Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
4.1.7 Brandveiligheid Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van bebouwing en/of installaties met brandgevaarlijke elementen. Er is eveneens geen sprake van het inrichten van de percelen met brandgevaarlijke en/of -gevoelige elementen. Het aspect brandveiligheid is daarmee niet van toepassing op de gewenste ontwikkeling.
4.1.8 Kabels en leidingen In of nabij het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen voor de transport van gevaarlijke stoffen, water, gas en/of elektriciteit gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van eventuele kabels en/of leidingen.
4.1.9 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
31
4.1.9.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De dichtstbijzijnde inrichting betreft een bedrijf met een propaantank. Voor de betreffende propaantank geldt een risicocontour van maximaal 25 meter. Het betreffende bedrijf waarop de propaantank aanwezig is, is gelegen op een afstand van ongeveer 420 meter van het dichtstbijzijnde perceel waarop de voorgenomen fruitteelt plaats gaat vinden. De locatie is daarmee niet binnen de risicocontour van een mogelijk risicovolle inrichting gelegen. 4.1.9.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.9.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. 32
4.1.10 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Tevens blijft het gebruik van de gronden agrarisch en zal daarmee niet wijzigen. Daarnaast is aan de hand van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Altena een inschatting gemaakt of ter plaatse van de gronden mogelijk sprake is van een te verwachten verontreiniging. Zoals te zien in de volgende figuur zijn de gronden ter plaatse, zowel in de bovengrond als in de ondergrond, aangemerkt als gronden met classificatie 'AW2000'.
Uitsnede bodemkwaliteitskaart ontgravingen bovengrond. Bron: Gemeente Altena.
33
Uitsnede bodemkwaliteitskaart ontgravingen ondergrond. Bron: Gemeente Altena. Voor gronden met de classificatie AW2000 geldt dat de achtergrondwaarden voor een aanvaardbare bodemgesteldheid niet worden overschreden en dat deze gronden daarmee als "schoon" worden aangemerkt. Gezien de gronden als "schoon" zijn aangemerkt volgens de bodemkwaliteitskaart van gemeente Altena is geen sprake van een te verwachten verontreiniging. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4.1.11 Directe ammoniakschade Bij een intensief varkens- of pluimveebedrijf kan sprake zijn van directe ammoniakschade. Dit is de schade die ammoniak uit de stallen van dergelijke bedrijven kan veroorzaken aan gewassen die verbouwd worden nabij de stal. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer is ammoniakschade echter niet opgenomen omdat dit wordt gezien als bedrijfsschade in plaats van als milieuschade. Het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek heeft in 1981 het rapport “Stallucht en Planten” opgesteld. Hierin worden de gevolgen van ammoniak uit dergelijke bedrijven op verschillende gevoelige planten en/of bomen uiteengezet. In dit rapport zijn richtafstanden opgenomen tussen de stallen en gevoelige planten en/of bomen. Indien gewenst kan in het bestemmingsplan rekening gehouden worden met de in het rapport genoemde afstanden tussen bedrijfsmatige boomkwekerijen en de stallen. In 1996 is het rapport aangevuld met het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen, update van een risicoschatting" van het Instituut AB-DLO van het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). In november 1998 is door middel van een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid aan dit rapport gegeven.
Tevens is de bijbehorende notitie "Risico van gewasschade in de directe omgeving van ammoniakbronnen” van AB-DLO van 23 juli 1997 bekend gemaakt. De vraag is in hoeverre ook dit rapport en deze notitie bij de beoordeling van directe ammoniakschade afkomstig van een vergunningplichtige inrichting betrokken dient te worden. Hierover heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat deze notitie bij beoordeling van plannen of projecten ten behoeve van een varkens- en/of pluimveebedrijf niet gehanteerd hoeft te worden. De richtafstanden uit het rapport “Stallucht 34
en Planten” kunnen echter toegepast worden bij ontwikkeling van een dergelijk intensief veehouderijbedrijf. Het rapport 'Stallucht en Planten” geeft richtafstanden van 50 meter tussen stallen en gevoelige planten en bomen (zoals coniferen) en 25 meter tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen. Binnen 50 meter van de locatie zijn geen varkenshouderijen en/of andere veehouderijen gelegen welke directe ammoniakschade zouden kunnen veroorzaken aan de boomgaard van de initiatiefnemer. Hiermee zal geen sprake zijn van directe ammoniakschade.
