Bijlage 5 Kaderbrieven
Tekst van het document
Gemeenten 16/16 v Gemeente Alphen-Chaam v Gemeente Altena v Gemeente Baarle-Nassau v Gemeente Bergen op Zoom v Gemeente Breda v Gemeente Drimmelen
v Gemeente Etten-Leur
v Gemeente Rucphen
v Gemeente Geertruidenberg
v Gemeente Steenbergen
v Gemeente Halderberge
v Gemeente Woensdrecht
v Gemeente Moerdijk
v Gemeente Zundert
v Gemeente Oosterhout v Gemeente Roosendaal
Reactie Op dit moment worden voorbereidingen getroffen voor RWB Nieuwe Stijl. In 2026 staat besluitvorming gepland in de 16 deelnemende gemeenten over de wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling RWB. De streefdatum om de nieuwe gemeenschappelijke regeling in werking te laten treden is 1-1-2027. De nieuwe gemeenschappelijke regeling RWB zal bestaan uit bedrijfsmatige en dienstverlenende taken (mobiliteitscentrum, kleinschalig collectief vervoer, regioarcheologie). De inwonerbijdrage voor de RWB zal door de wijziging kleiner worden, gekoppeld aan de hiervoor genoemde taken. De inwonerbijdrage gekoppeld aan de economische taken en de bijdrage aan de ontwikkelorganisatie REWIN zal vanaf 2027 niet meer via de RWB verlopen, maar via de begrotingen van GR Baronie en de (gemeenten van) SRWB-samenwerking zichtbaar worden. Voor het jaar 2027 stellen we conform onze verplichtingen en de afspraken vanuit de Nota Verbonden Partijen de meerjarenbegroting op. Op het moment van opstellen van de begroting 2027 zal nog geen definitief besluit genomen zijn over de voorgenomen wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Daarom is het niet mogelijk om de financiële gevolgen op dat moment al te verwerken in de meerjarenbegroting. Waar mogelijk zullen we wel inzichtelijk maken wat de (verwachte) gevolgen zijn.
Na afronding van het besluitvormingsproces worden in 2027 de budgetten in onze begroting aangepast middels een begrotingswijziging.
Aanbiedingsbrief Kaderbrief Begroting 2027 Aan: de gemeenteraden van de veertien gemeenten in West‑Brabant Namens: het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten (RBL West‑Brabant) Betreft: Aanbieding Kaderbrief Begroting 2027 en verzoek om zienswijze Datum: 5 februari 2026 Geachte leden van de gemeenteraad, Hierbij bieden wij u de Kaderbrief Begroting 2027 van RBL West‑Brabant aan. Deze kaderbrief schetst de inhoudelijke en financiële uitgangspunten voor de ontwerpbegroting 2027 en vormt het bestuurlijk kompas voor de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van leerplicht, leerrecht, voortijdig schoolverlaten en het Doorstroompunt. Samenvatting van de kaderbrief (in het kort) • •
• •
•
Doel en reikwijdte: richtinggevend voor de ontwerpbegroting 2027; bestuurlijk kompas voor uitvoering van leerplicht/leerrecht, VSV en Doorstroompunt. Beleidskaders: voortbouwend op het koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt 2024–2026 en nieuwe wettelijke kaders, waaronder de Wet van School naar Duurzaam Werk (WSDW) en de Wet terugdringen schoolverzuim. Werkprincipes: perspectief van kind en jongere centraal; werken vanuit de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS); uniforme regionale uitgangspunten met ruimte voor lokaal vakmanschap. Speerpunten 2027: versterken van governance en sturing; preventie en vroegsignalering (aanpak verzuim en thuiszitten); integrale ondersteuning met partners; zichtbaarheid en nazorg; en transparante financiële verantwoording (uitsplitsing niveau 1 en niveau 2). Planning & Control: ontwerpbegroting gereed en toegezonden vóór 1 april; vaststelling van de begroting na verwerking van zienswijzen door het Algemeen Bestuur.
Hoogachtend, Namens het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten (RBL West‑Brabant)
Cas Christiani, Ketenmanager jeugd, gemeente Breda
Bijlage: Kaderbrief Begroting 2027 (RBL West‑Brabant)
Kaderbrief Begroting 2027 – Regionaal Bureau Leren (RBL) West‑Brabant Aan: de gemeenteraden van de veertien gemeenten in West‑Brabant Namens: het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Schoolverzuim en Voortijdig Schoolverlaten (RBL West‑Brabant) Betreft: Kaderbrief Begroting 2027 1. Inleiding en doel Met deze kaderbrief schetst het Regionaal Bureau Leren (RBL) West‑Brabant de inhoudelijke en financiële uitgangspunten voor het opstellen van de begroting 2027. De kaderbrief biedt richting aan colleges en gemeenteraden voor de beoordeling van de ontwerpbegroting en vormt het bestuurlijk kompas voor de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van leerplicht, leerrecht, voortijdig schoolverlaten en het Doorstroompunt. Wij bouwen voort op de koers zoals vastgelegd in het koersdocument Leerrecht en Doorstroompunt 2024–2026 en op nieuwe wettelijke kaders, waaronder de Wet van School naar Duurzaam Werk (WSDW) en de Wet terugdringen schoolverzuim. Doel is om eenduidige regionale uitgangspunten te bepalen, ruimte te bieden voor lokaal maatwerk en de basis te leggen voor een financieel solide en uitvoerbare begroting 2027. Hierbij streven we naar een uniforme regionale aanpak, met oog voor de lokale context. 2.
De bedoeling centraal Binnen RBL werken veertien West‑Brabantse gemeenten samen aan het voorkomen van verzuim, schooluitval, voortijdig schoolverlaten en – waar relevant – jeugdwerkloosheid. Daarbij staat steeds het perspectief van het kind en de jongere centraal: ieder kind en iedere jongere heeft recht op onderwijs en op kansen om zich te ontwikkelen, ook wanneer extra ondersteuning nodig is. RBL werkt vanuit een inclusieve benadering en hanteert de Methodische Aanpak Schoolverzuim (MAS) als gemeenschappelijke basis. Preventie, tijdige signalering en samenhangende ondersteuning vormen de kern van de werkwijze. 3. Juridische en beleidsmatige context Per 1 januari 2026 is de Wet van School naar Duurzaam Werk (WSDW) in werking getreden. Deze wet breidt de doelgroep van het Doorstroompunt uit van 23 naar 27 jaar en legt nadruk op vroegtijdige begeleiding en samenwerking; individuele ondersteuning; langdurige inzet van 1
ondersteuning en integratie met zorg en participatie. Het overkoepelende doel is betere begeleiding van jongeren tijdens en na school, zodat zij makkelijker en duurzamer doorstromen naar werk of een vervolgopleiding. In 2026 harmoniseren we regionaal de werkwijze, financiering en monitoring, zodat jongeren in de gehele regio gelijkwaardig en herkenbaar worden ondersteund. De wet van School naar Duurzaam werk is (landelijk) in werking getreden per 1 januari 2026; aanvullend treedt naar verwachting per 1 augustus 2026 het Besluit terugdringen schoolverzuim in werking. Deze ontwikkelingen versterken preventie en vroegsignalering en vragen om verdere professionalisering van de samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en ketenpartners. De nieuwe wettelijke kaders vergen aanpassing van werkwijzen, formatie en governance en vormen daarmee een belangrijk uitgangspunt voor de begroting 2027. 4. Ambitie en opgaven voor 2027 Voor 2027 richt RBL zich op vijf samenhangende pijlers: 1. Governance en sturing Het versterken van transparante, eenduidige sturingslijnen tussen bestuur, deelnemende gemeenten en uitvoering, met heldere verantwoordelijkheden en periodieke resultaatsturing. 2. Preventie en vroegsignalering Uniform toepassen van preventieve werkwijzen in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo, anticiperend op de verdere implementatie van de Wet terugdringen schoolverzuim. 3.
