Gewijzigde Nota van zienswijze Ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Woudrichem herziening 2018
Tekst van het document
Pagina 2 van 45
hobbymatig agrarisch aanvaardbaar vindt.
gebruik verbeelding een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' opgenomen waarmee in afwijking van het bouwovergangsrecht uitsluitend bouwwerken in maximaal de bestaande hoogte 6. Verzocht wordt om bestaande en omvang zijn toegestaan. Bouwen ten bebouwing en bestaand gebruik behoeve van een agrarische of niet-agrarische positief te bestemmen. bedrijfsvoering blijft, vanwege het ontbreken van een bouwvlak, niet mogelijk. Herbouw ten behoeve van hobbymatig agrarisch gebruik is na verlening van een omgevingsvergunning toelaatbaar. Hierbij zal de oppervlakte teruggebracht moeten worden om van een hobbymatig gebruik te kunnen spreken. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt gemotiveerd dat bij een ruimtelijk aanvaardbaar plan waarbij behalve aan een goede ruimtelijke ordening aantoonbaar wordt voldaan aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies als bedoeld in artikel 3.1.2. van de Interim Omgevingsverordening meegewerkt zou kunnen worden aan een herziening van de bestemming ten behoeven van een andere aanvaardbare hergebruiksfunctie. Een en ander in overeenstemming met het standpunt van de gemeente ten aanzien van het ingediende verzoek.
Zienswijze gegrond Conclusie De zienswijze geeft aanleiding tot de volgende aanpassingen: - op de verbeelding wordt een aanduiding opgenomen voor de uitsterfregeling op grond waarvan (uitsluitend) het bestaande hobbymatig agrarisch gebruik kan worden voortgezet - op de verbeelding wordt een aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 4’ opgenomen - in de regels wordt de persoonsgebonden overgangsregeling omgezet naar een uitsterfregeling. - een nadere motivering in de plantoelichting wordt opgenomen waaruit blijkt dat voor een plan met ander gebruik of bebouwing dat voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies als bedoeld in artikel 3.1.2. van de Interim Omgevingsverordening meegewerkt wordt aan een herziening van de bestemming.
Zienswijze: 15 Inhoud reactie 1. Reclamanten hebben sinds 2000 een perceel (Kadastraal bekend Woudrichem, perceelsnummers 221 en 1127) in eigendom, waarop opstallen zijn gevestigd die voor het stallen voor dieren worden gebruikt. Deze opstallen worden ruimschoots dertig tot veertig jaar uitsluitend gebruikt voor het stallen van dieren,
Beantwoording gemeente Op het perceel Merwededijk ongenummerd (kadastraal bekend Woudrichem, sectie D, nummer 221) is gebleken dat de bestaande bebouwing ter plaatse (een bestaande stal c.q. dierenverblijf) onder het overgangsrecht valt. In beginsel dient legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de
Pagina 2 van 45
en nimmer voor uitoefening van de agrarische bestemming of agrarische activiteiten 2. Dit ‘strijdig gebruik’ is sinds die tijd ook al bekend bij de gemeente. Nooit is handhavend opgetreden en bij brief van 31 maart 2004 is expliciet vrijstelling verleend voor het strijdig gebruik. 3. In het ontwerpbestemmingsplan is het huidige gebruik van de opstallen onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. Reclamanten zijn van mening dat bestaand gebruik positief had moeten worden bestemd. Hiervan had slechts kunnen worden afgezien indien het aannemelijk is dat het bestaande gebruik binnen de komende planperiode zal worden beëindigd. Daarnaast vinden zij dat nader onderbouwd had moeten worden waarom bestaand gebruik in de toekomst strijdigheid met de goede ruimtelijke ordening zou opleveren. 4. Reclamanten menen dat het bestaand gebruik geen strijdigheid oplevert om de volgende redenen: a. het feit dat het gebruik van de stallen reeds dertig tot veertig jaar duurt impliceert dat er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening. b. Gezien de afstand van de opstallen tot de dichtstbijzijnde woning en het gebruik van aangrenzende percelen levert het bestaand gebruik geen (onevenredige) hinder op voor de omgeving. c.
Reclamanten menen dat het onder persoonsgebonden overgangsrecht brengen van het bestaande gebruik de verkoopbaarheid van de percelen op onevenredige wijze zal beïnvloeden. Verzocht wordt om het bestaande gebruik positief te bestemmen. Reclamanten stellen zich bereid om hier eventueel ook in overleg voorwaarden aan te verbinden.
beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd. De bestaande situatie is planologisch strijdig met het beleid. Vanwege structuur ‘gemengd landelijk gebied’ en ligging binnen de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ heeft de gemeente besloten een persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen in plaats van een positieve bestemming. Een uitsterfregeling biedt evenwel meer rechtszekerheid en is meer in lijn met het principebesluit. Het persoonsgebonden overgangsrecht wordt in het vast te stellen bestemmingsplan omgezet naar een uitsterfregeling. In de uitsterfregeling wordt toegevoegd dat (uitsluitend) hobbymatig veehouderij is toegestaan. Het opnieuw onder het bouwovergangsrecht brengen van bestaande legale bebouwing kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op verwijdering van de bebouwing binnen de planperiode. De sloop kan niet worden afgedwongen waardoor niet aannemelijk is dat de bebouwing binnen de planperiode zal worden gesloopt.
Voor de bebouwing wordt op de verbeelding een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' opgenomen waarmee in afwijking van het bouwovergangsrecht uitsluitend een bouwwerk in de bestaande hoogte en omvang is toegestaan. Bouwen ten behoeve van een agrarische of niet-agrarische bedrijfsvoering blijft, vanwege het ontbreken van een bouwvlak, niet mogelijk.
Pagina 2 van 45
Zienswijze gegrond Conclusie Het persoonsgebonden overgangsrecht wordt in het vast te stellen bestemmingsplan omgezet naar een uitsterfregeling. In de uitsterfregeling wordt toegevoegd dat (uitsluitend) hobbymatig veehouderij is toegestaan. Voor de bebouwing wordt op de verbeelding een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding 4' opgenomen waarmee in afwijking van het bouwovergangsrecht uitsluitend een bouwwerk in de bestaande hoogte en omvang is toegestaan.
Zienswijze: 16 Inhoud reactie 1. Aan de oostzijde van het perceel Lageweg 44 te Rijswijk bevindt zich reeds tientallen jaren een kuil en verharding. Deze valt onder het thans geldende bestemmingsplan buiten het bouwvlak. Naar oordeel van reclamant biedt het ontwerpbestemmingsplan de aangewezen mogelijkheid om het bouwvlak te corrigeren naar de bestaande situatie. Reclamant behoudt zich het recht voor om gedurende de terinzagelegging bewijsstukken aan te leveren waaruit volgt dat de kuil en verharding sinds decennia op de huidige locatie aanwezig is.
2.
