CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Wijk en Aalburg, Vlasakker

Raadsvergadering 3 maart 2026, gemeente AltenaBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kern Wijk en Aalburg Vlasakker 214.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNGhandreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling. In het kader van bedrijven en milieuzonering is hiermee sprake van toevoeging van milieugevoelige functies. Het plangebied bevindt zich in het centrum van Wijk en Aalburg. Hier bevinden zich naast woonfuncties tevens maatschappelijke, detailhandel en kleinschalige bedrijvigheid welke naast elkaar aanwezig zijn (gemengd gebied).

Circa 160 meter afstand

Circa 130 meter afstand

Circa 40 meter afstand

Afbeelding 14: Afstand tot omliggende bedrijven

24

Ten westen van het plangebied is een basisschool gelegen. Conform het VNG-Handboek Bedrijvenen Milieuzonering geldt voor een basisschool, in gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. Het plangebied is op circa 40 meter afstand gelegen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand. Ten noordwesten van het plangebied zijn een apotheek, een bibliotheek en een school gelegen. Conform het VNG-Handboek Bedrijven- en Milieuzonering geldt voor een apotheek, een bibliotheek en een school, in gemengd gebied, een richtafstand van 0 meter. Het plangebied ligt op circa 130 en 160 meter afstand. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden voor gemengd gebied en er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Gesteld kan dan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit plan.

25

4.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Het plan betreft de ‘optopping’ van een bestaand appartementengebouw. In dit appartementengebouw wordt reeds gewoond en de kavel heeft reeds de bestemming ‘wonen. Er vinden geen bodemroerende werkzaamheden plaats. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit geschikt is om op te wonen. Derhalve kan het uitvoeren van een bodemonderzoek achterwege gelaten worden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodem geen belemmeringen.

26

4.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader In Europees verband was het de zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeente belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerktreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden.

Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Nota Archeologie De gemeente Altena heeft een archeologiebeleid. Dit archeologiebeleid bestaat uit drie elementen te weten: de beleidsnota, de archeologische beleidskaart en de Erfgoedverordening. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit.

Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het plan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van Land van heusden en Altena (zie volgende pagina) valt het plangebied in een gebied waar een lage archeologische verwachting is. Hierbij is archeologisch onderzoek vroeg in planfase bij MER-plichtige projecten vallend onder de Wro, de Wet Milieubeheer of de Tracewet noodzakelijk. Het plan valt hier buiten, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

27

Plangebied (indicatief)

Afbeelding 15: Uitsnede archeologische verwachting- en beleidsadvieskaart

28

4.6 Waterparagraaf Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen.

De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden. Voor een A-watergang geldt een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunnings- en/of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en/of -afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Beleidsvisie riolering en water gemeente Altena (december 2017) Op 19 december 2017 is de Beleidsvisie riolering en water Altena vastgesteld door de gemeenteraden van Aalburg, Werkendam en Woudrichem (nu gemeente Altena). De belangrijkste aspecten uit het gemeentelijk rioleringsbeleid zijn: •

Vertaling klimaatbestendig in hydrologisch neutraal bouwen De gemeente sluit aan bij het beleid van het waterschap om bij ruimtelijke ingrepen hydrologisch neutraal te bouwen. Dit betekent dat zodanig wordt gebouwd dat geen (grond)wateroverlast optreedt en kwel niet toeneemt in het plangebied of omliggend gebied. Bij uitbreidingen van verhard oppervlak wil de gemeente dat al het verhard oppervlak wordt gecompenseerd

•

Hemelwater bij nieuwbouw De perceeleigenaar is primair zelf verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater en dient dan ook zelf, voor zover dat redelijk mogelijk is, het afstromend hemelwater in de bodem of oppervlaktewater te brengen. Alleen wanneer verwerking op eigen terrein niet mogelijk is (aan te tonen door de perceeleigenaar of projectontwikkelaar), is afvoer via een gemeentelijke voorziening toegestaan.

