CConstaterende datamstelveen
Koppel je AI →
Document · PDF

1A. Toelichting bestemmingsplan Bankrasweg 30_inclusief bijlagen

Raadsvergadering 13 maart 2024, gemeente amstelveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bankrasweg 3029.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en respectievelijk omgevingsplannen. Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd. Relevantie plangebied Geonius Milieu B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de planlocatie aan de Bankrasweg 30. De aanleiding tot het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek zijn de plannen om op de locatie nieuwbouw te realiseren. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Hieronder worden de belangrijkste conclusies die uit het onderzoek naar voren kwamen toegelicht. Het volledige rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende: Het asfalt ter plaatse van de toegangsweg heeft een dikte variërend van circa 9 tot 17 centimeter.

Met een oppervlakte van circa 60 m2, een dichtheid van 2,5m3/ton en een gemiddelde dikte van 15 centimeter bedraagt de hoeveelheid vrijkomend asfalt circa 9 m3 (circa 22,5 ton). Uit de PAK­marker testen van de kern ter plaatse van de toegangsweg (kern 006) blijkt dat het asfalt niet teerhoudend is. Het teervrije asfalt kan warm in asfaltmengsels worden herverwerkt dan wel worden afgevoerd naar een erkend verwerker als niet teerhoudend asfalt. Op de onderzoekslocatie is een sterke verontreiniging met PAK aanwezig. De sterke verontreiniging met PAK is horizontaal en verticaal ingekaderd. De verontreiniging heeft een oppervlakte van 1.283 m2 en is aanwezig van 0,05­0,58 m­mv. De omvang van de verontreiniging is 705 m3. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse van boring 010 t/m 013 is de grond matig verontreinigd met zink. Dit valt binnen bovenstaande verontreinigingscontour. Getoetst aan de CROW­400 op basis van minerale olie (2100 mg/kg ds) voor de toekomstige graafwerkzaamheden veiligheidsklasse oranje­vluchtig noodzakelijk. Ter plaatse van boring 006 (0,09­0,5 m­mv) is een matige verontreiniging met minerale olie aangetoond.

Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie) uit het Handelingskader PFAS blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte bodem voor de stofgroep PFAS­indicatief voldoet aan de Achtergrondwaarde. Het grondwater in peilbuis 006 is licht verontreinigd met barium. Een duidelijke oorzaak voor deze lichte verontreiniging kan niet worden gegeven. Mogelijk heeft deze een natuurlijke oorzaak of wordt veroorzaakt door een bron die stroomopwaarts is gelegen. Indien de resultaten indicatief worden getoetst aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit varieert de kwaliteit van indicatief “achtergrondwaarde” tot “niet toepasbaar”. Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “verdacht” te worden aanvaard. Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk. Conclusie Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. Er is sprake van een ernstige bodemverontreiniging door een sterke verontreiniging met PAK. Op de locatie is geen asbest in de bodem aanwezig.

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

De aanwezige bodemverontreiniging dient voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden te worden gesaneerd. Na het verwijderen van de sterke verontreiniging met PAK zijn geen belemmeringen meer voor de bouw van de woningen. Het aspect bodem vormt derhalve na sanering geen belemmering voor deze ontwikkeling.

7.3 Duurzaam bouwen, energie en klimaatadaptie Wettelijk- en Beleidskader De kaders betreffende duurzaamheid (PLECK 4.0 Amstelveen; ‘Plan voor Energietransitie, Circulaire economie en Klimaatadaptatie’) zijn vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2022. Hiermee heeft de gemeenteraad aangegeven dat Amstelveen streeft naar duurzaam beleid in alle keuzes die zij maakt. De gemeentelijke organisatie is in 2030 onafhankelijk van fossiele brandstoffen en werkt CO2 uitstootvrij; In 2040 wil Amstelveen 95% minder CO2 uitstoten ten opzichte van 1990; In 2040 wil het bestuur van de stad onafhankelijk van fossiele brandstoffen functioneren; In 2025 is 50% van de aankopen circulair; en In 2050 zal heel Amstelveen klimaatrobuust ingericht zijn. Leidraad Duurzaam bouwen en Gebiedsontwikkeling

De gemeente Amstelveen heeft hoge ambities om duurzaam te bouwen en duurzame gebieden te ontwikkelen. De ambities zijn benoemd in de Leidraad Duurzaam bouwen en Gebiedsontwikkeling (november 2021) Op vijf thema’s gaat de gemeente bij elke ontwikkeling kijken wat de mogelijkheden zijn om een project of gebied zo duurzaam mogelijk te realiseren: mobiliteit, energie, circulair bouwen, klimaat adaptief en groen en ecologie. De thema’s zijn in onderstaand overzicht getoond.

