Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Deze afstand is korter dan 10 meter. Het woon- en leefklimaat is echter aanvaardbaar en de begraafplaats wordt niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Zie voor de motivatie paragraaf 4.2 onder ‘industrielawaai’. Het agrarische bedrijf betreft een rundveehouderij met 60 vleesstieren (6 tot 24 maanden) en 20 fokstieren (ouder dan 2 jaar). Voor fokstieren gelden conform de Wet geurhinder en veehouderij vaste afstanden die in acht moeten worden genomen tussen een agarisch bedrijf en een geurgevoelig object. De in acht te nemen afstand is op basis van de wet 100 meter. De gemeente kan deze afstand – indien gewenst - via een verordening verkleinen. In onderhavige situatie geldt dat het plangebied op 200 meter van het bouwblok van het agrarische bedrijf is gelegen. Aan de vaste afstand die conform de wet voor het aspect geur gelden wordt daarmee voldaan. Verder geldt voor vleesstieren een geuremissienorm. Op de afbeelding hieronder is de geuremissie die het bedrijf veroorzaakt weergegeven. Het gaat om een lage geuremissie van 2136 oue/s.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
28
Gezien de omvang van het bedrijf (en de bijbehorende geuremissie) en de afstand tot de geurgevoelige objecten is de verwachting dat de voor- en achtergrondbelasting geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. Daarbij geldt dat in de omgeving van het plangebied ook geen andere veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden aanwezig zijn en het daardoor niet aan de orde is dat de achtergrondbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat belemmert. Verder wordt het bedrijf door het toevoegen van geurgevoelige objecten in het plangebied niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Er zijn namelijk diverse andere geurgevoelige objecten gelegen tussen de veehouderij en het plangebied, welke maatgevend zijn. Verder gelden conform de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering voor dit agrarische bedrijf (SBI-code: 0141, 0142) de navolgende richtafstanden van het bestemmingvlak van het bedrijf totaan de meest nabij gelegen gevel: geluid 30, gevaar 0, stof 30. Aan deze afstanden wordt met een feitelijke afstand tussen het bouwblok en de nieuwe dichtstbijgelegen gevel van 200 meter voldaan. Sprake is dan ook van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het agrarische bedrijf wordt door de ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering gehinderd. Conclusie Samenvattend blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Omliggende functies en bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Nader onderzoek kan achterwege blijven. 4.5 Bodem Beleidskader Vastgelegd is dat in bestemmingsplannen (alsook ruimtelijke onderbouwingen) moet worden beschreven wat de bodemkwaliteit van het betreffende gebied is. Voor het
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
29
betrekken van bodeminformatie bij het opstellen van bestemmingsplannen (alsook ruimtelijke onderbouwingen) zijn enkele vragen relevant: • is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren; • zijn er gezondheids- of ecologische risico's en gebruiksbeperkingen voor de beoogde functies; • wat zijn de mogelijkheden om er tijdig iets aan te doen in termen van resultaten, kosten en kostendragers. Consequenties Door Nipa milieutechniek is een verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar PFAS uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 3 bij deze ruimelijke onderbouwing gevoegd. De conclusies van dit onderzoek zijn de volgende. “Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek en het onderzoek naar PFAS, uitgevoerd op het perceel Kildijk 45 te Nieuwendijk, kadastraal bekend als gemeente Werkendam, sectie T, nummer 2051 blijkt dat zowel de vaste bodem als het grondwater niet noemenswaardig verontreinigd zijn. De voormalige sloot die uit het vooronderzoek naar voren is gekomen, is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden niet terugvindbaar gebleken. Op basis van deze resultaten kan de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4, in principe worden aanvaard. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.
Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond. Conform de Regeling bodemkwaliteit mag de grond slechts onder voorwaarden worden hergebruikt. Eventueel vrijkomende grond mag echter wel op de locatie worden hergebruikt. Grond die binnen de gemeente wordt hergebruikt kan, als de gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, op basis van dit rapport hergebruikt worden. Indien de gemeente niet over een bodemkwaliteitskaart beschikt of de grond buiten de grenzen van de bodemkwaliteitskaart toegepast zal worden, dient een partijkeuring conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001 uitgevoerd te worden.” Het bevoegd gezag bepaalt of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het bevoegd gezag heeft het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek beoordeeld en heeft aangegeven dat aanvullend onderzoek naar asbest in de bodem conform NEN5707 noodzakelijk is. Het bevoegd gezag heeft dit geconcludeerd omdat te veel boringen (7 stuks) bodemvreemde materialen bevatten. Het gaat dan o.a om sporen van baksteen, metselpuin en kolengruis. Hierin speelt mee dat de locatie deels voor buitenopslag in gebruik is geweest en niet bekend is welk materiaal lag opgeslagen. Het
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
30
gevraagde onderzoek (NEN 5707) is aanvullend uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 10) en kent de navolgende conclusies en aanbevelingen. “Uit de resultaten van het verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op het perceel Kildijk 45 te Nieuwendijk blijkt dat de bodem plaatselijk sterk verontreinigd is met asbest. Het asbest is niet aangetroffen ter plaatse van het voormalig opslagterrein, maar op het weiland. Het verontreinigd bodemvolume is ingeschat op 48 m3. In het kader van de ruimtelijke ontwikkeling van het perceel dient de verontreiniging gesaneerd te worden. Saneringswerkzaamheden dienen vooraf gemeld te worden bij het bevoegd gezag Wbb. Dit kan met behulp van een BUS-melding. Saneringswerkzaamheden dienen door een BRL 7000 protocol 7001 erkende aannemer onder milieukundige begeleiding (BRL 6000 protocol 6001) te worden uitgevoerd.” Het bevoegd gezag bepaalt of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Het bevoegd gezag heeft het aanvullend uitgevoerde verkennend en nader asbestonderzoek beoordeeld en akkoord bevonden. Mits een BUS-melding wordt gedaan en het aangetroffen asbest wordt gesaneerd vomt bodem geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.6 Externe Veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
31
gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
32
Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Consequenties Op de signaleringskaart behorende bij de beleidsvisie Externe Veiligheid 2017 is aangegeven dat in (de directe omgeving van) het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Aanvullend is met behulp van de nationale risicokaart1 is bekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Hieruit blijkt dat: - er in of in de nabijheid van het plangebied geen sprake van risicovolle inrichtingen die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. De dichtstbij gelegen risicovolle inrichting is gelegen op meer dan 1 kilometer van het plangebied en betreft Tamoil bij de op-/afrit van de A27. - de A27 op ca. 950 meter (meer dan 200 meter) van de ontwikkeling ligt en conform het Bevt daarom een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat (zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid i.v.m. het toxisch scenario); - in en in de omgeving van het plangebied geen relevante buisleidingen aanwezig zien die een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Elementen ter verantwoording van het groepsrisico Omschrijving toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of -wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving kan waaien.
Bij bepaald een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen, is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Bestrijdbaarheid toxisch scenario Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Standaardadvies Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant
1
www.risicokaart.nl, professionele versie.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
33
De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft een standaardadvies opgesteld voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen en infrastructuur voor het transport van gevaarlijke stoffen. De gemeente heeft een standaard verantwoording groepsrisico ontwikkeld aansluitend aan het standaard advies van de Veiligheidsregio. Dit standaardadvies kan worden toegepast voor ruimtelijke ontwikkelingen op meer dan 750 meter afstand van een niet-categorale Bevi-inrichting en op meer dan 200 meter afstand van een categorale Bevi-inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding. Onderhavig plangebied voldoet aan voorgaande en valt derhalve onder de werking van het standaardadvies. Vanuit externe veiligheidswetgeving kan geconcludeerd worden dat er geen wettelijke beperkingen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel moet er een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden gegeven. In deze paragraaf hiervoor zijn verantwoordingselementen aangedragen. 4.7 Natuur Beleidskader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland.
Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied.
Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
34
verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Consequenties Soortenbescherming Het plangebied wordt op dit moment gebruikt als tuin. Er is sprake van voornamelijk gras dat met regelmaat wordt gemaaid. Geen sprake is van de aanwezigheid van beschermde soorten, het plangebied is hiervoor niet geschikt. Nader onderzoek is niet benodigd.
