CConstaterende datAmersfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit Soesterweg 342

Raadsvergadering 27 mei 2026, gemeente AmersfoortBij agendapunt: Adviesrecht gemeenteraad buitenplanse omgevingsplanactiviteit (uitgebreide procedure) voor de realisatie van 56 woningen en werkplekken aan de Soesterweg 342 (Van Rijnsoeverlocatie)11.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Trillingen Trillingen Omwonenden langs het spoor kunnen hinder ervaren van trillingen als gevolg van het treinverkeer. Het spoorvervoer leidt nu al tot trillingseffecten in gebouwen nabij het spoor. Het kan lastig zijn om maatregelen te treffen om deze trillingen en de hieruit voorkomende hinder te beperken, als de gebouwen er eenmaal staan. In het kader hiervan is de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen gepubliceerd. Hierin wordt voor verschillende situaties aangegeven hoe om te gaan met trillingen als gevolg van spoorbanen. De gebruikelijk gehanteerde afstand waar binnen trillingshinder wordt getoetst is maximaal 100 meter van het spoor. Buiten deze afstand blijken meestal geen trillingsniveaus op te treden die boven de streefwaardes komen, waarmee 100 meter afstand meestal voldoet. Het plangebied voldoet ruim aan deze zone van 100 meter.

Pagina 28

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.7

Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en het gebruik van windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl gaat in op de toelaatbaarheid van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties, in verband met het externe veiligheidsrisico. Onderzoek Ten behoeve van het initiatief is een onderzoek omgevingsveiligheid uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van deze rapportage. Het onderzoek is uitgevoerd wegens de nabijheid van verschillende risicobronnen in de omgeving van het plan. Uit het onderzoek blijkt dat het plaatsgebonden risico in geen van de gevallen een belemmering vormt voor de planontwikkeling. Risico’s bij bedrijven en risico’s door buisleidingen zijn niet relevant voor het beoogde initiatief wegens de ruime afstand tussen het plangebied en potentiële risicobronnen. Het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn ‘Baarn – Amersfoort West’. Vanwege de ligging binnen het aandachtsgebied zijn de risico’s nader beschouwd en is het aandachtsgebied nader verantwoord. De spoorlijn is volledigheidshalve gezamenlijk beoordeeld met het NS Emplacement Amersfoort.

De woningen zijn in hoofdzaak bestemd voor zelfredzame personen. Bij een evacuatie wordt ervan uitgegaan dat eventueel minder zelfredzame personen zich onder begeleiding in veiligheid kunnen brengen. Bij het scenario gifwolk is het advies om woningen individueel afsluitbaar te maken. Het advies is om bij het optreden van een incident de ramen en deuren te sluiten en ventilatie uit te zetten. Daarmee biedt het gebouw bescherming bij een incident met toxische stoffen. Conform het Bbl dient ventilatie afsluitbaar en goed toegankelijk te zijn. Voor het geval bij een overige calamiteit vluchten noodzakelijk is, is het van belang een vluchtroute van de risicobron af te realiseren. Deze vluchtroute is aanwezig aan de noordzijde van het plangebied, aan de Soesterweg. Hierdoor is eventueel vluchten met de bestaande infrastructuur goed mogelijk. In september 2025 heeft Gemeente Amersfoort de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) gevraagd te adviseren. In haar advies geeft de Veiligheidsregio diverse verbeterpunten. Deze verbeterpunten zijn verwerkt in de bouwtekeningen en het onderzoek brandveiligheid. Verder adviseert de VRU (toekomstig) aanwezigen in het gebied op de hoogte te brengen van de mogelijkheden zichzelf in veiligheid te stellen. Op welke wijze omgegaan kan worden met risicocommunicatie is eveneens verwerkt in paragraaf 6.3 van het onderzoek omgevingsveiligheid (bijlage 16).

Communicatie van toekomstige bewoners en bezoekers is goed mogelijk wegens de beperkte schaal van het initiatief.