Thema's uit de Leidraad Duurzaam bouwen en gebiedsontwikkeling Amstelveen

De doelstellingen en ambities komen voort uit verschillende onderliggende beleidsstukken. Op gemeentelijk niveau gaat het onder andere om de Transitievisie Warmte, de Visie op zonne­energie, PLECK 4.0, het Actieplan Klimaatadaptatie, het Groenstructuurplan, de Mobiliteitsvisie en de Nota Parkeernormen. Het ontwerp voor gebouwen en gebieden dient aan te sluiten op al deze ambities en doelstellingen uit de Leidraad en het onderliggende beleid. Relevantie plangebied

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

Bij het ontwerpen en de uitvoering van de twee woningen en bijbehorende bouwwerken wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. De woningen worden gasloos opgeleverd en goed geïsoleerd. Hiermee worden de nieuwe woningen energiezuinig en duurzaam.

7.4 Ecologie Wettelijk- en Beleidskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Gebiedsbescherming In de Wnb­gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur (Natura 2000­gebieden). Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000­gebied (externe werking) moet worden onderzocht of de ontwikkeling de kwaliteit van het gebied kan verslechteren of verstoren. Indien het bestemmingsplan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van een Natura 2000­gebied verslechtert of een significant verstorend effect heeft dient een vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Het bevoegd gezag voor deze vergunning is Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het Natura 2000­gebied is gelegen. Indien het plan mogelijk significante negatieve gevolgen heeft voor deze gebieden dient bovendien een passende beoordeling te worden gemaakt. Significant negatieve gevolgen treden op als de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000­gebied worden aangetast. Is dit het geval, dan kan alleen een vergunning worden verkregen indien wordt voldaan aan de zogenaamde ADC­criteria.

Dat wil zeggen dat voor het plan geen alternatieven zijn, sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en is voorzien in compenserende maatregelen Soortenbescherming De Wnb beschermt vele in het wild en van nature in Nederland voorkomende dieren en planten. De wet kent verschillende beschermingsregimes voor diverse soorten. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde diersoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings­ of vaste rust­ en verblijfsplaatsen. Voor algemene soorten, geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen of beheer en onderhoud en op grond van de Verordening vrijstellingen soorten Noord­Holland vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb. Voor overige soorten is geen ontheffing aangezien de minister van (destijds) LNV de door de gemeente Amsterdam opgestelde gedragscode heeft goedgekeurd. Bij naleving van deze gedragscode geldt dan ook een vrijstelling voor de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Ontheffingen mogen slechts worden verleend wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan en de ontheffing nodig is met het oog op in de Wnb bepaalde belangen. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. Dit zal zich voordoen wanneer de uitvoering van het bestemmingsplan tot ingrepen noodzaakt waarvoor geen vrijstelling geldt of geen ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend. Relevantie plangebied

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

In het kader van gebiedsbescherming wordt gekeken naar de effecten van het plan op Natura 2000­gebieden en provinciaal beschermde natuurgebieden en ­elementen. Het plangebied is niet gelegen in het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Er is daarom geen sprake van aantasting van NNN. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van een Natura 2000­gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000­gebied is 'Botshol', gelegen op ca 6,2 km afstand. Daarna ligt op een afstand van ca. 12,2 kilometer in oostelijke richting het Natura 2000­gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’, op ca. 13,6 in noordelijke richting het Natura 2000­gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’. Door de ligging van het plangebied buiten Natura 2000­gebieden en het NNN kunnen directe effecten op voorhand worden uitgesloten. Indirecte effecten ten gevolge van een stikstofdepositie gedurende de aanlegfase en gebruiksfase op nabijgelegen Natura 2000­gebieden zijn niet op voorhand uit te sluiten. Om uit te sluiten dat er stikstofdepositie op een nabijgelegen Natura 2000­gebied plaatsvindt, is een stikstofberekening uitgevoerd. Uit deze berekening is gebleken dat onderhavig initiatief niet resulteert in stikstofdepositie op Natura 2000­gebieden. De stikstofberekening van 5 okotber 2023 is bijgevoegd als bijlage 2.