Integrale ondersteuning Intensiveren van de samenwerking met Stevige Lokale Teams (SLT’s), sociale wijkteams en andere ketenpartners, zodat ondersteuning rondom jongeren en gezinnen tijdig, samenhangend en domein overstijgend plaatsvindt. 4. Aanpak thuiszitters en samenwerkingsafspraken (Wet terugdringen schoolverzuim) RBL zet versterkt in op het voorkomen en terugdringen van thuiszitten, met een verschuiving van reageren op verzuim naar preventie, vroege signalering en gedeelde verantwoordelijkheid. Signalering van (dreigend) verzuim wordt vroegtijdig opgepakt; langdurige uitval wordt voorkomen via risicogerichte startgesprekken, multidisciplinaire overleggen en structurele afstemming met scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Vrijstellingen worden kritisch beoordeeld en waar mogelijk beperkt in duur; bij tijdelijke vrijstellingen is een ontwikkelgericht plan van aanpak verplicht. Conform het wetsvoorstel maken we heldere afspraken over rollen, aanspreekpunten, gegevensdeling en warme overdracht.
2
5. Solide financiële verantwoording en transparantie Heldere scheiding en rapportage van activiteiten en middelen voor leerplicht en Doorstroompunt, uitgesplitst naar niveau 1 en niveau 2, met eenduidige indexering, reserve‑beleid en weerstandsvermogen. 5. Gemeenschappelijke Regeling en uitvoeringsstructuur De gemeenschappelijke regeling schoolverzuim en VSV regio West-Brabant opereert onder de naam Regionaal Bureau Leren (RBL) West‑Brabant. De samenwerking kent twee uitvoeringsniveaus: Uitvoering – niveau 1 (basis voor alle gemeenten) Alle veertien gemeenten nemen deel aan niveau 1. RBL verzorgt: -de centrale Leerplicht‑ en Doorstroompuntadministratie; -het leveren van feitelijke cijfers per gemeente over leerplicht en Doorstroompunt. De uitvoerende organisaties binnen de gemeenten duiden en interpreteren deze cijfers in de lokale context. Sturing en coördinatie op de Doorstroompunt‑functie worden regionaal afgestemd. Uitvoering – niveau 2 (verdiepte samenwerking) Wanneer gemeenten gezamenlijk optrekken in begeleiding en toezicht op het gebied van leerrecht en kwalificatieplicht, spreken we van niveau 2. – West‑Brabant Oost: Breda, Moerdijk, Drimmelen, Geertruidenberg en Oosterhout werken intensief samen in één uitvoerend team voor leerplicht en Doorstroompunt (5–27 jaar). Jongeren worden begeleid naar passende opleiding, zorg of werk.
Uitvoering – overige samenwerkingen in de Regio – West‑Brabant West: Bergen op Zoom, Halderberge, Roosendaal, Steenbergen en Woensdrecht werken in een netwerksamenwerking met lokale uitvoering van leerrecht en Doorstroompunt (5–27 jaar). Uitvoering - zelfstandige uitvoering in de Regio –Altena, Etten‑Leur, Rucphen en Zundert voeren de leerrecht‑ en Doorstroompunt‑taken zelfstandig uit. Alle gemeenten streven naar maximale uniformiteit in basisprocessen en kwaliteit, met ruimte voor lokaal maatwerk. Afspraken worden gemaakt in het ambtelijk overleg van de veertien gemeenten.
3
Aanvulling 2027 (financiële uitsplitsing): in de begrotingsopzet worden de onderdelen uitgesplitst naar: -Leerplicht niveau 1 -Leerplicht niveau 2 (team Oost) -Doorstroompunt niveau 1 -Doorstroompunt niveau 2 (team Oost) 6. Regionaal programma VSV en jeugdwerkloosheid 2026–2029 Het regionaal VSV programma en jeugdwerkloosheid valt niet onder de gemeenschappelijke regeling van het RBL, maar vormt wel een essentieel onderdeel van de uitvoering van de regionale aanpak om voortijdig schoolverlaten te voorkomen.
Vanaf 2026 wordt binnen het programmakader 2026–2029 een nieuw regionaal programma Voortijdig Schoolverlaten (VSV) uitgevoerd. Dit programma richt zich op: -het afremmen van ongediplomeerde uitstroom in het voortgezet onderwijs; -het bevorderen van een succesvolle instroom en doorstroom in het mbo; -het verminderen van uitval in het mbo door vroegtijdige ondersteuning en maatwerk; -waar nodig: begeleiding naar duurzaam werk. Het programma versterkt de samenwerking tussen Doorstroompunt en Werk & Inkomen, zodat onderwijs- en arbeidsmarktdomein elkaar versterken. Het regionaal programma VSV en JWV (Jongeren Werken naar Verantwoordelijkheid/Verzelfstandiging) wordt doorontwikkeld met duidelijke KPI’s, fasering en borging. 7. Missie en visie Leerplicht en leerrecht – Missie Ieder kind en iedere jongere verdient de kans zich te ontwikkelen op een passende manier. Wie (dreigt te) uitvalt in het onderwijs, kan rekenen op tijdige, passende ondersteuning. Leerplicht en leerrecht – Visie We bieden kinderen en jongeren ondersteuning om weer op een passend ontwikkelpad te komen – in onderwijs of een passend alternatief. We zien de jongere in zijn/haar context (gezin, netwerk, school, buurt) en werken samen met onderwijs, zorg en arbeidsmarktpartners. We denken en handelen vanuit kansen, met vroegtijdige signalering om escalatie te voorkomen.
Doorstroompunt en Wet van School naar Duurzaam Werk – Ambitie en uitgangspunten Onze ambitie: geen jongere valt tussen wal en schip. De behoefte van de jongere staat centraal, niet de regeling. Regionale samenhang in uitvoering gaat hand in hand met ruimte voor lokaal maatwerk waarbij de ambitie altijd is dat elke jongere in de regio hetzelfde aanbod krijgt.
