TAM-IMRO Hogeweg 227: toelichting
Tekst van het document
TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hogeweg 227, Amersfoort Gemeente Amersfoort
Colofon Gegevens over het project: Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.0307.TAM015-0101
Datum:
2025-10-24
Kenmerk Buro SRO:
SR250163
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. J.J. van Nuland | Dhr. J. Brem
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Aalberts Ontwikkeling bv
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:
’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Telefoon:
030-2679198
E-mail:
utrecht@buro-sro.nl
Internet:
www.burosro.nl
pagina 2 van 45
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied ........................................................................................................................................ 5 1.3 Toetsing aan omgevingsplan ........................................................................................................................ 6 1.4 Leeswijzer ..................................................................................................................................................... 8
2 Planbeschrijving ................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie.............................................................................................................................................. 9 2.2 Toekomstige situatie ....................................................................................................................................10
3 Beleidskaders ..................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................12 3.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................13 3.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................................................15
4 Onderzoek .......................................................................................................................................... 19 4.1 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................19 4.2 Duurzaamheid en gezondheid .....................................................................................................................21 4.3 Geluid ...........................................................................................................................................................22 4.4 Activiteiten en milieuzonering .......................................................................................................................23 4.5 Luchtkwaliteit................................................................................................................................................25 4.6 Cultuurhistorie en archeologie......................................................................................................................25 4.7 Bodem ..........................................................................................................................................................27 4.8 Omgevingsveiligheid
....................................................................................................................................27 4.9 Natuur ..........................................................................................................................................................32 4.10 Water..........................................................................................................................................................35 4.11 Ontplofbare Oorlogsresten .........................................................................................................................38 4.12 M.e.r.-beoordeling ......................................................................................................................................39
5 Juridische aspecten ............................................................................................................................ 41 5.1 Algemeen .....................................................................................................................................................41 5.2 Verbeelding ..................................................................................................................................................41 5.3 Planregels ....................................................................................................................................................41 5.4 Toelichting op functies en locaties ...............................................................................................................42
6 Uitvoerbaarheid .................................................................................................................................. 43 6.1 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................................................43 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................43
7 Conclusie ............................................................................................................................................ 45
pagina 3 van 45
pagina 4 van 45
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om de locatie op de Hogeweg 227 in Amersfoort te herontwikkelen. Het plangebied, gelegen tegen aan de zuidelijke rand van het bedrijventerrein 'De Wieken'. De locatie bestaat uit een restaurant met een parkeerterrein bedoeld voor vrachtwagens. De exploitatie van het restaurant (truckerscafé) zal per oktober 2025 beëindigd worden. Tevens is een (voormalige) bedrijfswoning aanwezig. Het voornemen is om alle bestaande bebouwing, inclusief woning, te slopen en hiervoor in de plaats een bedrijfsgebouw, bestaande uit een (timmer)fabriek, een kantoor en enkele bedrijfshallen te realiseren. Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan gemeente Amersfoort, waar het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen' onderdeel van is. Derhalve is het voorliggende TAM-omgevingsplan opgesteld, waarmee een wijziging op het omgevingsplan wordt doorgevoerd.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de Hogeweg, in het oosten van de gemeente Amersfoort. De planlocatie wordt aan de noordzijde begrensd door de Hogeweg. Te noorden van de Hogeweg is bedrijventerrein De Wieken gelegen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door het Bloeidaalpad, met daarachter een tuincentrum. Aan de zuidzijde van het plangebied is een twee-onder-een-kapwoning aanwezig. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Barneveldseweg. Verder ten westen van de planlocatie ligt het centrum van Amersfoort. Het plangebied is bekend onder de kadastrale gemeente Amersfoort, sectie R, perceelnummers 230, 228, 229, 922, 923, 231, 225, 694 en deels 1110 en 695 en heeft een oppervlakte van ca. 1.2 ha Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.
pagina 5 van 45
Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)
1.3 Toetsing aan omgevingsplan Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Voor de projectlocatie geldt het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen', vastgesteld door de gemeenteraad van Amersfoort op 12 december 2014. Tevens geldt het
pagina 6 van 45
parapluplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2023', het voorbereidingsbesluit 'TAM-voorbereidingsbesluit functiebeperking bedrijventerreinen' en het wijzigingsplan 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie'. Allen maken onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Amersfoort. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dat bestemmingsplan.