4.1.12 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.12.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de aanleg van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. Zowel fruitteelt als de aanleg van een boomgaard is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst en/of D-lijst uit de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen.
Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.
35
4.1.12.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. 4.1.12.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen", "Woon- en leefklimaat", "Brandveiligheid", "Kabels en leidingen", "Externe veiligheid", "Bodem" en "Directe ammoniakschade" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.11) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
4.2.
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem) is gelegen op een afstand van ongeveer 200 meter van de dichtstbijzijnde gewenste boomgaard. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
36
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. De aanleg van de boomgaard wordt door de initiatiefnemer gerealiseerd vanuit een bredere bedrijfsvisie om efficiënter te werken. Streven is het gehele bedrijf te concentreren ten noorden van de huidige bedrijfslocatie van de initiatiefnemer aan de Muilkerk. De huidige boomgaarden op afstand in Almkerk zullen worden afgestoten. Door deze concentratie is het bedrijf beter geschikt voor automatisering en robotisering waarmee de arbeidsbehoefte fors kan worden teruggebracht. In de huidige bedrijfsvoering is een fruitteeltbedrijf erg arbeidsintensief. Spuiten en met name de oogst vragen veel arbeidsuren. Ontwikkelingen in de sector gaan in de richting van automatisering en robotisering. Tevens wordt door de aanleg van aaneengesloten boomgaarden het aantal 'randen' waar een boomgaard aan een sloot of andere kwetsbare belendingen sterk verminderd. Daarbij zal eveneens het landschap minder worden versnipperd dan wanneer sprake blijft van gescheiden boomgaarden. Door gebruik van een emissiearme meerrrijenspuit wordt een emissiereductie bereikt van minimaal 99%. Het gaat hier om emissie naar naast een boomgaard gelegen oppervlaktewater.
Deze emissiereductie wordt bereikt met een combinatie van emissiearme spuitdoppen (grovere, minder driftgevoelige druppel), aangepaste luchtondersteuning, waardoor de spuitnevel niet door de boom wordt geblazen en vrijwel volledig wordt afgezet op de vruchten, bladeren en takken van boom en eventueel met een afscherming die de door de boom geblazen spuitnevel wordt opgevangen waarmee verwaaien van deze nevel naar buiten de boomgaard wordt voorkomen. Met de voorgenomen technieken wordt de emissie van de voorgenomen teelt geminimaliseerd en vrijwel volledig afgevangen. Er is daarmee geen sprake van het verwaaien van mogelijk schadelijke stoffen naar de betreffende gebieden. Op een afstand van ongeveer 200 meter zal het bespuiten van de boomgaarden, door de gebruikte emissiereducerende technieken, geen nadelige invloed hebben op het betreffende gebied. De bemesting van de fruitbomen zal plaatsvinden door fertigatie. Met druppelbevloeiing worden de meststoffen in opgeloste vorm heel effectief toegediend per boom. Hiermee worden zowel water als meststoffen uiterst efficiënt toegediend. Deze efficiëntie komt ook tot uiting in minimale verliezen en zorgt dat er geen stikstofemissie van deze meststoffen naar de omgeving optreedt. Hiermee zal het toedienen van meststoffen in de boomgaard geen stikstofemissie naar de betreffende gebieden als gevolg hebben.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal het aantal 37
verkeersbewegingen met de voorgenomen ontwikkeling afnemen. De uitstoot van stikstof als gevolg van het verkeer zal daarmee eveneens afnemen. Dit betekent een verbetering voor de betreffende gebieden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is met het rekenprogramma Aerius een berekening gemaakt van de stikstofdepositie van de voorgenomen ontwikkeling als gevolg van de transportbewegingen tijdens de aanlegwerkzaamheden en tijdens de werkzaamheden voor het uitvoeren van het fruitteeltbedrijf. Uit deze berekening blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen bijdrage heeft aan de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Voor de resultaten van de berekening wordt verwezen naar bijlage 4 van deze onderbouwing. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Tevens zal er door toepassing van emissiereducerende technieken en innovatieven bemestingssystemen geen sprake zijn van de emissie van mogelijk schadelijke stoffen naar de betreffende gebieden. Ten aanzien van het watersysteem van het Natura2000 gebied zal er niets veranderen. Het Natura2000 gebied heeft een gescheiden stelsel van watergangen. Er vindt dus geen ontwatering plaats en/ of andere negatieve effecten plaats de waterssystemen van de Natura2000 gebieden.