In het kader van soortenbescherming heeft het onderzoeksbureau Geonius een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapportnummer EA230068.RO1.V2.0, d.d. 2 oktober 2023). Uit de quickscan is gebleken dat het plangebied en de directe omgeving functies biedt voor de volgende beschermde soorten: Broedvogels zonder een jaarrond beschermd nest; Vleermuizen; Vos, haas, konijn, bunzing, steenmarter, wezel, hermelijn en kleine grondgebonden zoogdieren als diverse muizensoorten; Rugstreeppad en algemeen voorkomende amfibieën; Ringslang. Door de voorgenomen ingreep leidt dit tot negatieve effecten en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Deze negatieve effecten zijn voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, eekhoorn, konijn, vos, kleine grondgebonden zoogdieren en algemeen voorkomende amfibieën met mitigerende maatregelen te voorkomen. Het aanvragen van een ontheffing kan dan achterwege blijven. De mogelijke negatieve effecten ten aanzien van bunzing, steenmarter, hermelijn, wezel, rugstreeppad en ringslang zijn niet volledig te mitigeren. Daarvoor is onderzoek benodigd om de aanwezigheid van essentieel leefgebied en verblijfplaatsen in beeld te brengen. De rapportage van deze quickscan is opgenomen in bijlage 3.

Conclusie Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan dient aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden naar de bunzing, steenmarter, hermelijn, wezel, rugstreeppad en ringslang. Het aanvullend ecologisch onderzoek is reeds uitgezet en dient vóór verlening de aanvraag omgevingsvergunning voor de twee woningen te worden uitgevoerd aangezien er geen ruimtelijk aanpassingen worden verwacht. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

7.5 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Amstelveen gaat het met name om de risico's van inrichtingen met

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG­tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang.

Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10­6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Relevantie plangebied Uit het onderzoek dat is uitgevoerd door de Brandweer Amsterdam­Amstelland is gebleken dat het plangebied buiten de grootste risicocontouren ligt van bovengenoemde risicobronnen. Derhalve is het niet nodig om verder onderzoek te doen naar het groepsrisico of plaatsgebonden risico ter plaatse van het plangebied. Conclusie Gelet op voorgaande staat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

7.6 Geluid Beleidskader In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluid producerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor­ en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon­ en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Amstelveen heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie.

Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG­uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor­ en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven.

In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Relevantie plangebied Het plangebied ligt binnen de geluidzone van Oostelijk Halfrond, Olympiadelaan en Machineweg MP. In opdracht van Geonius Infra BV is, in het kader van de realisatie van twee nieuwbouwwoningen aan de Bankrasweg 30, door K+ Adviesgroep een akoestisch

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

onderzoek verricht (rapportnummer Rm230265aaA0.teey_01 d.d. 4 juli 2023) naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het onderzoek wijst er naar uit dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Het akoestisch onderzoek met bijbehorende conclusies is opgenomen in bijlage 4. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

7.7 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL­projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; de 24­uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' ­ zoals een school of kinderopvang ­ in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Relevantie plangebied De ontwikkeling is in gevolge de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' aangewezen als een categorie die niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Als NIBM­categorie is aangewezen een woningbouwontwikkeling van maximaal 1500­ woningen met één ontsluitingsweg. De toevoeging van twee nieuwe woningen draagt volgens het Besluit niet in betekenende mate bijdragen niet bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet nodig. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

7.8 Verkeer en parkeren Indien een ruimtelijk plan voorziet in de toevoeging van verkeer aantrekkende functies dienen de gevolgen voor de verkeer­ en parkeersituatie te worden beoordeeld. Relevatie plangebied De aanwezige wegen zijn berekend op de bestemmingen die het bestemmingsplan toelaat en op het aantal woningen die gerealiseerd zijn. Aangezien het planvoornemen de ontwikkeling betreft van 2 woningen, waarbij 1 woning wordt toegevoegd ten opzichte van de planologische situatie, zal dit slechts in zeer beperkte mate invloed hebben op de verkeersbewegingen in de omgeving. Op basis van de meest recente CROW­publicatie geldt voor deze woningen een gemiddeld verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen. De woningen worden ontsloten op de Olympiadelaan. Ter plaatse is sprake van een overzichtelijke en verkeersveilige ontsluitingsmogelijkheid, waarbij doorstromingsproblemen of verkeersonveilige situaties niet voorkomen. Voor wat betreft parkeren geldt de Nota parkeernormen Amstelveen. Conform deze nota geldt voor deze vrijstaande (koop)woningen een gemiddelde parkeerbehoefte (inclusief bezoekersparkeren) van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Het plangebied wordt dusdanig ingericht dat wordt voorzien in de realisatie van twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. Daarmee wordt voldaan aan de geldende parkeernorm.

Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de aspecten 'parkeren' en ‘verkeer’ de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staan.

7.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Wet- en regelgeving en beleid Uit paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer vloeit voor het bevoegd gezag de verplichting voort om een beslissing te nemen over de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een MER moet worden gemaakt. Deze beslissing wordt een m.e.r.­beoordelingsbesluit genoemd. Een dergelijk m.e.r.­beoordelingsbesluit is verplicht

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

voor activiteiten die in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r) zijn opgenomen. In kolom 1 van onderdeel D is categorie 11.2 opgenomen, waarin de activiteiten aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen zijn genoemd. Voor de vraag of het bevoegd gezag verplicht is om een m.e.r.­beoordelingsbesluit te nemen moet eerst komen vast te staan dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit de uitspraken van de Raad van State van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:729, 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, en 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, volgt dat of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene (wijziging van de) stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

Relevantie onderhavige plan Het onderhavige plan omvat het realiseren van twee vrijstaande woningen, waarbij het bestaande perceel wordt gesplitst. Hierbij wordt het bestaande bouwvlak van 280 m2 gesplitst in twee bouwvlakken van 140 m2. Na splitsing van het perceel is op beide bouwpercelen het maximale m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Gelet op de aard en de omvang van het plan kan het plan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel doordat er twee woningen worden toegestaan, maar dat betekent niet dat wat het plan mogelijk maakt een stedelijk ontwikkelingsproject is. Daarbij is van belang dat de woningen mogelijk worden gemaakt in bestaand stedelijk gebied en het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Omdat de mogelijk gemaakte ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject is, hoeft er geen (vormvrije) m.e.r.­beoordeling te worden uitgevoerd.

7.10 Water Beleidsdoelen water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte­ en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet­ en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG­kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving, de Waterwet.

De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch­chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2022­2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016­2021. Het NWP werkt in de geest van de Omgevingswet. Het doel van het NWP is toekomstbestendig water in Nederland voor de periode 2022­2027 en verder. Daarbij wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het NWP beschrijft de nationale beleids­ en beheerdoelen op het gebied van klimaat adaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Op 31 januari 2022 is het Regionaal Waterprogramma Noord­Holland 2022­2027 vastgesteld door Provinciale Staten. Met dit programma wordt invulling gegeven aan het waterbeleid in Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma.

Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. Waterschapsbeleid In het Waterbeheerplan 2022­2027 beschrijft het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht wensbeelden per thema voor 2030 en daaruit afgeleid doelen voor de planperiode 2022­2027 op hoofdlijnen. Hierin staat wat het waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. Het waterschap wil open en toegankelijk zijn, actief naar samenwerking zoeken en de dialoog aangaan.

De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: Samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; Een klimaatbestendig en daarmee waterrobuust gebied; Steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; Een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; Water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; Gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; Gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; Vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit voor burgers en bedrijven; Afstemming over alle watertaken per stroomgebied; Behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Tevens is de Keur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht van toepassing. Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap een vergunning te worden aangevraagd op basis van de Keur. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.

Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan­ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2021-2026 Vanuit de Wet milieubeheer en de Waterwet heeft de gemeente een verbrede zorgplicht voor afvalwater, voor hemelwater en grondwater. De functie van riolering is het beschermen van de volksgezondheid door het inzamelen en afvoeren van afvalwater, het tegengaan van wateroverlast en het beschermen van het milieu. In het gemeentelijk rioleringsplan wordt uiteengezet hoe deze zorg wordt ingevuld. Relevantie plangebied Waterkering Het plangebied is grotendeels gelegen in de waterkering. Voor dit gebied is de dubbelbestemming 'Waterstaat­ Waterkering' opgenomen. De nieuwe woningen zijn binnen de waterkering gesitueerd. Voor de realisatie van het planvoornemen is het aanvragen van een watervergunning noodzakelijk. Watercompensatie Bij de beoogde ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met het beleid van het AGV. Een van de beleidsregels betreft het aanleggen van verhard oppervlak.

Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van aanleggen van verhard oppervlak waardoor hemelwater niet in de bodem kan infiltreren. Deze beleidsregels gelden voor situaties met aanleg van verhard oppervlak van meer dan 1.000 m2. De toename aan verhard oppervlak door voorliggende ontwikkeling ligt ruimschoots onder de 1.000 m2 die wordt gehanteerd voor stedelijk gebied. Hierdoor is nadere compensatie niet aan de orde. Grondwater en hemelwater Voorliggende ontwikkeling heeft geen nadelig effect op grondwater en hemelwater. Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staan.

vastgesteld toelichting Bankrasweg 30

pagina

Verkennend asbest- en bodemonderzoek Bankrasweg 30 te Amstelveen MA230003.007.R01.V1.0 21 juli 2023

Verkennend asbest- en bodemonderzoek Bankrasweg 30 te Amstelveen Rapportnummer MA230003.007.R01.V1.0 21 juli 2023

Opdrachtgever Blackbox Architecten Bouwerij 81 1185 XW Amstelveen

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl Functie

Naam

Adviseur Milieu

G. Hofma/V. Wiegant

Projectleider Milieu

A. van Steenderen

MA230003.007.R01.V1.0

Paraaf

2 van 25

Inhoud 1

Inleiding ............................................................................5

2

Achtergrondinformatie............................................... 6

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.10.1 2.10.2 2.10.3 2.10.4

Algemeen 6 Situering onderzoekslocatie 6 Historie 7 Vergunningen 8 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie 8 PFAS 10 Ontplofbare oorlogsresten (OO) 10 Archeologie 10 Terreininspectie 10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 10 Asfalt ............................................................................................................................................................. 10 Bodem ........................................................................................................................................................... 11 PFAS .............................................................................................................................................................. 11 Asbest in bodem/puin ............................................................................................................................. 11

3

Veldwerk en analyses ................................................ 12

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Onderzoeksprogramma Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Veldwerk verkennend bodemonderzoek Bodemprofiel Watermonstername Veldwerk verkennend asbestonderzoek

4

Toetsingskader ............................................................. 16

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Wet bodembescherming Handelingskader PFAS Besluit en Regeling bodemkwaliteit Asbest in bodem/puin Asfalt Veiligheidsmaatregelen CROW 400

5

Asfalt ................................................................................ 18

5.1

Veldwerk

5.1.1 5.2

Dikte asfalt .................................................................................................................................................. 18 Analyseresultaten 18

5.3

Interpretatie

6

Grond en grondwater ................................................. 20

6.1

Bodem

MA230003.007.R01.V1.0

12 12 13 13 14 14

16 16 16 16 17 17

18

19

20

3 van 25

6.2

Asbest

23

7

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen .... 24

7.1 7.2

Samenvatting Conclusies en aanbevelingen

24 25

Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening

MA230003.007.R01.V1.0

4 van 25

1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Blackbox Architecten een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Bankrasweg 30 te Amstelveen. Aanleiding voor dit verkennend asbest- en bodemonderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van nieuwe woningen en bijbehorende schuren en de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Verder is het doel van het onderzoek het bepalen van de kwaliteit van het eventueel vrijkomende asfalt op basis van de CROW210. Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V.

en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven.

Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.

MA230003.007.R01.V1.0

5 van 25

2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.

2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een braakliggend terrein aan de Bankrasweg 30 (gelegen in het verlengde van de Olympiadelaan) te Amstelveen. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Amstelveen sectie I, nummer 6367 en nummer 2216. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 2.884 m². Uit recente straatopnames blijkt dat de locatie bebouwd is geweest en dat er in het recente verleden (2019/2020) de woning met opstallen is gesloopt. Op recente luchtfoto’s lijken de funderingsresten nog zichtbaar. Verwacht wordt dat de verharding van het maaiveld en de funderingsresten nog aanwezig zijn. De locatie is in het verleden gebruikt als boerderij. In Figuur 2.1 is een overzicht van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1: Overzicht onderzoekslocatie (bron: opdrachtgever)

