CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Natuurtoets voor sloop- en bouwwerkzaamheden (Tauw, 16 januari 2026)

Commissie Omgeving 3 juni 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Vaststellen kaderstellende notitie en reactienota nieuw Zwembad Hoogland (oordeelsvorming)13.925 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets voor sloop- en bouwwerkzaamheden van het zwembad en de voetbalvereniging Hoogland in de Gemeente Amersfoort Toetsing aan de natuurwet- en regelgeving 19 januari 2026

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Verantwoording Titel

Natuurtoets voor sloop- en bouwwerkzaamheden van het zwembad en de voetbalvereniging Hoogland in de Gemeente Amersfoort

Opdrachtgever

Gemeente Amersfoort

Projectleider

Sjoerd Heuseveldt

Auteur

Sabine de Klein

2e lezer/Kwaliteitsborger

Roel de Greeff

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Bram Rijksen en Sabine de Klein

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Aantal pagina’s

47

Datum

19 januari 2026

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Inhoud 1

2

3

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wettelijk kader .................................................................................................................... 5

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? ....................................................................... 6

1.3.1

Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 6

1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 6

1.3.3

Houtopstanden ............................................................................................................ 7

1.3.4

Beschermde soorten ................................................................................................... 7

1.4

TAUW en biodiversiteit ....................................................................................................... 8

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 8

Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 8 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 8

2.2

Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 11

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 12

Soortenbescherming ............................................................................................................... 13 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 13

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 13

3.3

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht .................................................................. 14

3.4

Werkwijze ......................................................................................................................... 15

3.5

Te toetsen soorten ........................................................................................................... 15

3.5.1

Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek ................................. 15

3.5.2

Met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep ........................ 17

3.6

Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 17

3.6.1

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17

3.6.2

Vleermuizen .............................................................................................................. 20

3.6.3

Vogels ....................................................................................................................... 29

3.6.4

Amfibieën .................................................................................................................. 36

3.6.5

Reptielen ................................................................................................................... 38

3.6.6

Vlinders ..................................................................................................................... 38

3.6.7

Overige ongewervelden ............................................................................................ 39

3/47

Kenmerk

3.6.8 4

5

Specifieke zorgplicht ................................................................................................. 40

Aanbevelingen en kansen biodiversiteit .................................................................................. 42 4.1

Aanleiding ........................................................................................................................ 42

4.2

Kansen in dit project ......................................................................................................... 42

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 43 5.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 43

5.2

Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 43

5.3

Conclusies toetsing .......................................................................................................... 44

5.3.1

Omgevingswet .......................................................................................................... 44

5.3.2

Provinciaal beschermde gebieden ............................................................................ 46

5.4 6

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 46

Literatuur ................................................................................................................................. 46

4/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving en de wijze van kwaliteitsborging.

1.1

Doel

In opdracht van Gemeente Amersfoort heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor:  Het realiseren van een nieuw overdekt zwembad  

Het slopen van het huidige zwembad, de oude kantine, de tijdelijke kantine en een gebouw met kleedruimtes en berging Het realiseren van parkeerplaatsen op de plek van het huidige zwembad

 Het realiseren van nieuwbouw op de plekken waar de overige panden worden gesloopt De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:  Hoe is de natuur in Nederland beschermd?   

1.2

In hoeverre kan de beoogde ontwikkeling gevolgen hebben voor beschermde natuur? Zijn maatregelen en/of een omgevingsvergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Wettelijk kader

De Omgevingswet (hierna: ‘Ow’) beschermt bijzondere natuurgebieden (met name Natura 2000gebieden), planten- en diersoorten en houtopstanden. De bescherming is geregeld in de Ow en/of in 1 van de 4 uitvoeringsbesluiten. Die uitvoeringsbesluiten zijn:  Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: ‘Bal’)   

Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: ‘Bkl’) Besluit bouwwerken leefomgeving Omgevingsbesluit

In deze natuurtoets wordt waar relevant verwezen naar de artikelnummers in de wet of de uitvoeringsbesluiten. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat plannen of projecten geen schade mogen toebrengen aan natuurgebieden, beschermde planten en dieren of houtopstanden tenzij daarvoor onder voorwaarden toestemming is verleend in de vorm van een omgevingsvergunning. Gedeputeerde Staten (hierna: 'GS') van de provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een omgevingsvergunning of kan hiervoor een bindend advies geven. Provinciale Staten (hierna: 'PS') van de provincie Utrecht kunnen in de omgevingsverordening bepalen dat voor bepaalde beschermde soorten een vrijstelling van verbodsbepalingen geldt. Naast de Ow gelden door de provincie in de

5/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

omgevingsverordening vastgelegde (aanvullende) beschermingsregels voor natuurgebieden die deel uitmaken van provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd?

1.3.1

Natura 2000-gebieden

In Nederland zijn ruim 160 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, gebieden met in Europees opzicht belangrijke natuurwaarden. De hierbij relevante Europese richtlijnen zijn de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De verplichting om gebieden aan te wijzen is vastgelegd in artikel 2.31a, lid 1 van de Ow. Daarnaast geldt voor Natura 2000-gebieden conform artikel 11.6 van het Bal ook een specifieke zorgplicht. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is een bevoegdheid van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN; artikel 2.44 van de Ow). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Arkemheen is circa 5,3 kilometer. Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand en kleinschalige aard van de werkzaamheden met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op voor stikstof gevoelige habitattypen (Natura 2000-gebied de Veluwe op circa 16,8 kilometer afstand) kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten. Hiervoor is een toetsing met AERIUS noodzakelijk. 1.3.2 Provinciaal beschermde gebieden Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het NNN, een netwerk van bestaande en nieuw in te richten natuurgebieden door heel Nederland.

De meeste Natura 2000-gebieden maken ook deel uit van het NNN. De begrenzing van het NNN is, behalve in Rijkswateren, een bevoegdheid van GS van de provincies, vast te leggen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 van de Ow). Ook worden daarin regels gesteld met als doel ‘de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland’ (artikel 7.8 van het Bkl). Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Een onderzoek naar de mogelijke effecten van dit project op het NNN is niet verplicht omdat in de provincie Utrecht de mogelijke gevolgen van ontwikkelingen die buiten het NNN plaatsvinden niet onderzocht hoeven worden (externe werking). In de provincie Utrecht zijn naast het NNN ook gebieden aangeduid en beschermd als Groene Contour en Weidevogelkernleefgebieden. Het plangebied maakt geen deel uit van deze gebieden. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde.

