Natuurtoets voor sloop- en bouwwerkzaamheden (Tauw, 16 januari 2026)
Tekst van het document
Wespendief, havik en buizerd broeden allen in bebost gebied. Dit habitat is niet aanwezig in het plangebied. Daarnaast bestaat het plangebied uit een voetbalvereniging en een zwembad waar sprake is van verstoring door auto’s en menselijke beweging. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig. Grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan oevers van beken en rivieren, liefst met bomen omzoomd. De soort broedt in Nederland dan ook uitsluitend op de hogere zandgronden in het oosten en zuiden van het land, met de Utrechtse Heuvelrug en het westen van Brabant als uiterste verspreiding. In en rondom het plangebied is geen geschikt oppervlaktewater voor de grote gele kwikstaart aanwezig. Nader onderzoek en het aanvragen van een omgevingsvergunning is niet nodig. Ooievaar is een soort van weilanden en uiterwaarden waarbij gebroed wordt op ooievaarspalen, hoogspanningsmasten en sporadisch op bebouwing. Het broeden in bomen komt ook voor (Vogelbescherming, 2023). Nesten van ooievaars zijn zeer goed te zien door de omvang, deze zijn niet waargenomen. Aanwezigheid van ooievaarsnesten in het plangebied uitgesloten. Nader onderzoek naar de ooievaar is niet nodig, net als het aanvragen van een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten.
Slechtvalk broedt (in nestkasten of gebruikt nesten van andere soorten) op hogere gebouwen zoals kerktorens en bruggen, en hoogspanningsmasten (Vogelbescherming, 2023). Zulke gebouwen ontbreken in het plangebied, ze zijn niet hoog genoeg. Negatieve effecten op en nesten van slechtvalk zijn daarom uitgesloten. Nader onderzoek naar de slechtvalk is niet nodig, net als het aanvragen van een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten.
32/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Roek heeft voorkeur voor open tot halfopen agrarisch landschap met hoge bomen. Roeken broeden in kolonies (Vogelbescherming, 2026). Er is geen roekenkolonie waargenomen tijdens het veldbezoek. Negatieve effecten op nestplaatsen van roek zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. Zwarte wouw komt tijdens het broeden voor in halfopen, bos- en waterrijke gebieden, zoals rivierdalen met ooibossen en moerasgebieden. Vanaf 2009 broedt de zwarte wouw in kleine getalen in Nederland, vooral in Limburg (Sovon, 2026). Er zijn geen broedgevallen van de zwarte wouw bekend in Utrecht of Gelderland (Sovon, 2026). Verder ontbreekt geschikt habitat voor de zwarte wouw, deze soort broedt niet in de bebouwde kom of naast sportvelden. Nader onderzoek naar de zwarte wouw is niet nodig, net als het aanvragen van een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten. 3.6.3.2
Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren
Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze eerder gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn en een nieuw nest kunnen maken of zich elders kunnen vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied. Dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, groene specht, grote bonte specht, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, zeearend, zwarte kraai en zwarte roodstaart hebben een gunstige staat van instandhouding (Sovon, 2026). Maatregelen ten gunste van deze soorten worden daarom niet nodig geacht. Tijdens het veldbezoek is de omgevingsscan uitgevoerd en bepaald of soorten uit deze categorie met een matige of zeer ongunstige staat van instandhouding in het plangebied kunnen broeden. Op basis van verspreidingsgegevens (Sovon, 2026) van broedparen en het voorkeurshabitat kunnen nesten van brilduiker, draaihals, eider, hop en kleine vliegenvanger op voorhand worden uitgesloten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.
De soorten die een matige of zeer ongunstige staat van instandhouding hebben, en voorkomen in de omgeving van het plangebied, betreffen: Blauwe reiger Boerenzwaluw
Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger
Huiszwaluw Spreeuw Tapuit
33/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Torenvalk
Zwarte specht Zwarte mees
Huiszwaluw en boerenzwaluw Huiszwaluw en boerenzwaluw maken moddernesten aan bouwwerken. Geschikte nestplaatsen betreffen voor boerenzwaluw vaak open schuren en voor huiszwaluw overhangende (witte) dakdelen. De gebouwen in het plangebied bieden geen geschikte broedplaatsen voor huiszwaluw en boerenzwaluw. Er zijn geen overhangende dakdelen of daken met dakpannen. Daarnaast zijn er geen moddernesten of sporen daarvan aangetroffen tijdens het veldbezoek. Voorkomen van beschermde functies van huiszwaluw en boerenzwaluw in het plangebied zijn uitgesloten. Huiszwaluw en boerenzwaluw kunnen mogelijk in de woonhuizen rondom het plangebied broeden. De verblijfplaatsen worden echter niet fysiek aangetast en er worden geen individuen gedood, omdat er geen werkzaamheden plaatsvinden aan de woonhuizen. Ook zal er tijdens de werkzaamheden geen extra verstoring optreden, gezien de woonhuizen zich op voldoende afstand van het plangebied bevinden en er op dit moment al sprake is van menselijke verstoring door auto’s en menselijke beweging. Van het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van huiszwaluw en boerenzwaluw (overtreding artikel 11.46 lid 1 Bal) is daarom geen sprake. Negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig.