•

Dimensionering nieuwbouwlocaties Voor het dimensioneren van het (hemel)watersysteem en bepalen compensatieplicht bij nieuwbouwlocaties wordt een verhard oppervlak van 80% voor percelen tot 250 m² en 65% voor percelen tot 600 m² gehanteerd. Zijn de percelen groter dan 600 m 2, dan wordt het werkelijke verhard oppervlak met een minimum van 400 m2 verhard oppervlak gehanteerd.

29

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode: 20210713-9-27120). De uitkomsten van deze watertoets zijn uiteengezet in dit hoofdstuk. Watergangen Binnen het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Ten noorden van het plangebied ligt Awatergang: 074832. Echter, deze ligt op circa 30 meter afstand van het plangebied. Derhalve hoeft er voor de werkzaamheden geen watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland

Afbeelding 16: Legger wateren

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied LHA339. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van 0,4 m NAP en 0,4 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter t.o.v. het zomerpeil, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter t.o.v. het zomerpeil en voor nieuwbouw een drooglegging van 1,3 meter t.o.v. het zomerpeil. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. De minimale drooglegging wordt bepaald door de benodigde ontwateringsdiepte en de opbolling tussen de ontwateringsmiddelen (o.a. sloten). De opbolling hangt af van de afstand tussen ontwateringsmiddelen en de karakteristieken van deze ontwateringsmiddelen, van de doorlatendheid van de grond boven en onder de ontwateringsmiddelen en van de af te voeren waterschijf. Naast voldoende droogligging dient bij het bepalen van de maaiveldhoogtes ook de omgeving te worden meegenomen, zodat er geen (grond)wateroverlast bij omliggende percelen wordt veroorzaakt en hemelwater kan afstromen maar ook ten aanzien van vrijvervalriolering zodat er voldoende afschot en dekking kan worden gerealiseerd.

30

Plangebied

Afbeelding 17: Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten op de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in de vorm van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk als het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk, is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m 2. In geval van particuliere ontwikkelingen geldt in het stedelijk gebied een eenmalige vrijstelling van 500 m2, indien deze nog niet eerder is benut. Het onderhavige plan betreft het optoppen van een bestaand appartementen gebouw. Het pand blijft hiermee qua grondoppervlakte ongewijzigd. Aan de achterzijde van het pand worden voornemen bijbehorende bergingen gerealiseerd. Hierdoor zal de verharding/bebouwing ter plaatse naar verwachting ca. 120 m2 toenemen.

In overleg met de gemeente en het Waterschap zal moeten worden onderzocht of er watercompenserende maatregelen noodzakelijk zijn en indien noodzakelijk op welke wijze er wordt gecompenseerd. Om hetgeen te borgen wordt in de regels van het onderhavige bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er watercompensatie plaats dient te vinden bij werkzaamheden die leiden tot een vergroting van het verhardoppervlakte. De beoogde locatie voor eventuele watercompensatie betreft het verbreden van een bestaande watergang in hetzelfde peilgebied, maar zogezegd zal hetgeen bij de omgevingsvergunningaanvraag nader worden uitgewerkt in samenwerking met de gemeente en het waterschap.

31

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de beleidsvisie Riolering en Water, Bouwbesluit en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt in zijn algemeenheid de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • • • •

Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit huishoudens per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap mogelijk blijven. Hemelwaterafvoer De hemelwaterafvoer blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. De hemelwaterafvoer van de nieuwbouw wordt op dezelfde manier verwerkt als de bestaande bouw, gescheiden van het vuilwaterafvoer. Vuilwaterafvoer De nieuwe appartementen worden aangesploten op het bestaande gemeentelijk rioleringsstelsel. De uitvoering van het plan vindt plaats in overleg met de gemeente Altena. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.

Afbeelding 18: Legger waterkeringen

32

Waterkering Het plangebied is niet gelegen in een kern- of beschermingszone van een primaire en/of regionale waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse.

33

4.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Bij fysieke ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige flora en fauna en natuurwaarden. In dit plan is sprake van fysieke werkzaamheden welke in het kader van flora en fauna nadelige gevolgen kunnen hebben. Om de invloed van de geplande werkzaamheden op eventueel aanwezige flora en fauna- en natuurwaarden in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies van deze ecologische quickscan zijn: Soortenbescherming ‘De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.