MA230003.007.R01.V1.0

6 van 25

In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 2.884 m2

Maaiveldhoogte

Circa 4,5 m - NAP

X-coördinaat, Y-coördinaat

X: 120.652, Y: 480.562

Kadastrale gegevens Kadastrale aanduiding

Gemeente Amstelveen, sectie I, nummer 6367 en 2216

Oppervlakte kadastrale percelen

2.884 m2

2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat de onderzoekslocatie vanaf omstreeks 1950 bebouwd is. De onderzoekslocatie ligt in de Middelpolder en grensde in het verleden aan een veenweide (west) en een dijk (oost). Op basis van het kaartmateriaal kan worden aangenomen dat de onderzoekslocatie hoofdzakelijk gebruikt is als boerderij. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw is Amstelveen gegroeid en zijn er woonwijken gebouwd. Op basis van het kaartmateriaal blijkt dat de (met asfalt verharde) toegangsweg al voor 1994 aanwezig was. De onderzoekslocatie ligt nu op de rand van de woonwijk. Op beschikbare luchtfoto’s en straatbeeldopnamen blijkt dat het woonhuis met opstallen tussen 2015 en 2020 gesloopt zijn. De voormalige funderingen/verhardingen zijn nog zichtbaar. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s zijn opgenomen in Figuur 2.2. 1951

MA230003.007.R01.V1.0

1965

7 van 25

1980

1990

2011

2022

Figuur 2.2: uitsneden historische kaarten en luchtfoto's

2.4 Vergunningen Voor de onderzoekslocatie zijn geen vergunningen afgegeven in het kader van de voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen, Sloopvergunningen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dan wel niet bekend/aanwezig in de geraadpleegde bronnen. Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT-archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op of nabij de onderzoekslocatie.

2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.2 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld.

MA230003.007.R01.V1.0

8 van 25

Tabel 2.2: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en -kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv

Omschrijving

Opmerkingen

0–7

Holocene afzettingen

-

7–8

Formatie van Boxtel

-

8 – 30

Gestuwde afzettingen

Heterogeen

(afhankelijk

van

de

lithologische

samenstelling van de lokale ondergrond) Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater

Circa 1,0 m-mv

Stromingsrichting grondwater

Oostelijk

Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie

Ja, locatie is grotendeels omringt door een sloot

Het voorkomen van brak of zout grondwater

Nee

Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied

Nee

Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving

Niet bekend

Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie

Nee

Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Omschrijving

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Bodemfunctieklasse

Wonen

Ontgravingsklasse

Bovengrond (0-0,5 m-mv): Achtergrondwaarde Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Achtergrondwaarde

Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Auteur, kenmerk, datum

Omschrijving

Omega, 11059488, 19-08-1997

NVN5740, afvoer- en slibonderzoek op het terrein voormalige A3-tracé te Amstelveen: De aanleiding voor dit onderzoek was de geplande bouw van een nieuwbouwwijk. Deze wijk ligt aangrenzend aan de onderzoekslocatie. Er is één boorpunt relevant bevonden voor onderhavige onderzoekslocatie. Dit boorpunt (peilbuis 2) bevindt zich op circa 30 m ten westen van de onderzoekslocatie. In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte lood aangetoond.

In

het

grondwater

en

in

de

ondergrond

zijn

geen

verhoogde

gehalten/concentraties aangetoond. Wareco, Ar79.002kt.rap, 22-08-2006

Verkennend bodemonderzoek scoutingterrein aan de Machineweg te Amstelveen: Dit onderzoek is uitgevoerd op een perceel dat grenst aan de noordwestelijke zijde van de onderzoekslocatie. In het relevante mengmonster (M01) zijn licht verhoogde gehalten koper, lood en zink aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Asbestinventarisatie Rapport: Dit betreft géén bodemonderzoek maar een inventarisatie van asbest in gebouwen. Het betreft de voormalige opstallen op de locatie. Er is asbest aangetoond in het vloerzeil van de

ACE studio asbest, 2018-3054, 25-09-

bijkeuken, in plaatmateriaal achter de kachel in de keuken, in een koord bij de

2018

mofverbindingen van het asbesthoudende rookgaskanaal en achter de losse gaskachels. Ter plaatse van de ingestorte delen zijn er geen asbesthoudende materialen/resten aangetroffen. Echter is het asbestverdachte dak dat beschreven wordt in 2.9 niet meer zichtbaar in de foto’s van deze inventarisatie.

Flamant, DA11482, 15-05-2019

Certificaat eindcontrole na asbestverwijdering: Dit certificaat beschrijft dat de asbestsanering naar behoren is uitgevoerd.

MA230003.007.R01.V1.0

9 van 25

Op de onderzoekslocatie zijn in het verleden geen milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd dan wel niet bekend/aanwezig in de geraadpleegde bronnen. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen noemenswaardige bodemverontreinigingen aanwezig zijn. Uit de asbestinventarisatie (ACE studio asbest, 2018-3054, 25-09-2018) blijkt dat de voormalige bebouwing op de locaties asbesthoudend materiaal bevat. Voor de sloop van de bebouwing is het asbest verwijderd. Uit de eindcontrole blijkt dat de sanering van het asbest in het pand naar behoren is uitgevoerd.

