaag waar aan de onderzijde van dat pakket vegetatielaag of vlekken aanwezig zijn. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? De relevante niveau bevindt zich dermate ondiep dat effectieve bescherming tijdens de bouwfase niet reëel wordt geacht.
Bovendien is de zone die beschermd moet worden met dit onderzoek niet nauwkeurig begrensd en is de daadwerkelijke aanwezigheid van een vindplaats nog niet aangetoond. Indien er niet wordt gekozen voor vervolgonderzoek, zouden eventuele dieptebeperkende maatregelen met een brede bufferzone kunnen worden toegepast. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Er is zoals werd verwacht een systeem aangetroffen dat behoort bij een kreek of mogelijk een bredere geul en in het plangebied bestaat deze concreet uit een zone waar de zandige kleiafzettingen hoger zijn opgeslibd (boring 23 en 37; tot 5,5 m NAP). Echter werd in het bureauonderzoek het AHN als meest bruikbare bron beschouwd om de ligging van het systeem te bepalen: dit bleek niet helemaal juist. Vanwege de stratigrafische opbouw beredeneerd is de hogere ligging van delen van het perceel langs de west en noordrand te verklaren door een opgebracht pakket van lokale afkomst (bijvoorbeeld bij het graven van de naastgelegen sloten).
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
De lichte verhogingen in het centrale deel van de akker hebben ook niet te maken met eventuele kreekruggen: die zijn niet aangetroffen in de boringen. Mogelijk hebben deze flauwe welvingen te maken met differentiële klink van de overstromingsklei of van de meermolm.
(Selectie)advies Uit een overweging van de bovenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat er één locatie is aangetroffen binnen het plangebied waarvoor een verhoogde kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats bestaat. De archeologische relevante laag betreft een laklaag/vegetatievlekken in boringen 23 en 37 en de relevante landschapsvorm een vermoedelijke oeverwal. De combinatie van deze landschapsvorm met een specifiek loopniveau leidt tot een middelhoge tot hoge verwachting op bewoningsresten uit het neolithicum. In boring 17 is eveneens een hoger opgeslibde zandige klei aanwezig. Dat betreft vermoedelijk de voortzetting van de oeverwal die in boringen 23 en 37 is herkend, maar in boring 17 ontbreekt de vegetatielaag of vlekken. In boring 04, 05 en 06 is de oeverwal mogelijk ook aanwezig, maar op die locatie is (ten minste) de top van het pakket verstoord. Het uitgevoerde booronderzoek betrof een verkennend onderzoek. De aanwezigheid van de intacte oeverwal in boringen 17, 23 en 37 (respectievelijk gelegen op raai 2, 3 en 4) duidt op een min of meer noordzuid gerichte element. De precieze omvang kan echter niet met een verkennend onderzoek worden bepaald. Ook is er op dit moment geen sprake van een archeologische vindplaats, maar wel is in ruwe lijnen de omvang van het zoekgebied voor een karterend onderzoek te bepalen.
Geadviseerd wordt om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren binnen het zoekgebied.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
Dit gebied voor vervolgonderzoek betreft circa 120 x 60 m (7.200 m2). Binnen dit zoekgebied wordt de aanwezigheid van een min of meer noordzuid gerichte oeverwal, met een eventueel loopvlak en mogelijk bewoningsresten verwacht. Buiten dit zoekgebied worden op grond van de resultaten uit het booronderzoek géén archeologische resten verwacht. Boorraai 1 (boringen 04, 05 en 06) is niet in dit advies meegenomen omdat daar de top van het pakket niet intact is. Het advies om ten aanzien van een archeologische verwachting in de karterende fase een proefsleuvenonderzoek uit te voeren is in lijn met het gemeentelijk beleid. Nadere details omtrent de inrichting van het proefsleuvenonderzoek (strategie, maatvoering e.d.) dienen in een Programma van Eisen (PVE, BRL4000, protocol 4001) te worden verwoord.
7.3 Water Beleid en regelgeving Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water leidt, samen met de dochterrichtlijn Grondwater tot een verbetering en bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte en grondwater in de lidstaten. De Kaderrichtlijn voorziet in drie planperiodes. Momenteel is de 2e planperiode, de uitvoering van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen door alle lidstaten ter hand genomen.