Spreeuw Spreeuw broedt vaak met meerdere soortgenoten bij elkaar in de buurt. Nesten worden zowel in natuurlijke holtes van grote oude bomen als in nestkasten en in gaten/nissen in gebouwen gemaakt. De gebouwen binnen het plangebied bieden geen geschikte nestlocaties voor spreeuwen. Nesten van spreeuwen zitten hoger in gebouwen met pannendaken, bij schoorstenen of op schuine daken met losse pannen, deze zijn niet aanwezig in het plangebied. Wel zijn er mogelijk boomholtes aanwezig in de bomen rondom het plangebied. Er worden geen bomen gekapt, dus fysieke aantasting van nestplaatsen van spreeuwen is uitgesloten. Daarnaast zijn in de nabije omgeving voldoende alternatieven voor broedlocaties voor spreeuwen. Nesten van spreeuw zijn wel beschermd tijdens het broedseizoen. Nader onderzoek en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor spreeuw is niet nodig. Blauwe reiger Blauwe reiger broedt meestal in kolonies in bomen, maar steeds vaker ook solitair. De blauwe reiger zoekt een combinatie van bomen om in te broeden en ondiep water dat voor voedselvoorziening zorgt. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, en het oppervlaktewater ten zuiden van de nieuwe locatie van het zwembad is van slechte kwaliteit. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen nestlocaties van blauwe reiger aangetroffen.
Gezien de omvang van deze nesten zouden zij, indien aanwezig, goed waarneembaar zijn. Functioneel leefgebied is niet aan de orde door de vele menselijke verstoringen in en nabij het plangebied.
34/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Nader onderzoek en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor blauwe reiger is niet nodig. Glanskop, gekraagde roodstaart en grauwe vliegenvanger De glanskop broedt in wat ouder loofbos van minimaal 4 hectares (Vogelbescherming, 2026). Gekraagde roodstaart komt voor in gevarieerde oude gemengde bossen met open plekken (heidevelden, schraalgraslanden of andere open gebieden) met een ruim aanbod van spechtengaten in de bomen. Grauwe vliegenvanger komt voor in open loofbossen en gemengde bossen, bosranden met struwelen, parkachtige gebieden en lommerrijke dorpen en boerenerven (Vogelbescherming, 2025). Er worden geen bomen gekapt dus fysieke aantasting van eventuele nesten is uitgesloten. Daarnaast zijn er voldoende alternatieven in de vorm van de bomen ten oosten en zuiden van het plangebied. Wel moet er buiten het broedseizoen gewerkt worden. Negatieve effecten op glanskop, gekraagde roodstaart en grauwe vliegenvanger zijn dan uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit is voor deze soorten dan niet nodig. Overige soorten Torenvalk komt voor in open en halfopen land met veel woelmuizen. Hij broedt in nestkasten, oude kraaiennesten in bomen, in nissen in gebouwen, in solitaire bomen en aan de rand van bos en bosjes. Er zijn geen kasten van torenvalk in of om het plangebied waargenomen.
Daarnaast biedt het plangebied geen geschikt habitat voor de torenvalk. Tapuit broedt langs de kust in de duinen en in het binnenland op droge heiden en stuifzanden. Zwarte spechten komen in Nederland het meest voor in uitgestrekte naaldbossen, afgewisseld door beukenlanen en percelen. In Nederland komen zwarte mezen vooral voor op de zandgronden. Naaldbossen vormen de belangrijkste leefgebieden, vooral bossen met veel sparren (Vogelbescherming, 2026). Voorkomen van de torenvalk, tapuit, zwarte mees en zwarte specht zijn uitgesloten op basis van afwezigheid van geschikt habitat. Daarnaast is er in het plangebied verstoring aanwezig in de vorm van auto’s en menselijke beweging. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit is voor deze soorten daarom niet nodig. 3.6.3.3
Vogels – in gebruik zijnde nesten
De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals de bomen rondom het plangebied. Er zijn verschillende nesten aangetroffen, deze zijn waarschijnlijk van houtduif (figuur 3.10). Er worden geen bomen gekapt, dus de werkzaamheden leiden niet tot fysieke aantasting van de nesten. Wel leiden de werkzaamheden mogelijk tot het verstoren van individuen, rustplaatsen en nesten (overtreding artikel 11.37, lid 1 van het Bal).
