CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Rapport Opzet Ontwikkelfonds FRES-WB bij RV Ontwikkelfonds FRES-WB

Raadsvergadering 27 september 2022, gemeente AltenaBij agendapunt: Ontwikkelfonds versnelling Regionale Energie Strategie (RES)11.725 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Opzet Ontwikkelfonds RES West-Brabant (FRES-WB) Fonds versnelling RES West-Brabant

Notitie ter besluitvorming bij gemeenten De Volharding - Jan Schouw, Job Swens en Ivonne Bulthuis April 2022

INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding en opgave 2. Leeswijzer 3. Werkwijze en resultaat 4. Voorstel colleges B&W 5. FRES-WB: wie, wat, hoe? 6. Twee sporen binnen FRES-WB 7. Omvang FRES-WB bij aanvang, de partners en spelregels t.a.v. inleg gemeenten 8. FRES-WB: organisatie 9. Potentie voor groei van FRES-WB 10. Risicomanagement FRES-WB 11. Juridisch kader & Governance 12. BIJLAGEN Bijlage A – Het fonds & fasegewijze financiering van projecten Bijlage B – Spelregels projecten die inspelen op netwerkcapaciteitsoplossingen Bijlage C – Profielschetsen bestuursfuncties op hoofdlijnen Bijlage D – Spelregels fonds ‘aanvraag’ Bijlage E – Overzicht kwesties Ontwikkelfonds voor Energie Coöperaties (OvE) en FRES-WB Bijlage F – Overzicht projecten en behoefte ontwikkelbudget Bijlage G – Enexis strategieën netwerkcongestie

3 4 4 5 6 10 14 17 18 20 21 25 25 28 29 31 32 33 35

pagina 2 Van SSONS2050 naar FRES-WB

1.

Inleiding en opgave

In de RES-deal lokaal eigenaarschap (uitvoeringsprogramma 2021-2023 RES West-Brabant) is als doel omschreven om zoveel mogelijk inwoners te laten participeren in duurzame energieprojecten. Het streven naar ten minste 50% lokaal eigenaarschap wordt als voorwaarde gezien om de transitieopgave te laten slagen. Uit de participatiemonitor van het PBL (oktober 2021) blijkt dat er geen sprake is van een toename van lokaal eigenaarschap tussen 2019 en 2020. In de praktijk blijkt het voor lokale energiecoöperaties, andere burgerinitiatieven en bedrijven een forse opgave om een eigen idee voor een duurzaam energieproject om te zetten in de realisatie, of om aan te sluiten bij grootschalige projectontwikkelingen. De belangrijkste redenen zijn gebrek aan expertise, en/of tijd en/of geld. Een ontwikkelfonds, zoals Stichting Support Ons 2050 ondersteunt lokale initiatiefnemers door: • Inzet van professionals / projectleiders om initiatieven te begeleiden; • Voorfinanciering van de ontwikkelkosten vanuit een revolverend fonds; • Samen met de markt / derden collectieve projecten initiëren. Bij de standaard projecten met energie opwek door zon en wind kan de business case uit en is er dus een mogelijkheid van ‘revolverendheid’. Dit is een belangrijke voorwaarde voor het fonds. Het fonds dient namelijk als een transitie instrument.

Waar overheden vaak subsidies aan dergelijke initiatieven geven en het geld dus weg is (zonder zekerheid over de kans van slagen van het project), is de ambitie om naar een model toe groeien (in het geval de business case het toe laat) dat de middelen die nodig zijn om het project tot realisatie te brengen worden voorgefinancierd door het fonds, maar daarna weer terugvloeien in de pot om een volgend nieuw project weer te helpen. De huidige regionale fondsen hebben beperkte middelen, waarmee de gewenste versnelling van lokaal eigenaarschap onvoldoende van de grond komt. De Volharding Breda is vanuit de RES WestBrabant gevraagd om een uitwerking voor een versnelling te maken, mede namens de Stichting Support ONS 2050 en de Stichting Zonnebank Breda. Beide stichtingen zijn met hetzelfde doel opgericht en functioneren al enige tijd. Het ‘fonds1’ heeft als titel meegekregen: FRES-WB: fonds versnelling RES West-Brabant. Het ‘fonds’ is breder dan uitsluitend een financiering en bestaat uit: • Risicodragend kapitaal dat wordt ingezet om kansrijke participatieve projecten te ontwikkelen; • Een projectbureau dat beoordeelt of de inzet van risicodragende middelen verantwoord is; • Een netwerk van deskundigen die kunnen worden ingezet om de projecten te ontwikkelen; • Een governance structuur die toeziet op werkwijze en verantwoording aflegt.

1 Waar hierna over ‘fonds’ of FRES-WB wordt gesproken, wordt steeds bedoeld: middelen, projectbureau en

organisatie. pagina 3 Van SSONS2050 naar FRES-WB

2.

Leeswijzer

In hoofdstuk 3 wordt een korte beschrijving gegeven van de gevolgde werkwijze en het behaalde resultaat. In hoofdstuk 4 wordt het voorstel gepresenteerd voor de besluitvorming bij de gemeenten van de RES West-Brabant. In de volgende hoofdstukken wordt dieper ingegaan op de werkwijze, doelgroepen, organisatie, spelregels en risico’s. Deze inhoudelijke bijdragen zijn eerder besproken tijdens het proces vanaf opdrachtverlening tot deze rapportage.

3.

Werkwijze en resultaat

Werkwijze; De opzet en uitwerking van FRES-WB is op verschillende momenten besproken met de stuurgroep RES, de ambtelijke werkgroep, klankbordgroep en de begeleidingsgroep. Met de energiecoöperaties West-Brabant2 is op verschillende momenten overleg geweest en is de voortgang besproken. Verder is overlegd met partijen die betrokkenheid bij het ontwikkelfonds hebben of zouden kunnen krijgen, o.a.: de oprichters van Stichting Support ONS, Stichting Zonnebank, Greenchoice, Rabobank, ZLTO, provincie. In de loop van het proces is een aantal omstandigheden gewijzigd. De meest opvallende daarbij betreft de snel toenemende congestieproblematiek op het elektriciteitsnetwerk. In sommige delen van de regio is het simpelweg voorlopig niet meer mogelijk om duurzame energieprojecten aan te sluiten. Verder werden de uitgangspunten aangescherpt. Dit leidde in de loop van het project tot een nieuwe focus op de beoogde entiteit: ●

● ●

● ●

Randvoorwaarde voor het fonds is beschikbaarheid van Rijksmiddelen voor het RES-proces, dit is expliciet benoemd in de brief aan het Rijk bij de aanbieding van RES 1.0; Met het nieuwe kabinet wordt hier invulling aan gegeven. Het fonds richt zich in eerste instantie op projecten die nog niet worden belemmerd door de netschaarste; dit betreffen vaak de kleinere (postcoderoos) projecten Het fonds moet ook open staan voor lokale projecten: ○ rondom besparing, opslag en opwek van duurzame warmte; ○ die specifiek inspelen op de netwerkcongestie; De inleg van gemeenten betreft een revolverende inleg ten behoeve van kansrijke projecten in betreffende gemeente; Voorkomen van dubbeling van dit fonds met andere fondsen.

Resultaat; Met name de congestieproblematiek heeft ertoe geleid dat de mogelijkheden om participatieve projecten te starten op dit moment minder zijn (vooral waar het gaat om grotere projecten) en dat er binnen de regio verschillen zijn in de (on)mogelijkheden van aansluitingen. Een forse groei in participatieve projecten is daarmee niet op korte termijn te verwachten. Daarom is een kleiner groeimodel uitgewerkt. 2

Aan het overleg namen de coöperaties deel die actief zijn in de gemeenten Roosendaal, Bergen op Zoom, Halderberge, Moerdijk, Breda, Made, Oosterhout, Altena en Zundert. pagina 4 Van SSONS2050 naar FRES-WB

Met het bestuur van de Stichting en haar oprichters (Enpuls, Rabobank, Cosun) is overlegd over een nieuwe invulling van de Stichting en het beschikbaar houden van de middelen. Met de stuurgroep is een voorstel besproken om de Stichting te ondersteunen in verdere professionalisering van haar aanpak en de bijdrage van gemeenten voor het fonds te bepalen. Als nieuwe naam voor de Stichting Support ONS 2050 wordt voorgesteld: FRES-WB (Fonds versnelling RES West-Brabant). In de hoofdstukken 5 t/m 11 wordt FRES-WB nader beschreven en wordt ingegaan op verschillende vragen en opmerkingen die tijdens het proces zijn opgeworpen en ondertussen besproken met de verschillende gremia.