In 2022 start de 3e en laatste planperiode die in 2027 afloopt. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, hemelwaterverwerking, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden in 2022 opnieuw voor de 3e en laatste planperiode, ecologische en fysischchemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan In het Nationaal Waterplan 20162021 (NWP2) is het rijksbeleid voor de landelijke en regionale wateren vastgelegd. Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van onze watersystemen, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Ne42 bestemmingsplan Herziening Landgoederen en Groene Gebieden verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.
Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is een landelijk, gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Het versnelt en intensiveert de aanpak van 4 thema’s: wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het is plan is landelijk gepresenteerd op Prinsjesdag 2017. Het DPRA legt de gemeenten direct op om in 2020 over vastgesteld beleid per gemeente te beschikken over de 4 thema’s. In 2050 dienen alle Nederlandse gemeenten “klimaatrobuust” te zijn, d.w.z. alle maatregelen moeten dan zijn uitgevoerd. Het Deltaplan is het leidende plan voor gemeenten voor het opstellen en uitvoeren van klimaatadaptieve inrichting.
De voornemens van dit plan worden in nauwe afstemming met waterschappen en andere overheden en met particuliere partijen en inwoners, door de gemeenten ten uitvoer gebracht. In Amstelveen gebeurt dat met een Plan van Aanpak klimaatadaptatie 20192020. Watervisie 2021 provincie Noord-Holland De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: <0000> waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater;
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
<0000>
Zorgen voor schoon en voldoende grondwater.
Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het waterschap van Amstel, Gooi en Vecht. Waterbeheerplan 20162021 (WBP) AGV is de beheerder van de regionale wateren in een gebied van 700 km2, grofweg tussen Amsterdam en Utrecht. Het waterschap is een overheidsorganisatie, die zorgt voor veiligheid achter de dijken en voor voldoende en schoon oppervlaktewater. Elke zes jaar maakt het waterschap een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen. In dit Waterbeheerplan beschrijft het waterschap wensbeelden per thema voor 2030, en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 20162021 en een aanpak op hoofdlijnen.
Uitgangspunten WBP <0000> samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; <0000> een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; <0000> steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; <0000> een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; <0000> water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; <0000> gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; <0000> gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; <0000> vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; <0000> afstemming over alle watertaken per stroomgebied; <0000> behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Beleidsregels Keur 2019 De Keur van Amstel, Gooi en Vecht is op 1 november 2019 vastgesteld. De Keur is, net als die van Rijnland, een verordening met wettelijke regels (gebod en verbodsbepalingen) voor: <0000> Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), <0000> Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), <0000> Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken.
Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als AGV daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. De Keur is te vinden op de website: www.agv.nl. Relevantie/beschrijving plangebied Anteagroup heeft op 10 december 2020 een Watertoets opgeleverd voor De Scheg Oost. Deze is als Bijlage 2 opgenomen.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
Geconcludeerd wordt dat het ontwerp van het toekomstige plangebied voldoet aan de eisen van de gemeente Amstelveen en het waterschap Amstel Gooi en Vecht. Om de grondwaterstand in het gebied in kaart te brengen moet in of ronom het plangebied een grondwatermeting plaatsvinden.
7.4 Geluid Beleidskader In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluidproducerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie.
Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNGuitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.
In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
Relevantie beschrijving plangebied Anteagroup heeft op 6 mei 2021 een geluidsonderzoek opgeleverd waarin de consequenties in beeld worden gebracht van de ontwikkeling van De Scheg Oost op de geluidsbelasting van geluidgevoelige objecten. Het volledige rapport is opgenomen als Bijlage 13 Hieronder volgt een weergave van de conclusie van dit rapport: VORM Conceptwoningen B.V. is voornemens ter plaatse van planlocatie SchegOost in Amstelveen 172 wooneenheden te realiseren. De nieuwbouwlocatie is gelegen in de zone van twee gezoneerde wegen: de Bovenkerkerweg en de Hammerskjöldsingel, en een trambaan. Verder is de nieuwbouwlocatie gelegen nabij een opstelplaats voor trams. Gezien de ligging van het plangebied, net buiten de contouren van Luchthaven Schiphol, is op aanvraag van de gemeente Amstelveen ook luchtvaartlawaai beschouwd. De geluidbelasting op de gevels van de beoogde wooneenheden zijn getoetst aan de geluidbelasting afkomstig van beide gezoneerde wegen in het kader van de Wgh en aan de omliggende 30 km/uur wegen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De 30 km/uur wegen (J.C. van Hattumweg, Korianderlaan, en Marjoleinlaan) voldoen aan de toets voor de goede ruimtelijke ordening. Verder vindt er geen overschrijding van de (voorkeurs)grenswaarde (inclusief aftrek ex artikel 110g) plaats als gevolg van het verkeer op de Hammersjöldsingel.