4
Dit vertalen we naar vijf uitgangspunten: -Startkwalificatie als basis waar haalbaar; -No wrong door: elke ingang leidt tot passende ondersteuning, met warme overdracht en gedeelde verantwoordelijkheid; -Duidelijke regie‑afspraken: onderwijs is primair aan zet zolang jongeren op school zitten; waar nodig legt onderwijs de verbinding met Doorstroompunt (zonder startkwalificatie) of Werk & Inkomen (met startkwalificatie); - Outreachende, zichtbare en herkenbare dienstverlening; -Gelijke basis, maatwerk in uitvoering: uniforme basisprocessen en kwaliteit, met lokale variatie in aanpak waar passend. 8. Speerpunten 2027 • •
•
•
• •
Preventie en vroegsignalering: verzuim voorkomen via risicogerichte startgesprekken, MDO’s en verzuimspreekuren op scholen met verhoogd risico (pro, vso, mbo 1/2). Aansluiten op ontwikkelbehoefte: maatwerktrajecten zo thuis‑nabij mogelijk; integraal ontwikkelpad met onderwijs, zorg en participatie; structurele begeleiding voor kwetsbare groepen (o.a. pro/vso, multiproblematiek). Zichtbaarheid en samenwerking: vaste doorstoomcoach als aanspreekpunt per gemeente die het lokale zorglandschap kent; heldere afspraken met scholen en samenwerkingsverbanden; sectorale overleggen op het mbo voor trend- en knelpuntenmonitoring. Omslag naar leerrecht en ontwikkelperspectief: voor 18‑min de omslag van leerplicht naar leerrecht; voor 18‑plus focus op duurzaam ontwikkelperspectief (mbo‑certificaten, praktijkleren, leer‑werktrajecten richting arbeid). Nazorg en kwaliteitsborging: systematisch feedback ophalen bij jongeren en ouders en benutten voor continue verbetering. Uitbreiding Doorstroompunt tot 27 jaar: extra formatie en expertise; verschuiving naar maatwerk rondom ontwikkeling, arbeid en zorg; scholing, vernieuwde werkprocessen en afstemming met Werk & Inkomen.
9. Financiële kaders 9.1 Uitgangspunten en indexering De begroting 2027 wordt opgesteld als structureel sluitende meerjarenbegroting met een doorkijk tot en met 2030. Uitgangspunt is ongewijzigd beleid, tenzij eerder bestuurlijk besloten. Indexering van de gemeentelijke bijdragen volgt de meest recente circulaires en CPB‑ramingen: voor lonen de loonvoet sector overheid en voor prijzen de index van de netto materiële consumptie.
5
9.2 Reserves en resultaatbestemming Het RBL streeft naar een stabilisering van de kosten en staat open om eventuele bespaaropties te onderzoeken. Echter, in 2024 is door de deelnemende gemeenten juist een noodzakelijke extra investering gedaan in capaciteit en middelen om de basis binnen het RBL op orde te brengen zodat daarmee de wettelijke taak uitgevoerd kan worden. De afgelopen jaren is het RBL in het Doorontwikkelingstraject bezig geweest met de aanscherping van deze wettelijke taken en de financiële uitwerking daarvan. Daarbij is nadrukkelijk gekeken wat nodig is (wettelijk) en wat wenselijk om de omslag naar leerrecht te kunnen maken (preventie en outreachend werken). Naast het op orde houden van de basistaken komen er in 2026 aanvullende taken die gefinancierd dienen te worden: uitbreiding takenpakket door nieuwe wet van School naar Duurzaam Werk en door het onderbrengen van Neet programma en vangnet coördinatoren die afgelopen jaren elders gefinancierd konden worden. Dit maakt dat het bestuur van RBL op dit moment geen mogelijkheden ziet voor verdere kostenbesparingen. En daarmee nu niet kan voldoen aan de voorgestelde financiële richtlijn voor bezuinigingen. Binnen de GR zijn geen richtlijnen vastgesteld voor algemene reserves. Mochten deze ontstaan zullen doel, inzet en verloop van reserves inzichtelijk worden gemaakt.
Reserves die gedurende twee jaar niet worden ingezet, vallen – tenzij anders besloten – vrij. Positieve jaarrekeningresultaten worden uitgekeerd aan de deelnemers, tenzij het Algemeen Bestuur gemotiveerd anders besluit. 9.3 Bijdragen per deelnemer De definitieve bijdragen per gemeente voor 2027–2030 worden – na toepassing van indexen en verwerking van volumewijzigingen – opgenomen in de ontwerpbegroting 2027. 10. Weerstandsvermogen en risico’s Belangrijkste risico’s: implementatie nieuwe wetgeving (WSDW per 1‑1‑2026 en naar verwachting Besluit terugdringen schoolverzuim per 1‑8‑2026, benodigde formatie en expertise voor de uitbreiding naar 27 jaar, financiële onzekerheden (indexeringen en prijsontwikkelingen), afhankelijkheid van ketenpartners voor preventie, nazorg en integrale ondersteuning, en datakwaliteit/informatievoorziening binnen de centrale administratie en monitoring. Beheersmaatregelen: projectmatige implementatie met fasering en mijlpalen; structurele afstemming met gemeenten over doorgeleide middelen en indexen; capaciteitsplanning en gerichte scholing voor Doorstroompunt‑coaches en leerplichtambtenaren; regionale samenwerkingsafspraken met SLT’s, wijkteams en onderwijsinstellingen; en kwaliteitsborging van data via uniforme registratie en periodieke audits.
De benodigde weerstandscapaciteit wordt bepaald op basis van de risico‑inschattingen en uitgewerkt in de ontwerpbegroting. 6
11. Planning en besluitvorming Rekening houdend met de Nota verbonden partijen en overige samenwerking West-Brabant: -Kaderbrief: uiterlijk 1 februari; -Ontwerpbegroting 2027: opstellen en toezenden voor 1 april; -Zienswijzenprocedure: uiterlijk 19 juni 2026 -Vaststelling begroting: na verwerking van zienswijzen door het Algemeen Bestuur (na 1 juli). 12. Slot en contact Deze kaderbrief vormt de basis voor de ontwerpbegroting 2027 van RBL West‑Brabant. Het bestuur nodigt de gemeenteraden uit om via de zienswijzenprocedure richting te geven aan de verdere uitwerking van de begroting. Vragen of behoefte aan toelichting? Gemeenten kunnen terecht bij het bestuur of de ketenmanager jeugd via het RBL‑secretariaat.