2.6 PFAS Onderhavige onderzoekslocatie is geen verdachte locatie (puntbron) voor PFAS, waardoor geen bodemverontreiniging met PFAS wordt verwacht.

2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO) Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend omtrent “ontplofbare oorlogsresten”.

2.8 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Amstelveen blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een lage archeologische verwachting geldt.

2.9 Terreininspectie Op 12 juni 2023 is door de heer P.J. Klok een terreininspectie uitgevoerd. Tijdens de terreininspectie bleek dat de locatie (zoals verwacht) niet meer bebouwd is. De vloeren/funderingen van de voormalige bebouwing zijn nog wel aanwezig. Tevens is er sprake van een asfalt- en puinverharding tussen de voormalige bebouwing. Er is geen sprake van verschillende asfaltvakken, spoorvorming, overgangen in het wegdek of bijzondere weggedeelten. Op de locatie is in de noordwestelijke hoek van het terrein nog een kleine schuur aangetroffen. Hier zijn geen verdachte activiteiten waargenomen. Het dak bestaat uit doorzichtige golfplaten (niet asbestverdacht). Ook is er een oude trekker achtergebleven op het terrein. Er zijn geen oliesporen waargenomen onder het voertuig. Het overige terrein is sterk begroeid en niet bebouwd. Tijdens de terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen. Echter zijn er straatbeeld opnames beschikbaar waaruit blijkt dat er asbestverdachte daken aanwezig zijn geweest in het verleden. Derhalve dient de locatie als asbestverdacht aangemerkt te worden.

2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.10.1 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat.

MA230003.007.R01.V1.0

10 van 25

Op basis van de historische kaarten van de locatie blijkt dat de toegangsweg naar de woning (circa 60 m2) al vanaf 1990 op de historische kaarten is weergegeven. Het uitgangspunt is derhalve dat het asfalt is aangelegd vóór 1995. Tijdens de terreininspectie is gebleken dat er geen sprake is van verschillende asfaltvakken, spoorvorming, overgangen in het wegdek of bijzondere weggedeelten. Het te onderzoeken vak is kleiner dan 100 m2. Op basis van deze informatie wordt verwacht dat één asfaltkern voldoende is voor het aanwezig asfalt op de locatie (30 m * 2 m). Verder is het uitgangspunt dat het asfalt op de locatie een dikte heeft van 15 cm. Er zal circa 22,5 ton asfalt vrij komen. Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Indien dit niet het geval is dienen mogelijk aanvullende kernboringen en laagdiktebepalingen en PAKdetectorproeven worden uitgevoerd. Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Aangezien minder dan 25 ton asfalt vrij zal komen zal voor deze kleine hoeveelheid wordt een PAK-analyse middels DLC/GCMS niet rendabel geacht.

2.10.2 Bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie verdacht is voor bodemverontreiniging. Onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL). Ten aanzien van de ondergrond wordt uitgegaan van de strategie “onverdacht niet lijnvormig” (ONV-NL).

2.10.3 PFAS Sinds december 2021 is het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” van kracht. Het Handelingskader biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Voor hergebruik is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkyl-verbindingen). Dit verkennend bodemonderzoek heeft tot doel om informatie te verkrijgen voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning is het in principe niet nodig onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkyl-verbindingen), omdat de onderzoekslocatie geen bron voor deze stof is en er dus geen specifieke verdenking is op deze stof. Echter indien tijdens de bouwwerkzaamheden grond dient te worden afgevoerd is het in het kader van hergebruik wel noodzakelijk onderzoek te doen naar deze stofgroep. Derhalve dient het stoffenpakket in onderhavig bodemonderzoek te worden uitgebreid met de stofgroep PFAS. Het PFAS-onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de strategie ONV-VL. Alleen de bovengrond wordt onderzocht. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt deze niet op deze parameter onderzocht.

2.10.4

Asbest in bodem/puin

Uit de asbestinventarisatie (ACE studio asbest, 2018-3054, 25-09-2018) blijkt dat de voormalige bebouwing op de locaties asbesthoudend materiaal bevat. Voor de sloop van de bebouwing is het asbest verwijderd. Uit de eindcontrole blijkt dat de sanering van het asbest in het pand naar behoren is uitgevoerd. De locatie is potentieel asbestverdacht vanwege de voormalige dakbedekking en de recente sloopwerkzaamheden. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de gehele onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese ”verdacht” van toepassing is. Het betreft een locatie met een heterogeen verdeelde diffuse bodembelasting (VED-HE-NL). Het onderzoek richt zich op de verdachte bodemlaag; dit kan zowel de toplaag-, de bovengrond- als de ondergrond zijn.