Als gevolg van het verkeer op de Bovenkerkerweg ligt de geluidbelasting (inclusief ex artikel 110g) boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij één woontoren. De overschrijding vindt plaats op verschillende woonlagen. Verder vinden er overschrijdingen plaats als gevolg van verkeer op de trambaan. Dit is het geval voor 14 adressen. Bovenkerkerweg Uit onderzoek naar doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen is gebleken dat een bronmaatregel in de vorm van SMA NL8 G+ op de Bovenkerkerweg de overschrijding van de (voorkeurs)grenswaarde bij drie toetspunten wegneemt. Bij de overige toetspunten wordt een reductie van 1 dB als gevolg van de maatregel berekend. SMA NL8 G+ over een lengte van 235 m op de Bovenkerkerweg wordt derhalve geadviseerd. Overdrachtsmaatregelen zijn niet inpasbaar bevonden onder bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard.
Na toepassing van de geadviseerde maatregelen dienen de volgende hogere waarden te worden aangevraagd voor de Bovenkerkerweg: <0000> Scheg 167172, etage 3: 50 dB <0000> Scheg 167172, etage 4: 50 dB <0000> Scheg 167172, etage 5: 50 dB Indien de voorgestelde maatregel niet wordt toegepast, dienen de volgende hogere waarden te worden aangevraagd voor de Bovenkerkerweg: <0000> Scheg 167172, etage 2: 50 dB <0000> Scheg 167172, etage 3: 51 dB <0000> Scheg 167172, etage 4: 51 dB <0000> Scheg 167172, etage 5: 51 dB Trambaan Uit onderzoek naar geluidreducerende maatregelen voor de trambaan is gebleken dat raildempers over een additionele lengte van 205 m resulteert in een totale geluidreductie van 39 dB. Hierdoor wordt een overschrijding van de (voorkeurs)grenswaarde bij 7 adressen voorkomen. Na toepassing van de raildempers dienen de volgende hogere waarden te worden aangevraagd: <0000> Scheg 98108, etage 2: 50 dB <0000> Scheg 98108, etage 3: 50 dB <0000> Scheg 98108, etage 4: 50 dB
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
<0000> <0000> <0000> <0000>
Scheg 98108, etage 5: 50 dB Scheg 98108, etage 6: 50 dB Scheg 1: 49 dB Scheg 2: 49 dB
Indien de voorgestelde maatregel niet wordt toegepast, dienen de volgende hogere waarden te worden aangevraagd: <0000> Scheg 98108, etage 2: 53 dB <0000> Scheg 98108, etage 3: 53 dB <0000> Scheg 98108, etage 4: 53 dB <0000> Scheg 98108, etage 5: 53 dB <0000> Scheg 98108, etage 6: 53 dB <0000> Scheg 1: 51 dB <0000> Scheg 2: 51 dB <0000> Scheg 3: 51 dB <0000> Scheg 4: 51 dB <0000> Scheg 5: 50 dB <0000> Scheg 6: 50 dB <0000> Scheg 7: 50 dB <0000> Scheg 8: 50 dB <0000> Scheg 81: 50 dB Hogere waarden worden getoetst aan gemeentelijk beleid, waarna vervolgens het bevoegd gezag een oordeel kan vellen over de hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting en de aanvaardbaarheid hiervan. In gemeentelijk beleid is beschreven dat de hogere waarden alleen worden verleend als de bijbehorende gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan de ten hoogste verlenen hogere waarde + 3 dB. De vast te stellen hogere waarden voldoen aan deze beleidsregel. Gezien de locatie van het plangebied, dat is gelegen net buiten de contouren van luchthaven Schiphol, is op advies van de gemeente Amstelveen de geluidbelasting ten gevolge van luchtvaartlawaai meegenomen in een separate cumulatieberekening.