6/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 1.1 Ligging van de onderdelen van het plangebied (in groen, geel, blauw, roze en rood) ten opzichte van beschermde Natura2000 en NNN gebieden

1.3.3

Houtopstanden

Eventuele effecten op beschermde houtopstanden zijn hier niet aan de orde, omdat geen bomen worden gekapt. Het plangebied valt volledig binnen de bebouwingscontour houtkap, er is daarom geen sprake van effecten op beschermde houtopstanden. Als in een later stadium blijkt dat kap toch nodig is, dan moeten deze werkzaamheden getoetst worden aan de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amersfoort. Hierin is opgenomen dat voor de kap van bomen met een stamomtrek van 35 centimeter of meer (gemeten op 1,30 meter boven maaiveld) een omgevingsvergunning nodig is.1 1.3.4

Beschermde soorten

Diverse planten- en diersoorten zijn beschermd, wat betekent dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Onderscheid wordt gemaakt in Europeesrechtelijk beschermde soorten en soorten die in nationaal opzicht (artikel 11.54 van het Bal, inclusief bijlage IX met een lijst van soorten) beschermd worden. Bij Europeesrechtelijk beschermde soorten wordt onderscheid gemaakt in vogels (artikel 11.37 van het Bal) en andere soorten (artikel 11.46 van het Bal). Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten noodzakelijk.

1

https://www.amersfoort.nl/boom-kappen

7/47

Kenmerk

1.4

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

TAUW en biodiversiteit

Naast de natuurwet- en regelgeving zijn er in alle projecten kansen waarmee dit project kan bijdragen aan herstel van biodiversiteit. In het hoofdstuk ‘Aanbevelingen en kansen biodiversiteit’ zijn enkele van deze kansen voor dit project beschreven.

1.5

Kwaliteit

Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van deze natuurtoets zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die (ook) ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten. Ondanks de inzet van deskundigen kan geen volledige zekerheid worden gegeven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat sommige beschermde soorten een hele lage trefkans hebben, soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs helemaal afwezig kunnen zijn.

2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan, de uit te voeren werkzaamheden en de uitgangspunten die tijdens deze toetsing gehanteerd zijn.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Het gaat om Sportlaan 15 en Sportlaan 30 te Amersfoort, in de provincie Utrecht. Figuren 2.2 en 2.3 geven een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied bestaat uit 5 onderdelen, waaronder:  Het oude zwembad (in groen). Het oude zwembad is een gebouw van baksteen met open stootvoegen, boeiboorden en een plat dak. Het terrein rondom het zwembad is deels verhard, deels begroeid met struweel (waaronder braam) en deels met jonge bomen achter een hek. Achter het gebouw staat een opgeruimd houten schuurtje met kliko’s  

De tijdelijke kantine (in blauw). De tijdelijke kantine is een rood houten gebouw met een schuin dak van golfplaten De deels uitgebrande kantine met kleedruimtes (in rood). De deels uitgebrande kantine is ook een gebouw van baksteen met een plat bitumen dak. De voorkant is uitgebrand, ramen zijn gebroken en is dichtgezet met houten platen. Verder biedt een gat in de muur toegang tot de spouwmuur. Het terrein rondom de kantine is grotendeels verhard. Achter de kantine zijn

 

rommelhoekjes met palletjes en bladeren Het kunstgrasveld (in geel). Het kunstgrasveld is omzoomd door hekwerk. Rondom het grasveld bevindt zich verharding Het gebouw met kleedruimtes (in roze). Het gebouw met kleedruimtes is een bakstenen gebouw zonder open stootvoegen met een plat dak. Het wordt gebruikt als opslagruimte en is opgeruimd vanbinnen

8/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

In de omgeving van het plangebied bevinden zich wegen, zoals de sportlaan, een rotonde, een parkeerplaats en Tennis Club hoogland. Rondom al deze elementen staan bomen. Ten zuiden van de sportvelden ligt beschoeid oppervlaktewater. Ten noorden, zuiden en westen van het plangebied liggen woonwijken, ten oosten van het plangebied liggen de andere velden die behoren bij voetbalvereniging Hoogland.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)

9/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 2.2 Impressie van het plangebied. Linksboven: Huidig zwembad. Rechtsboven: Tijdelijke kantine. Linksmidden en rechtsmidden: Deels afgebrande kantine. Linksonder: Kunstgrasveld, locatie van het nieuwe zwembad. Het witte gebouw achter het veld is het gebouw van de kleedkamers en berging. Rechtsonder: Kleedkamers en berging

10/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 2.3 Impressie van het plangebied. Boven: De verharding, het struweel en het schuurtje rondom het huidige zwembad. Linksonder: Het struweel aan rondom het huidige zwembad. Rechtsonder: Het rommelhoekje aan de achterzijde van de deels afgebrande kantine

2.2

Beoogde ontwikkeling

Figuur 2.4 geeft de beoogde ontwikkeling weer. Het gaat om het realiseren van een nieuw overdekt zwembad op het huidige pupillenveld van Voetbalvereniging Hoogland op Sportlaan 30 in Hoogland (oranje omcirkeld). Het zwembad wordt maximaal 2.500 m2 groot en 8 m hoog. De ingang komt aan de noordwestelijke punt te liggen. De exacte positionering binnen de huidige contouren van het pupillenveld is nog niet bekend. Het pupillenveld is een kunstgrasveld. Het veld wordt verplaatst naar een andere locatie. Hiervoor is eerder al een quickscan uitgevoerd, dit is geen onderdeel van deze toetsing. Daarnaast worden verschillende gebouwen gesloopt, deze betreffen:  

Het oude zwembad (groen omcirkeld). Op de locatie van het oude zwembad wordt een parkeerplaats gerealiseerd De (deels uitgebrande) kantine met kleedruimtes (rood omcirkeld)

De tijdelijke kantine (blauw omcirkeld)

11/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Het gebouw met kleedruimtes (wit omcirkeld)

Na de sloop van de (deels uitgebrande) kantine, de tijdelijke kantine en het gebouw met kleedruimtes zal op deze locaties nieuwbouw plaatsvinden. Het is nog niet bekend hoe de nieuwbouw eruit komt te zien en welke functies deze nieuwbouw zal vervullen.