Van uitvloeing vindt ook geen sprake doordat het watersysteem van het Natura2000 gebied gescheiden is van de overige watergangen. De initatiefnemer maakt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen gebruik van venturidoppen met een driftreductie van 99%. Hierdoor is er geen sprake van drift. In combinatie met het toepassen van uitvloeiers, waardoor er 50% meer gewasbeschermingsmiddelen op de fruitboom achterblijft. Hierdoor is er geen risico voor drift naar het Natura2000 gebied. Het watersysteem van het Natura2000 gebied heeft een gescheiden watersysteem van de boomgaard. Er zal door deze ontwikkeling geen enkele invloed op het oppervlaktewater van het Natura2000 gebied plaatsvinden.
Het Natura-2000 gebied heeft een eigen peil. Hierdoor zijn effecten op de (grond)waterstanden uitgesloten. Er vinden geen enkele ingrepen plaats waardoor het grondwaterpeil wordt verlaagd. Dat er geen effecten te verwachten zijn is nader toegelicht in de uitgevoerde Flora en Fauna Quickscan in Bijlage 5.
38
b ron: Ontwerp-peilbesluit Alm en Biesbosch Waterschap Rivierenland. 39
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2020-11675.html
b ron: Legger Waterschap Rivierenland https://wsrivierenland.maps.arcgis.com/apps/View/index.html?appid=9e19526357f44dd98dcc0e743e81300 e Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden 40
onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in 41
het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: De voorgenomen ontwikkeling zal geen onevenredig nadelige effecten hebben op Natura 2000 gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en/of ecologische verbindingszones, mits de in de paragrafen "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1) en "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2) beschreven driftreducerende maatregelen worden uitgevoerd en er een windsingel wordt aangebracht. Tevens dient een afstand van minimaal 30 meter aangehouden te worden vanaf de boomgaarden tot aan de betreffende gebieden. De beschreven maatregelen zullen worden uitgevoerd, er zal een windsingel worden aangebracht en er is sprake van een afstand van ongeveer 200 meter tot de betreffende gebieden. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op natuurgebieden. Voor wat betreft soorten zijn ter plaatse van de gewenste boomgaarden geen nadelige effecten te verwachten. Echter dient ook gekeken te worden naar mogelijke leefgebieden in de nabije omgeving van de boomgaarden waarop de voorgenomen ontwikkeling mogelijk van invloed is.