De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.’ Te treffen maatregelen • ‘Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De spouwmuur dient tijdens de werkzaamheden gesloten te blijven. Daarnaast dienen er geen geschikte invliegopeningen voor vleermuizen, zoals open stootvoegen verwijderd te worden. De geschikte invliegopeningen dienen in de avond toegankelijk te zijn, dit kan bijvoorbeeld met verrijdbare steigers. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De renovatiewerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ Gebiedsbescherming ‘De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUSberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.’ Conclusie Het aspect ecologie betreft voor dit plan geen belemmeringen.

34

Afbeelding 19: Afstand tot Natura 2000-gebieden

Afbeelding 20: Afstand tot Natuurnetwerk Brabant

35

4.8 Stikstof Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Onderzoek Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Ten behoeve van het plan is een stikstofdepositie berekening uitgevoerd, de conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘In de voortoets stikstofdepositie is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de aanleg- en gebruiksfase ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Uit de berekening blijkt dat de aanlegfase voorziet in rekenresultaten niet hoger dan 0,01 mol/ha/j en de gebruiksfase voorziet in rekenresultaten niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 2 van dit rapport.

De rekenresultaten geven een stikstofemissie (0,01 mol/ha/j) weer tijdens de aanlegfase op een stikstofgevoelig habitat binnen het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Oorzaak van de emissie is de tijdelijke inzet van materieel, waardoor gedurende een bepaalde tijd emissies van stikstof plaatsvinden en dientengevolge ook depositie. Het ingezette materieel betreft echter geen nieuw fenomeen. Het materieel wordt al sinds de inwerktreding van de gebiedsbescherming gebruikt en steeds op een wisselende plek, afhankelijk van waar het project is. Er is daarom in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met het verspreidingseffect van NOx, per jaar tot een bepaalde stikstofemissie en -depositie leidt die onderdeel is van de landelijke achtergronddepositie die altijd al aanwezig was. Conform de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’ (februari 2021) van BIJ12 is bij een tijdelijke emissie als gevolg van de inzet van materieel ten behoeve van de aanlegfase, van ten hoogste 0,05 mol/ha/j gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan, geen Passende Beoordeling noodzakelijk omdat significante negatieve gevolgen op voorhand worden uitgesloten (zie voorbeeld 6 in deze handreiking).

Omdat de emissie tijdens de aanlegfase ontstaat als gevolg van de tijdelijke inzet van materieel en de depositie kleiner is dan 0,05 mol/ha/j gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan, wordt geconcludeerd dat in het kader van stikstofdepositie significante negatieve gevolgen vanwege de ontwikkeling op voorhand zijn uitgesloten.’

36

Conclusie ‘Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000 gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.‘ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.

37

4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 6: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie tussen 17,52 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 17,89 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,12 μg PM2,5/m3; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.

38

4.10 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Beleidsvisie externe veiligheid 2017 In samenwerking met de voormalige gemeenten Woudrichem en Werkendam heeft de voormalige gemeente Aalburg de Beleidsvisie externe veiligheid opgesteld (19 december 2017 vastgesteld). In deze visie is beschreven hoe wordt omgegaan met de ruimtelijke scheiding tussen risicobronnen en kwetsbare objecten, zoals woningen. De kern van het externe veiligheidsbeleid is om zo verstandig mogelijk om te gaan met risico´s. In de directe nabijheid van risicobronnen zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Vestiging van risicobronnen is alleen toegestaan op veilige locaties. In de Beleidsvisie externe veiligheid zijn kaders gesteld waar bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening op een verantwoorde manier mee dient te worden omgegaan. Onderzoek Stationaire bronnen / risicovolle bedrijven Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

Plangebied

Afbeelding 21: Externe risicokaart

39

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

40

4.11 Technische infrastructuur (kabels en leidingen) Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Ook dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. De uitvoering van het plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect technische infrastructuur geen belemmeringen.