Uitsnede bestemmingsplan ‘bedrijventerreinen e.o. en snelwegen', plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)
In het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen' heeft het plangebied de enkelbestemming 'Horeca - 1'. De gronden van het plangebied zijn daarmee bestemd tot Horeca- a met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, één bedrijfswoning, andere bouwwerken, parkeerterrein en erf, met dien verstande dat voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernorm. Een deel van het plangebied is voorzien van de enkelbestemming 'Verkeer'. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, paden, voet- en fietspaden en groen- en watervoorzieningen. In het wijzigingsplan 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is het plangebied voorzien verschillende enkelbestemmingen voor de bescherming van archeologische waarden. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. In het noordwesten van het plangebied geldt de bestemming 'Waarde - archeologie categorie 2'. Bij bodemingrepen in dit gebied groter dan 100 m² en dieper dan 30cm is archeologisch onderzoek nodig. In het zuiden van het plangebied geldt de bestemming 'Waarde - archeologie categorie 3'. Bij bodemingrepen in dit gebied groter dan 500 m² en dieper dan 30cm is archeologisch onderzoek nodig.
pagina 7 van 45
De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied voorziet in het realiseren een bedrijfsgebouw, kantoor en bijbehorende parkeerplaatsen. Deze functies passen niet binnen de mogelijkheden van de bestemming 'Horeca - 1'. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om voorlopig op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)-omgevingsplan De TAM biedt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de nieuwe standaarden en met nieuwe plansoftware mogelijk is. Met het TAM-omgevingsplan wordt het tijdelijk deel van het omgevingsplan juridisch gewijzigd.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.
pagina 8 van 45
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is bebouwing aanwezig van een horecavestiging. Het restaurant fungeerde als een 'chauffeurscafé' nabij de rijksweg A28. Het betreft een gebouw van ca. 450 m² dat bestaat uit een laag met een kap. Het grootste gedeelte van het plangebied is ingericht als parkeerplaats voor vrachtwagens, dit betreft ca. 7.200 m² van het plangebied. Het overige deel van het plangebied is in gebruik voor een bedrijfswoning behorende bij het restaurant. Het plangebied ligt aan rand van de stad Amersfoort, nabij het bedrijventerrein De Wieken. De Wieken ligt ten zuiden van het Knooppunt Hoevelaken, in de oksel van de rijkswegen A28 en A1. Aan het noorden van het plangebied ligt de Hogeweg. De Hogeweg is een verbindingsweg tussen de A28 en het centrum van Amersfoort. De weg loopt voorbij de planlocatie verder door in het bedrijventerrein. Verder ten noorden is een Foodcourt en meerdere bedrijven gelegen. Ten oosten van het plangebied is een tuincentrum aanwezig. Verder ten oosten is er een gemengd gebied aanwezig bestaande uit een mix van bedrijven en woningen. Ten zuiden van het plangebied staat een woning met enkele paardenvelden. Daarachter is een paardenpensioen gevestigd. Ten westen van het plangebied ligt de Barneveldseweg en de afrit van de A28. Tussen de afrit en de rijksweg staat de rijksmonumentale boerderij 'Maxhoeve'.
Verder ten westen liggen de wijken Liendert en Rustenburg. Op de onderstaande afbeeldingen is een impressie van het plangebied in de huidige situatie te zien.
Huidige situatie plangebied, vanaf de Hogeweg (bron: Google Streetview)
pagina 9 van 45
Situatietekening huidige situatie (bron: Google Streetview)
2.2 Toekomstige situatie Het voornemen is om het restaurant, bedrijfswoning en parkeerterrein te slopen en hier in de plaats een bedrijfsgebouw te realiseren. Het gebouw bestaat uit twee delen: een fabriekshal en een kantoor. Het gebouw heeft een bvo van 5.433 m² en wordt 15 meter hoog. De fabriekshal omvat het merendeel van het gebouw. De fabriek heeft een bvo van 4.857 m² en betreft enkel de begane grond. Het kantoor komt ten westen van de fabriek en bestaat uit drie lagen. Het kantoor heeft een bvo van ca. 1.800 m². Het overige deel van het plangebied blijft grotendeels verhard. Ten zuiden van het kantoor en fabriek worden 90 parkeerplaatsen voor werknemers eventuele bezoekers geplaatst. Langs de randen van het terrein wordt groen aangebracht. Aan het zuiden van het plangebied, langs de perceelsgrens met de nabijgelegen woning wordt een kokoswall van 4 meter hoog geplaatst. De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.