MA230003.007.R01.V1.0

11 van 25

3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Aangezien minder dan 25 ton asfalt vrij zal komen zal voor deze kleine hoeveelheid wordt een PAK-analyse middels DLC/GCMS niet rendabel geacht. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek (Deel)locatie en Oppervlakte (m2) Veldwerk strategie Bankrasweg 30 2.884 11 * 0,5 m-mv (VED-HE-NL) 2 * 2,0 m-mv 1 * peilbuis

Analyses2) Grond Bovengrond: 2 * standaardpakket 1 * PFAS Ondergrond: 1 * standaardpakket

Grondwater 1 * standaardpakket

2.884

11 * proefgaten tot maximaal 0,5 min de verdachte laag 2 * boringen tot 2,0 m-mv (Ø12 cm)

3 * asbest in grond (NEN 5898)

-

Asfalt Toegangsweg west (15 cm dik)

±60 m²

2 * asfaltkern (Ø12 cm)

1 * PAK-marker laagopbouw

-

Grondwater

Grond

Asbestonderzoek Gehele locatie (VED-HE)

+

Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB, som-PAK (10) en minerale olie Stofgroep PFAS poly- en perfluor alkyl-verbindingen (30 verbindingen) Standaardpakket grondwater: 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) minerale olie

De chemische analyses van de grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam.

3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Gerelateerd aan de zintuiglijke waarnemingen dan wel analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden:  Vanwege de aanwezigheid van diverse hoofdbestanddelen en bodemvreemde bijmengingen zijn in totaal 4 analyses op het standaardpakket landbodem uitgevoerd in plaats van de voorgestelde 3.  Op basis van de analyseresultaten van mengmonster MMBG01 en MMBG02 zijn de individuele monsters van dit mengmonsters separaat geanalyseerd op de parameter PAK, zink en/of minerale olie (in totaal 6 monsters).

MA230003.007.R01.V1.0

12 van 25

De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740 en de stofgroep PFAS. In Tabel 6.1 (hoofdstuk 6) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. Het grondwatermonster is conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.

3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 12 juni 2023 conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer R. Snel, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer P.J. Klok. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden. Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater”.

3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. De bodemsoort op de onderzoekslocatie is heterogeen verdeeld. Onderstaand zijn de boringen waarin afwijkingen en/of bijzonderheden zijn waargenomen vermeld. Voor de overige boringen, wordt gezien de sterke variatie, verwezen naar bijlage 3:   

   

In de bovengrond van boring 003 zijn sporen baksteen, sporen aardewerk, sporen glas en sporen asbest waargenomen; Ter plaatse van boring 005 bestaat de bodem uit zwak siltig, matig humeus, matig grindig zand met hierin matige bijmengingen metselpuin en een zwakke bijmenging slakken; De bodem ter plaatse van boring 006 is verhard met 9 cm asfalt. Tot 0,5 m-mv komt in het zwak siltige, humeuze zand een matige bijmenging aan kolengruis voor. Van 0,5—1,10 m-mv bestaat de bodem uit veen, met in de bovenste 20 cm een bijmenging met sintels; Bij boring 007 is de bodem afgedekt met 5 cm beton. Onder het beton is een zandlaag aangetroffen waarin metselpuin (matig), baksteen (brokken), kool (zwak) en sintels (matig) zijn aangetroffen; Ook bij boring 008 is een 17 cm asfalt laag aanwezig met hieronder een circa 10 cm zandlaag en een 20 cm sterk kleiige veenlaag; Ter plaatse van boring 009 is tot 0,5 m-mv puin waargenomen (niet vormgegeven bouwstof) waarin ook sporen metselpuin zijn waargenomen; De bodemopbouw van boring 010 t/m 013 is redelijk identiek aan elkaar. De bodem bestaat uit zand met daarin de volgende bijmengingen: metselpuin (matig), slakken (zwak tot sterk) en/of asfalt (brokken). Ter plaatse van boring 012 is bovendien sporen asbestverdacht materiaal waargenomen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=amstelveen&id=b77786ad-cab8-4dc4-aa66-53b09a437c15