Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
DUSSEN, KORNPAD (BOOMGAARD) (ALTENA) omgevingsvergunning
Dussen, Kornpad (boomgaard) (Altena) omgevingsvergunning
Projectleider ruimtelijke ordening L. Zuurbier Projectleider bouw A. van Rossum
Datum: 13-01-2021
2
Inhoudsopgave VVGB
5
Ruimtelijke onderbouwing
7
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1. Aanleiding voor het project 1.2. Projectlocatie 1.3. Geldende bestemmingsplannen 1.4. Leeswijzer Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1. Huidige situatie 2.2. Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.2. Provinciaal beleid 3.3. Regionaal beleid 3.4. Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1. Milieu 4.2. Ecologie 4.3. Archeologie en cultuurhistorie 4.4. Verkeer en parkeren 4.5. Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3. Handhaving
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
8
12
17
27
56
58 Tekening op schaal Landschappelijk advies Laneco Landschappelijk advies Reuvers Resultaten berekening Aerius Quickscan flora en fauna Verslag bijeenkomst dialoog met de omgeving
59 61 69 84 95 123
3
4
VVGB
5
Ruimtelijke onderbouwing
7
Hoofdstuk 1 1.1.
Inleiding
Aanleiding voor het project
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Altena ten behoeve van de aanplant van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt op ongeveer 49 hectare grond nabij het bedrijf aan de Kornpad 3 te Dussen. In het hoofdstuk "Projectbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert momenteel een fruitteeltbedrijf uit op een andere locatie aan de Muilkerk. Daarbij heeft de initiatiefnemer momenteel andere gronden in Almkerk in gebruik ten behoeve van de fruitteelt. De initiatiefnemer is, met name vanwege de logistieke problemen met de gronden op deze locaties, voornemens de gronden in Almkerk af te stoten en dichter bij de eigen locatie gronden in te zetten voor het aanleggen van een boomgaard voor de fruitteelt. Dit heeft als voordeel dat er minder transportbewegingen nodig zijn naar en vanuit andere kernen. Feitelijk is er met de voorgenomen ontwikkeling sprake van verplaatsing van de huidige boomgaard. Bij huidige boomgaard aan de Muilkerk worden de bomen na het einde van de levensduur gerooid en zal de grond gebruikt worden voor de akkerbouw.
Bij de locatie aan de Kornpad heeft de initiatiefnemer ongeveer 47,5 hectare gronden ter beschikking om de fruitboomgaard uit te breiden. Hiervan zal ongeveer 40,4 hectare worden beplant met fruitbomen. Deze gronden hebben de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze gronden is het zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde en van werkzaamheden niet mogelijk om een boomgaard aan te planten. Een dergelijke omgevingsvergunning kan op basis van artikel 3.6.1, artikel 3.6.3 en het schema "Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden Agrarisch", zoals is opgenomen in bijlage 1 van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente alleen worden verleend als de openheid van het landschap niet in onevenredige mate wordt aangetast. Naar aanleiding van uitgebreid landschapsadvies van verschillende landschapsdeskundigen blijkt dat de openheid van het landschap, hetzij in beperkte mate, zal worden aangetast, waarmee de betreffende omgevingsvergunning niet zomaar kan worden verleend. Echter is de gemeente, op basis van het uitgebreide landschapsadvies, van mening dat de aantasting van de openheid als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling acceptabel kan worden geacht. Daarbij komt dat de boomgaard aan de Midgraaf verkocht is en komende jaren zal verdwijen als boomgaard.
Derhalve is de gemeente alsnog bereid om medewerking te verlenen aan het voorgenomen initiatief. Aan de Midgraaf zullen de fruitteelbomen verdwijnen en de gronden zullen geëxploiteerd worden als akkerbouwgrond. Omdat er geen binnenplanse mogelijkheid is voor het verlenen van de noodzakelijke vergunning is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan aan te vragen. Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en dat geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op het ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2.
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen aan Kornpad 3 te Dussen (en de daaromheen gelegen gronden van ongeveer 49 hectare) en ligt aan de noordkant van Dussen in het landelijk gebied van gemeente Altena. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Dussen, sectie T, nummers 87, 89, 90, 91, 104, 105, 106, 134, 135, 403, 404, 419, 520, 522 en 972. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
8
9
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3.