Figuur 2.4 De beoogde ontwikkeling. Onderzoeksgebied quickscan zwembad Hoogland. Groen: huidige zwembad, geel: locatie te realiseren zwembad, rood: kantine (deels afgebrand) en kleedkamers voetbalvereniging, blauw: tijdelijke kantine, wit: kleedkamers. Bron: Jan Dirk Buizer, Gemeente Amersfoort

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij het onderzoek naar effecten op beschermde soorten:  Er worden geen bomen en struiken gekapt bij de beoogde ontwikkeling van deze toetsing. Als later blijkt dat dit wel nodig is moet opnieuw getoetst worden of dit gevolgen heeft voor houtopstanden en beschermde soorten. Wel wordt de rij populieren tussen veld 3 en 4 verwijderd. Dit is geen onderdeel van deze toetsing en wordt daarom niet behandeld in deze rapportage. Het kappen van deze bomen wordt in een andere quickscan behandeld 

Er wordt geen oppervlaktewater vergraven of gedempt. Als dit later wel nodig blijkt, moet opnieuw getoetst worden of dit gevolgen heeft voor beschermde soorten

12/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

3 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

De Ow beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Er worden 3 beschermingsregimes onderscheiden:  Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Wettelijk kader: artikel 11.37 van het Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn (1979) Dieren en planten: het gaat hier om inheemse dieren en planten, die Europees beschermd

zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Wettelijk kader: artikel 11.46 van het Bal Nationaal beschermde soorten: het gaat hier om soorten die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Wettelijk kader: artikel 11.54 van het Bal. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een verbodsbepaling. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. GS van provincie Utrecht kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen waarmee het bevoegd gezag ondanks die verbodsbepalingen toch toestemming geeft voor een bepaald project. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Wettelijk kader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het Bkl, en dan in het bijzonder de artikelen 8.74j, 8.74k en 8.74l voor respectievelijk vogels, andere Europeesrechtelijk beschermde soorten en nationaal beschermde soorten.

3.2

Vrijstellingen

In bijlage IX bij het Bal is ook een aantal in Nederland algemene soorten amfibieën en zoogdieren vermeld die landelijk beschermd zijn. Het wettelijk kader is artikel 11.54 van het Bal. Voorbeelden van zulke soorten zijn gewone pad, bruine kikker en vos. Dit betekent dat voor deze soorten geen omgevingsvergunning nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt ook voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 3.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze natuurtoets.

13/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen in het Besluit activiteiten leefomgeving Beschermingsregime

Vogels - VR

Dieren –

Planten –

Dieren -

Planten -

HR/Bonn/Bern

HR/Bonn/Bern

nationaal

nationaal

Verbodsbepaling Dieren of planten: Doden of vangen

11.37.1.a

11.46.1 a

Storen/verstoren

11.37.1.d

11.46.1 b

11.54.1.a

(tenzij 11.37.3) Plukken, verzamelen,

11.46.1.e

11.54.1.c

afsnijden, ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of

11.39.1

11.47.1.b

11.47.1.b

vervoeren Nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen: Vernielen, beschadigen

11.37.1.b

of wegnemen nesten Beschadigen of vernielen

11.37.1.b

11.46.1.d

11.54.1.b

11.37.1.b

11.46.1.c

11.54.1.c

Rapen

11.37.1.c

11.46.1.c

Onder zich hebben

11.37.1.c

rustplaatsen (alleen HR en nationaal: of (vaste) voortplantingsplaatsen) Eieren: Vernielen (alleen VR en nationaal: of beschadigen)

3.3

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht

Voor alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor planten- en diersoorten geldt zowel een ‘algemene zorgplicht’ als een ‘specifieke zorgplicht’. De algemene zorgplicht (artikelen 1.6 – 1.7a van de Ow) houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ draagt voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 van de Ow) en dat activiteiten waarvan men kan weten dat die schadelijk zijn voor de fysieke leefomgeving achterwege worden gelaten of dat mogelijke gevolgen daarvan tot een minimum beperkt worden (artikel 1.7 van de Ow). De ‘specifieke zorgplicht’ is aanvullend op de ‘algemene zorgplicht’. Deze specifieke zorgplicht is voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten2 wettelijk vastgelegd in artikel 11.27 van het Bal. Een

2

Begrippenlijst in de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow

14/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Het onderzoek dat ter voorbereiding van een flora- en fauna-activiteit gedaan moet worden en de voorwaarden waaraan zo’n activiteit in elk geval moet voldoen, zijn aangegeven in lid 2 van artikel 11.27 van het Bal. De specifieke zorgplicht geldt voor alle soorten, dus ook voor bedreigde soorten die niet in één van de lijsten van beschermde soorten vermeld worden en die dus niet expliciet beschermd worden. Het betreft in elk geval de volgende soorten en hun leefgebieden of natuurlijke habitats:  In het wild voorkomende vogelsoorten  

In het wild levende planten- en diersoorten die vermeld zijn in de bijlagen II, IV of V van de Europese Habitatrichtlijn Nationaal beschermde planten- en diersoorten (bijlage IX van het Bal)

Bedreigde soorten planten en dieren die zijn vermeld in rode lijsten3

Uit het voorgaande blijkt dat bij projecten niet alleen rekening gehouden moet worden met beschermde soorten maar ook met andere, onder andere bedreigde soorten. Het is nog niet precies bekend wat de reikwijdte is van deze specifieke zorgplicht ten aanzien van rodelijstsoorten en dus ook niet welke onderzoeksplicht daarbij hoort4. In paragraaf 3.6.8 wordt de specifieke zorgplicht uitgewerkt. Hiertoe wordt in beeld gebracht welke ecotopen er in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast wordt bepaald of er, aanvullend op de beschermde soorten, ook (andere) rode-lijstsoorten of soortgroepen voorkomen en in welke mate. Vervolgens wordt op ecotoopniveau beschreven welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten op de te verwachten soort(groep)en te minimaliseren.

3.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en van andere soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt is bepaald aan de hand van de volgende gegevens:   

Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data Nationale Databank Flora en Fauna (hierna: ‘NDFF’), geraadpleegd op 18 december 2025 De Ecoviewer van TAUW

Een oriënterend veldbezoek op 19 december 2025. Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten

3.5

Te toetsen soorten

3.5.1 Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek Tabel 3.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen.