7
Kaderbrief 2027
2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .....................................................................................................3 Inleiding ..............................................................................................................4 Toekomstige ontwikkelingen ...................................................................................7 Concrete ontwikkelingen 2027...............................................................................14 Bedrijfsvoering ....................................................................................................21 Financiële uitgangspunten ....................................................................................24
3
Inleiding Voorwoord De kaderbrief 2027 vormt het vertrekpunt in de Planning & Control (P&C) cyclus voor het begrotingsjaar 2027. Hierin beschrijven we de belangrijkste (te verwachten) ontwikkelingen op milieu- en duurzaamheidsgebied voor de korte en middellange termijn en schetsen we de financiële kaders waarbinnen we werken. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) staat voor een schone, gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. We richten ons op thema’s als zeer zorgwekkende stoffen, de Kaderrichtlijn Water, de energietransitie en de circulaire economie. Deze onderwerpen raken iedereen: inwoners en ondernemers, steden en dorpen, industrie en platteland. We leven bovendien in een tijd van grote veranderingen. Klimaat, landbouw, energie en digitalisering ontwikkelen zich gelijktijdig, wat ons voor flinke uitdagingen stelt. Tegelijkertijd zien wij hierin ook kansen om samen met onze partners vooruitgang te boeken. De kwaliteit van onze leefomgeving is cruciaal voor onze gezondheid, veiligheid en toekomstbestendigheid. De OMWB speelt daarin een sleutelrol door middel van vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering. Om die rol goed te vervullen, is het nodig om te blijven investeren in de kennis en deskundigheid van onze medewerkers en in slimme informatiesystemen die ons in staat stellen risicogericht en data-gestuurd te werken.
Daarbij is het essentieel dat we onze opdrachtgevers tijdig informeren en samen duidelijke afspraken maken over het vervolg. Alleen zo kunnen we de noodzakelijke transities daadwerkelijk ondersteunen. Gelukkig staat de OMWB er niet alleen voor. Samen met de andere omgevingsdiensten delen we steeds vaker kennis en inzichten. Dat voorkomt dubbel werk en vergroot onze slagkracht. Toch staat kennismanagement nog in de kinderschoenen. De kaderbrief 2027 baseerden we daarom grotendeels op de eigen inspanningen van de OMWB, aangevuld met documenten van Omgevingsdienst NL. In de toekomst verwachten we dat gezamenlijke kennis steeds vaker de basis vormt, waarbij we deze vertalen naar de lokale situatie. De komende jaren werken we verder aan het vertalen van complexe maatschappelijke vraagstukken naar uitvoerbare oplossingen en bereiden we ons voor op veranderende weten regelgeving, zoals de Kaderrichtlijn Water, Klimaatwet en energietransitie. De opgaven nemen toe, waardoor we extra capaciteit nodig hebben en sterker inzetten op datagestuurd werken. Het nieuwe geografische systeem gaat vanaf 2027 een belangrijke rol spelen in onze manier van werken. Naast deze inhoudelijke uitdagingen staan we ook voor een financiële werkelijkheid. Vanaf 2026 nemen de rijksinkomsten voor gemeenten en omgevingsdiensten af.
Dat betekent dat we, naast het ontwikkelen van nieuwe thema’s, voortdurend scherp moeten kijken naar waar we slimmer en efficiënter kunnen werken. De kaderbrief biedt daarmee een eerste inzicht in de ontwikkelingen die ons de komende jaren te wachten staan en in de manier waarop wij daarop inspelen. Onze medewerkers zetten zich met kennis, passie en enthousiasme in voor een leefomgeving waarin gezondheid, veiligheid en duurzaamheid vooropstaan. Met gezamenlijke inzet en betrokkenheid zijn wij ervan overtuigd dat we de komende jaren belangrijke stappen vooruit zetten.
4
Aansluiten bij missie en visie van de organisatie In 2030 profileert de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) zich als een robuuste, wendbare en toekomstgerichte organisatie. Wij richten ons niet alleen op de uitvoering van onze kerntaken, maar spelen ook proactief in op de steeds complexere uitdagingen in de fysieke leefomgeving. Deze leefomgeving staat onder toenemende druk, wat ons werk relevanter maakt dan ooit. Samen met onze deelnemers, ketenpartners, stelselpartners en bedrijven leveren wij een wezenlijke bijdrage aan het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van onze regio. Onze medewerkers zijn gedreven hoeders van de leefomgeving: betrokken professionals die met passie werken aan het behouden en verbeteren van de omgevingskwaliteit. In onze visie voor 2030 streven we naar een kennis- en datagedreven organisatie die werkt met risicogericht toezicht en besluitvorming. Door middel van geavanceerde dataverzameling en -analyse voeren we niet alleen onze VTH-taken (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) effectief uit, maar monitoren en sturen we ook bredere thema’s op het gebied van milieu, natuur en duurzaamheid. Ons doel is om te werken met betrouwbare informatie en robuuste processen, zodat we snel en zorgvuldig kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen, veranderende wet- en regelgeving en de toenemende complexiteit van de fysieke leefomgeving.
We willen steeds meer integraal werken, zowel binnen onze eigen organisatie als in samenwerking met onze partners in de regio. Dit stelt ons in staat om gezamenlijk de grote maatschappelijke opgaven aan te pakken, zoals stikstofreductie, de energietransitie, het terugdringen van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en de transitie naar een circulaire economie. Ook versterken we onze rol als adviserend en ondersteunend orgaan voor onze deelnemers en andere overheden, zodat we bijdragen aan beleidsontwikkeling én de uitvoering van concrete projecten met impact op de regio. Ons netwerk binnen Omgevingsdienst NL biedt daarbij kansen om niet alleen lokaal, maar ook landelijk bij te dragen aan beleidsontwikkeling en kennisdeling. Adaptief werken vormt een essentieel uitgangspunt. De OMWB blijft flexibel en alert, zodat we snel kunnen reageren op relevante veranderingen in wet- en regelgeving of maatschappelijke trends. Door ons netwerk actief in te zetten en voortdurend te monitoren wat er speelt, signaleren we tijdig welke ontwikkelingen invloed hebben op onze werkgebieden. Deze kennis vertalen we naar concrete adviezen en handelingsperspectieven voor onze deelnemers en partners, zodat we als organisatie altijd voorbereid zijn op de toekomst.
Daarnaast blijft de OMWB in 2030 een aantrekkelijke werkgever, die ruimte biedt voor persoonlijke ontwikkeling in een cultuur van samenwerking, vakmanschap en betrokkenheid. We stimuleren een werkomgeving waarin medewerkers zich gewaardeerd voelen en hun passie voor het vak kunnen blijven voeden. Dit draagt bij aan de vitaliteit en het succes van onze organisatie. We willen niet alleen een uitvoeringsorganisatie zijn, maar ook een waardevolle adviseur die bijdraagt aan de transitie naar een duurzamere en veerkrachtigere fysieke leefomgeving. Onze kernwaarden – samenwerkingsgericht, ontwikkelingsgericht en omgevingsgericht – vormen hierbij de leidraad. We werken op basis van betrouwbare gegevens, gestandaardiseerde processen en continue verbetering. Door te leren van zowel interne ervaringen als externe ontwikkelingen blijven we vooruitkijken en goed voorbereid op de toekomst.