pagina 10 van 45
Situatietekening toekomstige situatie, begane grond (bron: Architektenburo Guido Bakker, 23-10-2025)
Situatietekening toekomstige situatie, verdieping 1 t/m 3 (bron: Architektenburo Guido Bakker, 04-06-2025)
pagina 11 van 45
3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: a.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
b.
duurzaam economisch groeipotentieel;
c.
sterke en gezonde steden en regio's;
d.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om voor duurzaam economisch groeipotentieel.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
pagina 12 van 45
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m². Met de beoogde ontwikkeling wordt een bedrijfslocatie van ca. 7.300 m² BVO mogelijk gemaakt. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dienen de trappen van de ladder behandeld te worden. Behoefte Zoals blijkt uit 'Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030-2040' blijkt dat er in de gemeente Amersfoort behoefte is voor het uitbreiden en intensiveren van enkele bestaande bedrijventerreinen en goed bereikbare locaties langs de A1 en A28. Het plangebied ligt nabij het bedrijventerrein De Wieken en op zeer korte afstand tot de A1 en A28. Gelet op de ligging van het plangebied op het bedrijventerrein en de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving is te stellen dat er behoefte is voor uitbreiding op deze locatie en dat dit gewenst is.
Buiten bestaand stedelijk gebied In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ Rondom het plangebied zijn reeds woon- en bedrijfsgebouwen aanwezig. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit stedenbouwkundig samenstel. Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als stedelijk gebied. Tevens wordt het plangebied in de omgevingsverordening provincie Utrecht aangemerkt als stedelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 1 januari 2024 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
▪
waarin Stad en land gezond zijn;
▪
die Klimaatbestendig en water robuust is;
▪
waarin Duurzame energie een plek heeft;
▪
met Vitale steden en dorpen;
▪
die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
pagina 13 van 45
▪
met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
▪
die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Kernwoorden hierbij zijn slim combineren en concentreren. Daarnaast gaat het om samenwerking, aangezien de provincie de vraagstukken waar de provincie voor staat niet alleen kan oplossen. Het betreft samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Vitale steden en dorpen Het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied zoals aangewezen door de provincie Utrecht. De werkgelegenheid binnen de provincie groeit tot 2050 stevig met naar verwachting 100.000 banen en dat is ook nodig voor een goede woon-werkbalans. De provincie Utrecht heeft de ambitie om de ruimtevraag zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd en in de nabijheid van bestaande knooppunten. Het initiatief sluit aan bij deze ambitie door middel van het uitbreiden van een bestaand bedrijf binnen het stedelijk gebied van Amersfoort. Overstroombaar gebied Verder ligt het plangebied in een overstroombaar gebied. Binnen dit gebied werken gemeenten, waterbeheerders en de veiligheidsregio Utrecht samen om gevolgen van mogelijke overstromingen zo veel mogelijk te beperken. Bij naslag van de klimaateffectatlas is de minimumkans voor overstroming binnen het plangebied eens per driehonderd jaar. Het beoogde plan ondervindt geen hinder op basis van dit punt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht.
3.2.2 Omgevingsverordening Provincie Utrecht In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening
gaat
het
deels
om
regels
die
alleen
voor gemeenten,
waterschappen
en
uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen
pagina 14 van 45
vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere keer zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te stimuleren.