4.

Voorstel besluitvorming gemeenten

Overwegende dat: ● ●

●

● ●

De RES als visie heeft dat participatie van inwoners in belangrijke mate kan bijdragen aan het realiseren van de energietransitieopgave in de regio; Een ontwikkelfonds een belangrijke bijdrage kan leveren aan de RES doelstelling om duurzame energieprojecten voor ten minste 50% in eigendom te brengen van de lokale gemeenschap; De huidige congestieproblematiek leidt tot beperking in mogelijkheden tot aansluiting, zowel qua vermogen als qua locatie en daarmee tot een beperkt aantal kleine projecten die ondersteuning nodig hebben; Dat daarmee een groeimodel waarbij het revolverend kapitaal langzaam groeit met de nieuwe projecten, passend is voor deze situatie met netcongestie. De bestaande entiteit: Stichting Support ONS2050 is opgericht met hetzelfde doel, namelijk als ondersteuning van ONS2050 (voorloper RES) t.b.v. lokale participatie. De Stichting is bereid om haar werkzaamheden voort te zetten in lijn met de doelstellingen van de RES, haar statuten aan te passen en de naam te wijzigen in FRES-WB. De Stichting Zonnebank Breda is voornemens te liquideren als FRES-WB is opgericht en haar middelen over te dragen.

Is het voorstel om: ●

● ●

●

Akkoord te gaan met een bijdrage aan FRES-WB op het moment dat in de gemeente een kansrijk lokaal initiatief zich aandient 50% van de totale ontwikkelkosten, waarbij de overige 50% van de ontwikkelkosten uit het fonds beschikbaar worden gesteld; Deze bijdrage te leveren onder de condities die in hoofdstuk 7 zijn uitgewerkt; De minimale bijdrage per gemeente vast te stellen op € 12.500. De maximale bijdrage aan het fonds door de individuele gemeenten zelf te laten bepalen. Omvang van de gemeente en de kansen voor lokale participatie kunnen daarbij overwegingen zijn. De werkwijze van FRES-WB jaarlijks te monitoren en na 3 jaar te evalueren voor een mogelijke doorontwikkeling of opheffing.

pagina 5 Van SSONS2050 naar FRES-WB

5.

FRES-WB: wie, wat, hoe?

Voor wie? FRES-WB staat open voor lokale/regionale initiatieven uit de regio, die als doel hebben een participatief duurzaam energieproject te ontwikkelen. Onder participatief verstaan we dat de installatie uiteindelijk voor ten minste 50% in eigendom is van het initiatief. De regionale ervaringen vanuit de Stichting Zonnebank Breda en Stichting Support ONS2050, laten zien dat de middelen uit deze fondsen op dit moment vooral worden gebruikt door lokale energiecoöperaties. Een inventarisatie onder energiecoöperaties in de regio leverde een portefeuille op van 16 à 20 zonneprojecten die in 2022/2023 gerealiseerd zouden kunnen worden en die passen binnen de doelstellingen van FRES-WB. Overigens is daarbij opgemerkt dat sommige van deze projecten tegen congestieproblematiek oplopen (zie hierna).

Voor wat voor soort projecten worden kosten gedekt? Een duurzaam energieproject richt zich op besparing, opwek of opslag van energie geproduceerd uit duurzame bronnen zoals zon, wind en (rest)warmte. We verwachten de komende tijd vooral projecten gericht op het realiseren van participatieve zonneprojecten, die gebruik maken van de landelijke regelingen SDE++ en SCE (zie ook hieronder). FRES-WB sluit andere initiatieven en/of technieken zeker niet uit, zolang er sprake kan zijn van het terugverdienen van de ontwikkelkosten. De projecten dragen bij aan de doelstellingen die de samenwerkende gemeenten in de RES hebben bepaald. Specifiek de doelstellingen ten aanzien van duurzame opwek en participatie. Door de huidige problemen rond de capaciteit van de lokale elektriciteitsnetwerken lijkt het in de regio West-Brabant echter steeds moeilijker te worden duurzame energieprojecten te realiseren. Zie b.v.: Beperkte capaciteit op het elektriciteitsnet voor terugleveren | Enexis Netbeheer. Dit geldt voor alle projecten dus ook voor collectieve projecten. Kleinere projecten (tot 500 kWp) blijven (vooralsnog) wel mogelijk. Voor grotere projecten hangt de haalbaarheid dan af van de netcapaciteit in het gebied van dat specifieke project. FRES-WB zal zich dus in eerste instantie moeten richten op kleinere projecten en op de grotere projecten in gebieden waar nog wel voldoende capaciteit is.

De situatie m.b.t. de capaciteit van de (elektriciteits)netwerken leidt ertoe dat FRES-WB ook deels zal worden ingezet voor projecten die zo ingericht zijn dat zij helpen het netcapaciteitsprobleem op te lossen. In hoofdstuk 6 en bijlage B worden de spelregels daaromtrent verder uitgewerkt.

Welke kosten worden gedekt? FRES-WB richt zich specifiek op de (risicovolle) fases van ontwikkeling van het project. Onder ‘ontwikkeling’ verstaan we alle voorbereidende acties die nodig zijn om een project succesvol tot realisatie te brengen. FRES-WB dekt alle personeelskosten en overige kosten die nodig zijn in deze fase, waaronder wordt verstaan: -

-

De kosten van projectbegeleiding vanuit het projectbureau; De kosten van lokale projectbegeleiding; De ‘out of pocket kosten’ die gemaakt moeten worden voor specifieke taken (e.g. beoordeling dak door constructeur, specifieke inzet externen, notariskosten voor de oprichting van een coöperatie, keuring oplevering). Kosten die te maken hebben met ‘financiering’ van het project (in geval van participatieprojecten gaat het dan vaak om vormen van crowd funding) worden in de praktijk

pagina 6 Van SSONS2050 naar FRES-WB

vaak meegenomen in de ontwikkelfase. Kosten die te maken hebben met begeleiding tijdens de bouw kunnen ook worden beschouwd als onderdeel van de ontwikkeling. De precieze afbakening van welke onderdelen wel of niet tot de ontwikkelfase worden gerekend (speelt met name bij ‘financiering’ en ‘realisatie’) is maatwerk en afhankelijk van de (on)mogelijkheden van de lokale initiatiefnemer.

Revolverend karakter FRES-WB FRES-WB stelt risicodragend geld beschikbaar. De kosten die het fonds maakt worden terugbetaald door de initiatiefnemer, vermeerderd met een risico- en administratieopslag. Terugbetaling vindt plaats op het moment van ingebruikname van de installatie. Op het moment dus dat het project daadwerkelijk in bedrijf is gesteld. Mocht het project voortijdig worden beëindigd op grond van vooraf overeen gekomen voorwaarden van hetzij het fonds hetzij de initiatiefnemer, dan wordt het voorschot kwijtgescholden. Het risico van financiering ligt dus volledig bij het fonds. Het revolverend karakter zal vooral tot uiting komen bij projecten die min of meer volgens standaards verlopen; hiervoor zijn genoemd de zonneprojecten die gebruik maken van de SCE regeling of de SDE++ regeling. Projecten die inspelen op efficiency verbetering van het bestaande netwerk zullen vrijwel nooit via gebaande paden verlopen. Dit wordt hierna verder toegelicht.

Relatie met andere fondsen In onderstaande figuur wordt nog eens geschetst langs welke stappen de projectlevenscyclus verloopt. Het aanvankelijk hoge risico in de cyclus verklaart waarom het lastig is om voor de ontwikkelfase financiering te vinden. Zeker voor lokale initiatieven die zich richten op participatie van de lokale gemeenschap is dit een praktisch onoverkomelijke hindernis.