35/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Figuur 3.10 Een voorbeeld van een nest (rood omcirkeld) van houtduif of een andere algemene broedvogel in de bomen rondom het plangebied
Vogels kunnen gedurende het gehele jaar gaan broeden. Het is daarom belangrijk om hier in de planning van werkzaamheden rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Het advies is om de werkzaamheden (zoveel mogelijk) uit te voeren buiten deze periode. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels echter beschermd. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is. Zeker wanneer werkzaamheden over een groter gebied en in verschillende fases worden uitgevoerd, is het van belang de planning goed door te nemen met de betrokken ecoloog. Mogelijk zijn er één of meerdere broedvogelcontroles noodzakelijk. Indien een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest. Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door de betrokken ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. 3.6.4
Amfibieën
Rugstreeppad Rugstreeppad is een typische pionierssoort die specifieke habitatvereisten heeft voor zijn voortplanting en overwintering. Deze soort heeft ondiepe wateren nodig die snel opwarmen, wat cruciaal is voor zijn voortplanting. Tijdens de winter zoekt de rugstreeppad een vorstvrije plek op land, op een afstand van minstens 100 meter van het water. De overwinteringslocaties dienen vorstvrij te zijn, boven het grondwater te liggen en moeten zich bevinden in vergraafbare bodem. Ideale schuilplaatsen zijn muizenholletjes, stronken of dammetjes met puin. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, voortplantingsplaatsen zijn uitgesloten in het plangebied. Ook in de directe omgeving van het plangebied is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig, het water
36/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
ten zuiden van de locatie van het nieuwe zwembad is beschoeid, troebel, voedselrijk, schaduwrijk en heeft geen vegetatie (figuur 3.11). Verder is het plangebied grotendeels verhard of wordt intensief beheerd, dus biedt ook geen winterverblijfplaatsen voor de rugstreeppad. Verblijfplaatsen van de rugstreeppad in het plangebied zijn uitgesloten. Wel zou de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden het plangebied kunnen koloniseren. Rugstreeppadden, en dan vooral de juvenielen, kunnen afstanden tot circa 5 kilometer afleggen opzoek naar geschikt leefgebied. Het is daarom van belang plasvorming op het terrein tijdens de werkzaamheden te voorkomen. Negatieve effecten door het voornemen zijn dan uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de rugstreeppad is niet nodig.
Figuur 3.11 Het water ten zuiden van de locatie van het nieuwe zwembad is beschoeid, troebel, voedselrijk, schaduwrijk en heeft geen vegetatie. Bron: Streetsmart.cyclomedia, 9 mei 2022
Heikikker, kamsalamander en poelkikker De heikikker is een kritische soort waarvan het habitat vooral bestaat uit heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland, maar ook bos en struweel, alles met een hoge grondwaterstand. De heikikker komt veel voor in relatief voedselarme, vaak zwak zure wateren (BIJ12 heikikker, 2017). Kamsalamanders komen voor in oude, kleinschalige cultuurlandschappen. Er moet altijd een geschikt voortplantingswater binnen enkele honderden meters, zonder barrières te bereiken zijn. Het voortplantingswater wordt gevormd door vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, half beschaduwde, iets voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde
37/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
water- en oevervegetatie (BIJ12 Kamsalamander, 2017). De poelkikker leeft vooral in gebieden met zwak zure, oligotrofe, schone, stilstaande wateren in de landschapstypen bos, heide en hoogveen. Ook wordt de soort gemeld uit halfnatuurlijke graslanden, agrarische kleipolders met kwel, laagveen en op ruderaal terrein. Hij heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren, maar de oeverzone moet goed begroeid zijn (BIJ12 Poelkikker, 2017). Deze habitattypes zijn niet aanwezig in het plangebied. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, voortplantingsplaatsen zijn uitgesloten in het plangebied. Ook in de directe omgeving van het plangebied is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig, het water ten zuiden van de locatie van het nieuwe zwembad is beschoeid, troebel, voedselrijk, schaduwrijk en heeft geen vegetatie (figuur 3.11). Verder is het plangebied grotendeels verhard of wordt intensief beheerd, dus biedt ook geen landhabitat voor heikikker, poelkikker en kamsalamander. Verblijfplaatsen van de heikikker, poelkikker en kamsalamander in het plangebied zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is niet nodig. 3.6.5