Reclamanten exploiteren een agrarisch bedrijf op de locatie (rundvee, schapen). Zij kunnen zich niet verenigen met de beperking van uitbreidingsmogelijkheden als gevolg van artikel 4.2.3, waarin de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij als maximaal toegestane oppervlakte voor de toekomst wordt gehanteerd. Daarnaast kunnen zij zich ook niet verenigen met de beperking van artikel 4.4.1 onder a,
Beantwoording gemeente Het aanleggen van verhardingen ten behoeve van de bestemming was op grond van het bestemmingsplan Buitengebied 1997 toelaatbaar zonder vergunning. Andere bouwwerken, niet zijnde tunnels, bouwwerken voor mestopslag, andere silo’s of windmolens konden op grond van dat bestemmingsplan worden gebouwd buiten het bouwvlak. De kuilvoerplaat en verharding, beide gedeeltelijk buiten het agrarisch bouwvlak, zijn in elk geval vóór 2011 gerealiseerd en, kijkend naar de plankaart van bestemmingsplan Buitengebied 1997, vermoedelijk ná 1997 en derhalve passend binnen de voorschriften tot stand gekomen. Overeenkomstig de bestaande situatie die legaal tot stand is gekomen en zonder dat er belangen in het geding zijn, wordt de verharding en kuilvoerplaat binnen het bouwvlak betrokken. Bij de beoordeling van de in het geding zijnde belangen zijn de vigerende regels voor bouwvlakvergroting (artikel 4.7.4) hoeven de provinciale verordening als afwegingskader niet te worden gehanteerd, omdat geen sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling maar een bestaande situatie. Hierom is landschappelijke kwaliteitsverbetering ook niet aan de orde. De rechtstreekse werking van onderdelen van de Interim omgevingsverordening geeft aan dat deze regels doorvertaald moeten worden. Hier is er geen sprake van gemeentelijke keuzevrijheid.
En derhalve ook geen sprake van aansprakelijkheid in het kader van planschade De rechtstreekse werking van onderdelen van de Interim omgevingsverordening geeft aan dat deze regels doorvertaald moeten worden. Hier is er geen sprake van gemeentelijke keuzevrijheid. En derhalve ook geen sprake van aansprakelijkheid in het kader van planschade.
Pagina 2 van 45
waarin is bepaald dat het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken behorende tot een inrichting niet is toegestaan indien daarmee sprake is van een toename van stikstofemissie. Bovengenoemde beperkingen leveren belemmeringen op voor de bedrijfsvoering van reclamanten. Deze kunnen volgens reclamanten geen stand houden Artikel 4.2.3 zal ertoe leiden dat alle veehouders, waarop het ontwerpbestemmingsplan van toepassing wordt, planschade zullen lijden. 3. Indiener wijst op het wegvallen van de juridische basis van de stikstofregeling in het bestemmingsplan, doordat de PAS niet meer in werking is. De vraag is hoe de gemeente hiermee omgaat; gezien de effecten kan een nieuwe regeling niet zomaar bij vaststelling worden opgenomen.
Indiener maakt bezwaar tegen de doorvertaling van de rechtstreekswerkende regels uit provinciale verordening, vanwege het feit dat ze onnodig beperkend werken 5. Indiener verzoekt gegrondverklaring van zijn zienswijze en om het opnieuw ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan met / vanwege een nieuwe stikstofregeling. 4.
Doorvertaling van nieuwe stikstofregels is het gevolg van (inter)nationaal beleid en wetgeving. Hier heeft de gemeente geen eigenstandige keuze in. De regels zijn zodanig streng, dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan met zekerheid moet kunnen worden gesteld, dat het plan niet leidt tot significante effecten op natura 2000 gebieden. Teneinde te kunnen voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming, is in het plan een verbod op toename van ammoniakemissie opgenomen. Wat onder een toename wordt verstaan, is verwoord in een daartoe in het plan opgenomen de begripsbepaling. Aangezien de reeds verleende natuurvergunningen, waarvoor een passende beoordeling heeft plaatsgevonden emissierechten bevatten, zijn deze vergunningen opgenomen in de bijlage van het bestemmingsplan Zie onder 2.
Aangezien er sprake is van aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan op onderdelen, en aangezien de doorvertaling van zowel landelijk als provinciaal beleid in het kader de van stikstofproblematiek geen nadere gemeentelijke afweging mogelijk maakt, zou het tervisie leggen van een nieuw ontwerpbestemmingsplan een beleidskeuze suggereren, die er niet is Zienswijze gedeeltelijk (on)gegrond
Pagina 2 van 45
Conclusie De bestaande, legale, kuilvoerplaat wordt binnen het agrarisch bouwvlak betrokken.
Zienswijze: 17 Inhoud reactie 1. Reclamant zet de voorgeschiedenis sinds 2003 uiteen van beleid en besluitvorming rondom ligplaatsen, in het bijzonder de totstandkoming van de Visie Woudrichemse Waterkant. In aanloop naar het maken van het ontwerpbestemmingsplan zijn in dat verlengde alle ligplaatshouders door behandelende ambtenaren individueel uitgenodigd om legalisatie van de ligplaatsen te bespreken, waarbij uitvoerig is gesproken over de wensen en mogelijkheden en waarbij tekeningen met opties zijn getoond. Eind 2018 wordt de ligplaatshouders gemeld dat de ligplaatsen zijn opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. In het ontwerp dat in april 2019 ter inzage is gelegd zijn deze ligplaatsen echter niet opgenomen. Bij navraag blijkt dat het nieuwe college eerst ligplaatsenbeleid wil ontwikkelen alvorens ligplaatsen in een nieuw bestemmingsplan te legaliseren.
Beantwoording gemeente In het noorden van de gemeente zijn in de Afgedamde Maas een 5-tal ligplaatsen gesitueerd, maar in het huidige ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Woudrichem niet voorzien van een planologische regeling. Voor één van deze ligplaatsen (van de vijf is het de één na bovenste) is door Rijkswaterstaat vergunning verleend aan reclamant voor schip, twee pontons en motordekschuit. Bovenstaande ligplaats is in het vast te stellen bestemmingsplan Buitengebied Woudrichem, herziening 2018 conform de feitelijke en door Rijkswaterstaat vergunde situatie in dit herzieningsplan binnen de geldende bestemming Water voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van water - ligplaats 2’, waarmee tijdelijk afmeren kan worden toegestaan. Een woonschip is ter plaatse niet toegestaan.
2. Reclamant kan zich gezien de lange voorgeschiedenis niet verenigen met het niet opnemen van de ligplaatsen in het ontwerpbestemmingsplan. Bovendien zal legalisatie nog vele jaren op zich laten wachten. Eerst moet beleid worden ontwikkeld en vervolgens moet dat beleid vorm krijgen in een toekomstige herziening van het bestemmingsplan. 3. Verzocht wordt om de ligplaats in het ontwerpbestemmingsplan op te nemen. Zienswijze gegrond Conclusie De zienswijze leidt tot de volgende aanpassing: de genoemde ligplaats wordt aangegeven op de verbeelding en gereguleerd in de regels.
Pagina 2 van 45
Zienswijze: 18 Inhoud reactie 1. Reclamanten zijn gezamenlijk eigenaar en bewoner van de woning op Oudendijk 72a. De woonkavel bestaat uit de percelen, kadastraal bekend gemeente Woudrichem, sectie D, nummers 246, 1870 en 1921. Het kadastraal perceel 1921 heeft volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem’ een agrarische bestemming. De bestemming van perceel 1921 is gezien de inrichting en gebruik onjuist. Dit maakt namelijk onderdeel uit van de tuin die bij de woning op Oudendijk 72a behoort en is ook als zodanig ingericht. Het ligt voor de hand deze omissie via voorliggend ontwerpbestemmingsplan op te heffen, omdat met deze planherziening is beoogd om correcties en herzieningen op locatieniveau door te voeren. Verzocht wordt om het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem herziening 2018’ gewijzigd vast te stellen en het perceel kadastraal bekend gemeente Woudrichem, sectie D, nummer 1921 te bestemmen voor wonen. 2.