Figuur 1: projectlevenscyclus en fondsen In onderstaande tabel is een aantal financieringsbronnen aangegeven waar het lokale initiatief nu gebruik van zou kunnen maken. Ook in de risicovolle fase van ontwikkeling is het soms mogelijk op lokaal niveau ondersteuning te krijgen. Vaak in de vorm van een subsidie van de lokale overheid, een gift uit een specifiek fonds of bijdragen ‘om niet’ van een specifieke partner. Bijvoorbeeld een bevriende notaris die de kosten voor oprichtingsakte sponsort. Over de hele breedte van de lokale initiatieven gezien, blijft dit ‘ad hoc’, kost het steeds opnieuw veel tijd om aan te vragen en is erg afhankelijk van lokale netwerken. Steeds vaker zien we ook commerciële projectontwikkelaars

pagina 7 Van SSONS2050 naar FRES-WB

voorstellen doen voor (deel) participatie, waarbij zij de ontwikkelkosten voor hun rekening nemen. De tegenprestatie is dan een belang in de exploitatie. Dicht bij huis heeft het windtraject langs de A16 op die manier vorm gekregen.

Tabel 1: projectlevenscyclus en beschikbare middelen Er bestaan voor lokale initiatieven, op gemeentelijk, regionaal, provinciaal en landelijk niveau, specifieke fondsen en/of subsidies. Op lokaal niveau is het klimaatfonds Breda bijvoorbeeld bedoeld voor financiering van lokale duurzame energieprojecten. Bij de criteria om voor dit fonds in aanmerking te komen wordt duidelijk dat een uitgewerkte businesscase en bijbehorende stukken (b.v. recht van opstal gebruik dak) moet worden overhandigd. Het klimaatfonds gaat er m.a.w. vanuit dat de ontwikkelfase door de initiatiefnemer is doorlopen. Op regionaal niveau wordt op afzienbare tijd het A16 windfonds actief. In de publicaties wordt steeds gesproken over ‘investeringen in duurzame energieprojecten’ t.b.v. de lokale gemeenschap. En ook daarbij gaat het om het financieren in de hardware: zonnepanelen, infrarood voorzieningen, verduurzaming gebouwen zijn concrete zaken die worden genoemd. Niet duidelijk is hoe die projecten ontwikkeld worden en of het A16 fonds ook die (risicovolle) kosten op zich neemt. Om mogelijke dubbelingen in financiering te voorkomen, wordt samengewerkt met de uitwerking van de sleutelprojecten binnen Energie A16. Op provinciaal niveau is de BOM actief met het energiefonds.

Ook daar geldt dat de BOM graag bijdraagt in financiering, maar als voorwaarden stelt dat het grote projecten moeten zijn (investering liefst > € 4.000.000) en dat het gaat om investering in beproefde technologie. Bij de BOM is de ontwikkelfase wel financierbaar tot maximaal 90%. Met als voorwaarde dat de BOM ook participeert in de exploitatie van het project. Ook landelijk zijn er fondsen beschikbaar, maar ook hier geldt dat deze middelen bedoeld zijn voor projecten die een kant en klare businesscase met alle bescheiden daaromheen kunnen overleggen. Wat betreft de ondersteuning van ‘congestieprojecten’ zijn geen Brabantse fondsen bekend. Het fonds Brabant geeft Energie richt zich weliswaar mede op ‘congestieprojecten’, maar ook hier uitsluitend bedoeld om te investeren in de realisatie. De conclusie is dat de reeds beschikbare fondsen zich uitsluitend richten op financiering van de realisatie en exploitatie van projecten. Alles wat noodzakelijk is om op deze fondsen aanspraak te pagina 8 Van SSONS2050 naar FRES-WB

kunnen doen (financiële, juridische en organisatorische eisen) komen niet voor financiële ondersteuning in aanmerking. Het is juist op deze fase van ontwikkelen dat FRES-WB zich specifiek richt. Onderstaande figuur 2 brengt de projectlevenscyclus en bijbehorend financieel arrangement in beeld.

Figuur 2: positie FRES-WB binnen de projectlevenscyclus

De ontwikkelfase en FRES We onderscheiden de volgende fases in het ontwikkelen, bouwen en exploiteren van een duurzaam opwekproject op participatieve basis: Fase 1: Quick Scan Fase 2: Businesscase Fase 3: Participatie en Financiering Fase 4: Realisatie Fase 5: Exploitatie Het fonds richt zich dus specifiek op de eerste 3 fases, d.w.z. tot en met de financial close voor de bouw van het systeem. De bouw en exploitatie valt volledig onder verantwoordelijkheid van de exploitant (het lokale initiatief). Als een initiatiefnemer een beroep doet op FRES-WB wordt gestart met een Quick Scan, waarin partijen kennis maken, het fonds haar werkwijze en spelregels toelicht en partijen het project bespreken aan de hand van criteria van het fonds. De criteria hebben betrekking op zaken als: - Het type project (opwek, besparing, congestieproblematiek) - De techniek: gekozen opwektechniek, constructies, aansluitingen e.d.; - De planologie: locatie, ruimtelijke (on)mogelijkheden; - De organisatie: motivatie en professionaliteit om installatie te exploiteren; pagina 9 Van SSONS2050 naar FRES-WB

-

De participatie: voor wie, ook toegankelijk voor ‘kleine beurs’; Financiering: welke ideeën leven er over financiering? Toetsing aan doelstellingen FRES-WB en RES.

FRES-WB in de praktijk met zon Energie coöperatie ‘Onze Zon’ wil een zonneproject ontwikkelen en gebruik maken van de SCE regeling. Het is het eerste project van de coöperatie, die bestaat uit een aantal vrijwillige bestuursleden. De coöperatie heeft na uitvoerig overleg met de gemeente een dak ter beschikking gekregen. Na contact met FRES-WB wordt afgesproken om de ontwikkeling geheel door FRES-WB te laten doen. De geraamde investering van het project is € 350.000. Aan ontwikkelkosten wordt op voorhand €18.000 geraamd, exclusief 15% solidariteitsopslag. De coördinator FRES-WB stelt een team samen die het project in overleg met de coöperatie ontwikkeld. Bij het opstellen van de businesscase blijkt dat er aanpassingen gedaan moeten worden aan de installatie in het gebouw. Na overleg met de gebouweigenaar (gemeente) wordt afgesproken dat de gemeente die kosten zal dragen. Het project kent verder geen verrassingen. De ledenwerving wordt voor het belangrijkste deel opgepakt door de coöperatie.

6.

Twee sporen binnen FRES-WB

Vanuit de stuurgroep RES West-Brabant is de wens uitgesproken dat het fonds zich niet alleen richt op de standaardprojecten voor zon en wind, maar ook op andere projecten met lokaal eigenaarschap. Projecten die minder standaard zijn hebben een ander risicoprofiel. In dit hoofdstuk worden de tweedeling in type projecten beschreven: - Standaardprojecten met een laag risicoprofiel: - Maatwerkprojecten met een hoger risicoprofiel: Voor alle initiatieven geld dat projecten voldoende kans van slagen moeten hebben om in aanmerking te komen voor financiering en wordt er met een risico-opslag gerekend (zie H5, revolverend karakter). De kostendekking wordt in H7 nader beschreven.

FRES-WB voor projectontwikkeling voor duurzame energie-opwek volgens standaard aanpakken. Het grootste deel van het FRES-WB fonds zal worden ingezet voor bottom up projecten die leiden tot realisatie van duurzame energie-opwek. Hierna worden de karakteristieken daarvan beschreven, zoals op dit moment bekend. De projecten die door lokale initiatieven vooral worden ontwikkeld zijn voor het overgrote deel collectieve zonneprojecten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de SCE regeling3. Deze regeling is de opvolger van de (fiscale) Postcoderoosregeling. En is tot stand gekomen, na consultatie van het veld, voornamelijk de energie coöperaties, maar ook andere partijen die de Postcoderoosregeling gebruikten (VVE’s en woningbouwcorporaties). De nieuwe regeling is 3

Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) | RVO.nl | Rijksdienst. pagina 10

Van SSONS2050 naar FRES-WB

duidelijker omkaderd dan haar voorganger en biedt meer houvast om een beeld te krijgen van de behoefte aan ontwikkelbudget. Deze trajecten zijn min of meer standaard en de risico’s zijn veelal goed vooraf te bepalen. De werkwijze die FRES-WB volgt voor deze standaard aanpakken, en bijbehorende documenten zijn opgenomen in bijlage A. Belangrijk aspect aan toepassing van de SCE regeling is dat veelal kan worden gewerkt met aansluitingen van maximaal 3 x 80 A, waardoor de problematiek rondom de congestie op het net vermeden wordt. Enexis biedt namelijk nog wel ruimte voor teruglevering voor installaties die onder deze capaciteit blijven (volgens de SCE regeling mag de installatie maximaal 500 kWp bedragen). Verder kan de regeling ‘directe lijn’ nog worden gebruikt. Hierbij wordt de opgewekte stroom direct afgenomen door een energie-afnemer en niet aan het net terug geleverd. zie https://www.enexisgroep.nl/media/3205/1821013-efficient-gebruik-elektriciteitsnet_presentatiefinal_.pd Naast de SCE regeling zal nog gebruik kunnen worden gemaakt van de SDE++ regeling4. Deze regeling is specifiek bedoeld voor grootgebruikersaansluitingen en valt dus onder de transportbeperkingen voor elektriciteit voor West-Brabant van Enexis, wat wil zeggen dat het op dit moment niet overal mogelijk is om terug te leveren op het net via een grootgebruikersaansluiting.