Gezien de cumulatieve geluidbelasting die uit de berekeningen volgt, is het advies is om voor het onderzoek met betrekking tot de karakteristieke gevelgeluidwering rekening te houden met cumulatieve geluidbelasting inclusief luchtvaartlawaai. Geluidwering van de gevel Voor de nieuwe woningen waarvoor burgemeester en wethouders van de gemeente een hogere waarde vaststelt, dient met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek te worden onderzocht of deze woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau kunnen voldoen. Het binnenmilieu wordt beschermd door de eisen opgelegd vanuit het Bouwbesluit voor nieuw te bouwen woningen. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB. Dit kan worden bepaald a.d.h.v. een onderzoek naar de geluidwering van de gevel.
7.5 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit;
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
<0000> <0000>
een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSLprojecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen. Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10.
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' zoals een school of kinderopvang in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig.
Relevantie plangebied Een luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd door Anteagroup d.d. 12 februari 2021. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. De conclusie is hieronder opgenomen. VORM is voornemens om nieuwbouwwijk SchegOost, bestaande uit 172 woningen, te realiseren in Amstelveen. De voorgelegde ontwikkeling is van een dusdanige omvang (minder dan 1.500 wooneenheden) dat deze onder de Regeling NIBM valt. Gezien de huidige concentraties luchtverontreinigende stoffen nabij de planontwikkeling is het niet aannemelijk dat de aanleg van de nieuwbouwwijk leidt tot een overschrijding van de grenswaarden zoals vastgesteld in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
Daarnaast blijkt dat maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de planontwikkeling dusdanig laag is dat deze niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit in de omgeving. Op basis hiervan is te stellen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit staat daartoe op grond van artikel 5.16, lid 1 onder zowel a als c verdere besluitvorming niet in de weg.
7.6 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPGtankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 106 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie plangebied Op 14 december 2020 heeft Anteagroup een rapportage met betrekking tot de externe veiligheid opgeleverd. Deze is toegevoegd als Bijlage 5 bij deze plantoelichting. Hieronder volgt de conclusie uit dit rapport: In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicobronnen: een hogedruk aardgastransportleiding, de provinciale weg N521, de Rijksweg A9 en Schiphol. Risicobeschouwing Hogedruk aardgastransportleiding <0000> De leiding heeft geen 106/jaar plaatsgebonden risicocontour. Er wordt daarmee voldaan aan de grens en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico; <0000> Het groepsrisico van de leiding bevindt zich zowel in de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde en neemt niet toe; <0000> Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen verplicht. Provinciale weg N521 <0000> De weg heeft geen 106/jaar plaatsgebonden risicocontour.
Er wordt daarmee voldaan aan de grens en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico; <0000> De hoogte van het groepsrisico van de weg is zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie (plansituatie) toe ten opzichte van de huidige situatie; <0000> Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Rijksweg A9 <0000> Het invloedsgebied van de A9 reikt niet tot het plangebied. De weg is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling. Schiphol <0000> Het beperkingengebied rondom Schiphol reikt niet tot de geprojecteerde woningbouw. Een nadere motivering voor de veiligheid in relatie tot een vliegtuigongeval is niet nodig. Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is voor de hogedruk aardgastransportleiding en de provinciale weg N521 verplicht. In deze rapportage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Amstelveen, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure.