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Altena, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 16 november 2016, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Op het noordelijk gelegen percelen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing. Tevens is ter plaatse de aanduiding 'overige zone rivierenlandschap-kommen' van toepassing.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Ter plaatse is sprake van aanplant van een boomgaard voor fruitteelt op agrarische gronden. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het bepaalde in het geldende bestemmingsplan op de volgende punten: Vanuit artikel 3.6.1 is voor het aanleggen van een boomgaard voor fruitteelt alleen mogelijk met een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde en van werkzaamheden. Deze kan, volgens de bepalingen uit artikel 3.6.3, alleen worden verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden uit het schema "Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden Agrarisch", zoals is opgenomen in bijlage 1 van het geldende bestemmingsplan. In dat schema is voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - rivierenlandschap-kommen' opgenomen dat de openheid van het landschap niet onevenredig mag worden aangetast. De aanplant van de boomgaard zal de openheid van het landschap, hetzij in beperkte mate, aantasten, waarmee de betreffende 10
omgevingsvergunning niet kan worden verleend. De gemeente heeft aan de hand van uitgebreid landschapsadvies van verschillende landschapsdeskundigen geoordeeld dat de aantasting van de openheid van het landschap door de gewenste aanplant van de boomgaard acceptabel is en is derhalve voornemens alsnog medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling. Echter kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde en van werkzaamheden niet worden afgegeven. Om de gewenste ontwikkeling alsnog mogelijk te maken zal op de hiervoor genoemde punten daarom een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing welke dient te worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning.
1.4.
Leeswijzer
Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin wordt het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
11
Hoofdstuk 2 2.1.
Projectbeschrijving
Huidige situatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Altena. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten, wegen en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn een natuurgebied en een waterpartij gelegen. Deze waterpartij is onder andere bedoeld als waterbergingsgebied die het water bergt van het omliggend gebied bij hevige regenval. De toevoer naar het gebied moet te allen tijde gewaarborgd blijven of verbeterd worden door ruimtelijke initiatieven. De watergangen dienen bereikbaar te blijven voor onderhoud en de beschermingszones vrij van obstakels. Het voorgenomen initiatief zal niet leiden tot een aantasting van het waterbergend vermogen van de betreffende waterpartij. Tevens zullen de onderhoudsstroken en beschermingszones van watergangen in het gebied in acht worden genomen, waarmee de toevoer geborgd blijft. Op grotere afstand van de locatie zijn enkele niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen in een bebouwingslint. Tevens is op grotere afstand van de locatie de kern Dussen gelegen. In de directe omgeving van de locatie en de omliggende percelen die zullen worden gebruikt voor de gewenste fruitteelt, zijn geen bedrijven en/of woningen gelegen.
Op de locatie is momenteel een agrarisch bedrijf aanwezig. De locatie is aangemerkt als een grondgebonden veehouderij. Volgens de huidige vergunde situatie (melding Activiteitenbesluit Milieubeheer), mogen ter plaatse 63 melkkoeien, 8 zoogkoeien, 36 stuks jongvee, 1 vleeskalf en 1 schaap worden gehouden. De initiatiefnemer heeft de betreffende gronden rondom de locatie aangekocht voor de verdere uitbreiding van de fruitteelt. Met de aankoop van de betreffende gronden beschikt de initiatiefnemer over ongeveer 47,5 hectare aan agrarische weidegrond. De initiatiefnemer is voornemens deze gronden in te zetten voor het aanleggen van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. In totaal zal ongeveer 40,4 hectare worden beplant met fruitbomen. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
12
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
13
2.2.
Gewenste situatie
De initiatiefnemer heeft de betreffende gronden aangekocht voor de uitbreiding van de boomkwekerij die elders wordt uitgevoerd. Daarbij wenst de initiatiefnemer deze agrarische weidegronden te gebruiken voor de aanleg van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. De initiatiefnemer is voornemens om 47,5 hectare aan weidegrond in te zetten voor het aanleggen van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. Van deze gronden zal in totaal ongeveer 40,4 hectare worden beplant met fruitbomen. Het gaat daarbij om de volgende soorten en oppervlakten: Peren (conference): ongeveer 16 hectare; Appels (Kanzi, Tessa en Elstar): ongeveer 24,4 hectare. Langs de Noordveldseweg (aan de oostzijde van de locatie) en aan weerszijden van de Kornpad zal door de initiatiefnemer een windhaag worden opgenomen van 1,5 meter hoog. Deze windhaag zal bestaan uit zwarte els en zal ongeveer 40 centimeter breed worden. Deze heeft uitsluitend als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en heeft geen functie als emissiescherm. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze windhaag zal buiten de beschermingszone van eventuele watergangen blijven. In de volgende figuur zijn de percelen waarop de boomgaard voor fruitteelt zal worden aangelegd nader weergegeven. De tekeningen op schaal zijn in bijlage 1 van deze onderbouwing nader uitgewerkt.