FRES-WB voor projectontwikkeling van maatwerkprojecten met hoger risico In hoofdstuk 5 is aangegeven dat een deel van het FRES-WB fonds zal worden ingezet op pilots die bedoeld zijn om de problemen met congestie op de elektriciteitsnetwerken op te lossen. De stuurgroep van juni 2021 heeft daar expliciet op aangedrongen. Zoals bekend is ook het netwerk in West-Brabant zwaar belast, waardoor in sommige gebieden geen teruglevering meer mogelijk is. Het kan ook gaan om projecten die nu nog minder standaard zijn zoals warmte opwekprojecten of opslag van energie.

Figuur 3: problematiek netwerkcapaciteit (Enexis 4 april 2022)

4

Stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE++) | RVO.nl | Rijksdienst. pagina 11

Van SSONS2050 naar FRES-WB

Door gezamenlijk een deel van de opgewekte stroom op te slaan, vraag en aanbod van energie op elkaar af te stemmen of energiebronnen met verschillende productie profielen te combineren kunnen collectieve projecten de problemen van de energietransitie zowel aan de aanbodzijde als aan de vraagzijde oplossen. Omdat in het verzorgingsgebied van FRES-WB aansluiting van nieuwe grootschalige zonne- en wind projecten steeds moeilijker wordt en op een aantal plaatsen zelfs al niet meer mogelijk is lijkt het logisch om hier vanuit FRES-WB aandacht aan te besteden. Binnen FRES-WB zal dus een deel van het fonds aangewend worden voor projecten, waarbij het openbare net niet of nagenoeg niet belast wordt en die liefst zelfs de bestaande problemen helpen oplossen. De netwerkbeheerder Enexis, onderscheidt 3 strategieën om de congestieproblemen het hoofd te bieden: https://www.enexisgroep.nl/media/3205/1821013-efficient-gebruikelektriciteitsnet_presentatie-final_.pdf -

De vraag naar transportcapaciteit beïnvloeden; De beschikbare transportcapaciteit optimaal benutten; De netwerkcapaciteit uitbreiden.

In de nadere uitwerking van deze strategieën wordt duidelijk dat alleen de eerste 2 voor FRES-WB reëel zijn. Verdere detaillering van die 2 opties geeft verdere focus, als ook in ogenschouw wordt genomen dat FRES-WB zich primair richt op projecten die maximale participatie beogen. De volgende oplossingsrichtingen zijn dan denkbaar om te ondersteunen vanuit FRES-WB: - Gebruik maken van oplossingen ‘achter de meter’: opgewekte energie wordt direct op locatie gebruikt van de aansluitingen en niet terug geleverd aan het net; -

Zich richten op het aftoppen van pieken: het tijdelijk beperken van productie en vraag; Zon en wind combineren: zon en wind op één aansluiting, omdat het zelden voorkomt dat beiden gelijktijdig een hoog vermogen leveren; Energiehubs bevorderen: afstemming van vraag en aanbod binnen een beperkt gebied (b.v. een netvlak); Inspelen op verschuiving van de vraag: verplaatsing van nieuwe projecten naar locaties waar wel capaciteit beschikbaar is.

Verdere toelichting op de verschillende oplossingen van Enexis om de congestieproblematiek aan te pakken zijn opgenomen in bijlage G. Het FRES-WB fonds ondersteunt participatieve projecten (projecten met lokaal eigenaarschap) die een bijdrage kunnen leveren aan één of meer van deze oplossingsrichtingen. 5

5

Men noemt dit ook wel ‘het aanbieden van flexibiliteit of het leveren van flexdiensten’. Omdat deze projecten

Enexis in staat stelt haar taken te vervullen dan wel te besparen op onderhoud en uitbreiding van het net lijkt het logisch dat de netbeheerder voor deze flexdiensten een vergoeding betaalt, of anderszins compenseert (b.v. lagere nettarieven). Echter: Het toepassen van flexibiliteit zit nog in de pilotfase bij Enexis en is naar verwachting eind 2022 pas op grote schaal mogelijk.

pagina 12 Van SSONS2050 naar FRES-WB

Conclusie is dat participatieve projecten vooral interessante pilots zouden kunnen opleveren die gebruik maken van: - Achter de meter oplossingen; - Aftoppen van piekbelasting; - Combinatie zon en wind; - Energiehubs; - Combinaties van bovenstaande oplossingsrichtingen. Vanuit juridisch oogpunt lijkt de in voorbereiding zijnde Energiewet dit soort projecten ook mogelijk te maken en zelfs te ondersteunen. Zo is in de concept Energiewet een artikel opgenomen dat netbeheerders verplicht flexdiensten te overwegen als die verzwaring van het systeem kunnen voorkomen. Daarnaast is ook de term aggregeren opgenomen, waarmee aan o.a. huishoudens de mogelijkheid wordt geboden gezamenlijke flexdiensten te leveren aan netbeheerders. De stappen die gemaakt moeten worden om vanuit een idee tot zinvolle invulling van de pilot te komen zijn niet zo scherp te formuleren als voor de hierboven genoemde standaard projecten voor duurzame energie opwek waar FRES-WB-zich op richt. Het risico bij ondersteuning van projecten die flexdiensten ontwikkelen is aanmerkelijk hoger. En de spelregels Het is wel mogelijk om een aantal spelregels te hanteren om vanuit FRES-WB tot investering in een pilot over te gaan. In bijlage B is daar een voorstel voor uitgewerkt.

pagina 13 Van SSONS2050 naar FRES-WB

7.

Omvang FRES-WB bij aanvang, de partners en spelregels t.a.v. inleg gemeenten

Verwacht wordt dat het fonds zijn revolverend karakter kan behouden door als volgt om te gaan met de in H6 beschreven tweedeling in projecten: - Standaardprojecten met een laag risicoprofiel: o Ontwikkelbudget volledig via FRES (met 50% inleg gemeenten) o Hoogte ontwikkelbudget 5-10% van beoogde investering o Inleg vloeit gemiddeld na ongeveer 1 jaar terug o Risico opslag om de uitval van projecten te dekken: 15% - Maatwerkprojecten met een hoger risicoprofiel: o Maximaal 50% medefinanciering vanuit FRES (waarvan 50% inleg gemeenten) o Hoogte financiering uit FRES maximaal 25.000,- per project o Inleg vloeit gemiddeld na ongeveer 2 jaar terug. o Risico opslag om de uitval van projecten te dekken: 20% In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de inleg van partijen en vervolgens op de verwachte projectinitiatieven. Het wordt haalbaar geacht om in de eerste twee jaar 12 projecten met een laag risicoprofiel en 6 projecten met een hoog risicoprofiel te ondersteunen.

Partners binnen FRES-WB, de inbreng en spelregels t.a.v. bijdragen Inbreng SSONS en Zonnebank Breda; Binnen SSONS- is, uitgaande van terugbetaling van huidige ingezette middelen, een totaalbedrag van €100.000 beschikbaar. Dit fonds is destijds ingericht met bijdragen van Rabobank, Enpuls en Cosun. Verder is de stichting Zonnebank Breda voornemens haar resterende middelen in te zetten binnen FRES-WB. Naar verwachting is daar nog een bedrag van € 10.000 tot €24.000 beschikbaar. 6 De middelen voor de Zonnebank zijn destijds ingezet door de gemeente Breda. Beide stichtingen hebben aangegeven te willen fuseren en hun werkzaamheden onder FRES-WB voort te willen zetten. De stichtingen brengen in totaal dus ten minste € 110.000 aan revolverende middelen in.

Inbreng gemeenten; Voorstel is dat de gemeenten maximaal 50% van de ontwikkelkosten beschikbaar stellen door het bedrag beschikbaar te stellen aan FRES-WB. De verzoeken om cofinanciering kunnen per project variëren van 5.000,- tot 12.500,-, op basis van bovenstaande voorstellen (incidenteel is een hogere bijdrage denkbaar voor projecten zonder netschaarsteproblematiek). Bij een geslaagde oplevering ontvangt FRES-WB de inleg terug met risico-opslag en voegt dit toe aan haar fonds. De gemeenten ontvangen hun inleg dus niet terug op dat moment, maar voegen het toe aan het fonds van FRESWB. Op deze manier groeit het fonds, maar wel op basis van het eigen succes. Uiteindelijk, bij

6

Op het moment van schrijven wordt een laatste traject afgerond en vindt verrekening plaats met de ontwikkelkosten. Daarnaast heeft de gemeente Breda ingestemd met de evaluatie van de Zonnebank en zal de laatste tranche van de subsidie beschikbaar stellen. Als beide kwesties zijn afgerond zal het saldo van de Zonnebank rond de € 24.000 bedragen. pagina 14 Van SSONS2050 naar FRES-WB

beëindiging van de activiteiten van FRES-WB worden de resterende middelen naar rato ook weer teruggestort aan de gemeenten die hebben deelgenomen. 7 Een nieuw project, ook in dezelfde gemeente, ontvangt opnieuw 50% co-financiering van de betreffende gemeente tot het maximum wat door de gemeente is vastgesteld. Deze maximale inleg bedraagt minimaal € 12.500,-, maar kan ook hoger zijn bij de grotere gemeenten of bij gemeenten met veel kansrijke lokale initiatieven. Indien een projectinitiatief zich uitstrekt over meerdere gemeenten, dan wordt de gevraagde gemeentelijke bijdrage van 50% verdeeld over de betreffende gemeenten. De keuze om binnen het maximale budget wel of niet te investeren ligt bij FRES-WB. Het is niet mogelijk voor gemeenten om invloed uit te oefenen op de toe te passen criteria, nieuwe criteria aan te dragen e.d. bij de beslissing of wel of niet te investeren in een lokaal project. De criteria waarop FRES-WB beoordeelt en haar werkwijze zijn in dit rapport toegelicht. De inleg van de gemeenten kan op twee manieren plaatsvinden: 1. Door een inleg ineens, waarbij de middelen worden gereserveerd door FRES-WB tot het moment dat zich een project aandient. Mochten de middelen niet binnen 3 jaar worden aangesproken, dan heeft de gemeente het recht de inleg terug te vorderen; 2.

Door de middelen beschikbaar te stellen op verzoek van FRES-WB op het moment dat een kansrijk project zich in die gemeente aandient. De kosten voor het projectbureau zijn nog niet revolverend en worden gedekt uit de begroting van de RES-West Brabant (maximaal € 75.000,- per jaar).

Projecten met een standaard aanpak (laag risico profiel) FRES-WB zou aanvragen kunnen verwachten van gemiddeld € 10.000 - € 25.000 per project. Hierbij wordt uitgegaan van de SCE regeling als voorlopig belangrijkste focus voor de lokale initiatieven. Bij een inschatting van het benodigde risico-kapitaal voor FRES-WB is uitgegaan van de volgende feiten en ervaringen: ● De maximale omvang van een SCE project is 500 kWp; ● De huidige marktprijzen liggen rond € 0,75 / Wp; ● De totale investering per project ligt dus (bij maximum aanvraag) op € 375.000; ● Uitgaande van een ontwikkelbudget van 5% tot 10% van de investering (in de praktijk afhankelijk van situationele omstandigheden) zijn aanvragen voor het fonds van €18.750 tot €37.500 denkbaar8; ● Er mag verwacht worden dat deze bedragen lager worden als er meer ervaring en uitwisseling9 is opgebouwd;

7

De looptijd van FRES-WB wordt in eerste instantie ingezet op een periode van 3 jaar. Op basis van evaluatie wordt besloten om FRES-WB voort te zetten. 8 Ook als het project kleiner is van omvang, zullen toch basiskosten in de ontwikkeling moeten worden gemaakt. 9

De idee is om een soort van ‘leerkringen’ op te zetten voor de lokale initiatieven, waar kennis en expertise

wordt ontwikkeld op dit terrein. pagina 15 Van SSONS2050 naar FRES-WB

●

●

●

Het ontwikkelbudget moet, met behoud van een redelijk rendement voor de coöperatie, worden opgebracht door het project zelf, dit stelt ook een plafond aan wat qua ontwikkelkosten verantwoord is; Verder zal het in de praktijk zo zijn dat niet ieder project ‘van scratch’ vertrekt, m.a.w. dat lagere bedragen gevraagd worden. Ook is denkbaar dat specifieke taken toch door vrijwilligers worden uitgevoerd (bijvoorbeeld gerichte activiteiten rond ledenwerving); Naast de SCE zal een klein percentage ‘overige aanvragen’ binnen komen;

De opzet is om zo snel mogelijk ‘van wal’ te kunnen. En bij gebleken succes FRES-WB te laten groeien. Nadrukkelijk hier nog de opmerking dat is uitgegaan van de kleinere SCE projecten als op dit moment haalbaar en toepasbaar. Als zich toch een groter project zou aandienen (groot zonnepark b.v.), dan is de vraag om ontwikkelbudget uiteraard grotere. Van de vuistregel: 5 – 10% van de totale investeringskosten voor ontwikkeling geldt: hoe groter het project, des te lager procentueel het ontwikkelbudget. Uit de inventarisatie onder de regionaal bekende energiecoöperaties komt een behoefte naar voren van €70.000 aan ontwikkelbudget voor de hierboven beschreven projecten, met een wat geringere inschatting van ontwikkelkosten dan hierboven becijferd. In bijlage F is dat overzicht opgenomen. Deze gegevens zijn afgeleid van de Lokale Energie Monitor van HierOpgewekt 2021, Home | HIER opgewekt en een eigen inventarisatie onder de energiecooperaties in de regio. De aannamen van budgetten zijn gebaseerd op ervaringen binnen Zonnebank en SSONS en uitwisseling van kennis binnen het netwerk van energiecooperaties (b.v. via HierOpgewekt en Energiesamen). Van andere partijen (bijvoorbeeld VVE’s) zijn geen gegevens beschikbaar. Maar de SCE regeling is ook specifiek voor deze doelgroep ontwikkeld. Hier ligt dus wel degelijk potentie om op in te spelen.

In een optimistisch, maar reëel scenario stellen we ons voor dat in het eerste jaar 6 initiatiefnemers een aanvraag doen. In jaar 2 stellen we die ook op 6. De gevraagde investering stellen we hier op € 20.000 per project. Een voorzichtig, maar reëel startscenario voor deze kleinere projecten ziet er dan als volgt uit: Jaar 1: 6 * € 20.000 = Jaar 2: 6 * € 20.000 = TOTAAL:

€ 120.000 € 120.000 € 240.000

Projecten met hoger risicoprofiel en een maatwerkaanpak Bij deze projecten is vooralsnog onvoldoende duidelijk hoe hoog de ontwikkelkosten en de risico’s zullen zijn. Er wordt daarom uitgegaan van een maximale steun van € 25.000 per project (zie ook bijlage D: Spelregels FRES-WB – NCO projecten). Op basis van gesprekken in de regio en met Enexis wordt verwacht dat er in het eerste jaar 2 en in het tweede jaar 4 kansrijke aanvragen ingediend zullen worden: Jaar 1: 2 * € 25.000 = Jaar 2: 4 * € 25.000 = TOTAAL:

€ 50.000 € 100.000 € 150.000

pagina 16 Van SSONS2050 naar FRES-WB

Het moment van aflossing (terugstorten van het ontwikkelbudget aan FRES-WB) door de eerste projecten zal ‘ergens in jaar 2’ gaan plaatsvinden waardoor het fonds dus in de loop van jaar 2 revolverend wordt. Wanneer dat moment van terugbetaling plaatsvindt is lastig te voorspellen. De praktijk van de bestaande stichtingen laat zien dat een ‘normaal’ SCE project toch al gauw een jaar doorlooptijd heeft. Als alle FRES-WB-standaard projecten al vroeg in jaar 2 aflossen, kan daarmee de tranche voor jaar 2 al gedekt worden. Voor de FRES-WB-risicovolle projecten mag dat niet verwacht worden. Dat betekent dat het fonds over een budget van € 270.000 (€120.000 + € 150.000) zou moeten beschikken om de hele portefeuille die zich de eerste 2 jaar zou aandienen te kunnen financieren. Dat is haalbaar met de inzet van beide stichtingen en de deelname van gemeenten op het moment dat zich een project aandient.

8.

FRES-WB: organisatie

De organisatie van FRES-WB bestaat uit: ● Een projectbureau, waarin een coördinator verantwoordelijk is voor de profilering van de entiteit, de intake van aanvragen, het formaliseren van afspraken, het organiseren van de begeleiding en het doen van voorstellen aan het fondsbestuur om te investeren. ● Een poule van flexibel in te zetten deskundigen op verschillende terreinen die op basis van gerichte opdrachten op projecten gezet worden. Overigens is het goed denkbaar dat die deskundigheid voor een deel uit de lokale coöperaties zelf komt. ● Een bestuur, dat toezicht houdt op het management en besluiten neemt omtrent investeringen. ● Een raad van toezicht, die bewaakt en controleert hoe de entiteit functioneert en aanbevelingen kan doen t.a.v. ●

verbeteringen/aanpassingen. Een raad van advies, die gevraagd en ongevraagd ideeën en verbetersuggesties kan aandragen.

In bijlage C worden voor de verschillende posities binnen het fonds enkele profiel kenmerken geschetst. Voor FRES-WB worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: ● De initiatiefnemer is eigenaar van het project, ook in de fase van ontwikkeling; ● Er wordt gestreefd naar maximale flexibiliteit bij de ondersteuning10 om recht te doen aan lokale wensen en situationele omstandigheden; ● Het fonds dient revolverend te werken: bij succesvolle realisatie betaalt de initiatiefnemer de kosten voor de ontwikkeling terug, vermeerderd met een risico- en administratieopslag. 10

Flexibel in de mate van ondersteuning, maar standaard wat betreft de inhoud van ondersteuning. pagina 17

Van SSONS2050 naar FRES-WB

Deze uitgangspunten vormen de basis van de spelregels waaraan een aanvraag voor middelen uit het fonds dient te voldoen. Een gedetailleerde uitwerking van de spelregels waar een aanvraag voor financiering aan dient te voldoen en hoe het proces op hoofdlijnen wordt doorlopen van het fonds is opgenomen in bijlage D. De geformuleerde uitgangspunten en spelregels leiden tot een balans tussen: maximale vrijheid en mogelijkheid tot intern overleg bij de initiatiefnemer enerzijds én de mogelijkheid van het fonds om haar risico’s te beperken anderzijds. Het eigenaarschap van het project ligt van meet af aan bij de initiatiefnemer. Deze heeft uiteindelijk ook de lasten en lusten van exploitatie en dient dus in alle fasen het project te kunnen beoordelen op de gewenste rendementen en risico’s. De mate waarin ondersteuning wordt geboden, b.v. in welke fases, voor welke onderdelen en met inzet van medewerkers projectbureau of inzet lokale specialisten levert de mogelijkheid voor maatwerk.

De voorwaarden waaronder het fonds middelen ter beschikking kan stellen zijn: ● De initiatiefnemer moet passen binnen de taakafbakening, doelstellingen en geografische afbakening die zijn gesteld en omschreven in de statuten (waaronder het lokaal eigenaarschap van ten minste 50%); ● De initiatiefnemer moet een rechtspersoon zijn met als (mede)doelstelling: het (laten) realiseren en (laten) exploiteren van een duurzame energie-opwek installatie; ● De initiatiefnemer is bereid tot het aangaan van een overeenkomst waarin rechten en plichten over en weer zijn vastgelegd (de SamenwerkingsOvereenKomst); ● Het fonds stelt middelen fasegewijs beschikbaar en heeft het alleenrecht om te beslissen over de investeringen; ● Zowel fonds als initiatief kunnen, onder opgaaf van redenen, tussentijds besluiten om de samenwerking te beëindigen; ● De initiatiefnemer is verplicht een projectbegeleider vanuit het fonds actief te betrekken in de voortgang van het project. Het fonds kan ook de projectleider leveren, maar dat is uiteindelijk aan de initiatiefnemer; ● De initiatiefnemer en het fonds houden een registratie bij van gemaakte kosten.

9.

Potentie voor groei van FRES-WB

Het concept van een ontwikkelfonds wordt ondertussen op meerdere plaatsen opgepakt. Bij de totstandkoming van dit rapport is met verschillende partijen overleg geweest om dubbelingen te voorkomen en om synergie te onderzoeken. Dit kan mogelijk bijdragen aan verdere groeimogelijkheden voor FRES-WB

Rabobank De Rabobank Amerstreek heeft eerder geparticipeerd in de Stichting Support ONS 2050 met een eenmalige bijdrage van € 25.000. Met de centrale organisatie van de Rabobank zijn contacten gelegd. Vanuit Utrecht wordt gewerkt aan instrumenten om lokale energiecoöperaties te kunnen ondersteunen. Dit leidt o.a. tot het opzetten van een Platform instrumenten. In dit platform worden

pagina 18 Van SSONS2050 naar FRES-WB

documenten, werkwijzen, formats, etc. beschikbaar gesteld om lokale projectontwikkeling efficiënt te laten verlopen. Het platform richt zich dus specifiek op de fase die FRES-WB ook ondersteunt. De Rabobank werkt hier nauw samen met Energie Samen en met de provincie Utrecht, die al eerder vanuit dezelfde filosofie een provinciaal projectbureau heeft ingericht. Bij de verdere invulling van FRES-WB kan met name het Platform instrumenten van waarde zijn.

Landelijk ontwikkelfonds Vanuit dezelfde overwegingen die voor het West-Brabantse fonds worden gebruikt is lang gewerkt aan een landelijk fonds. Dat is vanaf begin 2021 ter beschikking gekomen en kan een bijdrage van 50% van de eigen inleg leveren. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden zijn onder andere: - Bijdragen aan de 50% participatie gedachte; - Een (onafhankelijk) projectbureau beslist over inzet middelen en menskracht; - Storting van eigen middelen op een rekening-courant bij het Groenfonds (fondsbeheerder); - Aanvraag door energiecoöperatie en beoordeling op landelijk niveau door ontwikkelfonds. Met het landelijk Ontwikkelfonds voor Energie coöperaties (hierna OvE) is een aantal gesprekken gevoerd. Aan de orde waren de overeenkomsten en verschillen tussen een regionaal fonds, zoals FRES-WB, en het landelijk fonds, en of op basis daarvan een samenwerking mogelijk is. Zoals eerder aangegeven kan het landelijk fonds de eigen inleg vanuit de regio (de gezamenlijke inleg van gemeenten en partners) met 50% vermeerderen. Meer informatie over de voorwaarden voor die bijdrage en de werkwijze van het fonds zijn te vinden op https://www.nationaalgroenfonds.nl/actueel/ontwikkelfonds-voor-energiecooperaties. Deze informatie en de eerder genoemde gesprekken hebben geleid tot discussies over een aantal kwesties, die in het overzicht in bijlage E worden beschreven.

Daarbij wordt het standpunt van het regionale fonds, zoals dat binnen deze rapportage is verwoord, het standpunt van het landelijk fonds en de uitkomst van onze discussies weergegeven. Voorstel is om met het landelijk Ontwikkelfonds in gesprek te blijven. Allereerst omdat er bereidheid is ook op regionaal niveau tot afspraken te komen. Een tweede argument is het kennisnetwerk dat ontstaat door samenwerking op landelijk niveau. Uiteindelijk zullen de lokale/regionale projecten hier ook hun voordeel mee kunnen doen. Zo wordt bijvoorbeeld ook op landelijk niveau de problematiek rond netwerkcongestie overal gevoeld. Met name hier zullen kansen ontstaan om tot een landelijke aanpak te komen. Het is goed op deze plek om aan te geven dat, in tegenstelling tot wat de informatie op de site van het OvE lijkt te suggereren, de voorwaarden en condities voor een bijdrage vanuit het OvE niet in beton gegoten zijn. Uit de gesprekken die het fonds voert met provincies en regio’s blijkt dat er vaak specifieke wensen zijn, waarvan sommige overeenkomen met die vanuit West-Brabant. In al die gevallen wordt met de aanvragende partij gezocht naar oplossingen, die veelal ook worden gevonden.

Waarbij wel gezocht wordt naar oplossingen die dan voor iedereen gelden, zodat er geen lappendeken van voorwaarden ontstaat; voorbeelden van vragen die op dit moment al leven: · Opslagpercentages omlaag, waarbij provincies of regio’s het risico dat het fonds niet 100% revolving blijft incalculeren; · Bundeling van kleine projecten om boven de € 20.000 minimum voorbereidingskosten te komen; pagina 19 Van SSONS2050 naar FRES-WB

·

Maximum bedragen voor zonneparken omhoog.

Provincie Met de provincie zijn enkele gesprekken gevoerd over de bijdrage in het FRES-WB fonds. Dat heeft niet geleid tot concrete toezeggingen. Ondertussen is, op initiatief van de samenwerkende energiecoöperaties in West-Brabant een gezamenlijk voorstel gedaan voor een provinciaal ontwikkelfonds op basis van het concept FRES-WB. Partijen hebben afgesproken om uiterlijk in Q3 van 2022 helderheid aan elkaar te verschaffen of dit mogelijk gaat worden. Mocht op die wijze een impuls gegeven worden aan onze regio, dan zullen de middelen worden toegevoegd aan het FRESWB fonds.

Overige partijen Daarnaast zijn er de afgelopen periode nog diverse pogingen gedaan om met andere partijen, die eerder hebben aangegeven dit traject interessant te vinden, verdere afspraken te maken. Dat heeft niet geleid tot directe concrete voornemens voor financiële bijdragen in het fonds. Wel zijn suggesties gedaan over: - Bijdragen in communicatie over het fonds (VNO/NCW); - Mogelijk beschikbaar stellen daken (woningbouwcorporaties).

10. Risicomanagement FRES-WB In hoofdstuk 5 en de bijbehorende bijlage A is beschreven langs welke stappen een project gefaciliteerd kan worden vanuit het fonds. Het risico voor het fonds is dat project ideeën uiteindelijk niet tot realisatie komen, waardoor het fonds uitgeput zal raken. Om deze risico’s te hanteren zijn de volgende waarborgen ingebouwd: ● Het project wordt bij aanvang beoordeeld op een aantal aspecten: zowel techniek, financiën, maar zeker ook de kwaliteiten van de initiatiefnemer. Er wordt vooraf een risicoanalyse gemaakt, partijen verplichten zich om die risico’s te managen in de loop van het traject; ● Met de initiatiefnemer worden vooraf afspraken gemaakt waarmee verwachtingen over en weer helder zijn; ● ● ●

●

●

Het projectbureau (coördinator + schil van experts) wordt bemenst door ervaren krachten; Het hele traject wordt vooraf begroot; na elke fase wordt bezien of de volgende fase nog volgens de oorspronkelijke begroting kan worden uitgevoerd; De fasegewijze werkwijze betekent dat voor elke fase opnieuw een besluit wordt genomen op basis van het zogenaamde fasedocument. Daarin staat een beknopt verslag van de afgelopen fase, de te ondernemen acties in de volgende fase, een risicoanalyse van die fase en een aanbeveling om wel/niet verder te gaan; De partijen (initiatiefnemer en projectbureau) zijn, onder opgave van redenen, bevoegd om tussentijds het project te beëindigen. Het staat de andere partijen dan vrij om alsnog te besluiten het project doorgang te laten vinden; Vanuit het projectbureau wordt zoveel mogelijk gewerkt met standaard documenten. Vermeden moet worden dat lokale partijen ‘het wiel helemaal opnieuw gaan uitvinden’. Dat is een van de ervaringen uit de eerder genoemde Zonnebanken in Breda en Rotterdam. Mochten partijen dat

pagina 20 Van SSONS2050 naar FRES-WB

willen, dan betekent dit aanzienlijk extra tijd. Het zal duidelijk worden gemaakt dat dit ten koste gaat van het projectresultaat en dus ten koste van het rendement voor de leden. Met bovenstaande maatregelen is een optimaal risicomanagement op de inzet van middelen te garanderen. Desondanks kan niet worden uitgesloten dat een project niet tot realisatie komt. De ervaring is dat belangrijke oorzaken daarvoor kunnen zijn: veranderingen in de wet- en regelgeving. Zowel direct betrekking hebbend op de projecten (bijvoorbeeld de recente veranderingen in de regeling ‘Postcoderoos’). Maar ook regelgeving op andere terreinen blijkt invloed te kunnen hebben. Recent bleek dat bijvoorbeeld bij de wijzigingen in de Wft11 (2019), waardoor notariskosten extreem stegen en de businesscases niet meer haalbaar waren. Niet voorziene externe omstandigheden, zoals op dit moment congestie op het netwerk, kunnen ook blokkades opwerpen voor realisatie. Op verschillende plaatsen wordt al met netbeheerders over oplossingen voor deze problematiek gesproken. Smart grids zouden hierbij een oplossing kunnen bieden, b.v. door direct gebruik achter een aansluiting (door b.v. kassen of koelinstallaties). Binnen door FRES-WB ondersteunde projecten zou het inzetten van smart grids en flexibiliteit meegenomen kunnen worden.

Daarnaast richt met name de SCE (en daarmee ook FRES-WB) zich op kleinere projecten tot 80 kW, die via kleinverbruikers-aansluitingen, waarvoor vooralsnog geen beperkingen mogen gelden, met het net verbonden kunnen worden. En uiteraard kunnen ook binnen het project onverwachte situaties optreden, vaak ook onder invloed van ontwikkelingen elders. Zo zijn een aantal ongevallen met ondeugdelijk aangelegde zonneprojecten in het land voor verzekeraars aanleiding geweest om de voorwaarden te verscherpen en premies te verhogen. Al met al wordt daarom een risico- en administratieopslag gehanteerd van (maximaal) 15%. ’Een hoger risico- en administratieopslag blijkt bij initiatiefnemers echter niet haalbaar. FRES-WB streeft naar professionele projectontwikkeling en het in stand houden van het revolverend fonds. Het risicomanagement vanuit die optiek wordt gerealiseerd door: ● Het fasegewijs investeren; ● Het werken met standaarddocumenten; ● Het actief deelnemen in de projectontwikkeling; ● Het zorgdragen voor een pool van (ervarings)deskundigen die gericht en effectief kunnen worden ingezet.

11. Juridisch kader & Governance FRES-WB ondersteunt initiatieven in de ontwikkeling naar de werkelijke realisatie van een zonneproject. Het fonds verstrekt daartoe leningen aan initiatieven om de 4 fases die worden onderscheiden (geheel of gedeeltelijk) te financieren. Bij een negatieve uitkomst wordt de lening kwijtgescholden. Het fonds verstrekt dus leningen met een hoog risico. Daarbij beweegt FRES-WB zich op de financiele markt. Omdat het fonds zich richt op coöperatieve initiatieven zal zij rekening moeten houden met / op de hoogte moeten zijn van de regels die gelden voor opwek van duurzame energie in het algemeen en

11

Wet op het financieel toezicht. pagina 21

Van SSONS2050 naar FRES-WB

opwek van duurzame energie door coöperaties in het bijzonder. Dit is met name van belang omdat deze mede de risico’s voor de te ondersteunen initiatieven en daarmee voor het fonds bepalen. Vooralsnog wordt ervan uit gegaan dat de meeste projecten gerealiseerd zullen worden met steun van een SCE of SDE++ subsidie. Deze regelingen stellen een aantal eisen ten aanzien van de organisatiestructuur bij de initiatiefnemer en aan de beschikbaarheid van documenten. De belangrijkste zijn: SCE: ● ● ● ● ●

De initiatiefnemer dient een coöperatie of VvE te zijn; Het piekvermogen van het project mag (vooralsnog) niet groter zijn dan 500 kWp; De leden dienen allen met een kleinverbruikersaansluiting met het net verbonden te zijn; Het gemiddelde piekvermogen per lid mag niet hoger zijn dan 5 kwP ; Bij de aanvraag dient een globaal businessplan en een intentieverklaring opstalrecht meegeleverd te worden.

SDE++: ● Het piekvermogen van het project moet groter zijn dan 15 kWp; ● De installatie dient via een grootverbruikersaansluiting met het net verbonden te zijn; ● Bij de aanvraag dient een businessplan en waar van toepassing een intentieverklaring opstalrecht meegeleverd te worden.

Juridische vereisten FRES-WB (w.o. AFM-regels) a)

b)

AFM – voor het verstrekken van kredieten aan consumenten is een vergunning van de AFM nodig. Aangezien het fonds financiering verstrekt aan een juridische entiteit hoeft zij niet over een vergunning te beschikken. Wel is het van belang dat de indiener van een aanvraag bij het fonds dus een rechtspersoon en niet een natuurlijke persoon is. Het fonds dient beheerd te worden door een onafhankelijke partij. Daarbij is gekozen voor een stichting. Belangrijke redenen waarom gekozen is voor een stichting zijn: ● Geen winstoogmerk; ● Vastgelegde bestedingsdoelen.

Bestuurlijke structuur ● ● ● ●

Het projectbureau huurt uit een poel van experts mankracht in voor de ondersteuning van de projecten; Het bestuur ziet toe op functioneren van het projectbureau en besluit over toewijzing ontwikkelbudgetten op voordracht projectbureau; Raad van toezicht, die jaarlijks controleert of de stichting zich houdt aan de doelstellingen; Raad van advies. De raad adviseert gevraagd en ongevraagd over de werkwijze, doet suggesties voor verbetering en promoot FRES-WB.

Minimale vereisten t.a.v. de statuten: In de statuten dienen minimaal de volgende zaken vastgelegd te zijn: ● Doelstelling: het financieren van ontwikkel of andere voorbereidende kosten voor samenwerkingsinitiatieven ter ondersteuning van de energietransitie; ● Bestuurlijke structuur (zie hierboven); ● Samenstelling bestuur en raden: ○ Bestuur: minimaal 3 leden: pagina 22 Van SSONS2050 naar FRES-WB

● ●

○ Raad van toezicht: minimaal 3 leden; ○ Raad van advies: minimaal 1 lid. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het bestuur en gedelegeerde bevoegdheden verantwoordelijkheden van het projectbureau; Zittingstermijn van de leden van de verschillende delen van de organisatie: ○ Bestuur: 4 jaar, maximaal 1 x verlengbaar, niet gelijktijdig wisselend; ○ Raad van toezicht: 4 jaar, maximaal 1 x verlengbaar, niet gelijktijdig wisselend; ○ Raad van advies: geen eisen.

Evaluatie Vanuit het projectbureau wordt jaarlijks wordt een overzicht gegeven van de eventuele groei van het fonds met extra partners, de uitgaven, verwachte terugvloeiing van middelen en planuitval. Op basis daarvan kan het fondsbestuur indien nodig besluiten tot aanpassing van het risicomanagement ter behoud van het revolverende karakter. Bij voldoende groei van het fonds kunnen kosten van het projectbureau gedekt gaan worden vanuit de risico opslag. Er wordt een verslag uitgebracht aan alle partijen die middelen hebben ingebracht in het fonds. Uiterlijk na 3 jaar vanaf de oprichting van FRES wordt door het fondsbestuur besloten over het vervolg. Er zijn dan verschillende keuzes mogelijk: ● Voortzetting van het fonds met de tot dan toe bereikte omvang, zonder extra inleg van partijen; ● Verdere groei van het fonds met extra inleg vanuit diverse partijen; ● Overheveling van het fonds naar een andere entiteit met vergelijkbare doelstellingen; ● Opheffing van het fonds, waarna de middelen naar rato terugvloeien naar de partijen die middelen hebben ingelegd. Hiertoe wordt besloten indien het revolverend karakter van het fonds niet haalbaar blijkt, of wanneer de ondersteuning van initiatieven door het fonds niet meer nodig blijkt te zijn (terugloop in projectaanvragen en/of andere alternatieven).

Deze besluitvorming wordt gebaseerd op de ontwikkeling van het lokaal eigenaarschap in de regio, de verwachte lokale initiatieven/verzoeken, de ontwikkeling van transport schaarste op het elektriciteitsnet, de ontwikkeling van andere fondsen en de ontwikkeling van het eigen fondskapitaal en de bereidheid van partijen (privaat of publiek) tot extra inleg in het fonds.

Contracten tussen de verschillende betrokken partijen FRES-WB zal samen gaan werken met verschillende partijen, Met elk van deze partijen zullen afspraken gemaakt moeten worden. Het uitgangspunt van FRES-WB is dat voor de verschillende samenwerkingsvormen, waar mogelijk, standaardcontracten gebruikt worden. De detailuitwerking van deze contracten zal, in overleg met de partners plaatsvinden. De belangrijkste samenwerkingsverbanden en de zaken die binnen contracten of afspraken geregeld dienen te worden zijn: FRES-WB - Deelnemende gemeenten: ● Het financieren van 50% van de kosten voor de ontwikkelfase van duurzame energie initiatieven binnen de gemeente; ● Communicatie vanuit het projectbureau en door de gemeenten naar energieclubs en andere potentiële initiatiefnemers van duurzame energieprojecten binnen hun gemeentegrenzen.

pagina 23 Van SSONS2050 naar FRES-WB

FRES-WB - commerciële financiers: ● Financiering van FRES-WB door de commerciële partijen (spelregels en voorwaarden); ● Het aanbrengen van potentiële initiatiefnemers en initiatieven vanuit de eigen klantenkring door de commerciële partijen; FRES-WB – projectbureau: ● Aandragen van projecten en bijbehorende voorfinancieringsvoorstellen door het projectbureau aan bestuur FRES-WB; ● Zo efficiënt en effectief mogelijk uitzetten van de middelen van het fonds: goede risicoinschatting, minimalisering van verlies, effectieve PR. FRES-WB - initiatieven: ● Op voorspraak van het projectbureau financieren van de ontwikkelfase van duurzame energie initiatieven (standaardaanpak – laag risico). ● Op voorspraak van het projectbureau (deel)financiering van de ontwikkelfase van projecten die bijdragen aan het vermijden/oplossen van congestievraagstukken of andere maatwerkaanpakken met hoger risico. Projectbureau - initiatieven: ● Afstemming budget en de fasering op basis van voorstel van het projectbureau en de voorgestelde expert; ● Afstemming over voortgang project en waar van toepassing eventuele tussentijdse aanpassing of stopzetting.

pagina 24 Van SSONS2050 naar FRES-WB

12. BIJLAGEN Bijlage A – Het fonds & fasegewijze financiering van projecten Het ontwikkelproces Het fonds onderscheidt de volgende fases in het ontwikkelen, bouwen en exploiteren van een duurzaam opwekproject op participatieve basis: Fase 1: Quick Scan Fase 2: Businesscase Fase 3: Participatie en Financiering Fase 4: Realisatie Fase 5: Exploitatie Het fonds richt zich specifiek op de eerste 3 fases en, afhankelijk van (on)mogelijkheden van het lokale initiatief ook op begeleiding bij de realisatie Toelichting fases Als een initiatiefnemer een beroep doet op het fonds wordt gestart met een Quick Scan, waarin partijen kennis maken, het fonds haar werkwijze en spelregels toelicht en partijen het project bespreken aan de hand van criteria van het fonds. De criteria hebben betrekking op zaken als: -

De techniek: gekozen opwektechniek, constructies, aansluitingen e.d.; De organisatie: motivatie en professionaliteit om installatie te exploiteren; Financiering: welke ideeën leven er over financiering? Toetsing aan doelstellingen van het fonds.

Op basis van de Quick scan wordt een begroting opgesteld van te verwachten kosten, een voorstel gedaan voor de projectorganisatie en een inschatting gemaakt van doorlooptijd. De initiatiefnemers maken duidelijk welke wensen en eisen zij stellen aan exploitatie van het project (e.g. rendement, risico’s, samenwerking met specifieke partijen e.d.). Maar ook is de vraag aan de orde: wie doet wat? Ofwel: welke ondersteuning is nodig vanuit het fonds en wat doet de initiatiefnemer zelf. Als partijen op basis daarvan wensen samen te werken wordt een Samenwerkingsovereenkomst (SOK) opgesteld. Dit is het eindproduct van deze fase. Als partijen tot een SOK zijn gekomen wordt in de volgende fase gewerkt aan de Businesscase; het financiële hart van het project. Er vindt verdere technische verkenning plaats, offertes worden aangevraagd, met het netwerkbedrijf worden zaken rondom de aansluiting uitgezocht. Het recht van opstal voor zover nodig wordt besproken; er wordt nagegaan of er verdere juridische kwesties spelen die moeten worden opgelost (denk aan bodemonderzoek). Voor zover nodig vinden eerste gesprekken plaats met financiers. Het eindproduct van deze fase is een businesscase, waarin een financieel overzicht wordt gegeven van eenmalige kosten en exploitatiekosten, een rendementsberekening en een financiële projectie worden gegeven over de looptijd van het project.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11676422/1