3

Wettelijk kader: artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow Er is nog weinig jurisprudentie over de invulling van de specifieke zorgplicht ten aanzien van rode-lijstsoorten die niet strikt beschermd zijn onder een ander artikel van de Ow. TAUW geeft daarom naar eigen interpretatie invulling aan deze specifieke 4

15/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Tabel 3.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep Flora

Mogelijk aanwezige beschermde soorten Groenknolorchis (Bal, artikel 11.46), blaasvaren, echte gamander, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, kartuizer anjer, kluwenklokje, knolspirea, korensla, muurbloem, rozenkransje, schubvaren, smalle raai, wilde averuit, wilde ridderspoor, dennenorchis, akkerogentroost, dreps, kruiptijm, naakte lathyrus (Bal, artikel 11.54)

Grondgebonden zoogdieren

Bever, otter (Bal, artikel 11.46), boommarter, bunzing, damhert, das, edelhert, eekhoorn, haas, hermelijn, konijn, steenmarter, wezel, wolf, wild zwijn (Bal, artikel 11.54)

Vleermuizen

Baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, brandtsvleermuis, kleine dwergvleermuis, grijze grootoorvleermuis (Bal, artikel 11.46)

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw (Bal, artikel 11.37)

Vogels - jaarrond beschermd:

Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever,

afhankelijk van ecologische factoren

boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, koolmees, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte mees (Bal, artikel 11.37)

Vogels – in gebruik zijnde nesten

Diverse soorten, zoals houtduif en merel

Amfibieën

Heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad (Bal, artikel 11.46), Alpenwatersalamander en vinpootsalamander (Bal, artikel 11.54)

Reptielen

Zandhagedis, muurhagedis (Bal, artikel 11.46), hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang (Bal, artikel 11.54)

Vissen

Noordzeehouting (Bal, artikel 11.46) en grote modderkruiper (Bal, artikel 11.54)

Vlinders

Teunisbloempijlstaart (Bal, artikel 11.46), bruine eikenpage, gentiaanblauwtje, grote vos, grote weerschijnvlinder, kommavlinder, sleedoornpage, zilveren maan, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder (Bal, artikel 11.54)

Libellen

Oostelijke witsnuitlibel, gevlekte witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel (Bal, artikel 11.46) en Kempense heidelibel (Bal, artikel

Overige ongewervelden

11.54) Platte schijfhoren (Bal, artikel 11.46) en vliegend hert (Bal, artikel 11.54)

16/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

3.5.2 Met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Op basis van de afwezigheid van geschikt habitat in en nabij het plangebied worden de aanwezigheid van en negatieve effecten op de volgende beschermde soort(groepen) op voorhand uitgesloten: flora, vissen, libellen, waterspitsmuis, otter, bever en platte schijfhoren. Deze soortgroepen worden om de volgende redenen niet verder behandeld in deze rapportage:  Het voorkomen van muurflora (blaasvaren, schubvaren en muurbloem) is uitgesloten op basis

van afwezigheid van geschikt habitat. Deze soorten zijn muurplanten die zijn uitgesloten omdat oude muren met kalkrijke voegen ontbreken in het plangebied De overige beschermde flora is niet te verwachten in het plangebied. Het plangebied is grotendeels verhard of bestaat uit kunstgras, waardoor planten op die locaties niet kunnen groeien. De plantsoenen zijn relatief voedselrijk, te zien aan de begroeiing met braam en het bladafval. Verder worden de plantsoenen intensief onderhouden. Voorkomen en negatieve

effecten op overige beschermde flora zijn daarmee uitgesloten De muurhagedis, vroedmeesterpad, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander hebben in deze regio geen natuurlijk verspreidingsgebied en genieten daarom in deze regio geen bescherming van de Ow. Om deze reden worden deze soorten niet verder behandeld in deze rapportage Effecten op waterspitsmuis, otter, bever, vissen, libellen en platte schijfhoren zijn uitgesloten omdat oppervlaktewater in het plangebied ontbreekt. Het oppervlaktewater ten zuiden van de velden blijft ongemoeid en is beschoeid, troebel, voedselrijk, schaduwrijk en heeft geen vegetatie waardoor het niet geschikt is voor deze soorten als (onderdeel van) hun leefgebied

3.6

Toetsing beschermde soorten

In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 3.2 genoemde soorten beschreven, tenzij deze soorten in paragraaf 3.5.2 al zijn uitgesloten. 3.6.1

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Boommarters leven voornamelijk in bossen, maar zijn ook te vinden in versnipperde landschappen, indien er voldoende bosfragmenten en houtwallen aanwezig zijn. Verblijfplaatsen van boommarters zijn uitgesloten bij afwezigheid van geschikt habitat, er zijn geen bospercelen aanwezig in of om het plangebied. Steenmarters zijn vooral te vinden bij dorpen, boerderijen en ook in stedelijke gebieden. Hier prefereren zij kleinschalige landbouw waar heggen, bosjes, houtwallen en oude schuren aanwezig zijn. Echter kunnen steenmarters vrijwel in alle biotopen voorkomen als er voldoende schuilmogelijkheden zijn er en voldoende voedsel voorradig is. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) komen voor bij (half)open landschapstypen met als voorwaarde dat er voldoende dekking aanwezig is. Zo maken kleine marterachtigen gebruik van houtwallen, greppels, grasland en struiken. Kruipruimtes, muizenholen en takenhopen zijn voorbeelden van ruimtes waar kleine marterachtigen in kunnen verblijven. In het plangebied zijn dergelijke habitats aanwezig:  De rommelhoekjes achter de deels afgebrande kantine (figuur 3.1) bieden mogelijk verblijfplaatsen voor steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel

17/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Het struweel rondom het huidige zwembad dient mogelijk als deel van het foerageergebied van boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Dit is echter geen essentieel foerageergebied, er is voldoende alternatief in de omgeving in de vorm van de weilanden en bosschages ten oosten van het plangebied

Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel is noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.