Pagina 29

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Ter verantwoording en beoordeling van het aandachtsgebied zijn op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) enkele stappen doorlopen ter bescherming van mens en milieu. Het onderzoek toont aan dat er maatregelen worden genomen om mensen te beschermen tegen een toxische wolk als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen op het spoor. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling 5.8

Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De essentie van het Europees beleid is dat, voorafgaand aan de uitvoering van plannen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten, die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Onderzoek Archeologie De gemeente Amersfoort heeft in 2019 een Archeologische beleidskaart vastgesteld. Deze kaart en het bijbehorende onderzoek classificeren het plangebied als een gebied zonder archeologische verwachtingswaarde. Verder onderzoek naar archeologie is hiermee niet nodig. Wel geldt dat er bij eventuele archeologische vondsten conform wetgeving melding dient te worden gemaakt hiervan. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn er geen waarden benoemd uit de provinciale cultuurhistorische atlas, die inzicht geeft in te beschermen cultuurhistorische waarden. Wel grenst het plangebied aan de Wagenwerkplaats, het terrein dat sinds 1904 in gebruik was ten behoeve van treinverkeer. Een aantal gebouwen op dit terrein, waaronder het hoofdgebouw, ketelhuis en de wagenloods hebben een rijksmonumentale status. De portiersloge, die direct naast het plangebied gesitueerd is, heeft geen beschermde status. Een goede inpassing van dit bijzondere gebouw vormt wel een belangrijk uitgangspunt voor de herontwikkeling. In het ontwerp zijn daartoe een aantal randvoorwaarden opgenomen, zoals stedenbouwkundige rooilijnen. Bij het ontwerp is ook de Stichting Industrieel Erfgoed in de stad Amersfoort (SIESTA) betrokken.

Pagina 30

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

In de beeldkwaliteit wordt bewust aangesloten bij de Wagenwerkplaats. De cultuurhistorische identiteit vormt de inspiratiebron van nieuwe ontwikkeling. Hiermee zal de nieuwbouw harmonieus aansluiten op de monumentale waarden van de Wagenwerkplaats. Verder is het ontwerp in relatie met de (rijksbeschermde) monumentale waarden beoordeeld door de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit. Een negatief effect op de omliggende rijksmonumenten is uitgesloten. Afbeelding 13: Monumentenkaart Amersfoort

Plangebied

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.9

Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Pagina 31

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Onderzoek Met het initiatief is geen sprake van bodembedreigende activiteiten. De bodemkwaliteit ter plaatse van het plan is onderzocht, het onderzoek maakt deel uit van de bijlagen. Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geeft een globaal beeld van de bodemkwaliteit, ter plaatse van de onderzoekslocatie en richt zich ook op asbest. Bij het verkennend bodemonderzoek is op één locatie een beperkte verontreiniging aangetroffen van lood. Uit het nader bodemonderzoek blijkt dat de omvang van de verontreiniging met lood boven de interventiewaarde wordt ingeschat op 15 m3. Aan de hand van een uitgevoerde risicobeoordeling is gebleken dat aan de verontreiniging momenteel geen risico’s verbonden zijn, sanering is niet noodzakelijk. Desondanks zal een sanering toch uitgevoerd worden. Dit zogenaamde diffuse lood is zeer kenmerkend voor oudere binnensteden. Vanuit wet- en regelgeving bestaat ook hier geen aanleiding tot sanering. Na de bouw zal de bouwer, waar mogelijk, een schone leeflaag aanbrengen. Toch blijft er altijd een kleine kans dat de nieuwe bewoners, bijvoorbeeld na het graven in de tuin, in aanraking komen met de bestaande grondlaag. Gemeente en Omgevingsdienst geven daarom het advies om, met name bij jonge kinderen, het contact met grond zoveel mogelijk te beperken.

Dit kan bijvoorbeeld door kinderen te laten spelen op gras of in een zandbak en/of om kinderen na het buitenspelen altijd hun handen te laten wassen. Dit advies is door initiatiefnemers, via makelaar, gedeeld met (aspirant) kopers. Ten aanzien van asbest wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. Er is asbest aangetoond in één mengmonster, maar dit gehalte overschrijdt niet de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek. Ook is er onderzoek verricht naar asbest in de bestaande bebouwing. Uit dit onderzoek volgt dat er in en aan de bebouwing twee asbesthoudende materialen aanwezig zijn. Deze materialen dienen voor ontmanteling van deze gebouwen, door een daartoe gecertificeerd bedrijf, verwijderd te worden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.10

Weging van het waterbelang Algemeen De weging van de waterbelangen is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Bij ruimtelijke plannen geldt de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer, en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Vervolgens komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.