3.
Een vergelijkbaar verzoek is gedaan in het kader van de voorbereiding van bestemmingsplan ‘Kom-OudendijkWoudrichem’. Daarbij werd aangegeven dat naar aanleiding van de daartoe ingediende inspraakreactie geen dringende noodzaak bestond om de plangrens van het bestemmingsplan aan te passen om perceel 1921 binnen het bestemmingsplan te halen. Tegen de gevraagde aanpassing bestaan naar oordeel van reclamanten geen ruimtelijke bezwaren. Om dit te onderbouwen wordt verwezen naar het perceel op het adres Oudendijk 70 (kadastraal bekend sectie D, nummer 243) dat qua ligging en omvang vergelijkbaar is met het perceel van reclamanten. Ook dit perceel is volledig bestemd voor wonen (zie overzicht illustratie)
Beantwoording gemeente Het verzoek betreft een verzoek tot het geven van een woonbestemming aan een perceel, dat direct grenst aan het bestemmingsplan Kom Woudrichem – Oudendijk. Deze woonbestemming zou dan uitsluitend de functie van tuin hebben, (zonder bouwmogelijkheden). Slechts in bijzondere gevallen kan tegemoet gekomen worden aan vergroting van de bestemming Wonen. Wanneer uit onderzoek blijkt dat reeds bij de opstelling van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Woudrichem feitelijk sprake was van een bij de woning behorend gebruik, is zo’n geval. In zo’n geval is, gelet op alle belangen, beoordeeld of vergroting aanvaardbaar is. In die gevallen blijkt er soms sprake te zijn van een situatie die op grond van het overgangsrecht kan blijven bestaan. Uit oude luchtfoto’s blijkt niet dat het perceel langdurig in gebruik is bij de woonbestemming en zodoende kan geen aanspraak gemaakt worden op het overgangsrecht.. Er is geen enkele aanwijzing dat de tuininrichting legaal is aangelegd. Er geldt in het vigerend bestemmingsplan een agrarische bestemming en een gebiedsaanduiding wro-zone – aanlegvergunning openheid. Hierom dient het verzoek afgewogen te worden in het belang van behoud en bescherming van de landschappelijke openheid en doorzichten. Een vergroting van de
woonbestemming is in dit geval een nieuwe ontwikkeling waarvan zonder nadere motivering niet kan worden aangenomen dat de waarden en kenmerken niet worden aangetast. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Pagina 2 van 45
Zienswijze ongegrond Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de bestemming Wonen. Zienswijze: 19 Inhoud reactie Brief 20 mei 2019 1. Reclamanten dienen pro forma zienswijze in tegen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem 2018’, met name hoofdstukken 4.2 en 4.3. Brief 21 mei 2019 1. In het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Woudrichem herziening 2018" zijn, zoals ook in de toelichting is omschreven, voor de eerste keer alle (rechtstreeks werkende) regels uit de Verordening ruimte van de provincie NoordBrabant verwerkt. Daarnaast zijn in de planregels ook regels opgenomen ten aanzien van toename van de stikstofemissie en depositie vanuit (agrarische) bedrijven. Als laatste hebben wijzigingen in de bouw- en gebruiksregels plaatsgevonden. Alle hiervoor genoemde wijzigingen hebben impact op de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. Voor de huidige bedrijfsvoering zijn op dit moment verschillende omgevingsvergunningen, een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming en planologische regelingen van kracht. Reclamant wenst de impact en invloed van deze regeling op de
Beantwoording gemeente
Pagina 2 van 45
dagelijkse bedrijfsvoering goed te kunnen beoordelen. 2. Aangegeven wordt, dat zienswijze op een later tijdstip nader schriftelijk zal worden gemotiveerd. 3. Verzocht wordt om de zienswijze gegrond te verklaren en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem herziening 2018’ dienovereenkomstig aangepast vast te stellen.
Brief 24 juni 2019 De datum wordt aangepast. 1. De datum van verlening van de natuurvergunning is onjuist, moet zijn 9 februari 2017 2. Indiener wijst op het wegvallen van de juridische basis van de stikstofregeling in het bestemmingsplan, doordat de PAS niet meer in werking is. De vraag is hoe de gemeente hiermee omgaat; gezien de effecten kan een nieuwe regeling niet zomaar bij vaststelling worden opgenomen.
Doorvertaling van nieuwe stikstofregels is het gevolg van (inter)nationaal beleid en wetgeving. Hier heeft de gemeente geen eigenstandige keuze in. De regels zijn zodanig streng, dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan met zekerheid moet kunnen worden gesteld, dat het plan niet leidt tot significante effecten op natura 2000 gebieden. Teneinde te kunnen voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming, is in het plan een verbod op toename van ammoniakemissie opgenomen. Wat onder een toename wordt verstaan, is verwoord in een daartoe in het plan opgenomen de begripsbepaling. Aangezien de reeds verleende natuurvergunningen, waarvoor een passende beoordeling heeft plaatsgevonden emissierechten bevatten, zijn deze vergunningen opgenomen in de bijlage van het bestemmingsplan
3. Indiener maakt bezwaar tegen de doorvertaling van de rechtstreekswerkende regels uit de Verordening ruimte , vanwege het feit dat ze onnodig beperkend werken
De rechtstreekse werking van onderdelen van de Interim omgevingsverordening geeft al aan dat deze regels doorvertaald moeten worden. Ook hier is er geen sprake van gemeentelijke keuzevrijheid.
4. Indiener verzoekt gegrondverklaring van zijn zienswijze en om het opnieuw ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan met / vanwege een nieuwe stikstofregeling.
Aangezien er sprake is van aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan op onderdelen, en aangezien de doorvertaling van zowel landelijk als provinciaal beleid in het kader de van stikstofproblematiek geen nadere gemeentelijke afweging mogelijk maakt, zou het tervisie leggen van een nieuw ontwerpbestemmingsplan een beleidskeuze suggereren, die er niet is.
Pagina 2 van 45
Zienswijze gedeeltelijk gegrond Conclusie De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan anders dan de aanpassing van de datum van de natuurvergunning.
Zienswijze: 20 Inhoud reactie 1. Volgens het thans geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem’ geldt ter plaatse van het adres Lageweg 46 te Rijswijk een agrarische bestemming met een agrarisch bouwblok. Op grond van dit bestemmingsplan is binnen dit bouwblok slechts één bedrijfswoning toegestaan. 2. Binnen het agrarisch bouwblok zijn twee woningen aanwezig. De woning van reclamanten is in 1970 gebouwd als tweede bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf op het perceel Lageweg 44. Tot 1981 werd deze woning bewoond door het huishouden dat een functionele binding had met het ter plaatse gevestigde bedrijf, In 1981 zijn reclamanten in de woning gaan wonen. Zij hebben nooit enige binding gehad met het ter plaatse gevestigde bedrijf. De woning op Lageweg 44 is reeds sinds de bouw van het agrarische bedrijf in 1965 op deze locatie aanwezig. 3. Afgelopen jaren wordt de woning van reclamanten in WOZ-aanslagen aangemerkt als burgerwoning, waardoor zij van oordeel zijn dat zij erop mochten vertrouwen dat het gebruik van de woning als burgerwoning toelaatbaar is 4. Zowel de woning Lageweg 46 als het gebruik als burgerwoning daarvan waren reeds aanwezig bij het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1997’ en vallen dientengevolge onder het overgangsrecht van de voorheen geldende bestemmingsplannen.