14
15
Situatietekening gewenste situatie. Bron: Van Oostrum Woerden.
16
Hoofdstuk 3 3.1.
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.
Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 17
belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de 18
provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal.
Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor de aanleg van boomgaarden voor fruitteelt zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. De aanleg van de boomgaard staat de hoofdopgaven die worden gesteld daarnaast ook niet in de weg. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied'. Een bedrijf voor fruitteelt wordt gezien als een (vollegronds)teeltbedrijf. Voor de ontwikkeling van (vollegronds)teeltbedrijven zijn in de verordening specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.54 grondgebonden teeltbedrijf in gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als: a. dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is; b. de bouw of uitbreiding van een k as is beperkt tot ten hoogste 5.000 m²." Ad. 3.54, sub a: Momenteel heeft de initiatiefnemer gronden in gebruik als boomgaard voor de fruitteelt in Almkerk. Door de relatief grote afstand van deze boomgaarden tot de locatie van het huidige fruitteeltbedrijf van de 19
initiatiefnemer is er logistiek gezien geen sprake van een optimale bedrijfsvoering. De gewenste locatie met bijbehorende gronden zijn dichterbij de huidige locatie van de initiatiefnemer, waarmee het logistiek gezien aanzienlijk verbetert. De voorgenomen ontwikkeling komt daarmee ten goede aan een meer doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die nodig is vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.54, sub b: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bouw en/of uitbreiding van een kas. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Naast de specifieke voorwaarden voor een ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 a. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rek ening gehouden met: zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c.
meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: De vestiging van een grondgebonden teeltbedrijf is, zoals reeds aangetoond in het voorgaande, mogelijk op grond van de bepalingen uit de verordening. Bij de ontwikkeling is geen sprake van het bouwen van bebouwing en/of het aanleggen van nieuwe verharding.
Er is uitsluitend sprake van het agrarisch gebruik van agrarische gronden ten behoeve van de bomenteelt. De bomenteelt is in het gebied niet uitgesloten, 20
waarmee de ontwikkeling past binnen het bestaande ruimtebeslag. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee mogelijk op grond van de bepalingen in de verordening. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub c: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van nieuwe bebouwing. Er is sprake van agrarisch gebruik van agrarische gronden. De bedrijfsbebouwing van de initiatiefnemer is reeds geconcentreerd op diens bedrijfslocatie en daar binnen het ter plaatse toegekende bouwperceel gelegen. Er is daarmee geen sprake van een nieuw ruimtebeslag. Er is geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 3.6, lid 2: Het bedrijf van de initiatiefnemer is reeds gevestigd op een bestaand bouwperceel. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Er is daarmee geen sprake van een nieuw ruimtebeslag buiten een bestaand bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies.
Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. In het betreffende hoofdstuk is nader ingegaan op het waardevolle open landschap. Door verschillende landschapsdeskundigen is een onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van een nieuwe boomgaard in het waardevolle open landschap. De landschapsdeskundigen stellen in de onderzoeken die zij hebben uitgevoerd dat er sprake is van een aantasting van de openheid van het landschap. Echter stellen zij ook 21
dat de openheid van het landschap ter plaatse van de gewenste boomgaarden niet het sterkst aanwezig is binnen het gebied en dat daarmee de impact van de gewenste ontwikkeling op de waardevolle openheid beperkt blijft. Zowel de landschapsdeskundigen als de gemeente achten de impact van de gewenste ontwikkeling op de openheid van het landschap acceptabel. Momenteel heeft de initiatiefnemer boomgaarden in eigendom en gebruik in Almkerk. Deze zullen na realisatie van de nieuwe boomgaard op de locatie in gebruik worden genomen voor akkerbouw. Hiermee zal geen sprake zijn van een grote toename van het areaal aan boomgaarden in het totale gebied. Daarnaast zal de openheid van het landschap op de plaats van de huidige boomgaarden worden versterkt. Op de plaats waar de huidige boomgaarden zullen worden teruggebracht naar akkerbouwgronden zal de versterking van de openheid een meerwaarde hebben voor het gebied. Daarmee zal de impact van de voorgenomen ontwikkeling op de openheid van het landschap beperkt blijven en zal de aantasting van de openheid van het landschap, ook mede door het terugbrengen van de huidige boomgaarden in Almkerk naar akkerbouwgrond, acceptabel zijn. Naast de openheid van het landschap is ook het behoud van het micro-reliëf van belang. Het micro-reliëf is een geheel van kleine variaties in de hoogte van het landschap over een korte afstand.