Zo zijn op het nabijgelegen erf aan de Kornpad 3 te Dussen een kerkuil en een steenuil aangetroffen, met naar verwachting elk ook een broedplaats. De actieradius van kerkuil is dermate groot dat de nestplaats in stand kan blijven. Van de steenuil is dit echter niet het geval. Effecten op de nestplaats als gevolg van de omvorming zijn te verwachten. Verder kunnen effecten optreden op algemeen voorkomende broedvogels als in het broedseizoen wordt gestart met werkzaamheden. Voor de steenuil betekent dit dat aanvullende maatregelen getroffen moeten worden. Indien dit niet mogelijk is dient elders te worden gecompenseerd en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Het voorkomen van effecten kan door het realiseren van een optimaal foerageergebied om het verloren gegane suboptimale foerageergebied te vervangen, door: Een natuurvriendelijke oever langs watergangen van minimaal 800 meter met extensief beheer aan te leggen. De paden in de boomgaard niet als gazon te beheren, maar meer extensief en niet voor juni te maaien. In de boomgaard knaagdieren niet te bestrijden met gif. Rond een deel van de boomgaard (of de singel rond het erf wordt aangevuld) een windsingel te plaatsen van een gevarieerd bestand van struiken (hazelaar, vuilboom, hondsroos, bosroos, sleedoorn, kardinaalsmuts, gelderse roos).
Indien één of meerdere soorten vanwege plantziekten en risico's voor de productie niet kunnen worden toegepast, worden ze vervangen door een andere inheemse soort. In de boomgaard (op een paal), of in nabijgelegen bomen, een steenuilenkast te plaatsen. Deze maatregelen zullen bij de voorgenomen ontwikkeling in acht worden genomen en zullen als 42
voorwaarde bij de omgevingsvergunning worden opgenomen. Hiermee is in voldoende mate geborgd dat de maatregelen zoals omschreven zullen worden uitgevoerd, waarmee de bescherming van (het leefgebied van) de betreffende uilensoorten is geborgd. De initatiefnemer maakt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen gebruik van venturidoppen met een driftreductie van 99%. Hierdoor is er geen sprake van drift. In combinatie met het toepassen van uitvloeiers, waardoor er 50% meer gewasbeschermingsmiddelen op de fruitboom achterblijft. Dit betekent een verdere reductie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor vindt er geen uitspoeling plaats naar het oppervlaktewater waar volgens gegevens van de provincie de Modderkruiper leeft. Alle gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt worden zijn goedgekeurd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). het Ctgb beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden verkocht. Alle middelen die de initatiefnemer gebruikt zijn toegelaten door het Ctgb. Voor de middelen geldt een minimum van driftreducerende maatregelen van 75%. De initiatiefnemer zorgt voor 99% driftreductie. Alle middelen worden stricter en minder gebruikt dan toegestaan. Dit betekent dat de middelen die gebruikt zijn veilig zijn voor de vissen.
Verder is de initiatiefnemer lid van PlanetProof waar een strikt gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt geeist. Hierdoor zijn er geen negatieve effecten voor de Modderkruiper te verwachten. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 5 van deze onderbouwing. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten hebben op (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Beheer van het NNN wordt grotendeels in handen gegeven van de provincies. Provincies worden geacht zelf regels vast te stellen ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB), waarvoor specifieke regels opgenomen zijn in het ruimtelijk beleid van de provincie. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 200 meter van de dichtstbijzijnde boomgaard.
43
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Het NNN/NNB heeft geen externe werking. Omdat in het NNN/NNB geen activiteiten plaatsvinden zijn de regels voor de bescherming van het NNN/NNB niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Echter kan een ruimtelijke ontwikkeling, wanneer de locatie waarop de activiteiten plaatsvinden op (zeer) korte afstand van een NNN/NNB gebied is gelegen, wel invloed hebben op de betreffende gebieden. De mogelijk nadelige effecten op de betreffende gebieden dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Door gebruik van een emissiearme meerrrijenspuit wordt een emissiereductie bereikt van minimaal 99%. Het gaat hier om emissie naar naast een boomgaard gelegen oppervlaktewater. Deze emissiereductie wordt bereikt met een combinatie van emissiearme spuitdoppen (grovere, minder driftgevoelige druppel), aangepaste luchtondersteuning, waardoor de spuitnevel niet door de boom wordt geblazen en vrijwel volledig wordt afgezet op de vruchten, bladeren en takken van boom en eventueel met een afscherming die de door de boom geblazen spuitnevel wordt opgevangen waarmee verwaaien van deze nevel naar buiten de boomgaard wordt voorkomen. Met de voorgenomen technieken wordt de emissie van de voorgenomen teelt geminimaliseerd en vrijwel volledig afgevangen.