Beantwoording gemeente 1/7 Op deze bestaande agrarische bedrijfslocatie is sprake van 2 vergunde bedrijfswoningen (nr. 44 en nr. 46). Abusievelijk is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem’ niet opgenomen dat ter plaatse 2 bedrijfswoningen zijn toegestaan, waarmee de 2e bedrijfswoning onbedoeld onder het overgangsrecht is geplaatst. De 2e bedrijfswoning (Lageweg 46) is in 1970 gerealiseerd ten behoeve van het agrarisch bedrijf ter plaatse. Sinds 1981 wordt deze woning echter gebruikt voor burgerbewoning. De bewoners hebben nooit enige functionele binding gehad met het ter plaatse gevestigde bedrijf. Omdat de woning reeds voor de terinzagelegging van het ontwerpplan van het voorheen geldende bestemmingsplan aanwezig was, viel deze woning onder de beschermde werking van het overgangsrecht. Doorvertaling van de feitelijke situatie van de burgerbewoning van de bedrijfswoning in een reguliere woonbestemming vormt een belemmering voor de agrarische bedrijfsvoering. Door toevoegen van de aanduiding ‘plattelandswoning’ aan de woning Lageweg 46 kan dit worden opgelost. Aannemelijk is gemaakt dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat . De bereikbaarheid van de woning Lageweg 46 wordt privaatrechtelijk geborgd, middels een recht van overpad.
Derhalve is in dit herzieningsplan aan de woning op Lageweg nr 46 de aanduiding ‘plattelandswoning’ toegevoegd, waarmee het bestaande gebruik van de woning ten behoeve van burgerbewoning kan worden voortgezet.
Pagina 2 van 45
Dientengevolge had het huidige gebruik reeds bij het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudrichem’ positief moeten worden bestemd 5. Reeds 2 jaar lang heeft overleg plaatsgevonden met het college van burgemeester en wethouders over het omzetten van de woning op Lageweg 46 in een plattelandswoning. Het college heeft bij brief d.d. 12 juni 2017 aangegeven in beginsel medewerking te willen verlenen 6. Ten behoeve van de omzetting van de woning naar plattelandswoning is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, en is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de eventuele geluidshinder die het agrarisch bedrijf op Lageweg 44 veroorzaakt op de woning Lageweg 46. Hoewel hieruit blijkt dat de geluidsbelasting van het bedrijf in de representatieve bedrijfssituatie niet voldoet aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, dient de uitkomst van dit onderzoek volgens reclamanten niet bepalend te zijn bij beantwoording van de vraag op Lageweg 46 kan worden omgezet in een plattelandswoning. Het agrarisch bedrijf op Lageweg 44 is namelijk inmiddels beëindigd. Gezien de beperkte omvang van de agrarische gronden die bij het voormalige bedrijf op de Lageweg 44 horen is de vestiging van een nieuw vergelijkbaar bedrijf niet te verwachten. Er is dus geen sprake meer van een wezenlijke belemmering of noodzaak om geluidwerende voorzieningen aan te brengen 7.
Verzocht wordt om in het bestemmingsplan de woning Lageweg 46 te Rijswerk te bestemmen als ‘plattelandswoning’.
Zienswijze gegrond Conclusie
Pagina 2 van 45
De zienswijze leidt tot aanpassing van het plan. Ter plaatse van de woning Lageweg 46 wordt aanduiding ‘plattelandswoning’ toegevoegd.
Zienswijze: 21 Inhoud reactie Beantwoording gemeente 1. Het bedrijf van reclamant is Zie reactie ZLTO gevestigd op 2 locaties Provinciale weg zuid 34 en Midgraaf 14b te Almkerk Reclamant geeft aan dat hij pas laat op de hoogte was van terinzagelegging bestemmingsplan en dat de bekendmaking daarvan vanuit de gemeente niet heel duidelijk is geweest. 3. Een aantal artikelen hebben direct invloed op de bedrijfsvoering van reclamant. 4. Reclamant sluit zich aan bij de gronden zoals genoemd in de zienswijze van ZLTO AltenaBiesbosch 5. Verzocht wordt om reclamant de gelegenheid te bieden om de zienswijze op een later tijdstip nader schriftelijk te motiveren. Zienswijze gedeeltelijk gegrond Conclusie zie reactie ZLTO 2.
Zienswijze: 22 Inhoud reactie 1. De bedrijfslocatie Hoofdgraaf 69a te Andel is in 2 fasen vergund uitgebreid.
Zie reactie ZLTO
Zie reactie ZLTO
Zie reactie ZLTO
Zie reactie ZLTO
Beantwoording gemeente Maximaal toegestaan is de bestaande oppervlakte, zo is bepaald in artikel 6.2.4. Bestaand is in het bestemmingsplan gedefinieerd. Daarmee is voldoende duidelijk op 2. Verzocht wordt om huidige basis van welke oppervlakte een eventuele bebouwing volgens de tekening juist uitbreiding gebaseerd kan worden. op de plankaart te verwerken, om duidelijkheid te krijgen met het oog op de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 6 ‘Bedrijven’ het bebouwde oppervlak onder voorwaarden met 15% te vergroten. 3. Ten onrechte is in het vorige Er is blijkens de aangeleverde correspondentie bestemmingsplan bij art. 5. Sb-18 sprake van een bouwbedrijf waarbij tevens de omschrijving van het bedrijf verkoop van bouwmaterialen plaatsvindt aan beperkt tot groothandel, terwijl in de particulieren. De verkoop, waarvoor een kantoor
Pagina 2 van 45
‘nul-meting 01 juni 1997’ wordt van 60m2 is ingericht, vindt sinds 1964 plaats en aangegeven dat sinds 1964 verkoop valt derhalve onder het overgangsrecht. plaatsvindt aan aannemers en De zienswijze is terecht. De planregels worden particulieren (dus ook detailhandel). overeenkomstig de zienswijze aangepast. Dat wil Detailhandel valt dus sinds 1964, en zeggen dat de toevoeging “uitsluitend als minimaal vanaf 1 juni 1997 onder groothandel” wordt geschrapt zodat verkoop aan particulieren (detailhandel) is toegestaan. Hiertoe het overgangsrecht. in de regels geborgd dat de 4. Verzocht wordt om het gebruik wordt verkoopvloeroppervlakte maximaal 60 m2 detailhandel expliciet in de regels bedraagt. van het bestemmingsplan toe te staan. Zienswijze gedeeltelijk gegrond Conclusie In de regels wordt de toevoeging “uitsluitend als groothandel” geschrapt zodat verkoop aan particulieren (detailhandel) is toegestaan.