In het ecosysteem is het micro-reliëf met name van invloed op het microklimaat en daarmee een belangrijke factor voor de abiotische diversiteit. Met name ingrepen als ontginnen, afgraven, verlagen, egaliseren, ophogen, diepploegen en/of vergraven van gronden hebben invloed op het waardevolle micro-reliëf en dienen daarmee zoveel mogelijk te worden voorkomen. Voor de aanplant van een boomgaard dient de grond te worden omgespit. Dit is echter niet anders dan bij het gebruik van de gronden voor akkerbouw. In de huidige situatie worden de gronden reeds gebruikt voor akkerbouw, waarbij de grond al regelmatig wordt omgeploegd en omgespit. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een verdere aantasting van het micro-reliëf ter plaatse dan in de huidige situatie. Ten slotte is het gebied aangemerkt als een gebied voor weidevogels. Dit houdt in dat in het gebied mogelijk weidevogels een broedplaats hebben. Voor het behoud van de biodiversiteit en de bescherming van de weidevogels is het van belang dat het gebied voor weidevogels niet onevenredig wordt aangetast. Er dient daarmee voldoende grond vrijgehouden te worden voor weidevogels. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierin is de mogelijke invloed van de voorgenomen ontwikkeling op eventueel voorkomende soorten vogels meegenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) weidevogels. Voor de voorkomende soorten in het gebied zijn in de nabije omgeving voldoende alternatieven beschikbaar. Wel blijkt uit het onderzoek dat mogelijke effecten op de steenuil niet op voorhand zijn uit te sluiten. Om de effecten voor deze soort te minimaliseren worden aanvullende maatregelen getroffen. Deze zijn nader omschreven in de paragraaf "Soortenbescherming" (paragraaf 4.2.1.3) en in de rapportage van de uitgevoerde quickscan (bijlage 5 van deze onderbouwing). De maatregelen voor de steenuil zullen eveneens een positieve bijdrage leveren aan de mogelijkheden voor weidevogels. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) weidevogels. De impact op het weidevogelleefgebied blijft daarmee beperkt. De impact van de voorgenomen ontwikkeling op het landschap blijft, zoals omschreven in het voorgaande, beperkt en wordt acceptabel geacht. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.
de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. 22
Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Langs de Noordveldseweg (aan de oostzijde van de locatie) en aan weerszijden van de Kornpad zal door de initiatiefnemer een windhaag worden opgenomen. De windhaag zal een hoogte van ongeveer 1,5 meter krijgen en zal bestaan uit zwarte els. De windhaag zal ongeveer 40 centimeter breed worden. Deze windhaag heeft uitsluitend als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en heeft geen functie als emissiescherm. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de ruimtelijke kwaliteit. De aan te leggen windsingel betreft het aanbrengen van landschappelijke elementen, wat vanuit artikel 3.9 van de verordening is aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.
Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling mogelijk binnen het beleid zoals is verwoord in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.3.
Regionaal beleid
Er zijn ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling geen regionale beleidsstukken van toepassing. De gemeente Altena heeft echter in samenwerking met de gemeenten Aalburg en Woudrichem een gezamenlijke gemeentelijke structuurvisie opgesteld. Omdat dit tevens de gemeentelijke structuurvisie van gemeente Altena betreft vindt de toetsing hieraan plaats in de toetsing aan het gemeentelijk beleid, waarvoor wordt verwezen naar de paragraaf "Gemeentelijke structuurvisie" (paragraaf 3.4.1).
3.4.
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeente Altena heeft, in samenwerking met de gemeenten Aalburg en Woudrichem op 25 juni 2013 de Structuurvisie Land van Heusden en Altena vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2025. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de structuurvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Primair agrarisch gebied'. In het primair agrarisch gebied willen de gemeenten de grondgebonden landbouw de ruimte kunnen bieden voor uitbreiding van de agrarische bedrijvigheid. Onder grondgebonden landbouw verstaan de gemeenten onder andere akkerbouw, vollegrondsteelt en grondgebonden veehouderijen. In het primair agrarisch gebied willen de samenwerkende gemeenten primair de openheid handhaven. De gemeenten streven naar functies die extensief gebruik maken van dit gebied, of intensief op een wijze die past in een landschappelijke omgeving zoals akkerbouw, vollegrondsteelt of grondgebonden veehouderij. Grootschalige nieuwe ontwikkelingen die gepaard gaan met bebouwing zijn niet wenselijk op deze plek. In dit gebied zijn landschappelijke en natuurlijke waarden aanwezig, juist vanwege de openheid.