Gebiedsbescherming Op minder dan 1 kilometer van het plangebied ligt Natura 2000 gebied Biesbosch, op circa 4 kilometer ligt Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, op circa 9 kilometer ligt het Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Met de Aeriuscalculator is berekend in hoeverre het project zowel voor wat betreft de realisatie- als gebruiksfase invloed heeft op alle Natura 2000 gebieden. Uit de berekening die is bijgevoegd als bijlage 4 bij deze toelichting blijkt dat in zowel de realisatie- als de gebruiksfase geen sprake is van de depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden. Conclusie Geen effecten worden verwacht op beschermde gebieden of soorten. Zolang de voorgestelde voorzorgsmaatregelen voor wat betreft eventueel aanwezige soorten worden nageleefd is geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. 4.8 Kabels en leidingen Voor onderhavige locatie is een KLIC-melding uitgevoerd. In het plangebied is sprake van een waterleiding. De initiatiefnemer is met de beheerder van de leiding in overleg om deze te verleggen. 4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
35
houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg.
Consequenties Onderhavige planontwikkeling voorziet in de realisatie van zeven nieuwe woningen. Derhalve kan dit plan gezien worden als een project dat een niet in een betekenende mate bijdrage levert op het gebied van de luchtkwaliteit.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
36
Op basis van de GCN-kaarten is getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dat is het geval. Zie onderstaande uitsnede van de GCN-kaart (PM10) die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde 17,6 (lichtblauw, gridcelwaarde onder de 18). Conclusie Het onderhavige plan heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor. 4.10
Brandveiligheid De gemeente Altena toetst bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten in verband met brandveiligheid aan de Brabantse beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening. De navolgende beleidsregels zijn aan de orde. Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg Bij alle woningen dient de Brandweer de mogelijkheid te hebben om de woningen binnen een afstand van 40 meter vanaf de openbare weg te kunnen benaderen. Tevens dient overal (op straat) een blusvoertuig voor de woningen te kunnen worden opgesteld. De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening dient een vrije breedte van 6 meter en een breedte van 4 meter te hebben. Bluswatervoorziening De bluswaterbehoefte voor een ontwikkeling wordt op basis van de uitgangspunten zoals geformuleerd in de Brabantse beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening bepaald. Op basis hiervan is voor de woningen die in dit project worden mogelijk gemaakt scenario 10 van toepassing. Concreet betekent dit dat een bluswatervoorziening met een capaciteit van minimaal 60 m3 per uur op een maximale afstand van 200 meter van een woning aanwezig moet zijn. Conclusie Door de brandweer is het plan in het kader van het wettelijke vooroverleg getoetst op bovenstaande uitgangspunten. Zij geven aan dat: “Nabij het plangebied zijn aan de Dirkappel brandkranen aanwezig op een 63 mm leiding.
Deze voldoen niet aan de gestelde capaciteit van 60 m3 per uur. Op de kruising Dirkappel-Boomgaard is nabij het appartementencomplex open water aanwezig. Dit open water ligt nog binnen de afstand van 200 meter en daarmee kan worden voldaan aan de bluswaterbehoefte. Er zijn geen nadere voorwaarden van toepassing.”
4.11 Water Beleidskader De gemeente Altena is niet primair verantwoordelijk voor alle watertaken, maar moet de waterbelangen wel goed beschrijven en afwegen binnen de ruimtelijke Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
37
ordening. Een van de instrumenten hiervoor is de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat het Waterschap beoordeelt of de waterbelangen voldoende zijn afgewogen. De voor de gemeente en waterschap van belang zijnde wateraspecten zijn hieronder beschreven. Volgens de Wet gemeentelijke watertaken (2008) is de gemeente verantwoordelijk voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater en hemelwater. De gemeente mag vervolgens zelf bepalen op welke wijze het ingezamelde hemelwater wordt verwerkt. Verder heeft de gemeente de zorgplicht voor het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen, om structurele problemen als gevolg van een voor de gebruiksfunctie nadelige grondwaterstand in openbaar bebouwd gebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover doelmatig is en niet de verantwoordelijkheid is van het waterschap of de provincie. Het waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en beheer van het waterpeil. Daarnaast is het waterschap verantwoordelijk voor het zuiveren van het afvalwater. Het is van belang dat de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie toereikend is voor de toename aan vervuilingseenheden en dat het afvalwater niet te veel verdund wordt met regenwater.