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Amstelveen in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio AmsterdamAmstelland in de gelegenheid advies uit te brengen. Advies Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland Door De Scheg Oost loopt een tweerichtingsverkeer ontsluitingsweg met rijbanen van 4,5 meter breed. Dit voldoet voor de hulpdiensten. Overige aandachtspunten: doorgangshoogte minimaal 4,2 meter. Draaicirkel hulpvoertuigen bochtstraal R5,5 en R10. Als richtlijn voor de verharding/ weg wordt een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton geadviseerd.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
Voor de doodlopende zijstraatjes van de ontsluitingsweg wordt het volgende geadviseerd: Een minimale wegbreedte van 5 meter en een maximale lengte van 80 meter. Of maximaal 40 meterlengte als de minimale wegbreedte van 5 meter niet aanwezig is (zie ook paragraaf 4.3.3. van Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019). De gemeente wordt verzocht contact op te nemen met de Veiligheidsregio bij nadere invulling van het plangebied om bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen af te stemmen. Een aantal maatregelen die de behandelde risico’s voor het plangebied kunnen beperken en/of de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid kunnen vergroten.
Deze maatregelen zijn niet limitatief, er zijn mogelijk andere maatregelen die toegepast kunnen worden: <0000> Toereikende opstelplaatsen voor hulpverleningsvoertuigen en bluswatervoorzieningen realiseren; <0000> Ontvluchtingsmogelijkheden (vluchtroutes en nooduitgangen) vanuit gebouwen in het plangebied realiseren die van de risicobronnen aardgastransportleiding en/of LPG wegtransport af zijn gericht; <0000> Bij het ontwerp van gebouwen in het plangebied en de te maken keuzes voor bijvoorbeeld materiaaltoepassing en/of uitvoering van de gevels/ dak rekening houden met de warmtestralings/ overdrukeffecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen; <0000> Strikte regulering met betrekking tot de organisatie van (graaf)werkzaamheden nabij de aardgastransportleiding; <0000> Bij werkzaamheden aan de aardgastransportleiding in de buurt van het plangebied geen of zo weinig mogelijk personen op de locatie aanwezig later zijn; <0000> Voorlichting en risicocommunicatie voor aanwezigen in het plangebied met betrekking tot het handelingsperspectief bij incidenten.
7.7 Niet gesprongen explosieven Relevantie plangebied Op 1 juni 2021 heeft Anteagroup een rapport opgeleverd met betrekking tot een onderzoek naar Niet gesprongen explosieven. Dit rapport is in volledigheid bijgevoegd als Bijlage 6 Hieronder zijn de conclusies opgenomen: Op basis van de “Rapportage Historisch Vooronderzoek CEBodembelastingkaart Gemeente Amstelveen 18P004” dat in 2019 is opgeleverd door Bombs Away B.V. en de aanvullende kaart met locaties van mogelijk niet gesprongen explosieven is duidelijk geworden, dat zich binnen het plangebied geen CE verdachte gebieden bevinden. Het rapport van Bombs Away is uitgevoerd binnen de huidig geldende WSCSOCE richtlijnen en de conclusies zoals gesteld in dit onderzoek worden door REASeuro overgenomen. Derhalve is worden er geen CE verwacht binnen het plangebied. Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan een CE aangetroffen worden, dan dienen de volgende acties te worden ondernomen: <0000> <0000>
Het werk ter plaatse van de vindplaats dient te worden stilgelegd. De werklocatie, in ieder geval rondom het CE, dient te worden afgezet. Het aanwezige personeel dient op de hoogte te worden gebracht van de vondst en geïnstrueerd te worden uit de buurt te blijven.
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
<0000> <0000> <0000> <0000>
<0000>
Er dient contact te worden opgenomen met de politie (09008844). De vondst dient gemeld te worden aan de politie. De politie neemt vervolgens contact op met de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD). Als de EODD op locatie is, wordt een afspraak gemaakt voor de vernietiging. De EODD maakt deze afspraak met de gemeente, of de politie namens de gemeente. De EODD geeft aan de gemeente, of de politie namens de gemeente, advies over de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen. Indien de te nemen veiligheidsmaatregelen dit toelaten, kan de gemeente aan de EODD advies vragen over de mogelijkheden tot doorwerken op de betreffende locatie, dan wel elders in de nabijheid van het werk en de daarbij in acht te nemen veiligheidsmaatregelen totdat het CE wordt geruimd. Het CE wordt geruimd.