5
In 2030 is de OMWB dus niet alleen een organisatie die haar kerntaken uitstekend uitvoert, maar ook een proactieve partner die kennis deelt, adviseert en samenwerkt aan de grote vraagstukken van onze tijd. Onze medewerkers blijven de drijvende kracht achter deze ambities en leveren met hun expertise een betekenisvolle bijdrage aan een gezonde, veilige en duurzame regio. Leeswijzer De kaderbrief 2027 volgt in opzet de lijn van voorgaande jaren en bestaat uit de volgende onderdelen: •
•
• •
Toekomstige ontwikkelingen Een beschrijving van recente of verwachte ontwikkelingen, die voortkomen uit nieuwe wet- en regelgeving of maatschappelijke discussies, waarvan we de gevolgen voor de OMWB en haar deelnemers nog niet concreet kunnen duiden. Toekomstige ontwikkelingen met doorwerking in het uitvoeringsprogramma Een toelichting op de ontwikkelingen die we kunnen vertalen naar concrete producten of activiteiten binnen het uitvoeringsprogramma van de OMWB (P1, P2, P3 of concernbudget). Ontwikkelingen binnen de bedrijfsvoering Een overzicht van interne verbeteringen en initiatieven die bijdragen aan de versterking van de organisatie, processen en medewerkers. Financiële paragraaf Een toelichting op de financiële kaders en verwachtingen voor het boekjaar 2027, inclusief relevante begrotings- en investeringsaspecten.
6
Toekomstige ontwikkelingen Introductie De wereld om ons heen verandert in hoog tempo. Deze veranderingen hebben directe invloed op de fysieke leefomgeving en daarmee op het werk van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). Om effectief te blijven inspelen op nieuwe omstandigheden, houdt de OMWB continu rekening met veranderende wet- en regelgeving, beleidsontwikkelingen en maatschappelijke trends. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar de Europese, nationale en regionale ontwikkelingen, die de toekomstbestendigheid van onze organisatie kunnen beïnvloeden. Ook het maatschappelijk debat – bijvoorbeeld over duurzaamheid, gezondheid of energie – beïnvloedt steeds vaker de inhoud, prioriteiten en werkwijze van de OMWB. In deze kaderbrief brengen we de belangrijkste ontwikkelingen in beeld. Sommige zijn nieuw, andere vloeien voort uit eerder ingezette trajecten of lopende werkzaamheden. Door deze samen te beschrijven ontstaat een actueel overzicht van factoren die richting geven aan onze strategie, taakuitvoering en samenwerking met gemeenten. In het volgende hoofdstuk werken we de onderwerpen verder uit die naar verwachting in 2027 concrete (financiële) impact hebben op de OMWB of haar deelnemers.
Daarbij beschrijven we niet alleen de aard van de impact, maar ook zo concreet mogelijk de benodigde middelen en de wijze waarop we deze kunnen financieren uit specifieke begrotingsposten.
Green Deal De komende jaren zal Europese milieuwetgeving steeds meer invloed hebben op de nationale en lokale regelgeving. Nieuwe richtlijnen uit de Europese Green Deal – zoals de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijn, de natuurherstelverordening, de bodemmonitoringsrichtlijn en de herzieningen van de richtlijnen stedelijk afvalwater en industriële emissies – zullen leiden tot strengere normen voor lucht, water, bodem en natuur. De overheid zal deze richtlijnen vertalen naar nationale regels die door gemeenten en omgevingsdiensten moeten worden uitgevoerd. De nadruk verschuift daarbij van beheer naar herstel en van sectorale naar integrale aanpakken. Gemeenten krijgen te maken met nieuwe verplichtingen rond monitoring, participatie, rapportage en naleving, terwijl bestaande opgaven zoals woningbouw, energietransitie en klimaatadaptatie blijven doorlopen.
Klimaatwet De Klimaatwet geeft richting aan hoe Nederland stap voor stap klimaatneutraal wordt. Het uiteindelijke doel is dat we in 2050 vrijwel geen broeikasgassen meer uitstoten en volledig overstappen op duurzame energie. Onderweg zien we duidelijke mijlpalen: in 2030 moet de uitstoot bijna gehalveerd zijn ten opzichte van 1990, en de elektriciteitsproductie moet in 2050 helemaal CO2-neutraal zijn. Jaarlijks vindt controle plaats en elke vijf jaar stelt het Rijk een Klimaatplan op, zodat duidelijk blijft welke keuzes en maatregelen nodig zijn om deze doelen te halen. Dit raakt dus de VTH-taken (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving). Bedrijven, instellingen en gemeenten moeten immers maatregelen nemen om emissies te beperken en energie-efficiëntie te verhogen. 7
Nota Ruimte Nederland is een dichtbevolkt land. Met ruim 18 miljoen mensen op een relatief klein oppervlak moeten we voortdurend slimme keuzes maken over hoe we onze ruimte inrichten. Wonen, werken, landbouw, natuur, energie, waterveiligheid – alles vraagt om plek. Om te zorgen dat Nederland ook in 2050 en 2100 een gezond, leefbaar en aantrekkelijk land blijft, werkt het Rijk aan een nieuwe Nota Ruimte. Deze nota vervangt de huidige Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en schetst de koers voor de lange termijn. De Nota Ruimte gaat niet alleen over mooie vergezichten of abstract beleid. Het is een document dat de praktijk van alledag raakt. Want de keuzes die het Rijk samen met provincies, gemeenten en waterschappen maakt, hebben direct invloed op hoe wij bouwen, de energietransitie vormgeven, natuur herstellen en landbouw toekomstbestendig maken. Het gaat dus over concrete vraagstukken van nu , straks (2050) en later (2100). De uitdagingen zijn groot: • • • • •
er moeten voldoende woningen komen; de overgang naar een klimaatneutrale samenleving moet worden versneld; de circulaire economie vraagt nieuwe kaders en innovaties; natuur en waterkwaliteit moeten verbeteren; landbouw en voedselvoorziening moeten duurzaam en toekomstgericht worden ingericht.
Daarbovenop lopen er grote nationale programma’s voor het energienetwerk, waterveiligheid, defensie en economie. Al deze thema’s hebben een sterke milieudimensie – en daar komen de omgevingsdiensten nadrukkelijk in beeld. Voor omgevingsdiensten betekent dit dat hun werk verandert. Niet alleen bij de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving, maar ook in hun adviserende rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Milieuaspecten – zoals externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem, energie en klimaat – moeten we vanaf de start integraal meenemen in plannen en projecten. De Nota Ruimte legt hiervoor de richting vast en dat betekent dat omgevingsdiensten zich nu al moeten voorbereiden. Zodra de Nota Ruimte definitief is, voert de OMWB een impactanalyse uit. Daarmee brengen we in kaart hoe groot de invloed van de nota is op onze taken en waar we onze rol moeten versterken. Eén ding staat vast: de Nota Ruimte is niet alleen een Rijksdocument. Het is een koerswijziging die de dagelijkse praktijk van de omgevingsdiensten rechtstreeks raakt.