Het waterschap is sinds de inwerkingtreding van de Waterwet (eind 2009) ook verantwoordelijk voor het beheer van het grondwater. Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoetsproces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. Hieronder is een overzicht gegeven van relevante nota’s aangaande de waterhuishouding, uitgesplitst naar de verschillende bestuursniveaus. Allen hebben als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Europa o Kaderrichtlijn water (KRW). Nationaal o Nationaal Waterplan 2016-2021 (NW); o Waterbeleid voor de 21 eeuw (WB21); o Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); o Waterwet.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
38
Provinciaal o Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 o Provinciale Structuurvisie; o Provinciale omgevingsvisie; o Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Waterschapsbeleid o Waterbeheerprogramma 2016-2021 o Keur Waterschap Rivierenland 2014. o Legger wateren; o Legger waterkeringen. Gemeentelijk o Beleidsvisie riolering en water gemeente Altena (2017) Belangrijke hydrologische uitgangspunten bij de invulling van het gebied zijn als volgt; o Waterneutraal bouwen; het plan mag geen nadelige gevolgen hebben voor de omgeving; o De toename aan verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in de vorm van nieuwe waterberging bovenop bestaand wateroppervlak. o Bestaand wateroppervlak mag hier derhalve niet in worden meegerekend; o Voor de berging van het hemelwater hanteert de gemeente de voorkeursvolgorde open water of waterberging in het groen. Pas wanneer dit niet mogelijk is, kan gekozen worden voor ondergrondse voorzieningen zoals waterberging onder wegen; o Verhard oppervlak van kavels worden als volgt berekend: o Voor het dimensioneren van het (hemel)watersysteem en bepalen compensatieplicht bij nieuwbouwlocaties hanteert de gemeente een verhard oppervlak van 80% voor percelen tot 250 m² en 65% voor percelen tot 600 m². o Zijn de percelen groter dan 600 m2, dan gaat de gemeente uit van het werkelijke verhard oppervlak met een minimum van 400 m2 verhard oppervlak.
o Voor bedrijventerreinen hanteert gemeente een verhard oppervlak van 100% van het perceeloppervlak. o Verhard oppervlak van openbare verharding dient te worden berekend op basis van ontwerptekeningen of er dient een percentage te worden gehanteerd van het bruto oppervlak van de gehele wijk; o De hoeveelheid aan te leggen water dient te worden berekend op basis van 30 cm peilstijging bij een bui van eens per 10 jaar (plus 10% vanwege klimaatontwikkeling) en/of een peilstijging tot maaiveld bij een bui van eens per 100 jaar (plus 10%). Hierbij is 10% de minimum-eis van het waterschap.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
39
o
o
o
o o
Rioolstelsels in uitbreidingswijken worden uitgevoerd als gescheiden rioolstelsel. Regenwater en afvalwater dienen gescheiden te worden aangeleverd bij de erfgrens; Nieuwe rioolstelsels worden berekend op minimaal een bui 09 (eens in de vijf jaar). Voor beheersing op maaiveldniveau moet een doorkijk gemaakt worden met een bui van 75 mm in 60 minuten. Met deze doorkijk wordt gestreefd naar het voorkomen van schade en het beperken van overlast bij extreme buien; Het vloerpeil van woningen dient minimaal 30 cm boven het peil van de as van de weg te liggen. Dit geldt ten opzichte van de as bij een bolle weg. Bij een holle weg dient een groter verschil in acht te worden genomen; Het peil van de as van wegen dient minimaal 1,20 m boven het zomerpeil van oppervlaktewater te liggen; Extra kwel ten gevolge van eventuele aanleg van watergangen moet worden gecompenseerd binnen het plangebied;
Consequenties • Het plangebied dat ca. 2271 m2 groot is, is op dit moment niet verhard. • De verhardingstoename in het plangebied is bepaald a.d.h.v. Handleiding Inrichting Openbare Ruimte van gemeente Altena, hoofdstuk 2.2. Waterhuishouding. • De verhardingstoename leidt tot een waterbergingsopgave van 113,15 m3. • Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. • In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. • In het plangebied zijn geen waterkeringen of kunstwerken te behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen) aanwezig. • In het plangebied is geen ruimte voor open water of waterberging in het groen, dit betekent dat ondergrondse waterberging de enige oplossing is. • De gronden in het plangebied en de omgeving ervan kennen een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 75 cm-mv. • Bij ondergrondse infiltratievoorzieningen gelden specifieke uitgangspunten vanuit het waterschap. Ten eerste dient de K-waarde ter plaatse van de toekomstige voorziening hoger te zijn dan 0.4m/ dag. Verder eist het Waterschap dat (de onderkant van) een infiltratievoorziening minimaal 0.5m boven de GHG moet worden geïnstalleerd. Indien daar op basis van de GHG niet aan kan worden voldaan moet de infiltratievoorziening worden voorzien van een vertraagde afvoer (bijvoorbeeld een drain).