Er is daarmee geen sprake van het verwaaien van mogelijk schadelijke stoffen naar de betreffende gebieden. Op een afstand van ongeveer 200 meter zal het bespuiten van de boomgaarden, door de gebruikte emissiereducerende technieken, geen nadelige invloed hebben op het betreffende gebied. Na aanleiding van de zienswijze van de Provincie Noord-Brabant zal daarbij een afstand van 13meter worden gehouden van de watergang zodat er geen drift in het wateroppervlak terecht zal komen.
bron Bijlage 1 Tekening op schaal
44
De bemesting van de fruitbomen zal plaatsvinden door fertigatie. Met druppelbevloeiing worden de meststoffen in opgeloste vorm heel effectief toegediend per boom. Hiermee worden zowel water als meststoffen uiterst efficiënt toegediend. Deze efficiëntie komt ook tot uiting in minimale verliezen en zorgt dat er geen stikstofemissie van deze meststoffen naar de omgeving optreedt. Hiermee zal het toedienen van meststoffen in de boomgaard geen stikstofemissie naar de betreffende gebieden als gevolg hebben. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toename van de depositie van stikstof op de betreffende gebieden. Tevens zal er door toepassing van emissiereducerende technieken en innovatieven bemestingssystemen geen sprake zijn van de emissie van mogelijk schadelijke stoffen naar de betreffende gebieden. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuurlijke waarden van het NNN/NNB.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.
4.3.
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van Rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van het erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk.
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Wet op de archeologische monumentenzort, welke in 2007 in werking is getreden. Inmiddels is deze wet, gezamenlijk met de overige wetten ten aanzien van erfgoed en archeologie gebundeld in de Erfgoedwet, welke in 2016 in werking is getreden. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. 45
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Altena voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De gemeente Altena heeft de archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Op de betreffende percelen zijn verschillende verwachtingswaarden van toepassing. Over een deel van de percelen is, zoals nader weergegeven in de volgende figuur, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing. Over een ander deel van de percelen, zoals eveneens is weergegeven in de volgende figuren, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing.
46
Luchtfoto met archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' weergegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
47
Luchtfoto met archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' weergegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Ten aanzien van gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Ten aanzien van gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 300 centimeter onder maaiveld. Onder bodemingrepen die mogelijk van invloed zijn op de mogelijk voorkomende archeologische resten wordt ook verstaan het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende bomen. Fruitbomen zijn geen diepwortelende bomen. Er is daarmee geen sprake van het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende bomen. Tevens is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het bouwen en/of 48
slopen van bebouwing, waarmee geen sprake is van een bodemingreep waarvoor archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Zie voor een nadere detaillering Bijlage 1 Tekening op schaal. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.
4.3.2 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken en om de aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren te halen. Men is hiermee verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie verschillende cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. 49
Bron: Provincie Noord-Brabant. Daarnaast dient de ontwikkeling nog te worden getoetst aan de Cultuurhistoriekaart van Werkendam en Aalburg (Deelrapport I van de Erfgoedkaart voor de gemeenten Aalburg en Werkendam, RAAP-rapport 2190, kaartbijlage 2). In de volgende figuur is een uitsnede van de cultuurhistoriekaart weergegeven.