41

4.12 Brandveiligheid Beleidskader Bereikbaarheid brandweer via de openbare weg. Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Een door de brandweer te gebruiken toegang van de gebouwen moet tot op een afstand van maximaal 40 meter te benaderen zijn met brandweervoertuigen. Een opstelplaats voor een blusvoertuig moet een minimale breedte hebben van 4 meter en een minimale lengte van 10 meter. De rijloper naar een opstelplaats of een bluswatervoorziening moet: 1. Een vrije breedte hebben van ten minste 4,5 meter en over een breedte van ten minste 3,25 meter zijn verhard, en over een breedte van ten minste 4,5 meter een vrije hoogte hebben van ten minste 4,2 meter; 2. Zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en een asbelasting van ten minste 100 kN; en 3. Op doeltreffende wijze kunnen afwateren; 4. Alleen bochten hebben met een straal c.q. een draaicirkel of rijcurve die afgestemd is op vrachtauto's. Bluswatervoorziening Regelgeving: Bouwbesluit 2012 en Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) Primaire bluswatervoorziening Op een afstand van maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang van een gebouw moet een ondergrondse brandkraan aanwezig zijn.

De capaciteit van de brandkraan dient minimaal 60 m3 per uur te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen. Brandweerzorgnorm Regelgeving: Wet op de Veiligheidsregio's (Dekkingsplan en Specialisme-spreidingsplan juli 2011 Brandweer Midden- en West-Brabant). Voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen wordt gekeken naar de opkomsttijd van de eerste basisbrandweereenheid. In de genoemde regelgeving worden de wettelijk vastgestelde opkomsttijden per gebouwsoort aangegeven. Indien hier niet aan voldaan kan worden, dan worden door de brandweer aanvullende maatregelen geadviseerd om een gelijkwaardige veiligheid te behalen. Op dit moment wordt door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een toolbox ontwikkeld die door gemeenten gebruikt kan worden om tot een acceptabel niveau van gelijkwaardige veiligheid te komen. Ten aanzien van de maatregelen valt te denken aan de toepassing van een sprinklerinstallatie. Secundaire bluswatervoorziening Binnen een straal van 225 meter en binnen een afstand van 320 meter over de weg dient voor het gebouw en de woningen een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van een geboorde put, een brandput, een voor de brandweer te bereiken open water of een reservoir. De capaciteit van de secundaire bluswatervoorziening dient ten minste 90 m per uur te bedragen.

Deze capaciteit moet gedurende ten minste 5 uur kunnen worden geleverd. Onderzoek Het plan voldoet aan de voorwaarden ingevolge het Bouwbesluit 2012, Handboek Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (NVBR) en de Wet op Veiligheidsregio’s. De gemeente Altena wint hierover advies in bij de Veiligheidsregio. Conclusie Het plan voldoet aan de voorwaarden wat betreft brandveiligheid.

42

4.13 Bezonningsstudie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de bezonning (eventuele schaduwvorming van het plan). Voor het plan is een zogenoemde zonnestudie uitgevoerd. Omdat het huidige gebouw al een redelijke dakrand heeft, is de extra schaduwwerking die de optopping veroorzaakt beperkt. De meeste schaduw valt op de publieke ruimte en niet op omliggende bebouwing. De zonnestudie is éénmaal uitgebreid en geoptimaliseerd om de zorgen van de omwonenden weg te nemen (naar aanleiding van de zienswijzen).

Afbeelding 22: Zonnestudie (1)

43

Afbeelding 23: Zonnestudie (2)

Conclusie Uit de zonnestudie blijkt dat het optoppen van het gebouw niet leidt tot een onevenredige schaduwvorming voor de omliggende woonpercelen.

44

5 JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan ‘Wijk en Aalburg, Vlasakker 2’ bestaat uit drie delen: de verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Wijk en Aalburg, Vlasakker 2’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Wijk en Aalburg, Vlasakker 2’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplannen ‘Wijk en Aalburg’ en ‘Paraplubestemmingsplan wonen’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Wonen Ter plaatse van het appartementengebouw blijft de bestemming ‘Wonen’ gehandhaafd. Ten behoeve van de extra bergingen wordt een strook grond met de bestemming verkeer gewijzigd in wonen. Tuin De gronden rondom het appartementengebouw behouden de bestemming ‘Tuin’. Op deze gronden zijn de bouwmogelijkheden beperkt.