Reptielen
Zandhagedissen komen voor in zandige, droge, open terreinen zoals heide- en duingebieden. De aanwezigheid van voldoende zonnige en zandige plekken om op te kunnen warmen is een belangrijk vereiste voor het leefgebied van de zandhagedis. Hazelworm komt vooral voor in vochtige, met vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide en spoor- en wegbermen en ruderale plaatsen. Hazelworm heeft schuilplaatsen in strooisel, onder dood hout en in holen in de grond. Verder heeft de soort zonplekken nodig waar deze kan opwarmen. Levendbarende hagedis komt voor in (vochtige) heide, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Ook komt hij voor in weg- en spoorbermen. Ringslang is te vinden in ondiepe natuurvriendelijke, flauwe oevers in gebieden zonder grote, laaggelegen, natte oppervlakken. Voortplanting gebeurt middels het gebruik van broeihopen. Het ontbreekt in het plangebied aan dergelijke habitats en broeihopen. Daarom zijn geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor ringslang aanwezig in het plangebied. Het ontbreekt in het plangebied aan dergelijke habitats. Daarom zijn geen geschikte voortplantings- en overwinteringsplaatsen voor de zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang aanwezig in het plangebied.
Het voorkomen van de zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang in het plangebied en negatieve effecten van het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor de zandhagedis, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang zijn niet nodig. 3.6.6 Vlinders Grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De soort legt eitjes op verschillende waardplanten. Dit zijn: iepen, wilgen, populieren en sleedoorns. Overwinteringsplaatsen, zoals boomholtes en loszittend schors, van grote vos zijn ook beschermd. Iepenpage komt voor in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen. Zoals de naam doet vermoeden, legt de soort eitjes in de waardplant iep. Grote weerschijnvlinder komt voor in oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De soort legt eitjes op verschillende waardplanten. Dit zijn:
38/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
boswilg en soms grauwe wilg. De bruine eikenpage komt voor bij bosranden, open bospaden, eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. De waardplant van de bruine eikenpage is eik; vooral zomereik (Vlinderstichting, 2026). De waardplanten van de sleedoornpage zijn sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten, waaronder pruim (Vlinderstichting, 2026). Bij de beoogde ontwikkeling worden geen bomen gekapt. Negatieve effecten op de grote vos, iepenpage, grote weerschijnvlinder, bruine eikenpage en sleedoornpage zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de grote vos, iepenpage, grote weerschijnvlinder, bruine eikenpage en sleedoornpage zijn niet nodig. Kommavlinder, het gentiaanblauwtje en de kleine ijsvogelvlinder De kommavlinder komt voor op droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. De waardplanten van de kommavlinder zijn kleine polletjes van schapengras (Festuca); soms ook andere zwenkgrassen (Festuca), buntgras (Corynephorus) en struisgras (Agrostis) (Vlinderstichting, 2026). Het gentiaanblauwtje is een zeldzame soort van de vochtige heide en komt voor bij natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden. De waardplant van het gentiaanblauwtje is de klokjesgentiaan (Vlinderstichting, 2026).
Kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, waarbij geschikte waardplanten doorgaans in de halfschaduw groeien. De soort legt eitjes op de waardplant wilde kamperfoelie. In het plangebied zijn deze habitats niet aanwezig. Voorkomen van de kommavlinder, het gentiaanblauwtje en de kleine ijsvogelvlinder zijn uitgesloten op basis van geschikt habitat. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor de kommavlinder, het gentiaanblauwtje en de kleine ijsvogelvlinder is niet nodig. Teunisbloempijlstaart en zilveren maan Teunisbloempijlstaart komt voor in open bossen, langs bosranden en op warme open plekken. De soort legt eitjes op verschillende waardplanten. Dit zijn teunisbloemen, basterdwederik, harig wilgenroosje en grote kattenstaart. Het plangebied biedt geen geschikt habitat teunisbloemen, basterdwederik, harig wilgenroosje en grote kattenstaart, gezien het deels verhard is en intensief beheerd wordt. Daarnaast zijn deze waardplanten niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Zilveren maan komt voor op natte tot vochtige, schrale graslanden en bloemrijke hooi- of rietlanden. Een eis voor deze soort is de aanwezigheid van moeras-, duin- of hondsviooltjes en een groot aanbod van nectarplanten.