Wet op de defensiegereedheid (Wodg), uitzondering defensie De wereldwijde veiligheidssituatie verslechtert en de dreiging richting Nederland neemt toe. Deze toegenomen dreiging raakt niet alleen Defensie, maar ook onze maatschappij als geheel. Hoewel het moeilijk te voorspellen is in welke situaties deze dreiging zich concreet zal manifesteren, moeten wij als regio wel voorbereid zijn op de mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving en onze taken daarin. Binnen de Omgevingswet mag de overheid in uitzonderlijke gevallen afwijken van normale procedures, wanneer dit noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. Dit betekent een uitzondering voor Defensie van reguliere regels voor vergunningverlening, inspraak en openbaarheid in bepaalde situaties. Concreet houdt dit in dat:
8
• • • •
bij militaire noodzaak geen verplichte participatie- of inspraakprocedures hoeven plaats te vinden; bepaalde milieugegevens niet openbaar worden gemaakt; vergunningprocedures versneld kunnen worden uitgevoerd bij acute veiligheidsbelangen; toezicht en naleving grotendeels binnen de eigen Defensieorganisatie plaatsvindt.
Defensie-inrichtingen vallen onder een eigen toezichtstructuur. Alleen wanneer Defensie als civiele partij optreedt — bijvoorbeeld bij bouwprojecten, samenwerkingen met gemeenten of gebruik van publieke infrastructuur — komen de bevoegde gezagen in onze regio in beeld. In die gevallen speelt ook onze omgevingsdienst een rol bij de advisering of uitvoering van civiele milieuregelgeving.
Uitzondering toelevering defensie bedrijven (dual use) Ook bedrijven die civiele producten maken kunnen onder de uitzonderingsregel vallen. Dit is het geval bij dual use, ofwel goederen, technologieën en stoffen die zowel civiele als militaire toepassingen kennen . Denk aan chemicaliën, hightech apparatuur of kennis gebruikt voor zowel medische toepassingen als de productie van wapens of raketten. De Europese Unie en de Nederlandse overheid richtten hiervoor enerzijds een vergunningstelsel en toezichtstructuur in om te voorkomen dat dergelijke goederen of kennis in handen komen van partijen die de internationale veiligheid kunnen ondermijnen. Anderzijds hoeven deze bedrijven niet altijd aan bepaalde milieuwetgeving te voldoen om vertraging van de productie te voorkomen. De vormgeving hiervan vraagt nog om uitwerking.
Schaarste drinkwater Het produceren, transporteren en gebruik van drinkwater is in toenemende mate gebonden aan nationale en internationale regels. De Europese Drinkwaterrichtlijn (2020/2184) stelt minimumeisen aan de kwaliteit van drinkwater, versterkt het recht op toegang tot drinkwater en bevat nieuwe normen voor opkomende stoffen. Lidstaten implementeren deze richtlijn in 2026 volledig. De Drinkwaterwet (Nederland) regelt de levering, kwaliteit en beschikbaarheid van drinkwater in Nederland. De wet verplicht tot het waarborgen van veilig, schoon en betrouwbaar drinkwater voor alle gebruikers en legt nadruk op leveringszekerheid, volksgezondheid en duurzaam gebruik van grondstoffen. Voor bedrijven betekent dit vooral: •
•
Strengere kwaliteitsnormen Bedrijven die drinkwater gebruiken of leveren aan derden krijgen te maken met aangescherpte eisen voor parameters zoals PFAS, lood, microbiologische verontreinigingen en andere opkomende stoffen. Dit sluit aan bij de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water, die uiterlijk in 2027 een goede chemische en ecologische toestand van water voorschrijft. Bedrijven moeten hun productieprocessen, monitoring en rapportage hierop afstemmen. Meer verantwoordelijkheid en transparantie Voor bedrijven geldt een uitgebreidere informatieplichten richting overheid en afnemers, onder meer over waterkwaliteit, risico’s en eventuele incidenten. Dit vraagt om verbeterde interne controlesystemen, risicobeoordelingen en periodieke rapportages. 9
•
•
Efficiënt gebruik en beperking van verspilling Zowel de Drinkwaterwet als de Europese richtlijn bevatten bepalingen over duurzaamheid en efficiënt gebruik van water. Bedrijven moeten verspilling actief tegengaan, bijvoorbeeld door het beperken van waterverliezen in leidingnetten en het optimaliseren van productieprocessen. Dit stimuleert investeringen in waterbesparende technieken, hergebruik en circulaire oplossingen, waaronder proceswaterrecycling en het gebruik van alternatieve waterstromen. Vergunnings- en toezichtdruk De aansluiting op de Kaderrichtlijn Water betekent dat bedrijven ook indirect te maken krijgen met een strengere toetsing van lozingen en onttrekkingen. Dit heeft gevolgen voor vergunningverlening en toezicht. Tijdige afstemming met omgevingsdiensten en waterbeheerders wordt essentieel om naleving te waarborgen en vertraging in procedures te voorkomen.
Deze wet- en regelgeving is zowel voor gemeenten als voor omgevingsdiensten relevant. Gemeenten blijven een rol spelen bij de uitvoering van de richtlijn, onder meer bij het bevorderen van toegang tot drinkwater voor kwetsbare groepen, communicatie richting inwoners en afstemming met waterbedrijven over ruimtelijke plannen en leveringszekerheid. Bij vergunningverlening moeten zij meer rekening houden met drinkwaterbelangen, bijvoorbeeld bij bouwprojecten of grondwateronttrekking. Omgevingsdiensten krijgen een grotere rol in toezicht en handhaving op naleving door bedrijven, met name waar het gaat om lozingen, wateronttrekking en de naleving van kwaliteitseisen. Zij moeten hun kennis naar nieuwe stoffen verder uitbreiden, zoals PFAS, microplastics en residuen van geneesmiddelen, en daarnaast nauwer samenwerken met waterschappen en drinkwaterbedrijven. Op termijn gelden naar verwachting ook expliciete regels voor het tegengaan van drinkwaterverspilling.
Gezondheid De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) concludeerde in 2023 dat de bescherming van omwonenden tegen langdurige industriële uitstoot tekortschiet. Hierop reageerde het Rijk met de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Deze richt zich onder meer op strengere luchtkwaliteitsnormen en het opnemen van gezondheid als volwaardig criterium in vergunningverlening. De provincie Noord-Brabant streeft naar drie extra gezonde levensjaren per inwoner in 2030. Daarnaast kunnen gemeenten via het omgevingsplan regels stellen om milieubelasting te beperken. De Europese Unie nam in 2024 een nieuwe richtlijn voor luchtkwaliteit aan die striktere luchtemissie-eisen stelt aan industrieën en andere vervuilingsbronnen. Deze richtlijn is onderdeel van het bredere EU-actieplan voor een “Zero Pollution” beleid tegen 2050. Voor de OMWB is een gezonde leefomgeving al langer een belangrijk thema, met ervaring op het gebied van milieukwaliteit en de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De uitdaging zit in het structureel borgen van gezondheid in vergunningverlening, toezicht, handhaving en advies . Samenwerking met GGD is hierbij essentieel. De focus op milieu gerelateerde gezondheid heeft de volgende impact voor de VTHA-uitvoering van de OMWB. Vergunningverlening • •
(Nog) meer aandacht voor maatregelen om emissies en hinder te beperken, met gebruikmaking van de adviezen uit het OvV-rapport en de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Toetsing aan strengere emissie-eisen.