Deze waarden willen de gemeenten graag behouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een vollegrondsteeltbedrijf. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeenten hebben voor het primair agrarisch gebied. De kernen en het buitengebied hebben ieder specifieke ruimtelijke eigenschappen. De ruimtelijke 23
eigenschappen (ruimtelijke karakteristiek) samen met het functioneel gebruik vormen de omgevingskwaliteit van de gemeenten. Het Land van Heusden en Altena beschikt met de aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden over een breed scala aan omgevingskwaliteiten, zowel in de dorpen als in het buitengebied. Deze kwaliteiten vormen een belangrijke basis voor het goede woonklimaat van de gemeenten, bieden condities voor vernieuwend ondernemerschap in de kernen en in het buitengebied en maken de gemeenten ook interessant voor bezoekers. De bewoners van het Land van Heusden en Altena zijn trots op het landschap en de eigenheid van het gebied. Deze eigenheid wordt voornamelijk bepaald door het landschap in het buitengebied en dus is het behoud van de aanwezige waarden in het buitengebied een randvoorwaarde voor mogelijke ontwikkelingen. Ter plaatse van de locatie is de openheid een waardevolle eigenschap die de gemeenten zoveel mogelijk willen behouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, hetzij in beperkte mate, sprake zijn van een mogelijke aantasting van de openheid van het landschap. Om die reden is door verschillende landschapsdeskundigen een landschappelijk advies ingewonnen. Uit de verschillende landschappelijke adviezen kan het volgende worden geconcludeerd: "Advies Laneco: Gezien de ligging van de locatie is de nu aangedragen locatie waarschijnlijk de meest ideale.
De locatie zal wel de openheid beïnvloeden, maar gezien de omgeving met veel opgaande elementen, de aansluiting op andere laagstamboomgaarden en het historische perspectief met de aanwezigheid van fruitteelt, en een relatief kleinschalig en minder open landschap, zijn de effecten op de openheid niet onevenredig van aard. In een meer open landschap, rond de Midgraaf, wordt een boomgaard van 17 hectare gerooid en omgevormd tot akker. In dit open landschap wordt daarmee een positieve impuls gegeven aan de openheid. Verder is nu ook al veel tijdelijke aantasting (mais), en is het gebruik als boomgaard niet onomkeerbaar. Ook dit draagt ons inziens bij aan de conclusie dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de openheid van het landschap. De hoogte van 3 meter is zodanig beperkt dat vanuit het zicht vanaf de horizon nauwelijks sprake is van een verstorend element. Advies Reuvers: Het voorgestelde gewas van 3 - 3,5 meter hoog zal leiden tot een aantasting van de openheid op lokaal niveau. Daarentegen wordt de weidsheid en landschappelijke openheid niet aangetast. Het beeld op de horizon, gezien vanuit de omgeving blijft vrijwel intact. Hierdoor zal de nieuwe aanplant geen hoog en belemmerend beeld vormen vanuit een groot landschappelijk beeld.
Kortom, er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het 'behoud van openheid' van het landschap zoals vereist, in het toetsing kader van de omgevingsvergunning. Een laagstamboomgaard past zeker in dit gebied met zijn historie van hoogstamboomgaarden." Voor de volledige adviezen van de landschapsdeskundigen wordt verwezen naar bijlage 2 en 3 van deze onderbouwing. Op basis van de landschappelijke adviezen van de landschapsdeskundigen heeft de gemeente besloten dat de beperkte aantasting van de openheid acceptabel is en dat zij daarom medewerking willen verlenen aan het voorgenomen initiatief. Naast de openheid van het landschap is ook het behoud van het micro-reliëf van belang. Het micro-reliëf is een geheel van kleine variaties in de hoogte van het landschap over een korte afstand. In het ecosysteem is het micro-reliëf met name van invloed op het microklimaat en daarmee een belangrijke factor voor de abiotische diversiteit. Met name ingrepen als ontginnen, afgraven, verlagen, egaliseren, ophogen, diepploegen en/of vergraven van gronden hebben invloed op het waardevolle micro-reliëf en dienen daarmee zoveel mogelijk te worden voorkomen. Voor de aanplant van een boomgaard dient de grond te worden omgespit. Dit is echter niet anders dan bij het gebruik van de gronden voor akkerbouw.