Figuur 3.1 Mogelijke verblijfplaatsen en foerageergebieden van boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen. Boven: Rommelhoekjes achter de deels afgebrande kantine bieden mogelijk verblijfplaatsen voor marterachtigen. Onder: Struweel rondom het huidige zwembad kan mogelijk dienen als (deel van) het foerageergebied van marterachtigen

18/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Damhert, edelhert en wild zwijn Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones en op open plekken, in graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor overgangen van bos naar grasland en open bos. Ze zijn echter aangepast aan allerlei biotopen, van drogere loofbossen en heidevelden tot vochtige milieus als vennen en moerassen (Zoogdiervereniging, 2026). Het wilde zwijn komt voor in droge en vochtige loofbossen en gemengde bossen, al dan niet afgewisseld met landbouwgebied (Zoogdiervereniging, 2026). Deze habitats zijn niet aanwezig in het plangebied. Voorkomen van damhert, edelhert en wild zwijn zijn uitgesloten. Een nader onderzoek of omgevingsvergunning zijn niet nodig. Das De das komt voor in gebieden die bestaan uit verschillende biotopen. Meestal zijn dit kleinschalige (agrarische) landschappen met voldoende bos en heggen. Vereisten van de omgeving zijn: goed vergraafbare grond voor een dassenburcht en aanwezigheid van voldoende dekking en voldoende geschikt foerageergebied in de omgeving. Er zijn geen dassenburchten of sporen van de das waargenomen tijdens het veldbezoek.

Daarnaast is het habitat in het plangebied niet geschikt: er is veel verstoring in en rondom het plangebied door het gebruik als sportcomplex. Daarnaast is het plangebied verhard, bestaat het veld in het plangebied uit kunstgras en worden de plantsoenen intensief beheerd. Voorkomen van de das in het plangebied is uitgesloten. Konijn en haas Haas komt voor bij kleinschalige, open gebieden, zoals weilanden, braakliggende terreinen en akkers. Konijn komt voor op halfopen landschappen, zoals bosranden, dijken, wegbermen, tuinen en zandopspuitingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen hazen, konijnen of holen of burchten van konijn en haas waargenomen. Daarnaast biedt het plangebied geen geschikt habitat voor hazen of konijnen. Er is veel verstoring door het gebruik van het plangebied als sportcomplex en het terrein grotendeels verhard is. Het voorkomen van konijnen en hazen in het plangebied en negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor is niet nodig. Wolf De wolf is sinds 2018 gevestigd in Nederland en de aanwezigheid van een roedel op de Utrechtse Heuvelrug is bekend (BIJ12, 2025). Wolven kunnen in vrijwel elk landschap voorkomen. Ze hebben echter wel de voorkeur voor gebieden met een bosdekking van ongeveer 45 % voor de voortplanting.

Daarnaast is het van belang dat het voedselaanbod hoog genoeg is en spelen de dichtheid aan wegen en de mate van menselijke activiteiten (kans op verstoring) ook een grote rol in de keuze voor een leefgebied. Het plangebied voldoet hier niet aan. Rondom de voetbalvereniging en het zwembad is sprake van een verstorende aanwezigheid en bewegingen van mensen en verkeer. In het plangebied zijn daarom geen geschikte en voldoende robuuste

19/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

schuilplaatsen. Negatieve effecten op de wolf zijn uitgesloten. Een nader onderzoek of omgevingsvergunning zijn niet nodig. Eekhoorn Eekhoorn komt voor in naaldbossen, loofbossen en gemengde bossen. De soort komt ook voor in parken, tuinen en houtwallen in de buurt van bos. Er zijn veel waarnemingen van eekhoorns op Landgoed Schothorst dat hemelsbreed 400 meter ten oosten van het plangebied ligt. Daarnaast is er 1 waarneming van eekhoorn in op hemelsbreed 250 meter afstand van het plangebied gedaan in 2025 (NDFF, 2026). Gedurende het veldonderzoek zijn geen sporen of nesten van eekhoorn aangetroffen binnen het plangebied, dit was goed te controleren omdat het veldbezoek plaatsvond in het bladloze seizoen. Daarnaast worden er tijdens de beoogde ontwikkeling geen bomen gekapt en is fysieke aantasting van nesten van eekhoorn uitgesloten. Ook wanneer eekhoorn in de toekomst nog wel nesten zal bouwen, is fysieke aantasting uitgesloten doordat geen bomen gekapt worden. In de huidige situatie is er sprake van verstoring door menselijke aanwezigheid, sportactiviteiten en auto’s. Mocht er in de bomen rondom het plangebied een nest van een eekhoorn vestigen in de toekomst, zullen de werkzaamheden dus ook niet leiden tot extra verstoring gezien de afstand tot de werkzaamheden. Negatieve effecten op eekhoorns zijn uitgesloten. Een nader onderzoek of omgevingsvergunning zijn niet nodig.

3.6.2 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn 3 typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Let wel dat vliegroutes soms al foeragerend worden gebruikt en dat onderscheid soms vaag is. De grijze grootoorvleermuis komt in Nederland uitsluitend in de zuidelijke provincies (Limburg, Brabant en Zeeland) voor. Voorkomen van de grijze grootoorvleermuis in het plangebied is uitgesloten op basis van verspreiding. De bosvleermuis komt vooral voor in bosrijke gebieden met veel oude bomen met holten; dit type habitat ontbreekt binnen het plangebied. Voorkomen van de bosvleermuis in het plangebied is uitgesloten. De franjestaart en de baardvleermuis zijn soorten van kleinschalige landschappen en zijn erg gevoelig voor licht.

Door de lichtvervuiling vanuit de lantaarnpalen rond de sportvelden en gebouwen op de bomen en groenstructuren zijn beschermde functies van franjestaart, brandt’s vleermuis en baardvleermuis uitgesloten. Deze soorten zijn immers zeer gevoelig voor verstoring door verlichting (Voigt et al., 2018). Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit voor deze soorten is daarom niet nodig.

20/47

Kenmerk

3.6.2.1

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Verblijfplaatsen

Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. Boom bewonende vleermuizen De gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis zijn (gedeeltelijk) boombewonende vleermuissoorten. Deze soorten gebruiken loszittend schors, holtes en kieren in bomen als verblijfplaats. De bomen rondom het plangebied zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen (figuur 3.2). Er worden geen bomen gekapt, dus fysieke aantasting van verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen is uitgesloten. Om negatieve effecten op boom bewonende vleermuizen te voorkomen zijn de volgende maatregelen nodig:  Om verstoring te beperken dienen de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag plaats te

vinden. Indien avond- of nachtwerk toch noodzakelijk is, moet directe lichtuitstraling naar de genoemde bomen worden voorkomen. Dit geldt zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase Bij een toename van verlichting in de gebruiksfase wordt geadviseerd een lichtplan op te

stellen in overleg met een ecologisch deskundige Met deze maatregelen zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen uitgesloten. Een nader onderzoek naar verblijfplaatsen in bomen is dan niet nodig.