Het plangebied biedt geen geschikt habitat voor moeras-, duin- of hondsviooltjes, gezien het deels verhard is en intensief beheerd wordt. Voorkomen van de waardplanten van zilveren maan en teunisbloempijlstaart en negatieve effecten op deze soorten in het plangebied zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de teunisbloempijlstaart en de zilveren maan zijn niet nodig. 3.6.7
Overige ongewervelden
Het vliegend hert is in Nederland aanwezig op de Veluwe, in Twente, het Rijk van Nijmegen, midden-Limburg en Zuid-Limburg. Binnen deze verspreidingsgebieden bevindt de soort zich in meerdere, grotendeels geïsoleerde deelgebieden. Alhoewel vliegend hert goed kan vliegen,
39/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
verspreid de soort zich nauwelijks, waardoor er vrijwel geen uitwisseling is tussen geïsoleerde populaties (EIS-kenniscentrum insecten, 2026). Het plangebied bevindt zich niet in een van deze deelgebieden en de dichtstbijzijnde waarneming van het vliegend hert is 14,5 kilometer van het plangebied verwijderd (NDFF, 2026). Daarnaast biedt het plangebied geen geschikt habitat voor het vliegend hert, gezien het habitat van het vliegend hert bestaat uit voldoende dood (eiken)hout, bijvoorbeeld aangetast door witrot (EIS-kenniscentrum insecten, 2026). Dit is niet in het plangebied aanwezig. Voorkomen van het vliegend hert in het plangebied is uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit zijn niet nodig. 3.6.8 Specifieke zorgplicht Er geldt een aantal generieke en specifieke (locatiegebonden) maatregelen. De generieke maatregelen zijn bij elk project van toepassing, de specifieke maatregelen zijn afhankelijk van de aanwezige ecotopen binnen het plangebied. Rode draad:
Start het werk met ongeschikt maken, doe dat binnen de minst kwetsbare periode (afhankelijk van de aanwezige soorten, zie specifieke maatregelen en indien van toepassing het ecologisch werkprotocol)
Geef mobiele soorten daarmee de kans het plangebied te verlaten Minder mobiele en immobiele soorten worden verzameld en overgeplaatst door een ecologisch deskundige5 (zie specifieke maatregelen en indien van toepassing het ecologisch
werkprotocol) Een natuurtoets is bij locaties met veel beschermde en/of bedreigde soorten niet voldoende om alle relevante maatregelen uit te werken. In zulke situaties dient conform een ecologisch werkprotocol te worden gewerkt, opgesteld door een ecologisch deskundige
Generieke maatregelen:
Houd het werkterrein zo klein mogelijk Houd de doorlooptijd zo kort als redelijkerwijs mogelijk is Stel de rij- en werksnelheid van machines en de hoogte van een eventuele maaibalk zo af
(bijvoorbeeld 10 centimeter) dat dieren zoveel mogelijk kunnen wegvluchten. Bij voorkeur wordt stapvoets gereden Maak zoveel als mogelijk gebruik van bestaande infrastructuur
Werk één kant op en in de richting van te behouden leefgebied, zodat dieren tijdig en veilig kunnen vluchten. Werk bijvoorbeeld naar open water of open gebied toe Voorkom schade aan graslanden, bermen, slootkanten, houtsingels, bosjes en bomen(rijen) die binnen het voornemen niet worden aangetast (bijvoorbeeld door insporing) Zet natuurvriendelijk materieel en/of natuursparende technieken in die zo min mogelijk verstoring veroorzaken (zoals: geluidsoverlast, betreding en omwoelen van de oevers)
5
Een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten
40/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Voer werkzaamheden bij daglicht uit. Als werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd, wordt
alleen de werkplek verlicht en uitstraling naar de omgeving voorkomen met gerichte armaturen Bij het voornemen wordt uitsluitend gebiedseigen grond gebruikt (behalve als dat uit milieu- of