Zienswijze: 23 Ontvangstdatum: Inhoud reactie Beantwoording gemeente 1. Op 17 mei 2019 is een vergunning De onherroepelijke vergunning zal worden Wet Natuurbescherming (Nbw- toegevoegd aan het plan. vergunning) verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (kenmerk Z/084920-153328). 2. Op het moment van terinzagelegging was de vergunning nog niet verleend waardoor deze nog niet is opgenomen in het overzicht van adressen binnen het plangebied waarvoor een Nbwvergunning is verleend (tabel/bijlage 2). 3. Verzocht wordt om bij het vaststellen van het bestemmingsplan het adres van reclamant op te nemen in de tabel/bijlage 2. Zienswijze gegrond Conclusie De zienswijze leidt tot het toevoegen van een onherroepelijke Nbw vergunning aan het plan.
Zienswijze: 24 Inhoud reactie Beantwoording gemeente 1. Reclamant exploiteert op de locatie Hazenkamp 1 te Rijswijk een akkerbouwbedrijf en
Pagina 2 van 45
2.
3.
4.
5.
geitenboerderij. De bouwmogelijkheden ten behoeve van de geitenhouderij zijn door het provinciale beleid van de provincie Noord-Brabant momenteel beperkt wegens de beschermingsregels t.a.v. de geitensector. Het moratorium op de ontwikkeling van geitenhouderijen is in beginsel tijdelijk van aard. In de toelichting wordt gesproken over de mogelijkheid om de specifieke regels voor geitenhouderijen aan te passen wanneer de provinciale regels daartoe aanleiding geven en dat de wijzigingsbevoegdheid in deze herziening daarom gehandhaafd blijft. Reclamant gaat ervan uit dat met ‘de wijzigingsbevoegdheid’ wordt bedoeld de bevoegdheid in artikel 4.7.16 ‘Wijziging verwijdering aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geitenhouderij’’. Deze bevoegdheid is echter gericht op het verwijderen of wijzigen van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geitenhouderij’, en geeft geen automatisch gevolg aan het beëindigen van het moratorium wanneer dit vanuit provinciaal beleid aan de orde is. Wanneer de provincie het moratorium opheft, dient dus eerst het bestemmingsplan te worden gewijzigd. De bevoegdheid van Artikel 4.3.11 ‘Omgevingsvergunning uitbreiding bestaande oppervlakte dierenverblijf’ is niet van toepassing op de uitbreiding van geitenhouderijen.
Indien het moratorium wordt opgeheven is het niet mogelijk om dierverblijven voor de geitenhouderij uit te breiden zonder wijziging van het bestemmingsplan. Verzocht wordt om artikel 4.3.11 ‘Omgevingsvergunning uitbreiding bestaande oppervlakte als volgt aan te vullen: “Het bepaalde dat uitbreiding van bestaande oppervlakte dierverblijf bij een
De wijzigingsbevoegdheid die in paragraaf 2.2 van de toelichting wordt bedoeld betreft de bevoegdheid om de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geitenhouderij’ te verwijderen indien is gebleken dat geen geitenhouderij wordt uitgeoefend, of indien de provinciale regelgeving en/of provinciale verordening de regelgeving omtrent een geitenhouderij gelijkstelt met intensieve veehouderij. Dit betekent dat bij verwijdering van de specifieke aanduiding, de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ op de locatie wordt weergegeven en de regels voor de intensieve veehouderij gaan gelden.
Dat is ten dele juist; door de wijziging zoals bedoeld onder reactie 3 toe te passen, wordt een geitenhouderij een intensieve veehouderij en gelden de bepalingen die ook voor de intensieve veehouderij gelden.
Gezien het feit dat op de locatie van de geitenhouderij na wijziging de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ wordt weergegeven, maakt dat een aanpassing in 4.3.11 niet nodig is.
Pagina 2 van 45
geitenhouderij niet mogelijk is, vervalt wanneer de provincie NoordBrabant het tijdelijke verbod op de nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen heeft opgeheven’. Zienswijze deels ongegrond Conclusie De zienswijze geeft aanleiding tot een verduidelijking van de wijzigingsbevoegdheid voor het schrappen van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – geitenhouderij’ in artikel 4.7.16. Zienswijze: 25 Inhoud reactie 1. Verzocht wordt om het bouwvlak op de locatie provincialeweg noord 53a te Almkerk te vergroten tot de maximale grootte van 2 ha ten behoeve van uitbreiding van de activiteiten van het melkveebedrijf en omschakelen naar duurzame landbouw. Uitbreiding betreft een nieuw te bouwen melkveestal, een schuur voor opslag voor landbouwproducten, uitbreiding mestopslag, een kaasmakerij met een kaasopslag en een winkel met ontvangstruimte.
Beantwoording gemeente De doelstelling van het bestemmingsplan is te komen tot een in hoofdzaak beherend bestemmingsplan. Een beherend bestemmingsplan betekent dat het plan een actuele planologische regeling van de bestaande, legale situatie bevat en ontwikkelingen via de gebruikelijke flexibiliteitsbepalingen, zoals afwijkingsregels en wijzigingsregels. Alleen kleine veranderingen zonder gevolgen voor de omgeving kunnen in het bestemmingsplan meegenomen worden. Alleen indien een ontwikkeling in de voorbereiding van dit bestemmingsplan al is beoordeeld en alle onderzoeken zijn ingediend en positief zijn beoordeeld door het gemeentebestuur is in enkele gevallen zo’n ontwikkeling meegenomen. Dergelijke ontwikkelingen worden als ‘meelifters’ meegenomen, mits daartoe een anterieure overeenkomst met planschade overeenkomst is gesloten. Onvoldoende onderbouwde ontwikkelingswensen of ontwikkelingswensen die naderhand alsnog bij de gemeente zijn binnen gekomen, worden niet meegenomen in het bestemmingsplan. Het meenemen van deze nieuwe ontwikkelingen vraagt om een zorgvuldige voorbereiding, afweging en beoordeling van onderzoeken en het eventueel sluiten van overeenkomsten. Te laat kenbaar gemaakte of onvoldoende gemotiveerde ontwikkelingswensen zijn daarmee niet passend om mee te nemen gedurende de lopende procedure van dit bestemmingsplan.
Voor dergelijke nieuwe ontwikkelingen kan te zijner tijd gebruik worden gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen in dit bestemmingsplan, of er kan eventueel een zelfstandige planologische procedure gevolgd worden. Een verzoek om bouwvlakvergroting zal behalve aan het vigerend bestemmingsplan Buitengebied
Pagina 2 van 45
(mede) worden getoetst aan artikel 4.7.4 van de herziening (buitengebied Woudrichem herziening 2018). Een uitbreiding van een grondgebonden veehouderij is in principe tot 2 hectare mogelijk. Bij de beoordeling van een concreet verzoek hiertoe zal getoetst worden aan alle voorwaarden. Eén van de voorwaarde is dat de vergroting noodzakelijk moet zijn. Dit brengt met zich dat er een positief advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen moeten zijn om mee te kunnen werken aan het plan. Ook is er een koppeling met de schuren en kuilvoerplaat aan de overzijde van de weg (de oude bedrijfslocatie). Verdere vergroting van het huidige bouwvlak zal niet mogelijk zijn dan nadat zekerheid is gegeven over de sloop van die schuren. Destijds is het bedrijf naar de overzijde van de weg verhuisd maar zijn deze schuren en kuilvoeropslag niet verwijderd. De voorwaarde dat er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de (landschappelijke) waarden wordt beoordeeld in het licht van de ligging binnen het zogenaamde inundatiegebied, waarvan ‘openheid’ een kwaliteit is. Zoals wij reclamant informeel gemeld hebben is uit de zienswijze in elk geval niet gebleken dat voldaan wordt aan deze twee en andere voorwaarden die verbonden zijn aan een bouwvlakvergroting. Hierom is aan reclamant, ook weer informeel, aangegeven dat het raadzaam is een nadere onderbouwing aan te leveren.