Planspecifiek Stedelijk gebied Het plangebied ligt in het stedelijk gebied. In artikel 9.18 van de omgevingsverordening staan instructieregels over bedrijventerreinen binnen stedelijk gebied. Er wordt gesteld dat met ontwikkeling wordt aangesloten aan het Provinciaal Programma Wonen en Werken. Gelet op de beperkte schaal van de uitbreiding voldoet voorliggend plan aan de basisprincipes van het programma: de ontwikkeling is kleiner dan 1 hectare. Tevens betreft de beoogde uitbreiding, zoals in paragraaf 4.2 is opgenomen, een duurzame ontwikkeling. Overstroombaar gebied Het plangebied is gelegen in een overstroombaar gebied, waarbij het risico is dat het plangebied onder water komt te staan. Volgens artikel 2.16 van de verordening moeten plannen in gebieden waar een reëel risico is op overstroming rekening houden met deze mogelijkheid. Deze verantwoordelijkheid geldt binnendijks enkel voor kwetsbare en vitale objecten, woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt deze ook voor individuele woningen en bedrijven. Het initiatief heeft betrekking tot het toevoegen van een enkel bedrijf. Deze functie betreft geen vitaal object, woonwijk of bedrijventerrein. Artikel 2.16 van de verordening vormt geen belemmering voor het initiatief. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Amersfoort 2030-2040 De gemeenteraad van Amersfoort heeft de Omgevingsvisie 2030-2040 ‘Gezond Samenleven’ op 19 december 2023 vastgesteld. In het kader van de visievorming is vastgesteld dat de afgelopen jaren veel is veranderd in Amersfoort en de komende jaren zal er nog veel meer veranderen. De stad groeit omdat het voor veel mensen een aantrekkelijke plek is om te wonen, te werken en te recreëren. Vanwege economische ontwikkelingen, klimaatverandering en energietransitie zal de stad op verschillende plekken ingrijpend aangepakt moeten worden. De visie en strategie zijn samen met de ambities en doelen voor het beleid voor de fysieke leefomgeving vertaald in zes integrale ontwikkelopgaven. 1.
Een groene stad in een groene omgeving die water omarmt;
2.
Een duurzame CO2-neutrale stad;
3.
Een stad met een duurzame mobiliteit;
4.
Een inclusieve en aantrekkelijke stad om in te wonen;
5.
Een stad met een veelzijdige en veerkrachtige economie;
6.
Een stad waarin voorzieningen meegroeien.
pagina 15 van 45
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen aan meerdere ontwikkelopgaven uit de omgevingsvisie. Met het het verplaasten uitbreiden van de bedrijvigheid wordt er bijgedragen aan de vijfde ontwikkelopgave. De stad wil dat het aantal arbeidsplaatsen meegroeit met de groei van het aantal inwoners en dat de economie een bijdrage
levert
aan
een
duurzame,
circulaire,
inclusieve,
gezonde
en
leefbare
stad.
Met
de
beoogde bedrijfsuitbreiding worden er meer arbeidsplaatsen gecreëerd.
3.3.2 Groenvisie Amersfoort 2030 Op 8 november 2016 heeft de gemeenteraad van Amersfoort de 'Groenvisie Amersfoort 2030' vastgesteld. Met de groenvisie wil de gemeente de kwaliteit van de groenstructuur verbeteren. De groenvisie benadrukt dat Amersfoort een groene stad is, maar dat meer groen van belang is. Op 28 mei 2024 is het beleid omtrent groen geactualiseerd. Met de actualisatie heeft het nieuwe puntensysteem voor groencompensatie en natuurinclusief bouwen haar intrede gedaan. De doelen van de groenvisie worden aan de hand van een aantal thema's verwoord:
▪
Stad van de groene ruimte
▪
Biodivers Amersfoort
▪
Recreatief Amersfoort
▪
Eetbaar Amersfoort
▪
Klimaatbestendig Amersfoort
▪
Boomrijk Amersfoort
Groencompensatiebeleid Aan de hand van de groenvisie heeft de raad van Amersfoort op 31 mei 2022 het Groencompensatiebeleid vastgesteld. Ruimtelijke plannen die niet passen in het geldende bestemmingplan dienen getoetst te worden aan het groencompensatiebeleid. De toetsing bestaat uit een stappenplan dat de initiatiefnemer dient te doorlopen. Daarnaast is een Maatregelencatalogus opgesteld. De catalogus is een communicatiemiddel dat initiatiefnemers helpt om de juiste maatregelen op de juiste locatie in het ontwerp te kunnen toepassen.