Deze drain mag vervolgens niet meer water vanuit de infiltratievoorziening afvoeren dan 1,5 ltr./sec./ha aangesloten oppervlak op de voorziening. • Door ingenieursbureau Land zijn de k-waarden ter plaatse in het veld bepaald. De boorresultaten zijn bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 8). Uit de boringen blijkt dat de bodem van het plangebied tot minimaal 0,8 m-mv bestaat uit matig tot sterk zandige klei, met daaronder een matig tot sterk siltige zandlaag (met brokken klei) tot een diepte van 1,7 à 1,9 m-mv. Uit de boringen blijkt dat de zandlagen (ook al variëren deze in exacte diepteligging) wijdverbreid voorkomen. Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
40
Dit betekent dat water via een ondergrondse bergingsvoorziening weg kan richting de watergang (B05). B04 laat een ruime zandlaag in de bovengrond zien die doorloopt tot onder de beoogde aanlegdiepte van de buffer. De andere kant op (B06) is de zandlaag dik en loopt door richting B07. Onder de zandlaag is een zwak zandige kleilaag aanwezig. Op basis van deze bodemopbouw is de k-waarde (1,9 m/d). Geconcludeerd kan worden dat de bodem geschikt is voor infiltratie van regenwater uit een ondergrondse bergingsvoorziening. Op basis van de compensatie-eis van het waterschap (T=100 +10% = 664 m3 waterberging per hectare verhard oppervlak) in combinatie met de verhardingstoename in het plangebied moet in onderhavige situatie 113,15 m3 water tijdelijk worden geborgen, waarna het vertraagd kan worden afgevoerd. Onderstaande tabel illustreert de totstandkoming van deze hemelwaterbergingsopgave.
De voor de beoogde planontwikkeling bedachte hemelwatervoorziening bestaat uit een ondergronds systeem van Rockflow-blokken welke een opnamecapaciteit van 95% hebben. Het gaat - i.v.m. de bergingscapaciteit van 95% - om 119,10 m3 ondergronds aan aan te leggen Rockflow-blokken. De Rockflowblokken zijn 50 cm hoog. De onderkant van de Rockflow-blokken komt te liggen op 90 cm-mv. Bovenop de Rockflowblokken is een afwerkingspakket aanwezig wat een hoogte kent van 40 cm totdat de maaiveldhoogte wordt bereikt. Dit betekent dat de onderkant van de infiltratievoorziening grofweg op 15 cm onder het GHG-niveau komt te liggen. Het voorstel hierbij is om op de Rockflowbuffer een overstortput aan te sluiten waarvan de drempel op de bovenkant van de Rockflowbufferhoogte ligt. Hierdoor kan er alleen als de buffer volledig gevuld is op het HWAstelsel van de gemeente worden geloosd. Dit betekent dat geen vertraagde afvoer middels bijvoorbeeld een drain of opening in de drempel van de overstortput) wordt gecreërd, wat zorgt voor het onnodig afvoeren van kostbaar (grond)water. Zowel in natte als droge tijden. Uit meet- en monitoringsresultaten blijkt namelijk dat het in geval
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
41
gebruik wordt gemaakt van Rockflow niet nodig is om via een drain vertraagd af te voeren. Rockflow blijft ook bij hoge grondwaterstanden en dus vergelijkbare omstandigheden als in het plangebied prima functioneren (snelle vulling en lediging). De lediging vindt ruim binnen 48 uur plaats. De bergingsvoorziening wordt volledig onder (toekomstig) openbaar gebied aangelegd en komt in beheer bij de gemeente Altena. Watertoets Door de initiatiefnemer, gemeente en het waterschap is afgestemd over de hemelwatervoorziening in het plangebied. De gemeente en het waterschap hebben ingestemd met de voorgestelde oplossing. De oplossing moet in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning (water) wel nog nader worden uitgewerkt. Het plan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg nog voorgelegd aan het waterschap, dit betreft de afronding van de watertoets. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de 7 nieuwe woningen wordt verzameld in een nieuw dwa-hoofdriool. Dit hoofdriool wordt aangesloten op het bestaande hoofdriool in de Dirkappel. De capaciteit hiervan is toereikend voor de extra afvalwaterafvoer van 7 woningen (circa 0,2 m3/u). Conclusie Water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.12 Verkeer en parkeren Bij het opstellen van bestemmingsplan is het noodzakelijk om te analyseren of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot extra verkeersgeneratie om zo eventuele nadelige effecten op de leefbaarheid te voorkomen. Tevens dient binnen nieuwbouwontwikkelingen sprake te zijn van sluitende parkeeroplossingen. Verkeer Het plangebied is gelegen aan het einde van de Dirkappel (doodlopende gedeelte). De Dirkappel betreft een ‘woonerf’ waaraan diverse woningen in het nieuwbouwplan Westerhei gelegen zijn. Het is de bedoeling het plangebied te ontsluiten op het doodlopende gedeelte van de Dirkappel. De doodlopende straat wordt daarmee doorgetrokken naar het plangebied. Het wordt geen doorgaande weg, de straat houdt in het plangebied op. Op het stedenbouwkundig plan aan het begin van deze ruimtelijke onderbouwing en de civieltechnische uitwerking (bijlage 5) ervan is de beoogde situatie zichtbaar. De beoogde planontwikkeling in onderhavig plangebied heeft vrijwel geen effect op de verkeersbewegingen. Er is sprake van een lichte toename. Het gaat in de nieuwe situatie om een toename van 8 verkeersbewegingen per dag per woning. Dit zijn 56 verkeersbewegingen per dag totaal extra ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan als nihil worden beschouwd. De reeds aanwezige en aanvullend beoogde infrastructuur kan Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong.