5.4 Aanduidingen • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding: aaneengebouwd; Bouwaanduiding: gestapeld; Maatvoeringsaanduiding: maximaal aantal wooneenheden: 54; Maatvoeringsaanduiding: maximum bouwhoogte: 9 & 12 m; maximum goothoogte: 9 & 12 m.

45

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Exploitatie Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar gesloten waarin naast vergoeding van planschade ook andere kosten zijn vastgelegd. De overeenkomst bevat een garantie voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

7.1 Omgevingsdialoog Alvorens de start van de bestemmingsplanprocedure is er een enquête gehouden onder de bewoners van het appartementengebouw én de omwonenden van het plangebied. Onder de bewoners is het plan over het algemeen positief ontvangen, tevens is positief ontvangen dat de galerijen, de lift, het trappenhuis en de entree worden opgewaardeerd. Onder de omwonenden van het plangebied is het plan over het algemeen negatief ontvangen. De voornaamste zorgen welke zijn uitgesproken hebben betrekking op de bezonning, privacy en het parkeren. Om deze zorgen weg te nemen zijn er ten behoeve van het plan een bezonningsstudie en parkeeronderzoek uitgevoerd. Deze zijn uiteengezet in paragraaf 4.13 en paragraaf 2.2.2 van deze toelichting. Uit de bezonningsstudie blijkt dat de schaduw voornamelijk op de openbare ruimte valt gezien de omliggende woningen ten zuiden (zonkant) van het gebouw zijn gelegen. De invloed van het plan voor wat betreft extra schaduwvorming op omliggende woningen is daarmee nihil. Uit het parkeeronderzoek is gebleken dat er meer dan voldoende parkeercapaciteit is in de directe omgeving en dat het plan niet voor een parkeerprobleem zal zorgen. De initiatiefnemer hoopt met deze onderzoeken de voornaamste zorgen van omwonenden weg te nemen.

7.2 Vooroverleg andere bestuursorganen/overlegpartners Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Altena bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de overlegpartners. Van de overlegpartners heeft enkel het Waterschap Rivierenland opmerkingen gegeven op en vragen gesteld over het voorontwerpbestemmingsplan inzake de watercompensatie, hemelwaterafvoer, waterschapbeleid en de riolering. Vragen zijn beantwoord en indien nodig zijn opmerkingen verwerkt in onderhavig bestemmingsplan. De Veiligheidsregio heeft aangegeven akkoord te zijn met het bestemmingsplan en heeft verder geen vragen/opmerkingen gegeven.

7.3 Inspraak Gelijktijdig met het vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd voor inspraak, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om inspraakreacties kenbaar te maken. In deze periode zijn er 7 inspraakreacties ontvangen. In de bijlage van deze toelichting is de Nota van inspraak toegevoegd. Hierin wordt een samenvatting gegeven van de inspraakreacties, worden deze beantwoord en is aangegeven of de inspraakreacties hebben geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan.

7.4 Zienswijzen Op de voorbereiding van een bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. De terinzagelegging is bekend gemaakt in de Staatscourant. Het ontwerpbestemmingsplan 46

kon worden ingezien in het gemeentehuis, op de gemeentelijke site en de website www.ruimtelijkeplannen.nl. In de ter inzage periode zijn er 5 zienswijzen ontvangen. In de bijlage van deze toelichting is de Nota van zienswijzen toegevoegd. Hierin wordt een samenvatting gegeven van de zienswijzen, worden deze beantwoord en is aangegeven of de zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Naast deze Nota zijn er twee participatiemomenten georganiseerd met een delegatie van de omwonenden/indieners van de zienswijzen, de gemeente en de initiatiefnemer. Deze hebben plaatsgevonden op 30 mei 2025 en 4 juli 2025 op het gemeentehuis in Almkerk. Het verslag hiervan is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16504814/1