veiligheidsoverwegingen niet mogelijk is) Werkzaamheden worden uitgevoerd conform een ecologisch werkprotocol, opgesteld door een ecologisch deskundige
Specifieke maatregelen per ecotoop: Ecotopen:
Bebouwing Bomenrij
Relevante soortgroepen: Vogels Terrestrische mollusken (slakken)
Sprinkhanen & krekels Grondgebonden zoogdieren Korstmossen
Sporen- en zaadplanten Vaatplanten
Specifieke maatregelen: Bebouwd gebied wordt voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt voor soorten waarvoor een specifieke zorgplicht geldt (bijvoorbeeld door het pand te
“strippen” Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt ook de rest van het plangebied ongeschikt gemaakt voor soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt -
-
-
Een ecologisch deskundige ecoloog verzamelt voorafgaand aan het ongeschikt maken de minder mobiele en immobiele soorten (zoals slakken en insecten) die aan stenen gebonden zijn en verplaatst deze samen met het harde substraat naar geschikt leefgebied buiten het plangebied Takkenrillen, stobben, stenen en ander relevant materiaal wordt verplaatst naar geschikt habitat buiten het plangebied. Dieren die niet zelfstandig weg kunnen vluchten worden door een ecologisch deskundige verplaatst naar geschikt leefgebied buiten het plangebied Tot slot worden struiken, kruiden, grassen en andere vegetatie tijdens het groeiseizoen
(maart-oktober) kort gemaaid (maaibalk op circa 10 centimeter). Deze vegetatie wordt kort gehouden tot de start van de werkzaamheden Het ongeschikt maken vindt plaats binnen de minst kwetsbare periodes van de relevante soorten Houd rekening met voortplantingsperiode(s) van fauna, larve- en popfase van insecten, inactiviteit tijdens de winterrust, enzovoorts
41/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Een ecologisch deskundige ecoloog verzamelt direct na het ongeschikt maken minder mobiele soorten die zijn achtergebleven in de gemaaide vegetatie, zoals slakken of insecten, en verplaatst deze naar geschikt leefgebied buiten het plangebied
4 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit In dit hoofdstuk zijn aanbevelingen en kansen voor biodiversiteit omschreven. De voorgestelde maatregelen zijn niet wettelijk verplicht.
4.1
Aanleiding
TAUW gelooft dat samen de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland gestopt kan worden. TAUW is daarom aangesloten bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel waarin overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan biodiversiteit als kerndoel voor de openbare ruimte. Vanuit deze ambitie wordt met opdrachtgevers gekeken naar concrete en realistische mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel in allerlei projecten.
4.2
Kansen in dit project
De ecologen van TAUW kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ worden kansen voor dit project gesignaleerd om bij te dragen aan het herstel van biodiversiteit. Hieronder worden op beknopte wijze enkele kansen besproken. Indien gewenst vindt er een overleg plaats over deze voorstellen en worden de praktische aspecten verder uitgewerkt. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door het opstellen van een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de (toekomstige) situatie in het projectgebied, gemeentelijk natuurbeleid en regionale doelsoorten en potenties. Biodiversiteit vraagt om maatwerk en ieder project is anders. In een plan worden de beste passende maatregelen opgenomen. Voorbeelden van potentiële maatregelen zijn: Rondom het plangebied staan bomen die geschikt zijn als verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht, waardoor dit project kansen biedt om de bestaande verlichting te vervangen door vleermuisvriendelijke verlichting.