(nabij 45) – 3 juni 2021
42
dit prima afwikkelen. Het wegprofiel is afdoende. Parkeren Voor de beoogde ontwikkeling geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen voor auto’s per woning. Deze norm (14 pp’s) + 1 parkeerplaats wordt in het plangebied gerealiseerd. Een deel van de te realiseren parkeerplaatsen komt op het toekomstig eigen terrein (9 stuks) en een deel (6 stuks) van de te realiseren parkeerplaatsen komt in het toekomstig openbaar gebied (aan te leggen door/ op kosten van de initiatiefnemer). Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Aan de gestelde parkeernorm wordt voldaan.
4.13 Ladder voor duurzame verstedelijking Plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken moeten worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, de laddertoets. De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Vervolgens moet de behoefte aan de ontwikkeling worden gemotiveerd. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt o.b.v. jurisprudentie dat vanaf 12 woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Consequenties In onderhavige situatie gaat het om de toevoeging van zeven nieuwe woningen, dit betekent dat het initiatief geen stedelijke ontwikkeling zoals is bedoeld in het Bro mogelijk maakt. Om die reden hoeft de behoefte en invulling ervan – in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking - niet nader gemotiveerd te worden. Conclusie Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
43
4.14 Niet-gesprongen explosieven In het kader van een goede ruimtelijk ordening moet worden bezien of in het plangebied niet-gesprongen explosieven aanwezig kunnen zijn. In verband met de ligging van de locatie nabij de Biesbosch, waar in de tweede wereldoorlog behoorlijk is gevochten, is er kans op aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Middels een vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is onderzocht of nietgesprongen explosieven op de locatie aanwezig kunnen zijn. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 9) en kent de navolgende conclusie: ‘Grondroerende werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd.’.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
44
5
Uitvoeringsaspecten 5.1 Economische haalbaarheid Op basis van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht tot kostenverhaal bij ruimtelijke plannen. Op basis van artikel 3.1.6. lid 1 sub f van het Bro dient bij ruimtelijke plannen aangetoond te worden dat ze economisch uitvoerbaar zijn. Naast de kosten voor de realisatie van onderhavig plan draagt de initiatiefnemer ook zorg voor de kosten die gepaard gaan met het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing inclusief onderzoeken et cetera. Verder is de initiatiefnemer onder andere verantwoordelijk voor de kosten die de gemeente maakt voor het toetsen en in procedure brengen van deze ruimtelijke onderbouwing en voor eventuele planschade. Deze kosten wentelt de gemeente via een overeenkomst op de intitiatiefnemer af. Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
5.2 Overleg en maatschappelijke haalbaarheid De ruimtelijke procedures tot en met de vergunningverlening van een omgevingsvergunning zijn door de wet geregeld. In onderhavige situatie geldt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de procedure, met de volgende aanvullingen die de Wabo daarop nog geeft. • Het bevoegd gezag stuurt de aanvrager onverwijld een ontvangstbewijs (art. 3.1 lid 2 Wabo). • Het bevoegd gezag stuurt de aanvrager zo snel mogelijk een bericht over de procedure en rechtsmiddelen (art. 3.1 lid 3 Wabo). • Het bevoegd gezag plaatst de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant. • Het bevoegd gezag stuurt aanvraag, ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit aan bepaalde personen of instanties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het orgaan dat de verklaring van geen bedenkingen afgeeft, de Inspectie of een ander bestuursorgaan dan het aangewezen bevoegd gezag. • Het bevoegd gezag stuurt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit aan de eigenaar van de grond en eventuele beperkt gerechtigden daarop. Dit voor zover nodig met het oog op de toepassing van artikel 85 van de onteigeningswet (art. 3.12 lid 2 Wabo jo. art. 6.14 lid 2 Regeling omgevingsrecht). • Iedereen kan zienswijzen op het ontwerpbesluit indienen (art. 3.12 lid 5 Wabo).