Planspecifiek De initiatiefnemer heeft de stappen uit het stappenplan doorlopen en het instrument groencompensatie en natuur inclusief bouwen ingevuld. Hieruit blijkt dat er voor alle categorieën voldoende punten behaald kunnen worden. de invultabel is bijgevoegd als bijlage (Architectenburo Guido Bakker, d.d. 22 september 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1)
3.3.3 Welstandsnota De welstandsnota van de gemeente Amersoort (origineel uit 2008) is in 2017 geactualiseerd vanuit de behoefte aan een beter hanteerbaar beleid voor de ruimtelijke kwaliteiten van de stad. Met de criteria en uitgangspunten voor de welstandsbeoordeling wordt een bijdrage geleverd aan het ontwikkelen en versterken van de ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten binnen de gemeente Amersfoort. Naast de algemene criteria geldt er gebiedsgerichte criteria voor de 13 verschillende gebiedstypen die in de welstandsnota zijn onderscheiden. Het
pagina 16 van 45
plangebied ligt echter niet in een van gebiedstypen. De planlocatie ligt binnen 'Gebied in ontwikkeling'. Voor gebieden in ontwikkeling geldt het (voor dat gebied) vastgestelde beeldkwaliteitsplan. Het planvoornemen wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand door de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit (GAO), voorheen Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
3.3.4 Omgevingsprogramma Werklocaties In februari 2025 is het Omgevingsprogramma Werklocaties door de gemeenteraad van Amersfoort vastgesteld. De gemeente Amersfoort streeft ernaar het aantal banen evenredig te laten meegroeien met de bevolkingsgroei. Dit vraagt om voldoende en toekomstbestendige ruimte voor bedrijven en werkgelegenheid. De gemeente richt zich daarbij primair op een optimaal gebruik van bestaande bedrijventerreinen, kantoorlocaties en andere werklocaties binnen de stad. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in het Omgevingsprogramma Werklocaties, waarin is uitgewerkt op welke wijze deze ambitie wordt gerealiseerd. Met de vaststelling van dit programma heeft de gemeenteraad de eerdere beleidsdocumenten – de Visie Werklocaties (2011), de actualisatie hiervan (2013) en het Afwegingskader Transformatie Kantoren (2019) – ingetrokken. Binnen het Omgevingsprogramma zet de gemeente in op behoud van van deze terrein voor handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. De gemeente wil zoveel mogelijk inzetten op het landen van niet-mengbare bedrijven op deze terreinen, zoals bedrijven met activiteiten die (veel) hinder veroorzaken. De gemeente voorziet dat de vraag naar ruimte op bedrijventerreinen in de toekomst verder zal toenemen. Dit heeft onder andere te maken met de transitie naar een circulaire economie.
Deze transitie is hard nodig vanwege aantasting van natuur, uitstoot van verontreinigende stoffen, klimaatverandering, afvalbergen en leveringsrisico’s van grondstoffen en producten.
Planspecifiek Met het voorliggende plan krijgt een kavel op (of nabij) het bedrijventerrein De Wieken een bedrijfsmatige functie. Op het terrein wordt een bedrijfstak van Aalbers ondergebracht, houtbouw, waarmee invulling wordt gegeven aan de veranderingen in de bouw als gevolg van een steeds meer circulaire economie. Voorliggend plan sluit daarmee aan op de ambities vanuit het omgevingsprogramma.
3.3.5 Omgevingsprogramma Mobiliteit 2025-2035 Op 13 mei 2025 heeft het college van Burgemeester en Wethouders het Omgevingsplan Mobiliteit vastgesteld, waaronder ook het parkeerbeleid. Om Amersfoort ook in de toekomst bereikbaar en leefbaar te houden voor iedereen die er woont, werkt en ontspant, is het nodig dat anders wordt omgegaan met mobiliteit. Het Omgevingsprogramma geeft hieraan een eerste invulling. Het beleid in de gemeente Amersfoort kent drie belangrijke pijlers te weten:
▪
STOMP: Dit is de afkorting voor Stappen (lopen), Trappen (fietsen), OV (Openbaar Vervoer), MaaS (deelvervoer) en Privéauto.
▪
Levensaders: Dit zijn doorgaande routes die ruimte bieden voor ontmoeten en waar voetgangers en fietsers voorop staan.
▪
Bereikbare stad voor iedereen: Beperkingen in lichamelijke, psychische, financiële zin of welke zin dan ook, moeten daarin zo min mogelijk een rol spelen.
pagina 17 van 45
Het programma gaat onder andere uit van de realisatie van twee stadsrandhubs en drie corridors waar verschillende lijnen (zowel U-liner, U-link en U-bus) van profiteren. De verbindingsroute Oost sluit aan op de stadsrandhub te hoogte van de A28. Bedrijventerrein De Wieken kan hiervan profiteren.Ten aanzien van parkeren wordt nabij De Wieken niet voorzien in betaald parkeren.