10
Toezicht en handhaving • • •
Verscherpt toezicht op naleving van de te controleren aspecten bij luchtemissies, zoals de verplichtingen voor beheersplannen en meetplannen. Meer druk om overtredingen met betrekking tot emissiereductie en hinder actief te sanctioneren. Meer aandacht voor proactieve inzet van instrumenten als (specifieke) zorgplicht.
Advisering • •
Adviseren van gemeenten bij het stellen van regels voor het omgevingsplan om milieubelasting en hinder te beperken (project SPRONG). Samen met de GGD de belasting van de omgeving op leefniveau visueel in beeld brengen. Dit geeft gemeenten sturingsinformatie voor het stellen van regels in het omgevingsplan en vastleggen van decentrale omgevingswaarden. En dat geeft provincie en gemeenten sturingsinformatie om VTHA-middelen meer te concentreren op gebieden met een grote milieu-impact en gezondheidsrisico’s.
Stikstofproblematiek De stikstofontwikkeling in Nederland laat sinds 1990 een duidelijke daling zien, vooral door maatregelen in de landbouw, industrie en het verkeer. Hoewel de gemiddelde stikstofdepositie inmiddels met ongeveer 51% daalde ten opzichte van 1990, komt er op grote delen van het Nederlandse natuuroppervlak nog altijd te veel stikstof neer. Vooral de intensieve veehouderij vormt een belangrijke bron van ammoniakemissie, die in de natuur als voedingsstof neerslaat en leidt tot verdringing van kwetsbare flora en afname van biodiversiteit. Binnen het thema stikstof richten we ons daarom zowel op de neerslag van ammoniak uit de landbouw, als op de uitstoot van stikstofoxiden uit verkeer en industrie. Door de huidige regels is het nagenoeg onmogelijk om invulling te geven aan nieuwe ontwikkelingen. De provincie Noord-Brabant probeert voor agrarische bedrijven een deel van deze impasse te doorbreken. Het proces dat de provincie Noord-Brabant momenteel doorloopt – gebaseerd op de notitie 'Bijstellen aanpak ammoniakemissie-eisen en veehouderijen' – richt zich primair op het agrarische deel van de stikstofopgave. Tegelijkertijd speelt stikstof ook nadrukkelijk in het industriële domein, waar gemeenten het bevoegd gezag zijn.
Daardoor raakt de provinciale koers niet alleen de landbouw, maar heeft deze mogelijk ook gevolgen voor gemeentelijke VTH-taken richting industriële bedrijven. In beide domeinen blijft de stikstofproblematiek een complex en veranderlijk dossier, met veel landelijke en regionale beleidswijzigingen, die de afgelopen jaren grote impact hadden op onze VTHKA-activiteiten. We verwachten dat deze dynamiek voorlopig niet afneemt en blijven daarom nauw afstemmen met onze opdrachtgevers. De provincie paste in december 2025 de Omgevingsverordening aan om ruimte te creëren voor ontwikkelingen in de veehouderij. Door plaatsing van emissiearme stalsystemen toe te staan via een melding in plaats van een vergunning, kan worden voldaan aan de strenge emissie-eisen uit de Omgevingsverordening. Momenteel ligt de vergunningverlening vrijwel stil door een gerechtelijke uitspraak, die stelt dat elk emissiearm stalsysteem moet worden beoordeeld via een passende beoordeling – iets waarvoor de kaders nog ontbreken. De provincie ziet nu echter de opgenomen eisen in de Omgevingsverordening als die passende beoordeling, waardoor een vergunning niet langer nodig is.
11
Veehouders kunnen hierdoor hun lopende natuurvergunningaanvraag (circa 1.700 in Brabant) intrekken en een melding indienen voor het beoogde emissiearme stalsysteem. Wel geldt als harde randvoorwaarde dat uitbreiding van het aantal dieren in Brabant niet langer is toegestaan. De emissie-eisen blijven onverminderd van kracht, waardoor boeren emissiearme systemen moeten installeren binnen de bestaande stalruimte. Voor gemeenten kan deze provinciale wijziging leiden tot een toename van het aantal aanvragen voor gewijzigde milieuvergunningen: wie wijzigt ten opzichte van natuur, wijzigt vaak automatisch ook voor milieu. Wat dit alles voor de werklast van de OMWB betekent, kunnen wij op dit moment nog niet voorspellen.
STOER (versnellen van de bouw) STOER staat voor Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (2025). Het is een initiatief van minister Mona Keijzer, met als doel om de woningbouw te versnellen, kosten te verlagen, en procedures eenvoudiger te maken. In deze notitie staan meer dan 100 aanbevelingen voor het versnellen en vereenvoudigen van het “bouwproces”. De aanbevelingen hebben betrekking op de volgende onderdelen: • • • • •
Verkorten van de planvormingsfase door middel van standaardisatie en parallelle uitvoering van trajecten Verminderen van de onderzoeklast Bezwaar- en beroepsprocedure eenvoudiger en sneller inrichtingen Landelijke bouweisen i.p.v. lokale varianten Aanpassen/versimpelen van eisen op gebied van milieuthema’s: milieu, natuur, bodemonderzoek, grondverzet, milieuzonering, etc.
De concrete uitwerking van STOER moet nog plaatsvinden, maar wordt zeker binnen een periode van 5 jaar worden geïmplementeerd. De impact voor de OMWB heeft met name betrekking op ruimtelijke initiatieven waarbij provinciale en/of gemeentelijke bedrijven een rol spelen.
Hoe gaan we meer sturen op outcome Outcome op het gebied van milieu betekent dat we niet alleen kijken naar wát we doen, maar vooral naar wát ons werk oplevert voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat om inzicht in de daadwerkelijke effecten van onze inzet: dragen ons toezicht, advisering en handhaving bij aan schonere lucht, gezonder water, minder overlast of veiliger gebruik van bodem en ruimte?
12
Door deze milieuresultaten beter zichtbaar te maken, kunnen we de waarde van ons werk voor de samenleving versterken en onze bijdrage aan brede maatschappelijke doelen beter onderbouwen. Voor de omgevingsdienst betekent deze manier van werken een verdere verschuiving van uitvoeringsgericht naar resultaatgericht werken. We ontwikkelen onze informatiepositie verder door data uit toezicht, vergunningverlening en handhaving structureel te verzamelen, analyseren en vertalen naar bruikbare inzichten. Deze gegevens helpen ons om patronen te herkennen, trends te duiden en beter te sturen op wat écht effect heeft in de leefomgeving. Vanaf 2027 sturen we steeds meer op inhoudelijke KPI’s waarop we daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen, zoals naleefgedrag, het aantal overtredingen en de effectiviteit van toezicht en interventies. We gaan niet sturen op brede maatschappelijke indicatoren zoals biodiversiteit of levensverwachting, maar op meetbare resultaten binnen onze eigen uitvoeringssfeer. In aanloop daarnaartoe actualiseren we het Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) en voeren we opnieuw een omgevings- en beleidsanalyse uit, samen met de beleidsafdelingen van onze opdrachtgevers. Zo bepalen we gezamenlijk waar de grootste maatschappelijke opgaven liggen en hoe we daar met onze inzet het meest effectief aan kunnen bijdragen.