7.8 Natuurwaarden Wet natuurbescherming De op 1 januari 2017 in werking getreden Wet natuurbescherming (Wnb) dient ter vervanging van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. Wanneer geen specifieke natuurbescherming in de Europese regelgeving is voorzien worden op rijksniveau regels vastgelegd, zodat een consistent, samenhangend en transparant stelsel van regels op het gebied van natuur ontstaat. Gebiedsbescherming Net als onder de hiervoor geldende wetgeving (Natuurbeschermingswet 1998) zijn in de Wnb gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft (dit wordt de verslechterings en verstoringstoets genoemd) dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd.
Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000gebied is gelegen. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADCcriteria. Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen. Soortenbescherming De Wnb beschermt net als de hiervoor geldende wet en regelgeving (o.a. Flora en faunawet) vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings of vaste rust en verblijfsplaatsen. Voor van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels geldt dat het verboden is om nesten, rustplaatsen of eieren te vernielen. Ook is het verboden om vogels te
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
verstoren, tenzij de verstoring geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de soort. Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud en op grond van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing nodig indien de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) of de provincie een gedragscode heeft goedgekeurd voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De gemeente Amsterdam heeft een gedragscode opgesteld die de minister van (destijds) LNV heeft goedgekeurd. Hoewel de gedragscode zijn basis vindt in de Flora en faunawet, die inmiddels is vervallen, is de werking van de gedragscode door de staatssecretaris van Economische Zaken ambtshalve verlengd. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. Natuurbeheerplan 2019 Provincie Noord-Holland Het Natuurbeheerplan beschrijft waar in NoordHolland natuur is en kan komen, welk soort natuur en beheer daar gewenst is en voor welke locaties, agrarische collectieven, grondeigenaren en natuurbeherende organisaties subsidie voor natuurbeheer kunnen aanvragen. Het Natuurbeheerplan bevat de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Natuurverbindingen. De natuurdoelen strekken verder dan enkel de gronden die zijn aangewezen als NNN. Het is dus niet zo dat een Natuurbeheerplan de daadwerkelijke natuurwaarden vastlegt. Een Natuurbeheerplan heeft geen planologische werking zoals de PRV. De natuur en beheerdoelen buiten het NNN worden behaald door middel van bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer. Dit is gericht op de verbetering van leefgebieden. Er wordt onderscheid gemaakt in vijf typen leefgebieden. Het plangebied valt binnen het leefgebied categorie water (agrarisch waterbeheer).
Het agrarisch waterbeheer is gericht op het bereiken van een goede toestand van al het water conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het realiseren van een robuust, duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Hoewel de opgaven per waterschap verschillen, zijn de volgende doelen in alle gevallen relevant: <0000> het beschikbaar stellen van agrarische gronden voor waterberging bij veel neerslag en het vasthouden van water bij droogte, om waterproblemen elders in het watersysteem te voorkomen; <0000> het op een zodanige wijze inrichten en/of beheren van waterlopen en oevers afgestemd op de gebiedsfuncties dat een toekomstbestendig, duurzaam watersysteem ontstaat; <0000> het op een zodanige wijze beheren van het grond en/of oppervlaktewaterpeil, dat een optimale situatie ontstaat voor waterkwantiteit en waterkwaliteit. Het gaat hierbij om drie hoofddoelstellingen: 1) het vergroten van het bergend vermogen in de bodem of in het oppervlaktewatersysteem; 2) het realiseren van een optimaal peilbeheer; 3) het verbeteren van de waterkwaliteit;
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
<0000> <0000>
groene zuivering: het beperken van de belasting van grond en oppervlaktewater met verontreinigende stoffen vanuit de agrarische sector, zowel door het nemen van maatregelen aan de bron als end of pipemaatregelen; duurzaam bodembeheer: het beperken en voorkomen van af en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het grond en oppervlaktewater.