Dit is niet gebeurd zodat een inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet heeft kunnen plaatsvinden.
2. Verzocht wordt om het houden van vee in de gebouwen aan de overzijde van de dijk (ten noorden van provincialeweg noord 68) toe te staan.
Ten tijde van de verplaatsing van het melkveebedrijf naar de overzijde van de weg was de intentie om de twee stallen ten noorden van nr. 68 te laten vervallen. De gemeente heeft de eigenaar ten tijde van de verplaatsing echter abusievelijk niet verplicht om de stallen te slopen en het gebruik te beëindigen. De eigenaar heeft derhalve de bestaande opstallen en voerplaat nog steeds in gebruik voor zijn agrarisch bedrijf, met name voor opslag. Er is zodoende een overgangsrechtsituatie ontstaan waartegen door de gemeente niet handhavend kan worden opgetreden. Het toekennen van een agrarische bouwvlak met de daarbij bijbehorende rechten wordt door de gemeente ruimtelijk-planologisch niet aanvaardbaar en wenselijk geacht. Derhalve is voor de twee stallen en het gebruik ervan,
Pagina 2 van 45
alsmede het gedeelte van het perceel (kadastraal bekend Woudrichem, sectie E, nummer 2055) waar (kuilvoer)opslag voor het agrarische bedrijf plaatsvindt in de juridische regeling van dit herzieningsplan een uitsterfconstructie opgenomen, gekoppeld aan de op verbeelding opgenomen aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bestaande bouwwerken’. Hiermee mag het bestaande gebruik voor opslag van voer en materieel worden voortgezet, maar is uitbreiding van bebouwing of activiteiten alsmede ingebruikname als dierenverblijf niet toegestaan. Zienswijze deels ongegrond Conclusie Voor vergroting van het bouwvlak op de locatie Provincialeweg noord 53a te Almkerk ontbreekt de noodzakelijke onderbouwing Voor de bestaande gebouwen aan de overzijde van de dijk (ten noorden van Provincialeweg noord 68) is een uitsterfconstructie in het bestemmingsplan opgenomen. Zienswijze: 26 Inhoud reactie 1. Aan de Achterdijk ongenummerd, sectie I, nummer 41, bevindt zicht een bietenplaat waarvoor op grond van artikel 3.6.4 van het thans geldende bestemmingsplan een omgevingsvergunning nodig is, omdat de plaat groter is dan de ondergrens van 200 m2. 2. Op grond van een luchtfoto uit 2003, afkomstig uit de luchtfoto atlas Noord-Brabant, kan worden opgemaakt dat de verharding reeds toen aanwezig was. 3.
Bij brief, verzonden 27 juli 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Woudrichem aan cliënt het volgende bericht: "Wij constateren mede aan de hand van luchtfoto's uit het verleden (uit 1997 en 2000) dat van overgangsrecht voor opslag en verwerking van agrarische producten ter plaatse sprake is. Het moet dan wel gaan om een gebruik waarbij agrarische producten (bij oogst vrijkomende grond, restproducten van gewassen, mest die ter plaatse wordt uitgereden of vergelijkbare zaken) tijdelijk, in een omvang die gelijk blijft ten opzichte van de
Beantwoording gemeente
Met de luchtfoto uit 2003 is inderdaad aangetoond dat de verharding in 2003 aanwezig was.
In de brief wordt bevestigd dat het gebruik van de gronden onder het overgangsrecht valt. Het gebruik is immers ontstaan toen bestemmingsplan Buitengebied van kracht was. In artikel 28 sub 2 van dat plan moet onder strijdig gebruik worden verstaan het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort-, lig- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden.
Pagina 2 van 45
luchtfoto's uit 1997 en 2000, worden opgeslagen. Vervolgens worden de producten ter plekke of op een gelijkwaardig agrarisch perceel in de directe nabijheid verwerkt, in die situaties vallen de genoemde activiteiten onder het overgangsrecht". 4. Het aanbrengen van verhardingen was onder de vigeur van het bestemmingsplan Buitengebied 1997 rechtstreeks toegestaan en valt vanaf bestemmingsplan Buitengebied 2011 onder beschermende werking van het overgangsrecht.
Onder het voorgaande bestemmingsplan (buitengebied 1997, artikel 27.1) was inderdaad expliciet geen aanlegvergunning voor het aanbrengen van verhardingen vereist vanwege de ligging binnen de bestemming Agrarisch en de aanduiding “openheid”. De verharding zoals heden ten dage aanwezig en qua omvang gelijk aan die in (in elk geval) 2003, valt zodoende onder het overgangsrecht. .
5. Gebruik kan niet twee maal onder overgangsrecht worden gebracht en dient nu conform jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State positief bestemd te worden.
De eigenaar heeft de bestaande verharding nog steeds in gebruik voor zijn agrarisch bedrijf. Er is zodoende een overgangsrechtsituatie ontstaan waartegen door de gemeente niet handhavend kan worden opgetreden. Het toekennen van een agrarische bouwvlak met de daarbij bijbehorende rechten wordt door de gemeente ruimtelijk-planologisch niet aanvaardbaar en wenselijk geacht. Derhalve is voor de verharding en het gebruik ervan in de juridische regeling van dit herzieningsplan een uitsterfconstructie opgenomen, gekoppeld aan de op verbeelding opgenomen aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 4’. Hiermee mag de verharding en het bestaande gebruik ervan voor opslag welke verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden worden voortgezet.
6. Verzocht wordt om de bietenplaat zie onder 5 positief te bestemmen. Zienswijze gegrond Conclusie Voor de bietenplaat wordt op verbeelding opgenomen de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 4’. Hiermee mag de verharding en het bestaande gebruik ervan voor opslag welke verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden worden voortgezet.
Pagina 2 van 45
2. Overige, ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan is door de zienswijzen op onderdelen gewijzigd, zie voorgaand hoofdstuk 1. Naast deze wijzigingen van het ontwerp bestemmingsplan naar aanleiding van de binnengekomen zienswijzen zijn er ook een aantal ambtshalve wijzigingen. Hieronder vindt u een overzicht van de ambtshalve wijzigingen. Ambtshalve wijzigingen: 1. In het noorden van de gemeente zijn in de Afgedamde Maas een 5-tal ligplaatsen gesitueerd, maar in het huidige bestemmingsplan Buitengebied Woudrichem niet voorzien van een planologische regeling. Voor één van deze ligplaatsen (van de vijf is het de middelste) is door Rijkswaterstaat vergunning verleend aan reclamant voor een ponton en woonschip. Bewoning vindt reeds plaats vóór 2001. Het gebruik valt derhalve onder het gebruiksovergangsrecht Het woonschip ligt buiten de 50 dB(A) zonecontour van het naburig bedrijventerrein. Bovenstaande ligplaats is in het vast te stellen bestemmingsplan Buitengebied Woudrichem, herziening 2018 conform de feitelijke en door Rijkswaterstaat vergunde situatie in dit herzieningsplan binnen de geldende bestemming Water voorzien van de aanduiding specifieke vorm van water ‘ligplaats 1’, waarmee een woonschip ter plaatse is toegestaan. 2.