Pagina 32

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Onderzoek Voor het initiatief is een hemelwaterberekening uitgevoerd. In de bijbehorende notitie, welke is opgenomen in de bijlagen van deze motivering, is in kaart gebracht hoeveel waterberging benodigd is en op welke wijze deze waterberging gerealiseerd kan worden. De gemeente Amersfoort hanteert voor de te bergen hoeveelheid water de worst-case scenario’s voor neerslag van het KNMI. In deze scenario’s worden kort - en langdurige buien beschouwd waarbij infiltratie meegenomen mag worden. Hierin dient op basis van de infiltratiecapaciteit bepaald te worden welke neerslagduur maatgevend is. Per scenario is de benodigde waterberging uitgerekend. Uitgangspunt bij de berekening is dat daken, wegen en 50% van de particuliere tuinen als verhard oppervlak wordt gezien. Door het toepassen van waterberging op de platte daken, wadi’s en het toepassen van infiltratiekratten is er op eigen terrein voldoende waterberging te creëren voor een bui T=10. Voor het bergen van de buien T=100 en T=250 is een (geringe) mate van waterberging op maaiveld benodigd van gemiddeld 20mm bij een bui T=100 en 55mm bij een bui T=250. Conclusie Het aspect water vormt, met de inachtneming van het opnemen van maatregelen voor waterberging in het ontwerp, geen belemmeringen voor de ruimtelijke procedure van het plan. 5.11

Gezondheid Het toepassingsgebied van de Omgevingswet betreft de fysieke leefomgeving en activiteiten die daarvoor gevolgen kunnen hebben. Als dergelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in elk geval aangemerkt gevolgen voor de mens, die onder meer kunnen voortvloeien uit het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan of activiteiten, waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Eén van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is ook het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De gezondheid van de mens wordt in de praktijk bepaald door vier factoren: erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg c.q. de kwaliteit daarvan en het leefmilieu. De Omgevingswet is gezien het voorgaande slechts gericht op de laatste factor, door het bieden van bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt en elektromagnetische straling. In de Omgevingsvisie Amersfoort 2030-2040 is een gezonde stad de rode draad, waarbij de relatie tussen gezondheid, leefomgeving en samenleven centraal staat. Om dit te bereiken zet de gemeente Amersfoort in op concrete gezondheidsbeschermende maatregelen en milieuregelgeving op het gebied van onder andere lucht en geluid.

Een belangrijk doel hierbij is het verlagen van het percentage gehinderden door spoor- en wegverkeer. Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om de luchtkwaliteit verder te verbeteren door te voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2021 en de uitstoot van roet fors terug te dringen. Ook streeft de visie naar een gezonde leefstijl door de inrichting van de openbare ruimte. Zo wordt ingezet op een stad waarin iedere inwoner binnen 10 minuten wandelen in een groene omgeving kan zijn en wordt prioriteit gegeven aan actieve mobiliteit (lopen en fietsen) boven autogebruik. Dit draagt niet alleen bij aan meer beweging, maar zorgt ook voor een beter leefklimaat door een lagere parkeerbehoefte en meer ruimte voor groen en ontmoeting.

Pagina 33

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – zoals in een omgevingsplan – dient in ieder geval ook rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering) en het stellen van regels voor activiteiten ten aanzien van aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen en bodemkwaliteit. Op deze aspecten is afzonderlijk ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering. Toetsing In de voorgaande paragrafen in deze motivering is beschreven op welke wijze het plan zich verhoudt tot het leefmilieu. Hieruit volgt dat vanuit diverse aspecten, zoals geluid, geur, luchtkwaliteit en de scheiding tussen wonen en milieubelastende activiteiten, sprake is van het realiseren van een leefmilieu dat niet conflicteert met invloeden vanuit het milieu. Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met het aspect gezondheid. 5.12

M.e.r. -beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De MER-beoordelingsprocedure dient gevolgd te worden wanneer sprake is van een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld, deze maakt deel uit van de bijlagen. Uit de aanmeldnotitie m.e.r. blijkt dat het verschil tussen de milieueffecten van de aangevraagd situatie en de milieueffecten van de huidige situatie geen aanzienlijke milieueffecten als gevolg hebben. Een m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is. Conclusie Het aspect milieueffectenrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.13