Uitsnede cultuurhistoriekaart van Werkendam en Aalburg. Bron: RAAP-rapport 2190. Volgens de legenda bij de kaart is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'komgebied met doorschemerende stroomgordel'. De gewenste ontwikkeling zal de openheid in dit landschap deels beperken. Echter zal deze beperking, zoals blijkt uit het landschapsadvies van Laneco en het landschapsadvies van Reuvers (zie bijlage 2 en 3 van deze onderbouwing) welke ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn opgesteld, gering zijn. De gemeente heeft op basis van de landschapsadviezen aangegeven de verstoring van de openheid van het landschap acceptabel te vinden. Hiermee is geen sprake van een onevenredige aantasting van het komgebied met doorschemerende stroomgordel. Aan de Muilkerk en aan de Korn zijn historisch stedenbouwkundige structuren ontstaan. De voorgenomen ontwikkeling vindt op relatief grote afstand van deze historische structuren plaats en zal geen invloed hebben op de percelen behorende bij de waardevolle structuren. Hiermee is geen sprake van een mogelijke onevenredige aantasting van de betreffende historische stedenbouwkundige structuren. Nabij de locatie is een zichtlijn van historisch belang gelegen. Deze loopt vanuit de historische stedenbouwkundige structuur langs de Muilkerk richting de molen aan de Korn Boezemweg.
De voorgenomen ontwikkeling zal een deel van deze zichtlijn beperken. Echter zal deze beperking, zoals blijkt uit het landschapsadvies van Laneco en het landschapsadvies van Reuvers (zie bijlage 2 en 3 van deze onderbouwing) welke ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn opgesteld, gering zijn. De gemeente heeft op basis van de landschapsadviezen aangegeven de verstoring van de openheid van het 50
landschap, en daarmee de betreffende zichtlijn, acceptabel te vinden. Hiermee is geen sprake van een onevenredige aantasting van de betreffende zichtlijn. Verschillende wegen in de omgeving zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen. De betreffende lijnen zijn niet ter plaatse van of aansluitend aan de percelen waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt gelegen. De structuur van het landschap wordt met de voorgenomen ontwikkeling ook niet aangepast, waarmee de historisch geografische lijnen in het landschap niet zullen worden geschaad. Nabij de locatie is een molen gelegen. Binnen de biotoop van de molen gelden aangepaste maximale hoogten. De percelen waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt zijn niet binnen de molenbiotoop gelegen, waarmee geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (de werking van) de betreffende molen. In de omgeving zijn enkele historisch waardevolle complexen gelegen. De afstand van de voorgenomen ontwikkeling tot deze complexen is dusdanig dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van de betreffende waardevolle complexen. Daarnaast zijn in de omgeving enkele Rijksmonumenten en andere waardevolle bebouwing gelegen.
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op deze waardevolle bebouwing en/of monumenten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een aantasting van Rijksmonumenten en/of overige waardevolle bebouwing. Gezien het voorgaande worden met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen onevenredig aangetast.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4.
Verkeer en parkeren
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Kornpad. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Ook de percelen waarop de voorgenomen fruitteelt zal plaatsvinden zijn middels eigen inritten aangesloten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf en de percelen te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's, machines en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's, machines en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is 51
het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling zal op onbebouwde landbouwpercelen een nieuwe boomgaard worden aangelegd ten behoeve van de fruitteelt. Er zal niet worden gebouwd en/of worden gesloopt. Op de locatie is momenteel een volwaardig melkveehouderijbedrijf aanwezig. Bij een melkveehouderijbedrijf (tot ongeveer 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee) behoren een aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week. De onderverdeling is als volgt te maken: Vaste verkeersbewegingen: Ophalen melk met tankwagen - 3x per week, resulteert in 6 verkeersbewegingen per week; Bulkwagen met krachtvoer - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteert in 1 verkeersbeweging per week; Ophalen kalveren - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; Ophalen slachtvee - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteer in 1 verkeersbeweging per week; Servicebus (onderhoud en techniek) - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; Levering overige goederen (bestelbus) - 2x per week, resulteert in 4 verkeersbewegingen per week. Totaal: 16 verkeersbewegingen per week, waarvan 10 met vrachtverkeer. Bij de gewenste fruitteelt zal al het verkeer via de boomgaard vanuit de huidige locatie aan de Muilkerk worden ontsloten. Er is daarmee geen sprake meer van verkeer over de openbare weg.