Figuur 3.2 Bomen rondom het plangebied bieden mogelijk verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuizen

Gebouw bewonende vleermuizen De gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, meervleermuis en laatvlieger zijn (gedeeltelijk) gebouw bewonende vleermuissoorten. Voor 3 gebouwen binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor vleermuisverblijfplaatsen, namelijk het oude zwembad, de deels afgebrande kantine en de

21/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

tijdelijke kantine (figuur 3.3, 3.4 en 3.5). In het oude zwembad geven de open stootvoegen en loodlapjes en boeiboorden toegang tot mogelijke verblijfplaatsen in de spouwmuur of onder het dak. In de (deels afgebrande) kantine bieden de dieren en gaten in het verbrandde deel, de spleten onder de dakrand en het gat in de muur toegang tot mogelijke verblijfplaatsen in de spouwmuur of onder het dak. In het tijdelijke clubhuis bieden spleten toegang tot ruimte onder het dak. De kleedkamers en berging bieden geen mogelijkheid tot verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn in dit gebouw geen open stootvoegen of spelen die toegang bieden tot de spouwmuur of het dak aanwezig. In tabel 3.3 is samengevat welke soorten vleermuizen en functies in het plangebied voor kunnen komen.

Figuur 3.3 Open stootvoegen, loodlapjes en boeiboorden (rood omcirkeld) in het huidige zwembad bieden mogelijk toegang tot verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen

22/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 3.4 In de deels afgebrande kantine bieden openingen in de verbrande delen en speleten onder de daklijsten mogelijk toegang tot verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen

Figuur 3.5 In de tijdelijke kantine bieden spleten onder het dak mogelijk toegang tot verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen in het dak

23/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger Gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn relatief kleine vleermuissoorten. Deze vleermuizen hebben slechts een kleine opening nodig om een verblijfplaats te bereiken. De laatvlieger is een uitgesproken gebouwbewoner waarbij verschillende gebouwtypes gebruikt worden. De gewone grootoorvleermuis is zowel boom- als gebouwbewonend. Verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in het oude zwembad, de (deels afgebrande) kantine en de tijdelijke kantine kunnen op basis van het veldbezoek voor deze natuurtoets niet worden uitgesloten. Voor ruige dwergvleermuis geldt dat in Nederland tot nu toe alleen kraamverblijfplaatsen bekend zijn in bomen. Kraamverblijfplaatsen van deze soort zijn in de bebouwing dan ook uitgesloten. Massawinterblijfplaats gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de enige vleermuissoort die in zeer grote aantallen bij elkaar overwinterd. Dit gebeurt in zogeheten massawinterverblijfplaatsen. Een overwinteringsplek moet vorstvrij en niet te warm zijn (<10 °C) en een hoge en stabiele luchtvochtigheid hebben. Vooral die stabiele temperatuur is een voorwaarde voor gewone dwergvleermuizen als het gaat om massawinterverblijfplaatsen (Jansen et al., 2022; Sendor, 2002; Simon, 2004).

Een zwembad wordt jaarrond verwarmd en is in potentie een geschikt als massawinterverblijfplaats mits er voldoende spouwmuuroppervlak aanwezig is. De aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats in het plangebied kan op basis van het veldbezoek voor deze natuurtoets niet worden uitgesloten. Kleine dwergvleermuis De kleine dwergvleermuis is in Nederland erg zeldzaam. Net als de twee andere dwergvleermuizen, maakt de kleine dwergvleermuis gebruik van spouwmuren, dakruimtes en andere spleetvormige openingen in gebouwen. In 2022 en 2023 is binnen een straal van 1,5 kilometer van het plangebied 4 keer een kleine dwergvleermuis waargenomen met een batdetector via vleermuistellingen (NDFF, 2026). Verblijfplaatsen van de kleine dwergvleermuis in het oude zwembad, de (deels afgebrande) kantine en de tijdelijke kantine kunnen op basis van het veldbezoek voor deze natuurtoets niet worden uitgesloten. Tweekleurige vleermuis Tweekleurige vleermuis maakt voornamelijk gebruik van paar- en winterverblijfplaatsen in gebouwen op grote hoogte bij gebouwen met ten minste 8 verdiepingen (Rydell & Baagoe, 1994 en Suba et al. 2010 en Shpak, 2017). Deze zijn niet aanwezig in het plangebied, waardoor het voorkomen van paar- en winterverblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis is uitgesloten. Zomeren kraamverblijfplaatsen van de soort zijn daarentegen in grondgebonden woningen gevonden.

Het oude zwembad, de (deels afgebrande) kantine en de tijdelijke kantine zijn daarom wel mogelijke zomer- en kraamverblijfplaats van tweekleurige vleermuizen. Deze verblijfplaatsen kunnen op basis van het veldbezoek voor de natuurtoets niet uitgesloten worden. Meervleermuis Het plangebied ligt in een gebied waar kraamkolonies en mannengroepen van meervleermuizen bekend zijn (koloniekaart meervleermuis, 2025, zie ook figuur 3.6. Paarverblijfplaatsen van de

24/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

meervleermuis kunnen aanwezig zijn in objecten zonder woon-, maatschappelijke-, werk- of sociale functie. Alle gebouwen hebben een maatschappelijke- of sociale functie, ook de (deels afgebrande) kantine is nog deels in gebruik. Hierdoor is het voorkomen van paarverblijfplaatsen in het plangebied uitgesloten. Het plangebied ligt niet in de buurt van een bekende migratieroute van de meervleermuis, negatieve effecten op deze soortfunctie zijn uitgesloten. Het voorkomen van kraam- en satellietverblijfplaatsen van de soort kan op basis van het veldbezoek voor de natuurtoets niet uitgesloten worden. Conclusie Voor 3 gebouwen binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor vleermuisverblijfplaatsen, namelijk het huidige zwembad, de deels afgebrande kantine en de tijdelijke kantine (figuur 3.3, 3.4 en 3.5). De volgende soort/functiecombinaties zijn mogelijk:  Kraam-, paar-, winter- en zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone  

grootoorvleermuis en laatvlieger Paar-, winter- en zomerverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis Massawinterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in het huidige zwembad

  

Kraam-, paar-, winter- en zomerverblijfplaatsen van de kleine dwergvleermuis Kraam-, en zomerverblijfplaatsen van tweekleurige vleermuizen Kraam- en satellietverblijfplaatsen van de meervleermuis