Onontplofte oorlogsresten Algemeen Grote delen van Nederland waren oorlogsgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de bodem kunnen nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. Ontplofbare resten kunnen zeer gevaarlijke situaties veroorzaken. AVG Explosieven Opsporing heeft vooronderzoek voor de omgeving uitgevoerd waaruit blijkt dat er ontplofbare oorlogsresten kunnen worden verwacht in het gebied. Deze resten kunnen tot 3,5 meter onder het huidige maaiveld aanwezig zijn.

Pagina 34

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Toetsing Op basis van de verwachtingskaart van de gemeente Amersfoort geldt voor het plangebied een hoog risicoprofiel, waarvoor onderzoek verplicht is. In het plangebied loopt men risico op het tegenkomen van onontplofte hoofdsoorten en raketten. Dit betekent dat onderzoek benodigd is. Afbeelding 14: Risicokaart niet gesprongen explosieven (plangebied globaal, blauw omlijnd)

Om deze reden is door AG Explosieven Opsporing NL op 17 juni 2024 een projectplan opgesteld voor het voorliggende initiatief. In dit projectplan staat beschreven dat de initiatiefnemer reeds opdracht heeft gegeven voor de uitvoering van opsporingswerkzaamheden van niet gesprongen explosieven. Men voornemens is om het veldonderzoek plaats te laten vinden nadat de huidige bebouwing is gesloopt en de perceelsinrichting is verwijderd. Dit projectplan is bijgevoegd in bijlage 21 van deze rapportage. Conclusie Het aspect onontplofte oorlogsresten vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.14

Energie en netinfrastructuur De ambitie om woningen aardgasloos en energieneutraal te realiseren, heeft de vraag naar elektriciteit exponentieel doen toenemen. Deze 'elektrificatie' van de gebouwde omgeving, gedreven door de grootschalige inzet van warmtepompen, inductiekoken en de laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer, legt een aanzienlijke druk op de bestaande netinfrastructuur.

Pagina 35

SPA WNP ingenieurs

2500109.3200.r01

Toetsing In het kader van de voorbereiding van deze ontwikkeling heeft inventariserend overleg plaatsgevonden over de inpassing binnen de bestaande energie-infrastructuur. In 2024 en 2025 zijn door de initiatiefnemer en de gemeente meerdere overlegmomenten gevoerd met netbeheerder Stedin, waarbij specifiek aandacht is besteed aan de regionale netwerksituatie en de problematiek rondom netcongestie. Tijdens deze overleggen heeft Stedin inzicht gegeven in de beschikbare capaciteit van het elektriciteitsnet en de geplande en lopende maatregelen binnen het verzorgingsgebied. Stedin heeft daarbij meermaals aangegeven dat, ondanks de bredere netcongestieproblematiek, het netwerk beschikt over voldoende capaciteit om de beoogde woningbouwontwikkeling aan te sluiten. Dit standpunt is door Stedin bevestigd in een schrijven d.d. 1 december 2025. Conclusie Energie en netinfrastructuur vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

6

KOSTENVERHAAL Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente en de ontwikkelende partij hebben reeds, voorafgaand aan besluitvorming, een anterieure overeenkomst gesloten om afspraken in geval van eventuele kosten vast te leggen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd.

7

AFWEGING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de locatie Soesterweg 342 in Amersfoort 56 woningen en commerciële ruimten te realiseren. De plannen passen niet binnen het van toepassing zijnde omgevingsplan. Om die reden wordt een vergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Onderliggende motivering behoort bij de omgevingsvergunning. In dit document is toegelicht op welke wijze het plan zich verhoudt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Uit deze motivering blijkt dat: · de ontwikkeling in lijn is met het Rijks, provinciaal- en gemeentelijk beleid; · de functie passend is in de omgeving en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; · op basis van toetsing aan de omgevingsaspecten het plan geen nadelige effecten heeft voor het milieu en wordt er voldaan aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Er zijn om die reden geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

SPA WNP ingenieurs

Pagina 36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16918910/1