• Het bevoegd gezag doet de mededeling van het definitieve besluit ook langs elektronische weg en stelt het beschikbaar op de landelijke voorziening (art. 6.14 Bor). Belanghebbenden kunnen bezwaar maken en in beroep gaan. De omgeving is op de hoogte van de plannen. Er heeft op 21 januari 2020 een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Het verslag hiervan is bijgevoegd als bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De samenvatting van de omgevingsdialoog is als volgt.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
45
De omgevingsdialoog is door 15 omwonenden bezocht. Op verschillende plekken in de ruimte waar de dialoog plaatsvond kon het plan in worden gezien en konden vragen worden gesteld aan de ontwikkelaar, bouwer, makelaar en planoloog. De sfeer was goed. Overall genomen waren de omwonenden verrast over de ontwikkeling op deze plek. De omwonenden hadden niet verwacht dat op deze plek aansluitend op de nieuwbouwwijk nog woningen gebouwd zouden gaan worden. Inhoudelijk zijn vragen gesteld en zorgen geuit over de bezonning in eigen tuin van de omwonenden, de verkeersveiligheid, de parkeerdruk, de afname van uitzicht/ rustige ligging/ privacy, hoeveelheid woningen in verhouding tot de perceelsgroote, planschade, doelgroep en de bouw (wijze ervan en het bouwverkeer). Veel vragen zijn ter plekke beantwoord en gaven geen aanleiding om de plannen aan te passen. Sommige vragen echter hebben geleid tot aanvullend onderzoek, overleg met de gemeente of aanpassing van de plannen. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is er: - een bezonningsstudie uitgevoerd; - onderzocht of het zinvol is om een paaltje tussen de parkeerplaats en het plangebied te plaatsen, zodat via de parkeerplaats geen doorgaande weg ontstaat. Het toepassen van een paaltje is in verband met de bereikbaarheid van de hulpdiensten niet wenselijk; - overleg gevoerd met de gemeente over de parkeerdruk.
Deze wordt niet als ‘overbelast’ ervaren. Er is zelfs meer plek dan behoefte in de huidige situatie. Het laten vervallen van één parkeerplaats op het bestaande parkeerterrein voor de ontwikkeling heeft geen effect op de parkeerdruk. Door de ontwikkelaar wordt voor de nieuwe woningen voldaan aan de geldende parkeernorm; - in het basisontwerp van de woningen geen gevel meer op de erfgrens met Dirkappel 17 gesitueerd; - besloten om de aanrijdroute voor het bouwverkeer zoveel mogelijk via de Kildijk te laten plaatsvinden.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
46
6
Bijlagen
Bijlage 1 – Beschaduwingsanalyse Bijlage 2 – Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 3 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 – AERIUS-berekeningen Bijlage 5 – Civieltechnische uitwerking situatietekening Bijlage 6 – Verslag omgevingsdialoog Bijlage 7 – Stedenbouwkundige situatietekening Bijlage 8 – Boorprofielen incl. situatieschets i.v.m. bepaling k-waarde Bijlage 9 – Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten
Ruimtelijke onderbouwing ‘Kern Nieuwendijk: Kildijk ong. (nabij 45) – 3 juni 2021
47