TAM-IMRO Hogeweg 227: toelichting
Tekst van het document
Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat weten regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
▪
30 meter voor een brandaandachtsgebied
▪
200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied transportroutes en gasleidingen aanwezig zijn en dat het plangebied binnen enkele aandachtsgebieden ligt. In dit kader is een onderzoek naar de omgevingsveiligheid uitgevoerd (Kragten, SRO095, d.d. 24 juli 2024, bijlagen bij toelichting, bijlage 5 ).
Explosieaandachtsgebied (Rijksweg A28) Het plangebied ligt deels binnen het explosieaandachtsgebied van de N11. De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden hieronder beschouwd. Bestrijding calamiteit
pagina 29 van 45
Een explosie als gevolg van een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij
kan
gedacht
worden
aan
het
voldoende/adequaat
aanwezig
zijn
van
aanvalswegen
en
bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie ‘Handreiking bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019’ van Brandweer Nederland. Uit voorgenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. In de voorliggende situatie betreft het de herontwikkeling van een bedrijventerrein naar een woongebied. Als gevolg van het plan worden geen wijzigingen in de hoofdinfrastructuur voorzien. Uitgangspunt is dat het plangebied goed bereikbaar is en blijft. In de voorliggende situatie betreft het de herontwikkeling van een restaurant/parkeerterrein naar een bedrfijsgebouw. Als gevolg van het plan worden een wijzigingen in de hoofdinfrastructuur voorzien. Uitgangspunt is dat het plangebied goed bereikbaar is en blijft. Zelfredzaamheid Binnen het onderhavige plan worden geen functies voorzien specifiek voor minder zelfredzame personen. Het plan omvat de ontwikkeling van een bedrijfsgebouw. Indien toch minder zelfredzame personen aanwezig zijn bij een calamiteit, zullen deze personen met hulp van de aanwezige zelfredzame personen en de BHV-organisatie in veiligheid gebracht worden.
Binnen het explosieaandachtsgebied is vluchten het uitgangspunt. Binnen het plan zijn diverse vluchtmogelijkheden om het gebied te kunnen ontvluchten afzijdig van de risicobron, in de luwte van de bebouwing.
Gifwolkaandachtsgebied (Rijksweg A28) Het plan ligt volledig binnen het gifwolkaandachtsgebied als gevolg van de rijksweg. Onderstaand worden de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd. Bestrijding calamiteit Bij een ongeval met een toxische gaswolk kan de brandweer optreden om de gaswolk neer te slaan, te verdunnen of op te nemen met water. Hiervoor dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Ook dient het risicogebied voldoende bereikbaar te zijn. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening ter plaatse van de weg. Zelfredzaamheid Bij het vrijkomen van een toxische wolk is schuilen het beste advies, mits rames deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Aangezien de beoogde ontwikkeling nieuwbouw betreft, zal op grond van de geldende bouwregelgeving voldoende aandacht besteed worden aan de naad- en kierdichting om de gebouwen zo luchtdicht mogelijk te maken. Gezien de ligging binnen het gifwolkaandachtsgebied dient op grond van artikel
pagina 30 van 45
4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een mechanisch ventilatiesysteem toegepast te worden dat handmatig uitgeschakeld kan worden. Indien er in het geval van een toxische wolk toch gekozen wordt het gebeid te ontruimen, dienen personen haaks op de wolk te kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, in de betreffende locatie is dat het geval.
Brandaandachtsgebied (buisleiding) Het plangebied ligt binnen het brandaandachtsgebied van buisleiding A-510. Onderstaand worden de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd. Bestrijding calamiteit Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. Zelfredzaamheid Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding.
Een belangrijke bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Binnen het brandaandachtsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat deze zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van de bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid groter. Vluchten kan alleen maar via een route buiten het ´zicht´ van de fakkel. Aangezien het plangebied op korte afstand van de buisleiding is gelegen, is vluchten bij een calamiteit alleen mogelijk buiten het zicht van de fakkel. Er dienen voldoende nooduitgangen aanwezig te zijn van waar aanwezige personen bij een calamiteit kunnen vluchten in de luwte van het bedrijfsgebouw. Via het bestaande wegennet kan afzijdig van de buisleiding gevlucht worden.
Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
pagina 31 van 45
4.9 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.
Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
▪
aanwezige dier- en plantensoorten;
▪
typen natuurlijke habitats;
▪
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
pagina 32 van 45
▪
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
▪
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op werkzaamheden die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor beschermde soorten en gebieden. De bebouwing van het restaurant en de bedrijfswoning worden gesloopt. In de tuin van de bedrijfswoning staan tevens enkele bomen en is er groen aanwezig dat verwijderd wordt. Dit betreft een Flora- en Fauna-activiteit zoals geformuleerd in de Omgevingswet. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een ecologische quickscan uitgevoerd (De Slijpkruik, 24DBH05, d.d. 02-04-2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Soortenbescherming -Vogels Naar aanleiding van het onderzoek is gebleken het plangebied geschikt is als nestplaats voor huismussen. Nesten van huismus zijn jaarrond beschermd en daarom is bij sloopwerkzaamheden mogelijk sprake van overtreding van de Omgevingswet. De huismus is onderdeel van het Soortmanagement Plan (SMP) dat voor de bebouwde kom van Amersfoort is opgesteld. Het plangebied is onderdeel van de bebouwde kom, daarom kan in principe gewerkt worden volgens de voorschriften uit het SMP. De ontheffinghouder van het SMP, in dit geval de gemeente Amersfoort dient te bevestigen dat volgens het SMP gewerkt mag worden. Indien dit niet gewenst is, is soortgericht vervolgonderzoek naar nestplaatsen van huismus noodzakelijk om vast te stellen of uit te sluiten of deze aanwezig zijn binnen het plangebied.
Indien nestplaatsen van huismus worden aangetroffen dient een omgevingsvergunning ‘flora- en fauna-activiteit’ te worden aangevraagd bij de provincie Utrecht. Een onderdeel van een omgevingsvergunning is een activiteitenplan waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten op beschermde soorten en hun leefgebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Het plangebied is ongeschikt voor andere vogels met een jaarrond beschermde nestplaats door het ontbreken van geschikte nestplaatsen. In het plangebied kunnen ook vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat
pagina 33 van 45
vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. -Vleermuizen Uit de quickscan blijk dat beide gebouwen (het restaurant en de bedrijfswoning) mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen door aanwezigheid van scheefliggende dakpannen en open stootvoegen. De voorgenomen (sloop)werkzaamheden leiden daarom mogelijk tot negatieve effecten op vaste, jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen en daarmee overtreding van de OW. Te verwachten soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Verwachte functies zijn zomer-, kraam-, paar- en (kleine) winterverblijfplaats. Beide panden zijn ongeschikt als massawinterverblijfplaats, omdat de panden onvoldoende warmtebuffercapaciteit hebben, de panden zijn daarvoor te klein. De in Nederland te verwachten gebouwbewonende vleermuizen zijn onderdeel van het Soortmanagement Plan (SMP) dat voor de bebouwde kom van Amersfoort is opgesteld. Het plangebied is onderdeel van de bebouwde kom, daarom kan in principe gewerkt worden volgens de voorschriften uit het SMP.
De ontheffinghouder van het SMP, in dit geval de gemeente Amersfoort, dient te bevestigen dat volgens het SMP gewerkt mag worden. Indien dit niet gewenst is, is soortgericht vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk om vast te stellen of uit te sluiten of deze aanwezig zijn binnen het plangebied. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen dient een omgevingsvergunning ‘flora- en fauna-activiteit’ te worden aangevraagd bij de provincie Utrecht. Een onderdeel van een omgevingsvergunning is een activiteitenplan waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten op beschermde soorten en hun leefgebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Van aantasting van een vaste (essentiële) vliegroute van vleermuizen door toedoen van de geplande werkzaamheden is geen sprake. Mogelijk zijn de groenstructuren op en rond het plangebied onderdeel van (nietessentieel) foerageergebied van vleermuizen. Aanbevelen wordt om lichtverstoring van van foerageergebied van vleermuizen te voorkomen. Werk bij voorkeur uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang. Wanneer het onvermijdelijk is om verlichting toe te passen voorkom dan het beschijnen van bomen en beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter. Werk bij voorkeur uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang.