In de huidige situatie worden de gronden reeds gebruikt voor akkerbouw, waarbij de grond al regelmatig wordt omgeploegd en omgespit. Het enige stuk 24
dat wordt omgespit is het gedeelte waar de boom gepland wordt. Voor al het overige blijft het terrein intact. Er wordt geen enkele andere ingreep gepleegd. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een verdere aantasting van het micro-reliëf ter plaatse dan in de huidige situatie. Ten slotte is het gebied aangemerkt als een gebied voor weidevogels. Dit houdt in dat in het gebied mogelijk weidevogels een broedplaats hebben. Voor het behoud van de biodiversiteit en de bescherming van de weidevogels is het van belang dat het gebied voor weidevogels niet onevenredig wordt aangetast. Er dient daarmee voldoende grond vrijgehouden te worden voor weidevogels. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierin is de mogelijke invloed van de voorgenomen ontwikkeling op eventueel voorkomende soorten vogels meegenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) weidevogels. Voor de voorkomende soorten in het gebied zijn in de nabije omgeving voldoende alternatieven beschikbaar. Wel blijkt uit het onderzoek dat mogelijke effecten op de steenuil niet op voorhand zijn uit te sluiten. Om de effecten voor deze soort te minimaliseren worden aanvullende maatregelen getroffen.
Deze zijn nader omschreven in de paragraaf "Soortenbescherming" (paragraaf 4.2.1.3) en in de rapportage van de uitgevoerde quickscan (bijlage 5 van deze onderbouwing). De maatregelen voor de steenuil zullen eveneens een positieve bijdrage leveren aan de mogelijkheden voor weidevogels. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van (leefgebieden van) weidevogels. De impact op het weidevogelleefgebied blijft daarmee beperkt. In de quickscan is de volgende passage opgenomen voor de weidevogels:
25
Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een onevenredige en/of onacceptabele aantasting van de in het gebied voorkomende waarden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Land van Heusden en Altena van gemeente Altena. 26
Hoofdstuk 4 4.1.
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het aanleggen van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. Ten aanzien van fruitteelt zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object (zijnde de agrarische bedrijfswoning aan de Muilkerk 26a) bevindt zich op een afstand van ongeveer 100 meter (gemeten van dichtstbijzijnde perceel voor de fruitteelt tot het bouwvlak van het betreffende agrarisch bedrijf). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4.1.2 Geur Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het aanleggen van een boomgaard ten behoeve van de fruitteelt. Een boomgaard voor fruitteelt veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige geurhinder aan de omgeving mag veroorzaken, mag deze ook niet leiden tot een beperking van de mogelijkheden van de omliggende functies en bedrijven. Dit is met name van belang wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht. In dat geval dient ter 27
plaatse van het gevoelige object sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de luchtvervuiling.
De regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen: "Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen) Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden: a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;* b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw;* c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;* d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare; e. kinderboerderijen. * al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf." Een fruitteeltbedrijf wordt gezien als een tuinbouwbedrijf. Een tuinbouwbedrijf is in elk geval als 'niet in betekenende mate' (NIBM) aangemerkt. Hier valt onderhavig fruitteeltbedrijf dus ook onder. Gezien sprake 28
is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden in de omgeving mag een ontwikkeling ook niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven en functies. Dit is met name van belang wanneer er nieuwe gevoelige objecten worden opgericht. In dat geval dient ter plaatse van het betreffende gevoelige object sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten. Daarmee is geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven en/of functies. 4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.
Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. 29
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.5 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is een spuitzone opgenomen, waarbinnen geen nieuwe gevoelige objecten worden toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt fruitteelt plaat. Daarom dient rekening gehouden te worden met de spuitzones van de betreffende gewassen. Daarbij dient voldoende afstand te worden aangehouden tussen de boomgaarden en gevoelige objecten in de omgeving. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). Doorgaans wordt echter een zone van 50 meter toegepast.
Binnen 50 meter van de percelen waarop de bomen zullen worden geplant zijn geen gevoelige objecten gelegen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. Door de gebruikte innovatieve technieken voor toepassen van gewasbeschermingsmiddelen zal nagenoeg geen sprake zijn van het uitspoelen van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater en/of het grondwater. Er wordt momenteel gewerkt met 99% emissievrije manier van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor zal er geen sprake zijn van drift of uitspoeling naar oppervlaktewater.
4.1.6 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
30
4.1.6.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. 4.1.6.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.