Planspecifiek Onderhavig plan heeft niet direct een relatie met het Omgevingsprogramma Mobiliteit. Als gevolg van de ambities vanuit het programma wordt de bereikbaarheid van het bedrijventerrein, via het openbaar vervoer, wel verbetert op termijn.
pagina 18 van 45
4 Onderzoek 4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek Om de toename van het aantal verkeersbewegingen in beeld te brengen is de CROW publicatie 744 geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom', in 'sterk stedelijk' gebied. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie weergegeven. Type
CROW-categorie
Aantal
Kengetal
Verkeersgeneratie
Bedrijfsgebouw
Bedrijf
7.100 m²
4,3 per 100 ²
315,95
arbeidsextensief/bezoekersextensief Kantoor
Kantoor (met baliefunctie)
bvo 1.800 m²
10,6 per 100
190,8
m² bvo kantoor
Kantoor (zonder balie functie)
1.000 m²
5,6 per 100
56
m² 562,75
Totaal
Zoals blijkt uit de tabel neemt het aantal verkeersbewegingen toe met ca. 562,75 verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename kan naar verwachting goed opgevangen worden op de Hogeweg en de nabijgelegen A28. De verwachting is dat de werkelijke verkeersgeneratie lager zal zijn. In het gebouw zullen ca. 20 medewerkers komen te werken. Ervan uitgaande dat alle medewerkers met de auto komen (dit kan worden gezien als een worstcase benadering), en er per dag enkele bezoekers en leveranciers aanwezig zijn, zal er sprake zijn van ca. 50 verkeersbewegingen per etmaal. Uit raadpleging van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijt dat de etmaal intensiteit aan de Hogeweg/Barneveldseweg, ter hoogte van de ontwikkellocatie, in totaal 3.138 mvt/e bedraagt. De capaciteit per rijstrook varieërt in de regel tussen de 1.800 – 2.000 mvt/uur. Voor een tweestrooksweg (2×1) betekent dat dus maximaal
ca.
pagina 19 van 45
3.600
–
4.000
mvt/uur
totaal
(in
beide
richtingen
samen).
Daarmee
heeft
de
Hogeweg/Barneveldseweg nog voldoende capaciteit om de berekende toename op te vangnen. Waarbij de kanttekening gemaakt moet worden dat in de berekening nog geen rekening is gehouden met de afname van het (zwaar-)verkeer als gevolg van de sluiting van het truckerscafé. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.1.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen
Planspecifiek De 'Parkeernormen Auto Gemeente Amersfoort 2025' van de gemeente Amersfoort bevat de gemeentelijke parkeernormen die aangehouden dienen te worden bij een ontwikkeling. Deze parkeernormen zijn uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘rest Amersfoort'. Hiervan wordt het gemiddelde gebruikt. De onderstaande afbeelding toont de parkeerberekening.
pagina 20 van 45
Parkeerberekening (bron: Architectenburo Guido Bakker)
De parkeerbehoefte in de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 90 parkeerplaatsen. Op het parkeerterrein van het bedrijf wordt ruimte gemaakt voor 90 parkeerplaatsen. Hiermee wordt er ruim voldaan aan de parkeerbehoefte. Met de parkeerberekening is rekening gehouden een mogelijke toekomstige uitbreiding van de kantoorruimte van de kleinere bedrijfshallen. Dit maakt verder geen deel uit van het voorliggende plan.
4.2 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
pagina 21 van 45
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
Planspecifiek Het beoogde bedrijfsgebouw wordt volgens de BENG methode gebouwd. Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. In aanvulling hierop is de klimaateffectatlas geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er voor het plangebied geen aandachtpunten zijn voor de gevolgen van klimaatverandering. Op basis van de invultabel uit het groencompensatietabel van de gemeente Amersfoort wordt er extra groen gerealiseerd, zowel op maaiveld als op het dak van het bedrijfsgebouw. Tevens worden er PV panelen op het dak toegevoegd, zoals op de onderstaande afbeelding te zien is.
Dakaanzicht bedrijfsgebouw (bron: Architectenburo Guido Bakken, 22-09-2025)
4.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
▪
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
▪
gebouw voor kinderopvang met bedden;
▪
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
pagina 22 van 45
Het
beschermen
van
deze
geluidsgevoelige
gebouwen
gebeurt
aan
de
hand
van
vastgestelde
geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek Het beoogde bedrijfsgebouw is niet aan te merken als een geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek naar beluidbelasting vanwege wegverkeer is daarmee niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Activiteiten en milieuzonering De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit beschikbaar is.
De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden. Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
Gebiedstypen In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en
pagina 23 van 45
buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan.
Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
▪
Luchtverontreiniging.