Per brief d.d. 17 juli 2019 heeft eigenaar van Gantelweg 20 verzocht om een op 25 juni 2010 verleende vergunning voor een loods binnen het bouwvlak te betrekken. Het bouwplan paste destijds in het op dat moment van kracht zijnde bestemmingsplan Buitengebied 1997. Met bestemmingsplan Buitengebied (2011) is het bouwvlak verkleind waardoor een groot deel van de nieuwe loods buiten het nieuwe bouwvlak is komen te liggen. Uit de retrospectieve toets bij het bestemmingsplan Buitengebied (2011) is niet gebleken waarom het bouwvlak is verkleind. Overeenkomstig de verleende vergunning voor de loods wordt het bouwvlak verruimd. Aan de Gantelweg 20 is een loonwerkbedrijf en veehouderij met runderen en schapen gevestigd. Bestemmingsplan Buitengebied laat geen loonwerkbedrijf toe. Een vergunning Wet milieubeheer is voor deze bedrijfsactiviteiten afgegeven op 14 oktober 2003, in overeenstemming met het op dat moment geldende bestemmingsplan Buitengebied 1997, waarin voor het bouwperceel een loonwerkbedrijf met een asterisk is aangeduid. Op 6 december 2006 is het Besluit landbouw milieubeheer in werking getreden. Het bedrijf valt onder de werking van dat besluit en de eerdere milieuvergunning wordt daarom per brief d.d. 14 juni 2010 aangemerkt als een melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer.
Uit de retrospectieve toets bij het bestemmingsplan Buitengebied (2011) is niet gebleken waarom het loonwerkbedrijf is geschrapt als toelaatbare hoofddanwel nevenactiviteit en evenmin waarom het bouwvlak is verkleind. De aanwezigheid van een loonwerkbedrijf naast de veehouderij blijkt uit een milieucontrole uit 2011. De beide activiteiten vinden nu nog steeds plaats. Het loonwerkbedrijf is legaal totstandgekomen en kan zodoende onder het gebruiksovergangsrecht voortgezet worden. Niet gebleken is dat de eigenaar voornemens is deze activiteiten te zullen beëindigen. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Hiervoor is een functieaanduiding opgenomen op de verbeelding en in de regels.
Pagina 2 van 45
3.
Hoge Maasdijk 124 (kadastraal perceel gemeente Woudrichem, sectie I nummer1856 Op 14 juli 2016 is door gemeente Woudrichem omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een aanlegsteiger en nietbedrijfsmatig recreatief gebruik van de grond. Rijkswaterstaat heeft op 5 juli 2016 vergunning verleend voor het behouden van de aanlegsteiger. Het bouwen van een gebouw anders dan een schuilvoorziening is op grond van de huidige bestemming Natuur niet toelaatbaar. Ook vanwege het belang van de grond voor de berging van rivierwater uit de Waal, Merwede en de Afgedamde Maas kan bebouwing niet worden toegestaan. Een aanwezige bebouwing (keetwagen) is in 2016 onder het bouwovergangsrecht geplaatst. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Het opnieuw onder het bouwovergangsrecht brengen van bestaande legale bebouwing kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op verwijdering van de bebouwing binnen de planperiode. Zowel de aanlegsteiger, de keetwagen en het gebruik van het perceel zijn legaal. De eigenaar van de grond heeft aangegeven het bestaande gebruik en de bebouwing te willen handhaven.
Sloop van de keetwagen kan niet worden afgedwongen waardoor niet aannemelijk is dat de bebouwing binnen de planperiode zal worden gesloopt. Herbouw is evenwel niet toelaatbaar gelet op de omgevingswaarden en -belangen. Voor de aanlegsteiger wordt een aanduiding ‘specifieke vorm van water ligplaats 2’ opgenomen waarmee tijdelijk afmeren kan worden toegestaan. Omdat de keetwagen onder het bouwovergangsrecht valt en sloop niet kan worden afgedwongen, is er voor het bouwwerk gekozen voor een uitsterfregeling. Voor de bebouwing wordt op de verbeelding een aanduiding 'specifieke vorm van natuur – bestaande bouwwerken' opgenomen waarmee uitsluitend bestaande bouwwerken zijn toegestaan.
4.
Hoge Maasdijk (kadastraal perceel gemeente Woudrichem, sectie I nummer 1896) Een aanwezige schuilgelegenheid is in 2016 op basis van meerdere getuigenverklaringen over de plaatsing van het bouwwerk onder het bouwovergangsrecht geplaatst. Het bouwen van een gebouw anders dan een schuilvoorziening is op grond van de huidige bestemming Natuur niet toelaatbaar. Ook vanwege het belang van de grond voor de berging van rivierwater uit de Waal, Merwede en de Afgedamde Maas kan bebouwing niet worden toegestaan. De schuilgelegenheid en het extensief recreatief gebruik van het perceel zijn legaal. De eigenaar van de grond heeft aangegeven het bestaande gebruik en de bebouwing te willen handhaven. Sloop van de betreffende bebouwing kan niet worden afgedwongen waardoor niet aannemelijk is dat de bebouwing binnen de planperiode zal worden gesloopt. Herbouw is evenwel niet toelaatbaar gelet op de omgevingswaarden en -belangen. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Het opnieuw onder het bouwovergangsrecht brengen van bestaande legale bebouwing kan slechts onder bijzondere
Pagina 2 van 45
5.
6.
7.
8.
9
10
11
omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat zicht bestaat op verwijdering van de bebouwing binnen de planperiode. Omdat het bouwwerk onder het bouwovergangsrecht valt en sloop niet kan worden afgedwongen, is er voor het bouwwerk gekozen voor een uitsterfregeling. Voor de bebouwing wordt op de verbeelding een aanduiding 'specifieke vorm van natuur – bestaande bouwwerken' opgenomen waarmee uitsluitend bestaande bouwwerken zijn toegestaan. Ijsbaan Op 4 april 2019 is omgevingsvergunning verleend voor een ijsbaan en clubgebouw voor een periode van 10 jaar. Het is wenselijk om de ijsbaan en clubgebouw permanent te laten bestaan. Hierom wordt met een functieaanduiding de ijsbaan als medefunctie toegelaten binnen de agrarische bestemming. Voor het clubgebouw wordt met een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 6’ bepaald dat het clubgebouw kan blijven bestaan in maximaal de huidige maatvoeringen. Jan Spieringsweg 1a De bedrijfswoning Jan Spieringweg 1 is 26 jaar geleden door de huidige eigenaar aangekocht als ‘woonhuis’. De eigenaar was er destijds niet van op de hoogte dat de woning bij het agrarisch bedrijf op Jan Spieringweg 1a behoorde en dat de woning derhalve uitsluitend mocht worden gebruikt voor de huisvesting van persoon en diens gezin waarvan de huisvesting er gelet op de agrarische bestemming noodzakelijk moet worden geacht.
De woning wordt derhalve reeds 26 jaar in afwijking van het bestemmingsplan gebruikt. Hiertegen is nooit opgetreden. De woning wordt om die reden aangemerkt als plattelandswoning, zodat het gebruik voor bewoning, zonder dat er sprake is van een binding met het agrarisch bedrijf, mogelijk is. In artikel 20.2.3 en 20.5.2 (bestemming Wonen) wordt meermaals gesproken over een bedrijfswoning. Dit moet natuurlijk woning zijn en zal worden hersteld. Bij de bestemmingsregels met betrekking tot bed & breakfast wordt nog wordt gesproken over gemeente Woudrichem. Dat is onjuist en wordt hersteld naar gemeente Altena. Op 13 november 2018 heeft de gemeenteraad van het bestemmingsplan ‘Buitengebied - Hoge Maasdijk - 2018’ met plan-ID NL.IMRO.0874.BUITBP201801-VSG1 vastgesteld. Abusievelijk is dit plan niet buiten het herzieningsplan gelaten waardoor de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden. Dit wordt hersteld door alsnog de gronden van dit plan buiten de herziening te laten. Voor de locatie Giessensesteeg 5 is een vergroting van de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan meegenomen. Op 1 oktober 2020 heeft de aanvrager via een email aangegeven het verzoek te willen intrekken. De wijziging wordt zodoende ongedaan gemaakt. Buiten de zienswijzentermijn is voor de locatie Laagt 9 te Almkerk een verzoek tot vergroting van de bestemming Wonen ingediend.
Nergens is uit gebleken dat er in die situatie sprake is van overgangsrecht. In de herziening kan daarom niet meegewerkt worden aan het verzoek. Een vergroting van de woonbestemming is in bepaalde gevallen een nieuwe ontwikkeling die vraagt om een zorgvuldige voorbereiding, afweging en beoordeling van onderzoeken en het eventueel sluiten van overeenkomsten. Te laat kenbaar gemaakte of onvoldoende gemotiveerde ontwikkelingswensen zijn daarmee niet passend om mee te nemen gedurende de lopende procedure van dit bestemmingsplan. Voor dergelijke nieuwe ontwikkelingen kan eventueel een zelfstandige planologische
Pagina 2 van 45
12 13
14
15
16 17
18
19
20
procedure gevolgd worden. Omdat een bestemmingsplanherziening in sommige gevallen een onredelijk zwaar instrument kan zijn wordt er in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bestaande woonbestemming onder voorwaarden te vergroten tot maximaal 1500m2. Op verschillende plaatsen in de regels is de nummering onjuist of onduidelijk, wat wordt hersteld. Het begrip ‘monumentencommissie’ en ‘gemeentelijke commissie’ wordt in de planregels door elkaar toegepast. Tevens is het begrip ‘gemeentelijke commissie’ te algemeen. Dit begrip wordt vervangen door ‘de commissie verantwoordelijk voor advisering op het gebied van cultuurhistorie en monumentenzorg.’ Naar aanleiding van de Raad van State uitspraak op 29 mei 2019 is de ‘Voortoets’, zoals nu opgenomen in bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan aangepast alsmede de lijst met Nbwet vergunningen, zoals nu opgenomen als bijlage 3 bij de regels. Als gevolg van de uitspraak is de eerder als bijlage 3 bij de regels opgenomen lijst met Nbwet meldingen in zijn geheel komen te vervallen. In paragraaf 3.6 van de plantoelichting wordt onjuist verwezen naar artikel 38.2, dit moet 37.2 zijn. In dit verband is het volgende relevant. Op 15 december 2020 is het nieuwe parkeerbeleid vastgesteld. In artikel 37.2 wordt dit nieuwe beleid van toepassing verklaard.
In de planregels wordt in artikel 6.1 Middelvaart 78a genoemd, dit moet Middelvaart 78 zijn. Dit wordt aangepast. In het ontwerpbestemmingsplan is voor Almweg 4 het innemen en demonteren van vrachtwagens toegevoegd als activiteit. Echter overeenkomstig de verleende vergunning is dit slechts als nevenactiviteit toelaatbaar, niet als hoofdactiviteit. Dit wordt gewijzigd in de regels. Voor de locaties Provincialeweg Noord 51c en Provincialeweg Noord 53a is met een aanduiding op de verbeelding en in de regels van het ontwerpbestemmingsplan de (aanleg en instandhouding van groenstroken ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing geregeld. In de toelichting is aangegeven dat bedoeld was om de bestaande beplanting bij Provincialeweg Noord 51c ten minste te handhaven. Deze bestaande beplanting is destijds geïnventariseerd en in kaart gebracht, maar niet expliciet aan de planregels gekoppeld. Dat wordt nu alsnog gedaan. Voor Provincialeweg Noord 53a geldt ongeveer dezelfde situatie, hoewel hier de vereiste beplanting ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan niet alle beplanting was gerealiseerd. Het beplantingsplan behorende bij de vergunning is in het ontwerpbestemmingsplan vertaald naar een aanduiding.
Nu wordt in het vast te stellen bestemmingsplan het beplantingsplan hieraan gekoppeld waaruit blijkt wat wordt verstaan onder een goede landschappelijke inpassing. Op 10 november 2020 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Buitengebied: Provincialeweg Noord 47-49” vastgesteld, en op 22 september 2020 het bestemmingsplan “Buitengebied: Provincialeweg Noord 44”. Beide plannen worden uitgeknipt uit de herziening omdat hiervoor reeds een actueel bestemmingsplan geldt. Omdat volgens vaste jurisprudentie de spuitzone-afstanden 50 m dienen te bedragen, is dit overgenomen in de regels; alsmede het feit dat ook bedrijfsgebouwen voor drift gevoelige objecten kunnen zijn, wanneer hierin mensen verblijven. De gebruiksregels in verschillende artikelen luidden in het ontwerpbestemmingsplan als volgt: “het gebruik van gronden voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt en/of bestaande boom- en sierteelt,
Pagina 2 van 45
21
22
23
waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet in een zone van 30 meter, gemeten vanaf (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, een en ander met uitzondering van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltzone'” . Deze worden gewijzigd naar “het gebruik van gronden voor tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt en/of bestaande boom- en sierteelt, waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet in een zone van 50 meter, gemeten vanaf voor drift gevoelige functies, inclusief tuinen en erven, een en ander met uitzondering van gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltzone'”. Binnen de archeologische dubbelbestemmingen ontbreekt voor de Middelhoge archeologische verwachting met een vrijstellingsgrens van 500cm diepte de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 5,0’. Ook ontbreken in het noordelijk deel van het plangebied (buitendijks deel, ten noorden van Merwededijk) de bijbehorende functieaanduidingen. E.e.a. wordt hersteld op de verbeelding. Bij de voorgenomen verruiming van het bestemmingsvlak Wonen ter plaatse van Provincialeweg noord 68 was niet gemotiveerd waarom er niet is voorzien in een landschappelijke inpassing. Dit wordt in de toelichting hersteld.
Bij de voorgenomen verruiming van het bestemmingsvlak Wonen ter plaatse van Provincialeweg noord 66 was niet gemotiveerd waarom er niet is voorzien in een landschappelijke inpassing. Dit wordt in de toelichting hersteld.