Wanneer het onvermijdelijk is om verlichting toe te passe voorkom dan het beschijnen van bomen en beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter. - Overige soorten De aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren is uitgesloten door het ontbreken van geschikte mogelijkheden voor schuil- en verblijfplaatsen zoals bomen (met holtes), takkenstapels en oppervlaktewater. Wat betreft beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, vissen, reptielen, ongewervelden en flora) is aanwezigheid binnen het plangebied uitgesloten. Er zijn geen vervolgacties nodig ten aanzien van beschermde soorten uit overige soortgroepen. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of
pagina 34 van 45
het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 14,5 km afstand tot Natura 2000-gebied die gevoelig is voor stikstof. Mogelijke stikstof effecten zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 24 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting , bijlage 7). Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet. Wel worden er enkele bomen gekapt herplant en er worden nieuwe bomen toegevoegd. Voor deze werkzaamheden wordt op een later moment een vergunning aangevraagd. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Verder vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.
De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
pagina 35 van 45
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschap Vallei en Veluwe Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de Waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het waterschap vervangen. In de Waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. Omdat het omzetten van de keur naar de Waterschapsverordening beleidsneutraal heeft plaatsgevonden zijn de nieuwe beleidsregels vrijwel gelijk gebleven aan de keur. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet voldaan worden aan de uitgangspunten Klimaat adaptief Bouwen van de gemeente Amersfoort, waaruit verschillende bergingseisen van toepassing zijn voor verschillende typen buien.
Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2031 In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is beschreven hoe de gemeente de komende jaren invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Centraal doel is het behouden en versterken van een vitale en gezonde leefomgeving. Het inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt is een taak van de gemeente. Daarnaast treft de gemeente op doelmatige wijze maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater. De uitvoering van deze taken zoveel mogelijk aansluitend bij de natuurlijke situatie en in verbinding met andere maatschappelijke opgaven. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig is. Op basis van het basisrioleringsplan zijn maatregelen benoemd om regenwateroverlast tot een acceptabel niveau te beperken. De uitvoering van is zo mogelijk gekoppeld aan andere ontwikkelingen in de stad Watervisie gemeente Amersfoort 2021-2040 De watervisie is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. De ambitie is dat Amersfoort een gezonde, groene stad is met mogelijkheden om te groeien. Een goede waterhuishouding is elementair voor een afgewogen inrichting en beheer.
Ook speelt een goede waterhuishouding een belangrijke rol in (recreatief) gebruik,
economie,
cultuurhistorie,
groenblauwe
structuren,
biodiversiteit
en
toekomstbestendige
(klimaat)oplossingen. Het klimaat verandert, er ligt een grote binnenstedelijke woningbouwopgave en het gebruik van de openbare ruimte zal intensiveren. Daarom zijn extra inspanningen nodig op het gebied van het waterbeheer om de stad leefbaar te houden. Met name bij nieuwe ontwikkelingen liggen hiervoor kansen. Daarbij wil de gemeente Amersfoort om kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering en de natuur meer kansen geven. Amersfoort hanteert voor de duurzame ontwikkeling van nieuwbouwplannen het Convenant
pagina 36 van 45
Toekomstbestendige
Woningbouw.
Specifiek
voor
water
zijn
aanvullende
uitgangspunten
opgesteld
(Uitgangspunten Klimaatadaptief Bouwen, dec. '23).
Planspecifiek Watercompensatie Met de beoogde ontwikkeling wordt er verharding toegevoegd. Uit raadpleging van de waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe blijkt dat er geen compensatieplicht geldt voor het toevoegen van verharding. Met beoogde ontwikkeling wordt er geen oppervlaktewater gedempt of verlegd. Hiermee is watercompensatie niet aan de orde. Afvalwater- en hemelwater Voldaan zal worden aan de waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe en het Gemeentelijke Rioolplan 2021-2031 ten aanzien van de afvoer van hemelwater en afvalwater. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijke rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd naar de watergang aan de oostzijde van het plangebied. Ook is er sprake van infiltratie op het maaiveld en van waterberging op het gebouw. Op het maaiveld wordt ca. 240 m² groen aangebracht. Tevens wordt er gebruik gemaakt van ca. 1.100 m² aan halfverharding voor de de parkeerplaatsen, op delen van het plangebied die in de huidige situatie volledig verhard zijn. Onder de parkeerplaatsen worden infiltratiekratten toegapast. Het dak van het gebouw wordt uitgevoerd als groen dak. Er wordt 3.600 m² aan groen gerealiseerd op het dak. Op de gevels van het gebouw wordt 40 m aan gevelgroen aangebracht. Op de onderstaande afbeelding zijn de maatregelen en de omvang hiervan op het maaiveld te zien.
pagina 37 van 45
Maatregelen infiltratie en groen (bron: Architectenburo Guido Bakker, 22-09-2025)
Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Watertoets Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd op www.hetwateradvies.nl (Zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Uit de beoordeling volgt dat de normale procedure gevolgd dient te worden.