▪
Externe veiligheid en gevaar.
▪
Trillinghinder.
▪
Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
▪
Lichthinder.
▪
Spuitzones.
▪
De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient aangetoond te worden dat het realiseren van het bedrijfsgebouw geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Uit raadpleging van de VNG publicatie 2024 blijkt dat voor 'Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout' een basiswaarde van 50 dB op 100 meter geldt. In de directe nabijheid zijn zes woningen aanwezig die mogelijk hinder kunnen ondervinden van de beoogde nieuwe bedrijfsvoering. Om de effecten van de beoogde bedrijfsvoering op deze zes woningen in beeld te brengen is door de Milieuadviseur een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd
(De Milieuadviseur, 16 juli 2025, rapportnummer 25072, zie bijlagen bij
toelichting, Bijlage 2). Onderzocht is wat de gevelbelasting, als gevolg van de bedrijfsvoering, bedraagt bij de woningen aan de Barneveldseweg 2 en 10 en de Hogeweg 170, 219, 229 en 229a. In het onderzoek is de beoogde plaatsing van een Kokowall van 4 meter hoog in de zuidelijke perceelsgrens als maatregel meegenomen.
pagina 24 van 45
De Milieuadviseur komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat bij alle omliggende woningen wordt voldaan aan de grenswaarden van 50 dB(A) uit het Omgevingsplan. Ook voor de maximale geluidsbelastingen (piekniveaus) wordt voldaan aan de geldende richtwaarden.
4.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de beperkte omvang van het initiatief wordt het per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom
het
plangebied.
Er
is
gekeken
naar
het
dichtstbijzijnde
rekenpunt
nabij
het
plangebied
(32160938_200308). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2024 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) en (PM10) in het plangebied bedragen respectievelijk gemiddeld 18,6 μg/m³, 8,7 μg/m³ en 16 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie en archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten
pagina 25 van 45
de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek Archeologie Op de gronden van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde Archeologie 3'. De vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemmingen worden met de beoogde ontwikkeling overschreden. Derhalve is archeologisch onderzoek vereist. ADC Archeologie Projecten heeft hiertoe een bureauonderzoek uitgevoerd. (6383, d.d. 16-04-2024, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 3). In het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat er in het plangebied mogelijk archeologische resten aanwezig zijn. Op grond van eerder onderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied verschillende archeologische resten zijn aangetroffen. Er wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de bodemopbouw en de aard, omvang en diepte van eventuele verstoringen in kaart te brengen. Aan de hand van de gegevens van het veldonderzoek kan de gespecificeerde verwachting worden aangevuld. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Op basis hiervan worden er tijdens de sloopactiviteiten proefsleuven gegraven. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Op een afstand van ca. 130 m ten westen van het plangebied is een monument gelegen.
De boerderij aan de Hogeweg 219 (Herenboerderij Maxhoeve) is opgenomen als rijksmonument. De beoogde ontwikkeling doet, gelet op de afstand en schaal van de ontwikkeling, geen afbreuk aan de waarde van dit monument. In het plangebied of in de omgeving zijn daarnaast geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de beoogde ontwikkeling. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient er een archeologisch onderzoek door middel van een verkennend booronderzoek uitgevoerd te worden.
pagina 26 van 45
4.7 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten
op
grond
van
een
omgevingsplan
of
een
omgevingsvergunning
voor
een
omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Amos, 244.026.BR.11.ROS, d.d. 12 april 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat voor het overgrote deel van het terrein er hoogstens lichte verontreinigingen zijn aangetoond, welke geen directe beperking geven voor eventuele herontwikkeling tot bedrijventerrein. In de bovengrond, direct onder de fundering, van het oude parkeerterrein zijn verhoogde waarden aan zware metalen, PKA, en/of minerale olie aanwezig. In de bodem is enkel sporadisch, eenduidige asbest onverdachte bijmenging (enkele resten/sporen baksteen) aangetroffen. Deze eenduidige bijmenging wordt niet als asbestverdacht beschouwd.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd om de verontreinigde funderingslagen voorafgaand aan afvoer (bijvoorbeeld naar een verwerker) of toepassing elders alsnog te keuren middels een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit. De verontreinigde verharding / puinfundatie wordt afgevoerd. Er is geen sprake van een bodemverontreiniging.
4.8 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar
pagina 27 van 45
grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (106/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en
pagina 28 van 45
kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.