De begrenzing van dit leefgebied is ruim vastgesteld en is een zoekgebied. 7.8.1 Flora en fauna Relevantie plangebied Door RPS advies en ingenieursbureau bv is een rapport opgeleverd d.d. 25 september 2018 met betrekking tot de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is bij deze plantoelichting gevoegd als Bijlage 7. Hieronder volgt een korte samenvatting van de bevindingen. <0000> <0000> <0000>
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
<0000> <0000>
Het onderzoek geeft een compleet beeld van de aanwezigheid van beschermde flora en faunasoorten in en rond het projectgebied. Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen, ongewervelden en vissen zijn niet aanwezig of worden niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop. Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn verschillende soorten (foeragerende/overvliegende) vleermuizen, algemene grondgebonden zoogdieren, broedvogels met jaarrond beschermde nest of verblijfplaats, algemene broedvogels en amfibieën. Soortgericht onderzoek naar vleermuizen aan de Legmeerdijk 198 te Amstelveen wijst uit dat de gebouwen geen functie hebben als vaste rust en verblijfplaats. Essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes zijn niet vastgesteld. Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad wijst uit dat in het westelijk en oostelijk deelgebied in de huidige situatie geen rugstreeppad voorkomt. Mede door afwezigheid van geschikt biotoop. De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op in gebruik zijnde vogelnesten van algemene broedvogels. Het ontwikkelen van het projectgebied kan worden uitgevoerd, mits de voorzorgsmaatregelen opgesteld in hoofdstuk 6 worden nageleefd. Algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieënsoorten kunnen tijdelijk negatieve effecten ondervinden.
Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen, waardoor alleen de zorgplicht aan de orde is. Door uitvoering van werkzaamheden is het mogelijk dat rugstreeppad het projectgebied koloniseert vanuit de wijde omgeving. Dit dient voorkomen te worden door het naleven van de opgestelde voorzorgsmaatregelen. De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, middels de voorzorgsmaatregelen, zonder een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. Indien de rugstreeppad het projectgebied koloniseert is een ontheffing mogelijk wel noodzakelijk.
7.8.2 Gebiedsbescherming Op 14 maart 2022 heeft Anteagroup een Voortoets opgeleverd met betrekking tot de gebiedsbescherming van Natura2000 gebieden. Hierin is de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde gebied Botshol berekend en beoordeeld. Het complete onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Hieronder volgen de conclusies: In een Natuurtoets zijn significante gevolgen door andere storingsfactoren dan stikstof bij voorbaat uitgesloten. Om te bepalen of stikstofdepositie mogelijk significante gevolgen heeft op Natura 2000gebieden is de Voortoets opgesteld. Om daadwerkelijk
vastgesteld toelichting De Scheg Oost
pagina
tot een kwaliteitsverlies te komen verbonden aan een planbijdrage is langdurig een relevante bijdrage nodig. Uit de uitgevoerde stikstofberekeningen blijkt, dat er geen sprake is van (langdurige) stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura2000 gebieden. Hiermee kan uit deze Voortoets worden geconcludeerd dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000gebieden de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000gebieden niet zal aantasten.
7.9 Klimaatadaptatie BOOT ingenieurs heeft op 30 maart 2021 een notitie opgeleverd met betrekking tot de hittestress die als gevolg van de ontwikkeling zou kunnen optreden. De gehele notitie is toegevoegd onder Bijlage 9 Hieronder volgt de conclusie en aanbevelingen uit deze notitie: Uit de indicatieve analyse volgt dat het maximale stedelijk hitteeiland bij een zuidenwind binnen zowel het plangebied en de nabije bebouwde omgeving ten noorden toeneemt met maximaal 0.5°C. Deze verhoging is hoofdzakelijk terug te leiden naar het transformeren van agrarisch groen naar stedelijk gebied. Dit heeft een logisch gevolg door dat zowel agrarisch groen verdwijnt voor bebouwing en de grens tot agrarisch groen verlegd wordt ten opzichte van de bestaande bebouwing. De opwarming in de aangrenzende woonwijk loopt beperkt op tussen 0,4 – 0,7 graden. Op basis hiervan kan geconstateerd worden dat sprake is en blijft van een acceptabele situatie. Binnen het plangebied neemt de opwarming licht toe door de transformatie van polder naar woonwijk. Hiermee is het aantal graden opwarming onder het gemiddelde i.r.t. andere woonwijken en planontwikkelingen gebieden. De ligging tegen het buitengebied in combinatie met de stedenbouwkundige opzet maakt het effect door opwarming beperkt is. Gelet op de conclusies zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.