In Amersfoort is een SMP (Soorten Management Plan) van toepassing. Het SMP ziet toe op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Echter, niet ieder deel van Amersfoort is al voldoende onderzocht waardoor het SMP voor sommige delen van Amersfoort nog niet voor alle typen verblijfplaatsen van toepassing is. Een nader onderzoek naar paar en (massa)winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis en het aanvragen van een vergunning voor deze soorten zijn daarom niet nodig. Nader onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen van deze soorten is wel nog nodig. Bij de gemeente kan een aanvraag gedaan worden om onder de gebiedsgerichte ontheffing behorende bij het SMP de werkzaamheden uit te voeren. Een nader onderzoek naar de kraam en zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis is ondanks het SMP nog noodzakelijk. Ook is nader onderzoek naar kraam-, paar-, winter- en zomerverblijfplaatsen van de kleine dwergvleermuis, kraam-, en zomerverblijfplaatsen van tweekleurige vleermuis en kraam-, satelliet-, winter- en zomerverblijfplaatsen van de meervleermuis noodzakelijk. De reikwijdte van het SMP is niet voldoende om voor deze soorten en/of functies onder het SMP te werken.

Gelet op de huidige verspreiding van vleermuizen en de nieuwste kennis van deze soorten worden in bovenstaande opsomming soorten genoemd waarover in het SMP nog aangenomen wordt dat Amersfoort buiten het verspreidingsgebied van deze soorten bevindt. Deze conclusie is inmiddels mogelijk achterhaald waardoor TAUW adviseert om onderzoek uit te voeren naar deze soortfunctiecombinaties.

25/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 3.6 Ligging van het plangebied ten opzichte van bekende kraam- en mannenverblijfplaatsen van de meervleermuis. Bron: koloniekaart meervleermuis, 2025

3.6.2.2 Foerageergebieden Foerageergebieden van vleermuizen zijn onder andere groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. Het plangebied zelf is niet geschikt als foerageergebied, het is grotendeels verhard en bestaat uit bebouwing. De bomen en watergang rondom de gebouwen van het plangebied kunnen mogelijk worden gebruikt als foerageergebied voor vleermuizen. Deze bomen en watergang blijven behouden, er is geen sprake van fysieke aantasting van foerageergebied. Daarnaast is er voldoende alternatief in de omgeving, zoals de bomenrijen en grasvelden ten oosten van het plangebied. Hierdoor is de aanwezigheid van essentieel foerageergebied echter uitgesloten. Het is uitgesloten dat foerageergebieden verloren gaan die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Wel is het noodzakelijk om foeragerende vleermuizen niet te (ver)storen. Tussen zonsondergang en -opgang mag er geen uitstralende (bouw)verlichting op vegetatiestructuren, gebouwen en watergangen vallen. Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan niet nodig. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het aantasten van essentieel foerageergebied is ook niet nodig. 3.6.2.3 Vliegroutes Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen.

In het plangebied zijn geen lijnvormige elementen aanwezig. Wel zijn in de

26/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

directe omgeving van het plangebied lijnvormige elementen aanwezig in de vorm de bomenrijen tussen de verschillende gebouwen van het plangebied en de watergang ten zuiden van de locatie van het nieuwe zwembad (figuur 3.7). Deze vliegroutes zijn mogelijk essentieel voor het behoud van lokale vleermuispopulaties, omdat deze bomenrijen een vliegroute naar de oostelijk gelegen bossen en weilanden bieden. Er zijn geen werkzaamheden aan de bomen of oppervlaktewater, waardoor fysieke aantasting van vliegroutes is uitgesloten. Wel kunnen tijdens werkzaamheden in het donker en bij gebruik van extra verlichting verstorende effecten ontstaan wanneer deze verlichting op de groenstructuren of andere lijnvormige elementen wordt gericht. Door het nemen van maatregelen zijn effecten door verlichting te voorkomen en is geen nader onderzoek nodig naar essentiële vliegroutes. De maatregelen zijn als volgt:    

Voer de werkzaamheden alleen overdag uit, of buiten de actieve periode van vleermuizen (april tot en met oktober) Indien dit niet mogelijk is, is overleg met een ecoloog noodzakelijk. De ecoloog bepaalt of en onder welke voorwaarden er ’s nachts gewerkt kan worden Voorkom verlichting op lijnvormige elementen en groenstructuren, zoals de bomenrijen langs het plangebied Indien er extra verlichting wordt toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie, moet een nieuw verlichtingsplan worden opgesteld. Dit verlichtingsplan moet worden goedgekeurd door een ecologisch deskundige

Hiermee is uitgesloten dat vliegroutes verloren gaan, of tijdelijk minder functioneel worden, die essentieel zijn voor het behoud van lokale vleermuispopulaties. Een nader onderzoek naar dit type leefgebied is dan ook niet nodig. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het aantasten van essentiële vliegroutes is ook niet nodig. Indien later blijkt dat er aanpassingen zijn aan de beoogde ontwikkeling, kan een dergelijk onderzoek wel noodzakelijk zijn. In dit geval moet opnieuw getoetst worden of dit gevolgen heeft op vliegroutes van vleermuizen.

27/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 3.7 Mogelijke vliegroutes voor vleermuizen rondom het plangebied Tabel 3.3 Mogelijk aanwezige soortfunctiecombinaties in het plangebied Type functie

Vleermuissoorten

Vervolgstappen

Zomerverblijf in de

Gewone dwergvleermuis, ruige

Nader onderzoek

gebouwen in het

dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis,

plangebied

gewone grootoorvleermuis, laatvlieger

Satellietverblijfplaats

Meervleermuis

Nader onderzoek

Paarverblijf in de

Gewone dwergvleermuis, ruige

Werken onder het SMP voor alle soorten

gebouwen in het

dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis,

met uitzondering van de kleine

plangebied

gewone grootoorvleermuis, laatvlieger

dwergvleermuis. Voor die soort is nader

in de gebouwen in het plangebied

onderzoek noodzakelijk. Kraamverblijf in de

Gewone dwergvleermuis, kleine

gebouwen in het

dwergvleermuis, gewone

plangebied

grootoorvleermuis, laatvlieger,

Nader onderzoek

meervleermuis Winterverblijf in de

Gewone dwergvleermuis, ruige

Werken onder het SMP voor alle soorten

gebouwen in het

dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis,

met uitzondering van de kleine

plangebied

gewone grootoorvleermuis, laatvlieger

dwergvleermuis. Voor die soort is nader onderzoek noodzakelijk.