Vleermuisvriendelijke verlichting heeft een lichtintensiteit van minder dan 0,5 Lux (Haarsma, 2010) of maakt gebruik van rood licht (golflengtes van meer dan 550 nm) of in het geval van ledverlichting maximaal van 2.700 K (The ILP, 2023). Hiertoe kunnen bijvoorbeeld zogenaamde Batlamps7 worden gebruikt (Reason & Wray, 2023). De Batlamp maakt geen gebruik van blauw en ultraviolet licht waardoor vleermuizen er geen last van hebben, maar zorgt er nog wel voor dat mensen nog kunnen waarnemen. Andere lampen die aan gestelde eisen voldoen zijn ook bruikbaar
Tijdens de nieuwbouw bestaat de mogelijkheid tot natuurinclusief bouwen. Gelet op de aanwezigheid van een SMP is natuurinclusief bouwen ook een verplichting. Echter, kan natuurinclusief bouwen ook voor andere soorten dan vogels en vleermuizen worden toegepast
42/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Het vergroten van de diversiteit aan leefgebied voor planten en dieren door via aanplant of
beheer te zorgen voor verschillende biotooptypen (water, oevers, kruidenvegetatie, struweel, bomen, bos) en geleidelijke overgangen hiertussen Het versterken van populaties door te voorzien in nestkasten en/of verblijfplaatsen
(bijvoorbeeld vogels en vleermuizen een bomen), wanneer blijkt dat nestgelegenheid een beperkende factor is Het vergroten en versterken van leefgebieden voor planten en dieren door ecologisch beheer
van (openbaar) groen, bijvoorbeeld door het beheer van graslandvegetaties af te stemmen op bloemrijkdom en insecten Het verbinden van leefgebieden door het aanbrengen of herstellen van lijnvormige
landschapselementen (houtwallen, singels, hagen, sloten) of het realiseren van andere ontsnipperingsmaatregelen (bijvoorbeeld faunapassage) Het versterken van leefgebied en migratiezones door het aanbrengen van natuurlijke
elementen als takkenrillen, dood hout of stenige elementen Het beperken van verstoring door bijvoorbeeld verlichting of geluid Het terugdringen van overwoekerende en/of invasieve plantensoorten met negatieve effecten
op biodiversiteit en de mens (bijvoorbeeld Japanse duizendknoop, reuzenberenklauw) Het opstellen van een integraal duurzaamheidsadvies. Herstel van biodiversiteit heeft raakvlakken met andere opgaven zoals energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en verstedelijkingsvraagstukken. TAUW is gewend projecten integraal te benaderen. Ecologen werken daarvoor vaak samen met andere experts. Ook voor dit project kunnen kansen voor biodiversiteit worden gekoppeld aan andere duurzaamheidsopgaven
5 Conclusies en aanbevelingen 5.1
Aanleiding en doel
In opdracht van Gemeente Amersfoort heeft TAUW onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van het realiseren van een nieuw overdekt zwembad, parkeerplaatsen en nieuwbouw en het slopen van het oude zwembad en enkele andere panden op beschermde planten- en diersoorten. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze geen gevolgen heeft voor beschermde soorten óf wanneer de benodigde omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend.
5.2
Relevante natuurwet- en regelgeving
Voor de toetsing van de effecten van het voornemen is de volgende wet- en regelgeving van toepassing: Ow/Bal:
Gebiedsbescherming - Natura 2000 Beschermde houtopstanden Soortenbescherming
Provinciaal beschermde gebieden: NNN Groene Contour
43/47
Kenmerk
-
5.3
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Weidevogelkernleefgebieden
Conclusies toetsing
5.3.1 Omgevingswet Natura 2000-gebieden Er is geen sprake van significante directe effecten op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van de directe effecten is het nemen van vervolgstappen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit niet noodzakelijk. Indirecte effecten van stikstof zijn mogelijk wel aan de orde. Hiervoor dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Afhankelijk van de uitkomsten uit deze berekening kan het nemen van vervolgstappen nodig zijn. Beschermde houtopstanden Er worden geen bomen gekapt als onderdeel van deze beoogde ontwikkeling. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Ow beschermde soorten, namelijk boom- en gebouw bewonende vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met beschermd functioneel leefgebied afhankelijk van ecologische factoren en algemene broedvogels. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op boom bewonende vleermuizen, amfibieën, vogels met beschermd functioneel leefgebied afhankelijk van ecologische factoren en algemene broedvogels worden voorkomen. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet nodig.