Momenteel vinden ten behoeve van de boomgaarden in Almkerk ongeveer 7 verkeersbewegingen per week met een tractor en ongeveer 4 verkeersbewegingen per week met een vrachtwagen plaats. In totaal is daarmee sprake van gemiddeld ongeveer 11 verkeersbewegingen per week, waarvan 4 met vrachtverkeer dat over de openbare weg plaatsvindt. Ook deze verkeersbewegingen zullen met de voorgenomen ontwikkeling, waarbij de boomgaarden in Almkerk worden afgestoten, in zijn geheel komen te vervallen. Het aantal verkeersbewegingen op de gronden zal in beperkte mate toenemen. Echter zullen de voornaamste verkeersbewegingen al reeds worden gemaakt ten behoeve van de huidige boomgaard, waarmee de daadwerkelijke toename zeer beperkt zal zijn. In de worst-case situatie zal sprake zijn van een toename van maximaal 6 verkeersbewegingen per week. Daar staat een afname van in totaal 27 vekreersbewegingen tegenover, waarvan 14 met vrachtverkeer. Gemiddeld genomen zal het aantal verkeersbewegingen daarmee aanzienlijk afnemen. Gezien het aantal verkeersbewegingen afneemt, zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
4.5.
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de 52
waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Rivierenland (hierna: het waterschap). Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor, en werkt voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar rivierenland. Dit is de missie van Waterschap Rivierenland. De visie van Waterschap Rivierenland bestaat concreet uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. Voor allerlei zaken die worden uitgevoerd rondom huis, tuin, erf of bedrijf krijgt men te maken met regels van de overheid. Voor bijvoorbeeld het bouwen van een huis of het slopen daarvan, dan is toestemming nodig van de gemeente. In bepaalde situaties gelden ook regels van het waterschap. Waterschap Rivierenland mag de taken onder andere uitvoeren op grond van een wet (verordening), verder aangehaald als "Keur". Hierin staat wat er gedaan moet worden (geboden) en wat er niet mag (verboden) bij een watergang of bij een waterkering (dijken e.d.). In de geboden staat voorgeschreven wat gedaan moet worden om te zorgen dat de watergangen en waterkeringen in stand blijven. In de verboden staan die zaken welke in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen of waterkeringen.
Hierbij zijn voor A-watergangen beschermingszones, welke obstakelvrij gehouden moeten worden, opgenomen van 5 meter. Voor B-watergangen bedragen deze obstakelvrije zones 1 meter. Verder staan er in de Keur ook regels die gaan over onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen. Voor bepaalde activiteiten vlakbij een watergang of waterkering die weinig invloed hebben zijn algemene regels opgesteld. Voldoen de uit te voeren activiteiten aan de voorwaarden in de algemene regels, is geen watervergunning nodig. Dit houdt in dat de uit te voeren activiteit alleen schriftelijk moet worden 'gemeld' bij het waterschap, waarna men een toestemmingsbrief ontvangt. Voor alle uit te voeren activiteiten die niet voldoen aan de algemene regels, kan een watervergunning worden aangevraagd. Omdat het over een verbod gaat, wil het waterschap deze activiteiten eigenlijk niet. Daarom zal de aanvrager duidelijk moeten maken waarom de activiteit voor hem van belang is. Als dat belang niet duidelijk is, of het waterschap vindt het belang niet groot genoeg ten opzichte van het belang van het waterschap of derden (buren e.d.), zal een aanvraag voor een watervergunning worden geweigerd. De Waterwet stelt in dit verband dat een besluit op grond van de Keur het zogenaamde 'nee-tenzij' principe kent. Waterschap Rivierenland heeft een openbare taak.