28/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Type functie

Vleermuissoorten

Vervolgstappen

Massawinterverblijf

Gewone dwergvleermuis

Werken onder het SMP

Zomerverblijf in

Gewone grootoorvleermuis, rosse

Geen aanvullende verlichting plaatsen

boom grenzend aan

vleermuis, ruige dwergvleermuis,

het plangebied

watervleermuis

Paarverblijf in boom

Gewone grootoorvleermuis, rosse

grenzend aan het

vleermuis, ruige dwergvleermuis,

plangebied

watervleermuis

Kraamverblijf in

Rosse vleermuis, gewone

boom grenzend aan

grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis,

het plangebied

watervleermuis

Winterverblijf in

Rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis

Geen aanvullende verlichting plaatsen

Niet van toepassing

Geen

Alle genoemde soorten

Geen aanvullende verlichting plaatsen

Niet van toepassing

Geen

in de gebouwen in het plangebied

Geen aanvullende verlichting plaatsen

Geen aanvullende verlichting plaatsen

boom grenzend aan het plangebied Essentieel foerageergebied Essentiële vliegroute Migratieroute

3.6.3

Vogels

3.6.3.1 Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. De ransuil leeft in sterk uiteenlopende habitats. Jagen gebeurt bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op open plekken in het bos. Broeden en roesten gebeurt veelal in naaldbomen, maar ook houtwallen, boomgroepen, hagen en soms zelfs solitaire loofbomen worden gebruikt, zolang er tenminste voldoende rust in de omgeving is. Vanaf het najaar verzamelen ransuilen zich in groepen en bezetten vaste roestplaatsen, opvallend vaak binnen de bebouwde kom. Tijdens het veldbezoek op 19 december zijn de bomen rondom het plangebied gecheckt op vogelnesten van jaarrond beschermde soorten. Dit was goed te onderzoeken, omdat het veldbezoek plaatsvond in het bladloze seizoen. Tijdens het veldbezoek is één groter nest aangetroffen in de boom voor de ingang van voetbalvereniging Hoogland (figuur 3.8). Dit nest is waarschijnlijk van een ekster, maar kan ook worden gebruikt door ransuil. De boom blijft behouden, dus fysieke aantasting van het nest is uitgesloten. Wel kan er zowel in de aanleg- als gebruiksfase sprake zijn van verstoring van het nest, gezien de sloop van de deels afgebrande kantine en de bouw van het zwembad op circa 10 meter afstand plaatsvinden (figuur 3.9).

Daarnaast wordt het nieuwe zwembad 8 meter hoog, dit belemmert mogelijk het zicht vanaf het nest. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verstoren van individuen, rustplaatsen en nesten (overtreding artikel 11.37,

29/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

lid 1 van het Bal). Nader onderzoek naar ransuil is noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek is het nemen van maatregelen en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. De sperwer broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen (Vogelbescherming, 2026). Het nest in de boom voor de ingang van voetbalvereniging Hoogland (figuur 3.8) is niet geschikt voor een sperwer. Het gaat om een solitaire boom zonder aanwezigheid van bosjes of andere beschutting, en een sperwer broedt graag in dichte bosjes. Verder zijn er geen geschikte nesten voor de sperwer aangetroffen. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig.

Figuur 3.8 Het nest (rood omcirkeld) in de boom voor de ingang van voetbalvereniging Hoogland kan mogelijk gebruikt worden door ransuil of sperwer

30/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Figuur 3.9 Locatie van het nest ten opzichte van het plangebied

Steenuil, boomvalk, kerkuil De steenuil komt voor op kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. De steenuil schuwt de menselijke omgeving niet en broedt vaak op boerenerven, vooral als deze voldoende natuurlijke variatie bieden. De steenuil broedt in allerlei natuurlijke holtes van bomen, vooral knotwilgen en oude (hoogstam)fruitbomen (Vogelbescherming, 2026). Kerkuilen broeden in het hele land in agrarisch gebied (Sovon, 2026). Ze broeden in gebouwen of nestkasten, vaak in agrarische schuren. De boomvalk jaagt in open en halfopen land: parklandschappen, heiden en hoogvenen, open duin en moeras, boerenland en dorpen, ook wel in buitenwijken van steden. Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen (Vogelbescherming, 2026). Er is geen geschikt habitat aanwezig voor de steenuil, kerkuil en boomvalk, gezien het plangebied niet bestaat uit kleinschalig agrarisch landschap, boerenerven of bos. Het plangebied bestaat uit een zwembad en voetbalvereniging met veel verstoring van auto’s en menselijke beweging. Daarnaast zijn er geen nestplaatsen voor de steenuil en kerkuil waargenomen. Boomvalk kan in theorie broeden op een eksternest, maar is verstoringsgevoelig. Het eksternest (figuur 3.8) bevindt zicht in een solitaire boom voor de ingang van een sportvereniging, waardoor er veel verstoring van menselijke aanwezigheid is.

Hierdoor is het nest niet geschikt voor de boomvalk. Verder zijn er geen geschikte nesten voor de boomvalk aangetroffen. Negatieve effecten op de boomvalk zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is daarom niet nodig.

31/47

Kenmerk

R001-1304690SDK-V01-efm-NL

Huismus en gierzwaluw Huismus en gierzwaluw zijn typisch gebouw bewonende soorten. Beide soorten broeden onder daken en/of in andere gaten en kieren in bebouwing. Beide soorten worden vooral waargenomen in oudere woonhuizen onder dakpannen. De bebouwing in het plangebied is niet geschikt voor huismus en gierzwaluw, er zijn geen pannendaken of openingen aanwezig waar deze soorten kunnen broeden. Van het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw (overtreding artikel 11.46 lid 1 Bal) is daarom geen sprake. Negatieve effecten door het voornemen zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig. De oehoe komt dankzij groot aanpassingsvermogen voor in zeer uiteenlopende leefgebieden zoals boreaal naaldwoud, mediterraan gebied met struikgewas, bos- en grassteppen, heuvelland en middengebergte, bij open meren en zelfs zeekusten. Plaatselijk komt de oehoe ook in menselijke (stedelijke) omgeving voor (Vogelbescherming, 2026). Het plangebied beschikt over matig habitat voor de oehoe. Daarnaast is er sprake van verstoring door auto’s en menselijke beweging, waardoor een broedgeval van de oehoe is uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is daarom niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17020885/1