4.11 Ontplofbare Oorlogsresten De gemeente Amersfoort heeft voor de gehele gemeente een vooronderzoek laten uitvoeren naar ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Om te bepalen of er een risico voor explosieven in of rondom het plangebied bestaat is de kaartlaag 'risicokaart niet gesprongen explosieven' op Amersfoort in Beeld geraadpleegd. Een uitsnede van deze kaart is op de onderstaande afbeelding te zien.
pagina 38 van 45
Risicokaart 'niet gesprongen explosieven' (bron: gemeente Amersfoort)
Het plangebied ligt binnen een gebied dat is verdacht op geschutmunitie. Het plangebied ligt daardoor binnen gebieden waar onderzoek verplicht is. Aangezien een groot gedeelte van het plangebied verhardt is, wordt dit aspect verder onderzocht wanneer de sloopwerkzaamheden zijn afgerond.
4.12 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
pagina 39 van 45
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project
2.
de plaats van het project
3.
de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 44 woningen. Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a.
die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
b.
waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro-SRO, d.d. 24 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9). In deze notitie wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieuefffectrapportage geen verder inzicht geeft op de milieueffecten van deze ontwikkeling. In de aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag voorgesteld in het nog te nemen mer-beoordelingsbesluit geen milieuefffectrapportage op te stellen voor deze ontwikkeling.
pagina 40 van 45
5 Juridische aspecten 5.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAMomgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat thematische regels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de activiteitgerichte regels. Hoofdstuk IV beschrijft de gebruiksactiviteiten. Ten slotte regelt hoofdstuk V de overgangsbepalingen. In het tweede, derde en vierde hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies. Ook deze hoofdstukken kennen een standaardopbouw:
▪
Functieomschrijving
▪
Beoordelingsregels bouwactiviteiten
▪
Specifieke bouwregels
▪
Specifieke gebruiksregels
pagina 41 van 45
5.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Amersfoort. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten: Bedrijf Het gehele plangebied heeft de functie 'Bedrijf' gekregen. Hier zijn bedrijven in de posities 1, 2 en 3 in de VNGuitgave Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 toegestaan. Waarde - Archeologie 2 Conform het 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is ter bescherming van archeologische waarden voor de gronden van het plangebied de functie 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Waarde - Archeologie 3 Conform het 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is ter bescherming van archeologische waarden voor de gronden van het plangebied de functie 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen.
pagina 42 van 45
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. In de gemeente Amersfoort dient participatie aan de hand van de participatiegids van Amersfoort uitgevoerd te worden. Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het
pagina 43 van 45
omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Participatie Er zijn reeds vier bijeenkomsten met de omwonenden geweest. Op basis van deze bijeenkomsten zijn de volgende aanpassingen gedaan aan het:
▪
Voorstel voor kokowall-scherm van 4 meter hoog met beplanting (totaal 5m, rekening houdend met hoogteverschil).
▪
Behoud van bestaande wal en bomen waar mogelijk.
▪
Aanpassing van tekening met extra bomen.
▪
Toevoeging van doorsnede en zichtlijnen.
▪
Fundering trillingsarm uitvoeren.
▪
Suggestie voor snelheidsverlaging gedeeld met gemeente.
▪
Aanpassen van de bouwhoogte van 18 m naar 15 m.
Een samenvatting van het participatieprocess is als bijlage toegevoegd (Aalberts Ontwikkeling, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10)
6.2.2 Voortraject Voor het plan is door initiatiefnemer een vooroverleg aangevraagd. Dit verzoek is onder voorwaarden positief beoordeeld. In overleg met de gemeente Amersfoort is het plan bijgesteld tot het voorliggende plan. Dit aangepaste plan is akkoord bevonden door de gemeente Amersfoort waarmee de formele procedure doorlopen kan worden.
6.2.3 Bestuurlijk overleg Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Utrecht, het Waterschap Vallei en Veluwe en de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht.
PM: dient te worden afgestemd met de gemeente 6.2.4 Zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd eventuele zienswijzen en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
pagina 44 van 45
7 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een fabrieksgebouw met een kantoor. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Wel dient nader onderzoek naar beschermde soorten en archeologie plaats te vinden. Daarnaast wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.
pagina 45 van 45