Deze komt onder andere voort uit de toepassing van de Keur en de legger, en richt zich vooral op de bescherming en instandhouding van de bestaande waterstaatswerken (wateren en waterkeringen). De Keur verbiedt allerlei werken en handelingen die waterstaatswerken nadelig kunnen beïnvloeden. Voor werken en handelingen die meestal onder voorschriften- toch kunnen worden toegelaten kent de Keur een watervergunningsmogelijkheid. Het waterschap heeft twee belangrijke hoofdtaken: zorg voor de waterkerende functie en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied; zorg voor het watersysteem, zowel kwalitatief als kwantitatief; Voor beide taken geeft het waterschap daarbij uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies Beleidsregels hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend. Als daarom voor nieuw stedelijk gebied een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden. Met het waterbeleid stelt het waterschap de volgende doelen: beschermen van de functie van watergangen; beschermen van het watersysteem. Om deze doelen na te streven heeft het waterschap beleidsregels in de Keur vastgesteld.
Als de berging als gevolg van de werkzaamheden minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd. Dat betekent dat binnen hetzelfde peilvak, zo dicht mogelijk bij de ingreep, eenzelfde hoeveelheid 53
waterberging gegraven moet worden. Dit geldt voor alle ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de aanleg van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. Er zal niet worden gebouwd en/of worden gesloopt. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Stenen bebouwing: 436 m³ per hectare. Kassen/glastuinbouw: 580 m³ per hectare. Maximale peilstijging oppervlaktewater: 0,3 meter. Maximale berging in bassin: 75%. Hierbij geldt een éénmalige vrijstelling tot een verhard oppervlak van 1.500 m². Wanneer bij een eerdere ontwikkeling op een locatie al reeds gebruik is gemaakt van deze vrijstelling dan kan hier niet nogmaals gebruik van worden gemaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen.
Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Tevens is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het dempen van watergangen en/of het aanbregen van dammen of duikers in de watergangen. De ontwikkeling vindt plaats nabij een Natura 2000 gebied. In dit gebied staan ook natte waarden centraal. Verontreiniging van het watersysteem in het Natura 2000 gebied dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Met name de doorstroom van opgevangen hemelwater dat vanuit de boomgaard afstroomt in de bergingsvoorzieningen kan sporen bevatten van gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. Als de opvang van hemelwater in verbinding staat met het watersysteem van het natuurgebied dan kan het natuurgebied verontreinigd raken. Het watersysteem van het betreffende Natura 2000 gebied is een gescheiden systeem en staat niet in verbinding met het watersysteem van de percelen waarop de gewenste boomgaard wordt ontwikkeld. De opvang van hemelwater vanuit de percelen van de initiatiefnemer vindt plaats in een gescheiden sloot die niet in verbinding staat met het watersysteem van het natuurgebied. Daarmee vindt geen doorstroom plaats van mogelijk verontreinigd water naar het betreffende natuurgebied.
Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1) gebruik gemaakt van een emissiearme meerrijenspuit. Daarmee wordt een emissiereductie bereikt van minimaal 99%. naar een naast de boomgaard gelegen oppervlaktewater. De bemesting van de fruitbomen zal plaatsvinden door fertigatie. Met druppelbevloeiing worden de meststoffen in opgeloste vorm heel effectief toegediend per boom. Hiermee worden zowel water als meststoffen uiterst efficiënt toegediend. Deze efficiëntie komt ook tot uiting in minimale verliezen en zorgt dat er geen stikstofemissie van deze meststoffen naar de omgeving optreedt. Hiermee zal het toedienen van meststoffen in de boomgaard geen stikstofemissie naar de betreffende gebieden als gevolg hebben. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloeden hebben op het watersysteem van het nabijgelegen Natura 2000 gebied. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en 54
verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse. De voorgenomen ontwikkeling is reeds besproken met het waterschap. Het waterschap heeft daarbij aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling en dat de waterbelangen met de voorgenomen ontwikkeling niet zullen worden geschaad.
4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen aanvullende compenserende waterberging nodig.
55
Hoofdstuk 5 5.1.
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid