CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017 - ontwerp niet vaststellen

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente AltenaBij agendapunt: Besluit over vaststelling bestemmingsplan De Bronkhorst - Andel: Bronkhorstlaantje20.229 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017 Toelichting

Documenttitel: Bestemmingsplan Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017 Toelichting Status: ontwerp Datum: 9 oktober 2018 Projectnaam: Bronkhorst I Projectnummer: 9X5604 Opdrachtgever: Gemeente Woudrichem Referentie: Auteur(s): Luitzen Jager, Jan-Willem Geuke Collegiale toets: Jan-Willem Geuke Datum/paraaf toets: Vrijgegeven door: Jan-Willem Geuke Datum/paraaf vrijgave:

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

Inhoudsopgave Toelichting

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding

7

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

7 7 8 8 8

Achtergrond van het plan Ligging en begrenzing plangebied Bij het plan behorende stukken Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

9

2.1 2.2 2.3

9 9 10

Historie Ruimtelijke structuur Functionele inrichting

Hoofdstuk 3 Beleidskader

11

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 11 13 14

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

17

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

19

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.9.1 5.9.2 5.9.3 5.9.4 5.9.5 5.10 5.11

19 19 20 21 22 23 25 26 29 29 29 30 30 31 31 32

Verkeer Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Geluid Geurhinder Externe veiligheid Bodem Water Ecologie Wettelijk kader Natura 2000 en EHS Quickscan Flora en Fauna Vervolgonderzoek Conclusie Archeologie Kabels en leidingen

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

33

6.1 6.2 6.3

33 33 35

Algemeen Artikelsgewijze toelichting Handhaving

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

37

7.1 7.2

37 37

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bijlagen

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

2

Bijlage 1

Visie ruimtelijke inpassing

Bijlage 2

Beleidsmatige inpassing

Bijlage 3

Verkennend (water)bodemonderzoek

Bijlage 4

Aanvullend asbestonderzoek

Bijlage 5

Ecologisch onderzoek

Bijlage 6

Protocollair ecologisch onderzoek

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

3

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

4

Toelichting

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

5

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

6

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Achtergrond van het plan

Aanleiding De aanleiding van dit plan is een stedenbouwkundige visie die voor de Bronkhorstlaan is opgesteld. Op basis van deze visie wil de gemeente de planologische mogelijkheid bieden om aan de Bronkhorstlaan enkele woonpercelen toe te voegen, alsmede een open watergang te realiseren (in plaats van de huidige duikers, die soms nog onder woningen doorlopen). Beide ontwikkelingen leiden tot een ruimtelijk-functionele versterking van de Bronkhorstlaan zelf, versterking van de overgang van kern naar landelijk gebied en verbetering van de waterhuishoudkundige situatie. Wijze van ontwikkeling Uitgangspunt is dat de grondeigenaren zelf het vastgoed realiseren en dat zij aan de gemeente de wettelijk te verhalen kosten betalen. De voorkeur gaat uit naar het verkrijgen van deze kosten middels een anterieure overeenkomst. Mocht dat niet lukken dan worden deze kosten middels een op te stellen exploitatieplan verhaald. Stedenbouwkundige visie Het voorliggende bestemmingsplan is in belangrijke mate gebaseerd op de hiervoor genoemde stedenbouwkundige visie Bronkhorstlaan en dient in samenhang met de genoemde structuurvisie te worden gelezen.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in het zuidwestelijke deel van de kern Andel in de gemeente Woudrichem. Het plangebied wordt globaal begrensd door de percelen ten noorden en ten zuiden van de Bronkhorstlaan. In figuur 1.1 is de ligging van het bestemmingsplangebied globaal aangegeven.

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

7

1.3

Bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017 van de gemeente Woudrichem bestaat uit de volgende stukken: de regels, waarin de doeleinden van de bestemmingen zijn omschreven en bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van het bouwen en het gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden; de geometrische plaatsbepaling van het plangebied (verbeelding) en de daarin aangegeven bestemmingen en overige aanduidingen; de toelichting, waarin de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende overwegingen zijn weergegeven; bijlagen bij zowel de toelichting als de regels.

1.4

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse geldt het "Bestemmingsplan Buitengebied 1997" (vastgesteld 3-12-1997, goedgekeurd 7-7-1998). Dit bestemmingsplan staat enkele beoogde ontwikkelingen (woningbouw, waterlopen) niet toe. Voor de meeste (voor wonen of water) te ontwikkelen gronden geldt op dit moment een agrarische bestemming. Om die reden is het noodzakelijk dat de genoemde bestemmingsplannen, voor zover het dit plangebied betreft, worden herzien.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een overzicht gegeven van het voor dit plan relevante beleid van het rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Woudrichem. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de doelstelling en uitgangspunten. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 6 wordt de juridische opzet beschreven waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in hoofdstuk 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van de inspraak en overleg.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

8

Hoofdstuk 2

2.1

Huidige situatie

Historie

De kern Andel ligt in het zuidoosten van de gemeente Woudrichem en wordt in grote lijnen begrensd door de Afgedamde Maas in het noorden en de Parallelweg / Middenweg in het zuiden. Andel is ontstaan langs meerdere bebouwingslinten (evenwijdig) aan de rivierdijk. Deze bebouwingslinten vormen, samen met de daartussen gelegen dwarsverbindingen, de oorspronkelijke kern. Na verloop van tijd is het dorp verdicht en uitgebreid, waardoor intensievere woningbouw in het dorp is gerealiseerd. In de omgeving van Andel liggen agrarische gronden, waaronder in het zuidoosten ook glastuinbouwgebieden. Een fragment van een oorspronkelijk lint is ook tegenwoordig nog zichtbaar in het landschap, namelijk het bebouwingslint Bronkhorstlaan. Dit lint vormt een kenmerkend, fragiel geheel met zeer ondiepe, brede kavels. De kern Andel ligt op de stroomrug van de afgedamde Maas. De komgronden zijn in gebruik (geweest) als agrarisch gebied. Het plangebied ligt in de overgangszone van stroomrug naar lager gelegen kommen.

2.2

Ruimtelijke structuur

De ruimtelijke opbouw van het omliggende gebied wordt bepaald door woningbouw en agrarische gronden. Ten noorden van het plangebied ligt de nieuwbouwwijk Bronkhorst 1. Ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Neer-Andelseweg staan eveneens vrijstaande woningen. Iets ten zuiden hiervan bevindt zich een begraafplaats. Aan de zuidkant van het plangebied ligt agrarisch gebied. Ook aan de westzijde van het plangebied liggen agrarische gronden, alsmede een klein agrarisch bedrijf (rundveehouderij) aan het einde van het bebouwingslint.

Figuur 2.1 Ruimtelijke structuur plangebied

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

9

2.3

Functionele inrichting

Het Bronkhorstlaantje bestaat uit een laan met aan weerszijden woonpercelen met vrijstaande woningen en met bijbehorende tuinen en bouwwerken.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

10

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De SVIR is de Structuurvisie van het Rijk op het gebied van Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit. Als belangrijkste doelen voor de periode tot 2028 vermeldt de SVIR: verbetering concurrentiekracht; verbetering bereikbaarheid; verbetering leefomgeving, milieu en water. De Rijksoverheid wil de concurrentiekracht van Nederland onder meer vergroten door een aantrekkelijk vestigingsbeleid voor buitenlandse bedrijven. Hiervoor moeten genoeg woningen, bedrijventerreinen en kantoren beschikbaar zijn. De ontwikkeling van Bronkhorstlaantje 1 te Andel draagt aan dit beleid bij. Conform het systeem van de Wro heeft het SVIR geen directe doorwerking naar lagere overheden. Dat laatste wordt geregeld via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en daarnaast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een toets van dit plan aan genoemde besluiten volgt direct hierna. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De doorwerking van het ruimtelijk beleid van de SVIR wordt geregeld met een algemene maatregel van bestuur (AMvB): het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid staat een overzicht van de nationale ruimtelijke belangen in de vigerende PKB’s. Ook is aangegeven waarvoor de bevoegdheid voor het stellen van regels per AMvB wordt ingezet.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Bro. Het besluit bevat bepalingen over de inrichting en de beschikbaarstelling van bestemmingsplannen. Daarnaast bevat het besluit onder andere bepalingen over de vormgeving, inhoud en motivering van ruimtelijke plannen, de watertoets, overgangsrecht voor bestaande gebouwen, bouwwerken of bestaand gebruik, het afhandelen van planschadeverzoeken alsmede bepalingen over het exploitatieplan en subsidieregelingen. Indien en voor zover deze bepalingen mede relevant zijn voor dit bestemmingsplan wordt hieraan voldaan. Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.16, lid 2 Bro) In artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening is de ladder voor duurzame verstedelijking vastgelegd. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een zorgvuldige afweging en besluitvorming indien een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In dit plan betreft het de toevoeging van slechts enkele woningen. Op grond van vaste jurisprudentie hoeft de ladder dan niet doorlopen te worden. Conclusie rijksbeleid Het rijksbeleid stelt geen rechtstreekse eisen aan het onderhavige bestemmingsplan. Indien en voor zover relevant werkt het rijksbeleid uit de SVIR en het Barro door in provinciaal beleid (zie paragraaf 3.2).

Dit geldt ook voor ander, facetmatig rijksbeleid, zoals bijvoorbeeld het Nationaal Waterplan.

3.2

Provinciaal beleid

Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

11

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

Afbeelding 3.1 Uitsnede Structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Het plangebied is aangeduid als 'Kernen in het landelijk gebied' waarvoor het volgende beleid is geformuleerd. In de kernen in het landelijk gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen. Het stedelijk gebied 'aan de randen' van de provincie, krijgt te maken met een afnemende groei van de woningbehoefte en op termijn zelfs (een beperkte mate van) krimp. Deze afnemende woningbehoefte biedt kansen voor verbetering van de kwaliteit, door gerichte ingrepen als verdunning en vergroening. Het is daarbij wel belangrijk om concurrentie tussen gemeenten en regio's, overproductie en leegstand te voorkomen. Het belang van regionale afspraken neemt daardoor toe. In overleg met de gemeenten worden de regionale verbanden voor wonen en werken bepaald. Die passen in ieder geval binnen de vier regio's die de provincie in Deel A. paragraaf 4.2 onderscheidt en kunnen verschillend van omvang zijn voor de thema's wonen, werken en voorzieningen. Bij het zoeken naar ruimte voor nieuwe verstedelijking is zorgvuldig ruimtegebruik voorwaarde.

Verordening ruimte De Verordening ruimte is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te bereiken. In de verordening heeft de provincie de kaderstellende elementen uit de Structuurvisie en ander provinciaal beleid vertaald in regels die van toepassing zijn op (de inhoud van) bestemmingsplannen. De verordening is een juridisch bindend instrument. Niet alle onderwerpen lenen zich voor opname in de verordening; daarom heeft de provincie op basis van de provinciale belangen een selectie gemaakt van geschikte onderwerpen. In het algemeen zijn dit onderwerpen met een zwaarwegend provinciaal belang en heldere criteria. Deze onderwerpen in de Verordening ruimte zijn: ruimtelijke kwaliteit; stedelijke ontwikkelingen; natuurgebieden en andere gebieden met waarden; agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij; overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

12

Het plangebied is grotendeels gelegen in bestaand stedelijk gebied - kernen in landelijk gebied. Voor deze kernen geldt in het algemeen de regel dat zoveel woningen gebouwd mogen worden als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei, dat wil zeggen de groei die optreedt als het saldo van alle verhuisbewegingen op nul wordt gesteld (migratiesaldo-nul). Ook kunnen deze kernen plaats bieden aan kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid. In en rondom de kernen in het landelijk gebied staat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal. Dit betekent dat het accent op inbreiden, herstructureren en intensief en meervoudig ruimtegebruik ligt. Herbegrenzing Verordening ruimte De beoogde locatie van enkele nieuwe woningen ligt echter net buiten aanduiding bestaand stedelijk gebied (bruin) en deels buiten aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, kern in landelijk gebied (ruitarcering). Daarmee voldoet het plan niet aan art. 4.2 van de Verordening ruimte: Een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling is uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

Afbeelding 3.2 Uitsnede kaart stedelijke ontwikkeling Verordening ruimte De gemeente Woudrichem komt, na zorgvuldige afweging van belangen, tot de conclusie dat een uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied aanvaardbaar is. Het resultaat van deze overweging is beschreven en verbeeld in Bijlage 2 Beleidsmatige inpassing van deze toelichting. De formele procedure voor herbegrenzing Verordening ruimte wordt doorlopen. De provincie Noord-Brabant is van het voornemen op de hoogte gesteld tijdens regulier overleg. Het verzoek tot herbegrenzing van de Verordening ruimte wordt gedaan en gelijktijdig met ontwerpplan ter inzage gelegd. Conclusie provinciaal beleid Volgens de regels wordt herbegrenzing van de Verordening ruimte aangevraagd. Deze toelichting geeft de motivering voor deze herbegrenzing. Het verzoek tot herbegrenzing wordt gedaan en gelijktijdig met ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Hiermee is het plan in overeenstemming met het bestaande provinciale beleid.

3.3

Regionaal beleid

Regionale Woonvisie Land van Heusden en Altena In december 2015 is door de gemeenten Woudrichem, Aalburg en Werkendam de Regionale woonvisie Land van Heusden en Altena vastgesteld. De regionale woonvisie dient als basis voor een regionale woonagenda en prestatieafspraken voor de periode 2016-2019. Het doel van de woonvisie is het realiseren van een woonklimaat dat past bij de woon- en leefambities van alle (toekomstige) bewoners van het land van Heusden en Altena. In de woonvisie is aangegeven dat de samenleving verandert en daarmee ook de behoeften van de

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

13

wijzigende bevolking. Er komen veel meer 1- en 2-persoonshuishoudens en veel meer ouderen. Dit zal leiden tot een vraag op de woningmarkt naar kleinere woningen, huurwoningen boven de liberalisatiegrens en ook goedkopere woningen. Ook voor huishoudens met een hogere koopkracht willen de gemeenten in het Land van Heusden en Altena een hoogwaardig woon- en leefklimaat bieden. Door zowel het verbeteren van de bestaande woningvoorraad en door nieuwbouw kan ervoor gezorgd worden dat er doorstroming op de markt ontstaat en dat de voorraad goed op de vraag aansluit. Daarbij wordt een andere manier van sturing ingezet. De gemeenten zullen minder zelf bepalen wat waar precies moet komen, maar zullen ontwikkelingen meer aan de markt overlaten. Borging van het beleid vindt plaats door periodiek overleg in een brede woontafel van het Land van Heusden en Altena en halfjaarlijks bestuurlijk overleg met gemeenten en corporaties. Verder worden de resultaten van het beleid bijgehouden, waarop bijsturing kan plaatsvinden. De woonvisie zal tweejaarlijks worden herijkt, inspelend op de dynamiek in het brede woondomein. Conclusie regionaal beleid Het plan draagt bij en biedt kansen aan verwezenlijking van het bovenstaande woningbouwbeleid, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Er geldt geen ander relevante regionaal beleid. Uit oogpunt van het regionaal beleid is het plan aanvaardbaar.

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie 2013 In de 'Structuurvisie Land van Heusden en Altena' leggen de gemeentebesturen van de gemeenten Aalburg, Werkendam en Woudrichem de hoofdlijnen vast van het door hen gewenste ruimtelijke beleid richting het jaar 2025. De gemeenten willen goede initiatieven ondersteunen, stimuleren of opstarten. In de structuurvisie worden de gemaakte keuzen gemotiveerd, beschreven en verbeeld.

Afbeelding 3.3 Uitsnede totaalkaart structuurvisie Op de structuurvisiekaart is het grootste deel van het plangebied aangeduid als stedelijk gebied (grijs). Het overige deel van het plangebied is aangeduid als gemengde plattelandseconomie (groen). Het stedelijk gebied in de gemeenten wordt gekenmerkt door de dorpen en de bedrijventerreinen. Het behouden en beschermen van de kernspecifieke kwaliteiten en eigenheden van de dorpen vormt de basis van het beleid. De gebruikskwaliteiten van de verschillende kernen staan daarbij voorop. In de verschillende bestemmingsplannen van de kernen wordt beschreven wat de kernspecifieke kwaliteiten zijn. Het behoud van de kwaliteiten kan daarbij niet los worden gezien van hun setting van het omringend landelijk gebied.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

14

De eigenheid van de dorpen wordt gedragen door de mate waarin de historische basis, gerelateerd aan de specifieke locatie van de kern, zijn functionele achtergrond en de ontwikkelingsdynamiek herkenbaar en beleefbaar zijn. Om de eigenheden en kwaliteiten te behouden moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen daar nadrukkelijk rekening mee houden. Binnen die gebieden die ruimtelijk de drager zijn van deze kwaliteiten voeren de gemeenten een daarop toegespitst ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Vanuit de eigen verantwoordelijkheid zal de regio bij de ontwikkeling en exploitatie van gebiedsontwikkelingen nadrukkelijk de kwalitatieve context betrekken. Het beleid voor goed wonen en leven is uitgewerkt in vier vormen van beleid: Een woningvoorraad geschikt voor specifieke doelgroepen. Invulling geven aan de prestatieafspraken. Woningbouwinitiatieven moeten bijdragen aan de woonkwaliteit. Verval van de woningvoorraad en woonomgeving voorkomen. Voldoende passende woonruimte Actuele bevolkingskrimp is in de regio niet aan de orde. Meerjarenprognoses laten groei noch krimp zien voor de regio. Wel zal een verschuiving in leeftijdscategorie (afnemend aantal jongeren, toenemend aandeel ouderen) optreden. Dat vraagt om een andere benadering van de woningmarkt. De hoeveelheid één- en tweepersoons huishoudens neemt toe.

Waarbij het erop aankomt deze doelgroep voldoende passende woonruimte te bieden, al dan niet in combinatie met (extramurale) zorg. Gelet op deze ontwikkelingen wordt de prioriteit gelegd bij: Woningen en woonomgevingen die het voor jongere huishoudens aantrekkelijk maken in het Land van Heusden en Altena of in hun eigen kern te blijven wonen; Woningen die mensen in staat stellen om ook in hun latere levensfase zo lang mogelijk te blijven wonen in een voor hun ook sociaal passende woonomgeving. In figuur 3.4 is het plangebied grotendeels aangeduid als woongebied (oranje).

Afbeelding 3.4 Uitsnede totaalkaart wonen Met inachtneming van de instemming van de provincie met het besluit tot herbegrenzing van de Verordening ruimte kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017 in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie 2013. Het verzoek tot herbegrenzing van de Verordening ruimte wordt gedaan en gelijktijdig met ontwerpplan ter inzage gelegd. Landschapsbeleidsplan Land van Heusden & Altena In oktober 2008 heeft de gemeente het Landschapsbeleidsplan Land van Heusden & Altena vastgesteld. Dit beleidsplan is opgesteld na besluit van de gemeenten Werkendam, Aalburg en Woudrichem.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

15

Het landschapsbeleidsplan kan dienen voor: 1. de projecten die uitgevoerd worden in het Kader van de Samenwerking Vitaal Altena; 2. de gezamenlijke realisatie door waterschap en gemeente van ecologische verbindingszones; 3. het toetsen van initiatieven van derden die een impact hebben op het buitengebied; 4. de uitwerking van een uitvoeringsprogramma voor het Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant; 5. de uitwerking van gemeentelijke plannen voor de aanleg en het beheer van wegbeplantingen. De uitvoering van het landschapsbeleidsplan bestaat uit het handhaven van de huidige kwaliteiten door een adequate planologische bescherming in een bestemmingsplan buitengebied en een goed handhavingsbeleid. Verder wordt een actief gemeentelijk beleid gewenst waarbij de gemeenten een initiërende, coördinerende, ondersteunende en stimulerende taak vervullen. Woudrichem: Poort naar een duurzame toekomst In 2011 heeft de gemeente Woudrichem een duurzaamheidsnotitie opgesteld. De komende jaren wil Woudrichem ferme stappen zetten in het kader van duurzaamheid. Haar ambitieniveau heeft ze als volgt geformuleerd: Wij willen zo veel mogelijk duurzaam handelen en dragen het belang hiervan uit. We scheppen zo goed mogelijk voorwaarden om duurzaam te wonen en te werken. We stimuleren het gebruik van duurzame energiebronnen, maar bovenal het duurzaam bouwen.

We faciliteren de komst van een biomassacentrale en steunen de ontwikkeling van windmolens in de drie clustergebieden die zijn aangewezen in West-Brabant, of op zee. We ondernemen actie om biodiversiteit binnen onze gemeente te verbeteren en ondersteunen particuliere initiatieven op dit terrein. Binnen het college is het gestelde in het coalitieprogramma nader aangeduid met: De gemeente faciliteert en stimuleert groen en duurzaam ontwikkelen en wil daarin een voorbeeld voor anderen zijn. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van lokale ondernemers en lokale bronnen. Duurzaamheid staat vast op de agenda bij het maken van prestatieafspraken met woningcorporaties en projectontwikkelaars. De gemeente intensiveert haar samenwerking op dit gebied ook met andere partners, zoals de ZLTO, Brabants Landschap en Altenatuur. Conclusie gemeentelijk beleid De beoogde ontwikkeling past binnen de beleidsmatige uitgangspunten en randvoorwaarden van de gemeente Woudrichem, op het gebied van de ruimtelijke inrichting en het wonen, zoals dat is neergelegd in de structuurvisie 2013. Het plan biedt voorts kansen om concrete invulling te geven aan ambities op het gebied van duurzaamheid, groen en spelen. Gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpplan wordt de ontwerpaanvraag tot herbegrenzing van de Verordening ruimte bij de provincie Noord-Brabant ter inzage gelegd.

Voor het gemeentelijk beleid op het gebied van riolering en water en het waterschapsbeleid op het gebied van de waterhuishouding wordt verwezen naar paragraaf 5.8 Water.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

16

Hoofdstuk 4

Planbeschrijving

Stedenbouwkundige visie De stedenbouwkundige visie (zie Bijlage 1 Visie ruimtelijke inpassing) vormt de basis voor de ruimtelijke inrichting van het plangebied. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de uitgangspunten zijn voor het plangebied, hoe de Bronkhorstlaan (verder) zal worden ingericht en hoe wordt omgaan met woningbouw, groen en water. Dit bestemmingsplan betreft grotendeels de consolidering van de bestaande ruimtelijk-functionele structuur van het Bronkhorstlaantje en de daaraan gelegen percelen. Op enkele plekken verdraagt de ruimtelijk structuur enige verdichting door toevoeging van een viertal nieuwe woonpercelen. Door middel van de hiervoor genoemde visie is geanalyseerd welke mate en vorm van verdichting passend.

Figuur 4.1 Stedenbouwkundige visie voor inpassing nieuwe woningen en waterstructuur In deze stedenbouwkundige visie is de lagenbenadering, zoals vereist op grond van de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant, verdisconteerd. Op dit punt moet met name worden ingegaan op de tweede en derde laag. Aan de orde is de ligging van de Bronkhorst(laan) in het open landschap, het historische tracé waarvan de laan deel heeft uitgemaakt, het karakteristieke verkavelings- en bebouwingspatroon. In de visie worden de nieuwe woningen conform de bestaande structuur ingepast, evenals de waterlopen (strak om de percelen, in plaats van een rechte waterloop op enige afstand - die structuur werkt namelijk een 'rijverkaveling' in de hand en dat verhoudt zich niet met de huidige structuur (met inherente kwaliteit en identiteit) van het Bronkhorstlaantje. Op één punt wijkt het bestemmingsplan Bronkhorstlaantje af van de stedenbouwkundige visie. Het gaat hier om de maximale inhoud van de twee woningen op de twee grotere bouwlocaties die niet direct aan het laantje zijn gesitueerd. Stedenbouwkundig gezien zijn deze woningen vanwege hun ligging minder beeldbepalend voor het Bronkhorstlaantje. Voorliggend bestemmingsplan maakt een maximaal bebouwingsvolume van 950 m3 mogelijk, waar in de visie een maximale inhoud van 500 m3 is opgenomen.

Een reden hiervoor is het feit dat aanvankelijk twee woningen op elk van deze kavels waren gepland. Een enkele, kleinere woning op een dergelijk grote kavel is niet wenselijk. Daarnaast sluiten deze woningen beter aan bij de grotere woningen die in het buitengebied zijn toegestaan. Herinvulling van oude bouwpercelen

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

17

Verder worden er nieuwe woningen gesitueerd ter plaatse van een voormalig bouwperceel. Hoewel de betreffende woningen al lang geleden gesloopt zijn, zijn de percelen in de praktijk nog herkenbaar. Ook aan de huisnummering ter plaatse is te zien dat er vroeger woningen tussen moeten hebben gestaan. Het vroegere karakter wordt hiermee een stukje teruggebracht. Uiteraard moet (en zal) dit volgens de ruimtelijke visie gebeuren. Dat betekent dat de woningen uiteraard wat verder van de weg af worden gebouwd dan vroeger het geval zal zijn geweest. Voor wat betreft het bouwvolume krijgen nieuwe woningen, net als de bestaande woningen, één bouwlaag met een kap. De goot- en bouwhoogte blijft dus beperkt, zeker ten opzichte van nieuwe woningen in het plangebied Kom Andel Bronkhorst 1. Het eigene karakter van de Bronkhorstlaan wordt op die manier gewaarborgd. Versterking lintkarakter / afronding woonwijk Met het oog op de gewenste stedenbouwkundige opzet (o.a. zichtlijnen, lintkarakter) is het niet de bedoeling om de nieuwe woningen door middel van beplanting te zeer in te passen. Dit geldt niet alleen aan de achterzijde, maar vooral ook aan de voorzijde, waar de bebouwing direct op de Bronkhorstlaan wordt georiënteerd. Hierbij past geen landschappelijke inpassing in de vorm van opgaand groen.

Wel worden de percelen aan de achterzijde (zuidzijde) afgescheiden door een open watergang (zie hierna). Daarmee wordt een duidelijke afronding van het stedelijk gebied gecreëerd, maar tevens een passende landschappelijke overgang naar het open buitengebied gerealiseerd. Daar waar veel nieuwe woonwijken een abrupte beëindiging kennen, waardoor een harde grens tussen stedelijk en landelijk gebied ontstaat, is dat bij Kom Andel Bronkhorst 1 niet het geval. Zeker aan de zijde van het Bronkhorstlaantje ontstaat een gelede overgang van: woonstraat - groene parkzone - tweezijdig landelijk bebouwingslint - waterloop - landelijk gebied. Verdere kwaliteitsverbetering ter plaatse van het Bronkhorstlaantje zelf wordt mede bereikt door het slopen van een vervallen stenen schuur (circa 45 m²) aan de noordwestzijde van het Bronkhorstlaantje en de overige bouwwerken op dit perceel. Ook de bijbehorende verharding, deels overwoekerd, wordt verwijderd (circa 30 m²). Verder wordt de bestaande, verouderde woning op nummer 5 gesloopt en wordt op een andere plek op het perceel een nieuwe woning teruggebouwd, uiteraard in overeenstemming met de ruimtelijke visie. Versterken van de waterhuishouding Het plan betekent een fysieke verbetering van de waterhuishouding in dit gebied. Op dit moment is een aantal duikers parallel aan het Bronkhorstlaantje aanwezig.

De intentie is het aantal duikers te verlagen en - in plaats daarvan - een open watergang aan de achterzijde van de percelen (ten zuiden van het Bronkhorstlaantje) te creëren. Hierdoor ontstaat er meer open water wat een duidelijke verbetering betekent van het afwateringssysteem en daarmee gunstig is voor de waterhuishouding in het gebied. Tevens fungeert de open watergang, zoals hiervoor reeds is aangegeven, als een natuurlijke overgang tussen de bebouwing aan het Bronkhorstlaantje en het achterliggende buitengebied.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

18

Hoofdstuk 5

5.1

Omgevingsaspecten

Verkeer

In de nieuwe situatie blijft de ontsluiting van het plangebied ongewijzigd. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van vier extra woningen mogelijk. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de toevoeging van deze vier woningen langs het Bronkhorstlaantje hebben, ondanks de beperkte capaciteit, geen wezenlijke invloed op de verkeerskundige ontsluiting van het plangebied. De aanleg van een passeerstrook aan de zuidzijde van het Bronkhorstlaantje, aan de oostkant van het plangebied, draagt hier aan bij. Hiermee is een verslechtering van de verkeerssituatie in het plangebied niet aan de orde en blijft de ontsluiting en bereikbaarheid van het plangebied in de nieuwe situatie gewaarborgd. Het parkeren wordt hoofdzakelijk op eigen erf opgelost. Hiertoe is in de planregels een regeling opgenomen, waarin de normering uit de Notitie Parkeren van de gemeente Woudrichem is geborgd voor voorliggende ontwikkeling. Hiermee wordt aan de gevraagde parkeerbalans voldaan. Naast de parkeergelegenheid op eigen terrein worden binnen het plangebied vier haakse parkeerplaatsen in het openbaar gebied mogelijk gemaakt. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor ontwikkeling van het voorgenomen plan.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

Inleiding In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan hinder door bedrijven in algemene zin. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In tabel 5.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1.500 meter. Tabel 5.1: Richtafstanden per milieucategorie Milieucategorie Richtafstanden tot een 'rustige woonwijk' 1 10 meter 2 30 meter 3 50 - 100 meter 4 200 - 300 meter 5 500 - 1.000 meter 6 1.500 meter

Richtafstanden tot een 'gebied met menging van functies' 0 meter 10 meter 30 - 50 meter 100 - 200 meter 300 - 700 meter 1.000 meter

De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

19

bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat. Bovendien moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften hebben onder meer als doel de hinder voor de omgeving te reguleren en op een acceptabel niveau te houden. Deze voorschriften bieden daarom ook inzicht in de hindersituatie. Plansituatie Voor dit bestemmingsplan is het volgende relevant. In de nabijheid van het plangebied is één agrarisch bedrijf aanwezig. Het gaat om een veehouderij met maximaal 70 stuks vrouwelijk jongvee, RAV code A3. Er zijn twee (verouderde) stalsystemen aanwezig in deze inrichting met natuurlijke ventilatie. Er is sprake van een type B inrichting ingevolge het Activiteitenbesluit. De inrichting is qua aard en omvang te beschouwen als bedrijf in milieucategorie 2, voor wat betreft stof, geluid en gevaar. Ten aanzien van het aspect geurhinder wordt verwezen naar paragraaf 5.5 Geurhinder. Bij milieucategorie 2 hoort een aan te houden richtafstand van 30 meter.

Er is geen reden om in dit geval uit te gaan van een kleinere of grotere richtafstand. De feitelijke afstand tussen het bouwvlak van de veehouderij en het dichtstbij gelegen toegevoegde woonperceel bedraagt circa 75 meter, dus beduidend meer dan de richtafstand van 30 meter. De feitelijke afstand tussen de stal en de nieuwe woning is ruim 100 meter. Dit betekent dat - zolang het betreffende agrarische bedrijf in de huidige vorm er gevestigd is - een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen planologisch afdoende worden gewaarborgd. Het plangebied valt verder niet binnen milieuzones van (andere) bedrijven uit categorie 2 of hoger. Binnen het plangebied zelf is geen sprake van activiteiten zwaarder dan categorie 2. Dit houdt in dat er op het gebied van bedrijven en milieuzonering in planologisch opzicht geen bijzonderheden zijn. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het plan uit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering aanvaardbaar worden geacht.

5.3

Luchtkwaliteit

Luchtvervuiling is schadelijk voor de volksgezondheid en het milieu. Verkeer, industrie en huishoudens brengen grote hoeveelheden schadelijke stoffen in de lucht. Het doel van de op 15 november 2007 van kracht geworden ‘Wet luchtkwaliteit’, als onderdeel van de Wet milieubeheer, is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. De wet bevat luchtkwaliteitsnormen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. In de wet is aangegeven in welke gevallen gemeenten en provincies de luchtkwaliteit in kaart moeten brengen en wanneer zij maatregelen dienen te treffen. Wettelijk kader De Wet luchtkwaliteit betreft een wijziging van de Wet milieubeheer en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkelingen, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

20

een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze “niet in betekenende mate” bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3, voor zowel PM10 als NO2. Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project dat aan die eis voldoet mag zonder nadere toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. NB: voor wat betreft het aspect stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden wordt verwezen naar paragraaf 5.9.2 Natura 2000 en EHS van deze toelichting. Conclusie Het plan is niet opgenomen in het NSL/RSL-NV en zal niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Geluid

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen; de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen. Uitzondering hierop zijn woonerven en 30 km/u-wegen. Deze wegen hebben geen geluidzone.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het erop neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde (48 dB) en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

21

(conform artikel 1b lid 5 van de Wgh). Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Een aftrek van 5 dB kan worden toegepast bij wegen met een maximumsnelheid van 30 km/u of minder, omdat de geluidemissie bij deze snelheden meer wordt veroorzaakt door het motorgeluid en minder door het bandengeluid. Overwegingen Aangezien zowel het Bronkhorstlaantje als de Neer-Andelsweg (in de nabijheid van het plangebied) 30 km/u-wegen zonder geluidzone betreffen, is de Wgh niet van toepassing. Dat betekent dat in voorliggend geval niet getoetst hoeft te worden aan de normen uit de Wgh. Wel moet volgens jurisprudentie beoordeeld worden of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar leefklimaat is gewaarborgd. Hiervoor worden de normen van de Wgh als uitgangspunt gehanteerd. Het Bronkhorstlaantje kan gekenmerkt worden als een smalle weg waar uitsluitend bestemmingsverkeer gebruik van maakt. De Neer-Andelsweg is een ontsluitingsweg die vanuit de kern Andel zuidwaarts aansluit op de N267.

Onderstaand wordt beargumenteerd of met de realisatie van voorliggend plan voor de nieuwbouw en de bestaande bebouwing een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt bereikt. Ten aanzien van nieuwbouw Ten gevolge van de 30 km/uur wegen wordt voor de nieuwbouwwoningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zoals voorgeschreven in de Wgh, niet bereikt. Als gevolg van de geringe verkeerskundige wijzigingen binnen het plangebied (zie 5.1 Verkeer) kan de situatie voor de nieuw te bouwen woningen ten gevolge van de door het plangebied gelegen 30 km/uur weg worden omschreven als “goed”. Gezien de aard van het Bronkhorstlaantje is hier sprake van zeer beperkte geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voor de nieuwbouw een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd. Ten aanzien van bestaande bebouwing Ten gevolge van de beperkte verkeersaantrekkende werking door de nieuwe woonpercelen neemt de geluidbelasting toe op de gevel van de bestaande woningen. Echter, gelet op het beperkte aantal toegevoegde woningen is aannemelijk dat deze toename lager is dan 1,5 dB, wat overeen komt met een niet tot nauwelijks hoorbaar verschil. (Nieuwe) hinder wordt niet verwacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voor de bestaande bebouwing een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd.

Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd. Het bestemmingsplan is uit oogpunt van geluidhinder aanvaardbaar.

5.5

Geurhinder

Wettelijk kader Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een individuele, vergunningplichtige, veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Voor meldingsplichtige veehouderijen is een van de Wgv afgeleid beoordelingskader opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor grondgebonden veehouderijen, niet zijnde intensieve veehouderijen, gelden minimaal aan te houden afstanden (ongeacht de omvang van het bedrijf): ten minste 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom; ten minste 50 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

22

Geurverordening 2014 gemeente Woudrichem Op 30 september 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Woudrichem de Geurverordening vastgesteld. In de verordening zijn, in lijn met de Wgv, voor een bepaald gebied specifieke afstandseisen opgenomen voor veehouderijen tot aan geurgevoelige objecten. De Geurverordening geldt echter niet voor het plangebied Bronkhorstlaantje. Overwegingen Plansituatie Het gaat om een veehouderij met maximaal 70 stuks vrouwelijk jongvee, RAV code A3. Er zijn twee (verouderde) stalsystemen aanwezig in deze inrichting met natuurlijke ventilatie. Er is sprake van een type B inrichting ingevolge het Activiteitenbesluit. Voor rundvee gelden, op basis van het Activiteitenbesluit vaste afstanden tot woningen. Buiten de bebouwde kom is dit 50 meter, binnen de bebouwde kom is 100 meter de minimale afstand tussen een woning en een rundveehouderij. Het plangebied Bronkhorstlaantje is gelegen binnen de bebouwde kom. De geurverordening van de gemeente Woudrichem heeft niet betrekking op deze locatie, wat betekent dat in voorliggend geval een afstandseis geldt van 100 meter. Deze minimale afstand wordt ten opzichte van de nieuw te bouwen woningen in het bestemmingsplan Bronkhorstlaantje gehaald: de feitelijke afstand tot de meest nabijgelegen nieuwe woning bedraagt namelijk ruim 100 meter.

Op basis van de afstandseis uit de Wgv betekent dit dat voor de nieuwe woningen in de nabijheid van de veehouderij sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent tevens dat de veehouderij door de nieuwe woningen niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering of -uitbreiding, omdat de meest nabij gelegen, bestaande woning aan het Bronkhorstlaantje bepalend is voor de uitbreidingsruimte van het bedrijf. Deze woning ligt op circa 50 meter afstand van de stal. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd. Het bestemmingsplan is uit oogpunt van geurhinder aanvaardbaar.

5.6

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, LPG en munitie over weg, water, spoor en door buisleidingen. De term ‘externe veiligheid’ wordt gehanteerd omdat het risico van derden (omgeving) hierin centraal staat. Zij nemen geen deel aan de activiteit die het risico met zich meebrengt. Het gaat dus om mensen die extern zijn ten opzichte van die activiteit. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) in werking getreden. Het doel van het besluit is de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit regelt hoe een gemeente moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. Daartoe legt het besluit het plaatsgebonden risico (PR) vast en geeft het besluit een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR).

Op grond van beide risico's kunnen gemeenten veiligheidsafstanden rond risicobedrijven bepalen. Wanneer bedrijven te dicht bij bijvoorbeeld woningen staan, zijn maatregelen nodig om toch aan de veiligheidsafstanden te voldoen.

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

23

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico, afgekort PR, is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Groepsrisico Het groepsrisico, afgekort met GR, drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het gebied rondom de inrichting. De waarde geeft aan wanneer de kans dat bij een ongeval 10, 100 of 1.000 doden vallen voldoende klein is, en geeft houvast bij de beoordeling bij welke bevolkingsdichtheid in de omgeving van een risicobedrijf er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico.

De gemeente dient verantwoording af te leggen met betrekking tot het groepsrisico. Situatie plangebied Op de provinciale risicokaart is te zien welke risicovolle bedrijven (LPG-stations, chemische bedrijven of bijvoorbeeld een vuurwerkopslag), transportroutes of buisleidingen in de directe omgeving van het plangebied liggen. Onderstaand is de risicokaart weergegeven voor de omgeving van het plangebied.

Figuur 5.1 risicokaart Noord-Brabant Op basis van informatie afkomstig van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat met betrekking tot: Inrichtingen

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

24

Binnen het plangebied bevinden zich geen inrichtingen die in het kader van externe veiligheid relevant zijn. Ook buiten het plangebied bevinden zich geen inrichtingen waarvan het invloedsgebied zich tot het plangebied uitstrekt. Transport over de weg, het water en het spoor In de omgeving van het plangebied lopen geen wegen die een route voor gevaarlijke stoffen betreffen. Daarnaast is er in de omgeving van het plangebied ook geen sprake van vervoer van gevaarlijk stoffen over water/per spoor. In het plangebied ligt derhalve geen risicocontour als gevolg van een vervoersstroom. Buisleidingen In en nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Een nader onderzoek op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen is niet aan de orde. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt op basis van de gegevens van de risicokaart geen belemmering voor ontwikkeling van het voorgenomen plan.

5.7

Bodem

Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient inzicht te bestaan in de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Bouw kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek Er is onderzoek verricht naar de kwaliteit van de bodem en waterbodem in de omgeving van het plangebied.

Onderzocht is in hoeverre binnen het plangebied verontreinigende stoffen in de grond of in het freatisch grondwater boven de streef- of achtergrondwaarden aanwezig zijn. De resultaten van het onderzoek zijn beschreven in het rapport "Verkennend (water)bodemonderzoek Plangebied 'Bronkhorst' te Andel" (Inpijn-Blokpoel, 12 maart 2014). Dit rapport is opgenomen in Bijlage 3 Verkennend (water)bodemonderzoek. Onderstaand is de essentie van dit onderzoek vermeld. Het onderzoek betreft twee deelonderzoeken: een verkennend landbodemonderzoek volgens NEN 5740 en een waterbodemonderzoek volgens NEN 5720. Gebleken is dat het criterium voor nader onderzoek voor barium in het grondwater van één peilbuis wordt overschreden. Binnen de gemeente Woudrichem worden echter vaker verhoogde gehalten met zware metalen aangetoond, waaronder barium. Formeel dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van barium in het grondwater. Gezien de afwezigheid van humane risico's behoeft de aangetroffen kwaliteit niet direct een belemmering te vormen voor dit bestemmingsplan. De constatering dat bepaalde gehalten de desbetreffende achtergrondwaarde overschrijden, kan tot slot wel consequenties hebben bij eventuele grondafvoer; de vrijkomende grond is buiten het perceel niet noodzakelijkerwijs multifunctioneel toepasbaar. Afhankelijk van de bestemming en toepassing zal bij

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

25

afvoer van de grond om een partijkeuring conform het protocol uit het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd. Overweging De gemeente Woudrichem overweegt op basis van het hiervoor vermelde rapport dat voor vaststelling van het bestemmingsplan de (water)bodemkwaliteit voldoende inzichtelijk is gemaakt. De aangetroffen kwaliteit wordt aanvaardbaar geacht voor het toekennen van nieuwe woonbestemmingen. Van een saneringssituatie is niet gebleken en evenmin van het nemen van (andere) maatregelen welke de haalbaarheid of uitvoerbaarheid van het plan zouden kunnen belemmeren. Op dit punt kan het plan uitvoerbaar worden geacht. Dit neemt overigens niet weg dat voor vergunningverlening en in het kader van grondverzet mogelijk nog aanvullend onderzoek vereist is. Aanvullend asbestonderzoek In verband met het vermoeden van een bodemverontreiniging met asbest in het plangebied is een aanvullend asbestonderzoek voor twee locaties binnen het plangebied uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in het rapport "Nader onderzoek naar asbest deellocatie 1 en 3, Bronkhorst ong. te Andel" (Verhoeven Milieutechniek B.V., 13 februari 2018) dat is opgenomen in Bijlage 4 Aanvullend asbestonderzoek. Onderstaand is de essentie van dit onderzoek opgenomen.

Het aanvullende onderzoek is uitgevoerd in verband met het vermoeden van een bodemverontreiniging met asbest op basis van voorgaand onderzoek en de voorgenomen herontwikkeling. In het onderzoek zijn twee deellocaties nader onderzocht: Deellocatie 1: Realisatie toekomstige woning ten zuiden van Bronkhorst 4-6; Deellocatie 3: Huidige schuur. De overige deellocaties vormden geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Per deellocatie de volgende conclusies getrokken: Deellocatie 1: er is geen asbest aangetoond, waarmee de interventiewaarde niet wordt overschreden. Hiermee is geen sprake van een ernstige asbestverontreiniging. Saneringsmaatregelen zijn derhalve niet van toepassing; Deellocatie 3: een ernstige, niet-spoedeisende asbestverontreiniging is aangetroffen. De aangetroffen asbestverontreiniging dient voorafgaand aan de herontwikkeling te worden gesaneerd om verdergaande verontreiniging te voorkomen. Ditzelfde geldt voor de asbesthoudende dakbedekking om verdergaande verontreiniging te voorkomen. Conclusie Voorafgaand aan de herontwikkeling moet de aangetroffen asbestverontreiniging worden gesaneerd om verdergaande verontreiniging te voorkomen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan uit oogpunt van een goede bodemkwaliteit aanvaardbaar is.

5.8

Water

Wettelijk kader / inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Beleid waterschap Rivierenland Als leidend beleidsdocument voor de waterhuishouding geldt, reeds vanaf 22 december 2009, het Waterbeheerplan 2016-2021 "Koers houden, kansen benutten". Dit plan is bepalend voor het waterbeleid en gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied. Het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en

Kom Andel - Bronkhorstlaantje 2017

26

wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Beleid gemeente Woudrichem Op 19 december 2017 is de "Beleidsvisie riolering en water Altena" vastgesteld. De belangrijkste beleidsaspecten die van belang zijn voor de ontwikkeling zijn: 1. De gemeente sluit aan bij het beleid van het waterschap dat hydrologisch neutraal moet worden gebouwd. Dit betekent dat zodanig wordt gebouwd dat geen (grond)wateroverlast optreedt en de kwel niet toeneemt in het plangebied of omliggend gebied. 2. De toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd. Voor het bepalen van de compensatieplicht bij nieuwbouw/locaties wordt een verhard oppervlak van 80% voor percelen tot 250 m2 en 65% voor percelen tot 600 m2 gehanteerd. Zijn de percelen groter dan 600 m2, dan wordt het werkelijke verhard oppervlak met een minimum van 400 m2 verhard oppervlak gehanteerd. 3. De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afvalwater. In de nabijheid van het perceel ligt de gemeentelijke riolering. Een aansluiting op de riolering moet worden aangevraagd en geschiedt door of in opdracht van de gemeente en is volledig voor rekening van de eigenaar. 4.

De verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater ligt primair bij de perceeleigenaar. Alleen wanneer de perceeleigenaar kan aantonen dat zij het hemelwater niet kunnen inzamelen en/of verwerken neemt de gemeente deze hemelwaterzorgplicht over op kosten van de eigenaar. Huidige situatie Watersysteem in en nabij het plangebied Figuur 5.2 toont het watersysteem in en rond het plangebied in de huidige situatie, zoals opgenomen in de legger van waterschap Rivierenland. Op basis van deze figuur kan worden gesteld dat binnen het plangebied hoofdzakelijk B-wateren gelegen zijn. Uitzondering hierop vormt de noord-zuid georiënteerde watergang aan de westzijde van het plangebied, dit is een A-watergang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10463940/1