Voor de overige soorten is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soort specifieke protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Daarnaast zijn maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht noodzakelijk, deze zijn te vinden in paragraaf 3.6.8. Tabel 5.1 Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten Soortgroep
Overtreding Ow
Nader onderzoek
Te nemen maatregelen
Flora
Nee
Nee
Niet van toepassing
Grondgebonden
Mogelijk
Ja
zoogdieren
Cameravalonderzoek naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel rondom de deels afgebrande kantine
Vleermuizen
Mogelijk
Ja
Nader onderzoek naar diverse vleermuissoorten in het huidige zwembad, de deels afgebrande kantine en de tijdelijke kantine. Let op, er is een SMP van kracht, dus onderzoek naar paar en (massa)winter- en
44/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Soortgroep
Overtreding Ow
Nader onderzoek
Te nemen maatregelen paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger is niet nodig
Voer de werkzaamheden alleen overdag uit, of buiten de actieve periode van vleermuizen (april tot en met oktober)
Indien dit niet mogelijk is, is overleg met een ecoloog noodzakelijk. De ecoloog bepaalt of en onder welke voorwaarden er ’s nachts gewerkt kan worden
Voorkom verlichting op lijnvormige elementen en groenstructuren, zoals de bomenrijen langs het plangebied
Indien er extra verlichting wordt toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie, moet een nieuw verlichtingsplan worden opgesteld. Dit verlichtingsplan moet worden goedgekeurd door een ecologisch deskundige
Indien er aanpassingen zijn aan de beoogde ontwikkeling kan een vliegrouteonderzoek noodzakelijk zijn
Vogels –
Mogelijk
Ja
jaarrond
Nader onderzoek naar ransuil in de boom bij de ingang van voetbalvereniging Hoogland
beschermde nesten Nee, mits aan
Werk zoveel mogelijk buiten het broedseizoen
functioneel
maatregelen wordt
Indien dit niet mogelijk is, zijn één of meerdere
leefgebied nest
voldaan
Vogels –
Mogelijk
broedvogelcontroles noodzakelijk
beschermd en in gebruik zijnde nesten Amfibieën
Mogelijk
Nee, mits aan maatregelen wordt
Voorkom plasvorming tijdens de werkzaamheden
voldaan Reptielen
Nee
Nee
Niet van toepassing
Vissen
Nee
Nee
Niet van toepassing
Vlinders
Nee
Nee
Niet van toepassing
Libellen
Nee
Nee
Niet van toepassing
Overige
Nee
Nee
Niet van toepassing
ongewervelden
45/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Soortgroep
Overtreding Ow
Nader onderzoek
Te nemen maatregelen
Zorgplicht
Mogelijk
Nee
Maatregelen moeten worden uitgevoerd aan de hand van een ecologisch werkprotocol, opgesteld door een ecologisch deskundige
Zie de overige maatregelen in paragraaf 3.6.8
5.3.2 Provinciaal beschermde gebieden Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN of andere provinciale beschermde gebieden (figuur 1.1). Negatieve effecten op deze gebieden is daarom op voorhand uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen is niet noodzakelijk.
5.4
Consequenties planvorming en uitvoering
Pas na afronding van de soortgerichte onderzoeken kunnen de benodigde maatregelen en/of de noodzaak van het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden bepaald. De afhandeling van een ontvankelijke aanvraag van een omgevingsvergunning door het bevoegde gezag dient binnen 8 weken beantwoord te worden, met een extra uitlooptermijn van 6 weken onder speciale omstandigheden. De maatregelen kunnen tot aanpassingen van de uitvoeringsplanning en -wijze leiden, en tot het inpassen van natuurfuncties in het voornemen. Bij werkzaamheden in het broedseizoen bestaat de kans op vertraging vanwege de kans op verstoring van broedende vogels.
6 Literatuur BIJ12, 2017 & BIJ12, 2024 & BIJ12, 2025. Kennisdocumenten beschermde soorten. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
46/47
Kenmerk
R001-1304690SDK-V01-efm-NL
Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Jansen E.A., Korsten E., Schillemans M.J., Boonman M., & Limpens H.G.J.A., 2022. Een methode voor actief onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen van de dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) in stedelijke omgeving, Lutra 65 (1): 213-233. Korsten, E., E.A. Jansen, M. Boonman, M.J. Schillemans en H.J.G.A. Limpens (2016) Swarm and Switch:On the trail of the hibernating common pipistrelle. Bat News. No. 110. p. 8-10. Bat Conservation Trust. London. Sendor, T., 2002. Population ecology of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus Schreber, 1774): the significance of the year round use of hibernacula for life histories. PhD thesis. PhilippsUniversitat Marburg, Marburg, Germany. Simon, M., S. Huttenbugel & S. Smit-Viergutz, 2004. Ecology and conservation of bats in villages and towns. Bundesamt fur Naturschutz, Bonn-Bades Godesberg, Germany. van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2021. Voigt, C.C, C. Azam, J. Dekker, J. Ferguson, M. Fritze, S. Gazaryan, F. Hölker, G. Jones, N. Leader, D. Lewanzik, H.J.G.A. Limpens, F. Mathews, J.
Rydell, H. Schofield, K. Spoelstra, M. Zagmajster (2018): Guidelines for consideration of bats in lighting projects. EUROBATS Publication Series No. 8. UNEP/EUROBATS Secretariat, Bonn, Germany, 62 pp. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl/vlinders www.zoogdiervereniging.nl https://kenniscentruminsecten.nl/soorten/vliegend-hert/ https://www.amersfoort.nl/boom-kappen
47/47