13
Concrete ontwikkelingen 2027 Introductie Voor een aantal ontwikkelingen is inmiddels duidelijk welke VTHKA-werkzaamheden (Vergunningverlening, Toezicht, Handhaving, Klachten en Advies) de OMWB in 2027 kan/moet uitvoeren. Deze mogelijke werkzaamheden vloeien voort uit beleidsvoornemens, wettelijke verplichtingen en lopende programma’s, maar ook uit maatschappelijke discussies die de richting en prioriteiten van ons werk beïnvloeden. Denk daarbij aan thema’s energietransitie, gebruik van staalslakken en agrarische ontwikkelingen, waarover het publieke debat steeds nadrukkelijker richting geeft aan beleid en uitvoering. In de volgende paragrafen worden deze ontwikkelingen verder uitgewerkt. Per onderwerp wordt beschreven welke opties er zijn voor de inzet van de OMWB, welke kennis en capaciteit daarvoor nodig kunnen zijn, en hoe dit zich vertaalt naar de uitvoering binnen de regio Midden- en West-Brabant. Elke paragraaf sluit af met een overzichtstabel waarin de geraamde kosten voor de gehele regio zijn weergegeven. In overleg met de deelnemers kan worden bepaald of deze inzet leidt tot aanvullende kosten, of dat door middel van herschikking binnen bestaande middelen een kostenneutraal scenario mogelijk is. Deze tabellen bieden daarmee een eerste financieel kader voor de verdere uitwerking van de begroting en de bestuurlijke besluitvorming richting 2027.
Energietransitie De regio Midden- en West-Brabant staat voor grote uitdagingen in de energietransitie: de uitstoot moet fors omlaag, terwijl het elektriciteitsnet overbelast is en de energievraag blijft stijgen. Doelen voor 2030 lijken zonder extra inspanning niet haalbaar. Bedrijven, verantwoordelijk voor circa 70% van het energieverbruik, spelen hierin een sleutelrol. De OMWB levert al een bijdrage door de uitvoering van energietoezicht bij bedrijven. In 2026 vindt een herijking plaats van het gewenste uitvoeringsniveau. Dit zal naar verwachting leiden tot een aanpassing van de budgetadviezen voor deze taak in 2027. Naast de uitvoering van energietoezicht en samenwerking met bedrijven, gaat de OMWB haar rol verbreden. De organisatie verschuift van een reactieve naar een meer ondersteunende en proactieve houding. Door kennis en expertise in te zetten, helpt de OMWB gemeenten en bedrijven sneller en effectiever te verduurzamen. Daarbij ligt de focus op twee sporen: 1. Externe oriëntatie: landelijke en lokale ontwikkelingen tijdig signaleren en vertalen naar de eigen organisatie, zodat gemeenten en partners adequaat worden ondersteund. 2. Interne voorbereiding: versterken van kennis, capaciteit, voorschriften en processen zodat de OMWB voorbereid is op nieuwe taken en uitdagingen rond duurzame energie.
Om deze twee sporen kracht bij te zetten heeft de OMWB een visie ontwikkeld die in de loop van 2026 /2027 wordt uitgewerkt en geïmplementeerd. De energievisie heeft daarbij de volgende impact voor d OMWB en haar eigenaren: Voor OMWB:
14
• • • •
Groeiende behoefte aan gespecialiseerde kennis (o.a. waterstof, warmtenetten, netcongestie). Meer capaciteit nodig voor VTHKA-taken en adviesfuncties. Investeringen in interne organisatie: standaardvoorschriften, aanvraagformulieren, beoordelingskaders. Rol als strategische gesprekspartner in regionale projecten (Powerport, RES/REKS, Delta Rhine Corridor).
Voor gemeenten: • • • •
Gemeenten kunnen rekenen op meer ondersteuning bij vergunningverlening en toezicht, met snellere en beter voorbereide processen. Meer inhoudelijke advisering bij omgevingsplannen en gebiedsontwikkelingen. Betere benutting van kansenkaarten en informatie om duurzame initiatieven ruimtelijk mogelijk te maken. Vergroting van bestuurlijke handelingsperspectieven door vroegtijdige signalering van landelijke en regionale ontwikkelingen door de OMWB.
Impact OMWB 2027 en verder: Impact
Fin. post
Bedrag
A opbouwen en zorgen gespecialiseerde kennis op gebied van energie
opleiding
€. 20.000,-
B investeren in interne organisatie
P3
€. 75.000,-
C gesprekspartner
P3
€. 10.000,-
Geothermie Geothermie, het winnen van warmte uit de diepe ondergrond, biedt grote kansen als duurzame energiebron voor Brabant. Het is een vrijwel onuitputtelijke, ruimtelijk efficiënte en kosteneffectieve manier om warmte te leveren aan bijvoorbeeld wijken en glastuinbouw. In Midden- en West-Brabant zijn meerdere gebieden kansrijk, en lopend onderzoek (SCAN) zal het potentieel verder in kaart brengen. Naar verwachting zal het aantal geothermische installaties vanaf 2027 gaan toenemen. Daarmee vormt geothermie een belangrijke aanvulling op zon en wind in de regionale energietransitie. Het realiseren van een geothermie installatie is niet geheel zonder risico’s. De bevoegdheden voor plaatsen en controleren van de installatie is versnippert over meerdere instanties. Geothermieprojecten valt namelijk onder complexe wet- en regelgeving en kennen meerdere vergunningen toezichtbevoegdheden. Afstemming met andere bevoegde gezag is noodzakelijk. Geothermie valt naast de Omgevingswet namelijk ook deels onder de Mijnbouwwet waar Staatstoezicht op de Mijnen ( SodM ) toezicht op uitvoert. Het is van belang dat kennis over geothermie en de VTH uitvoering goed en tijdig binnen OMWB wordt geborgd en wordt afgestemd met de gemeenten. Geothermie heeft de volgende impact voor de VTHKA uitvoering van de OMWB.
15
• • •
VTH-medewerkers zullen vaker te maken krijgen met nieuwe toetsings- en toezichtvragen rond ondergrond, veiligheid en milieu, wat vraagt om extra kennisopbouw en samenwerking. Voor de OMWB betekent dit uitbreiding van taken binnen de basistaak milieubelastende activiteiten, in nauwe afstemming met SodM en gemeenten. De OMWB moet gemeenten actief informeren, adviseren over inpassing in omgevingsplannen en instemming vragen met werkafspraken over toezicht en handhaving.
Impact OMWB 2027 en verder: Impact
Fin. post
Bedrag
A opbouwen en borgen gespecialiseerde kennis op gebied van geothermie
opleiding
€. 5.000,-
B afstemmen van VTH taken met gemeenten en bevoegd gezag Mijnbouwet
P3
€. 15.000,-
C aanvullende VTH uitvoering geothermische installaties (basistaak)
P1
€. 10.000,-
Staalslakken (niet gemeld op risicovolle plekken) De staalslakkenproblematiek in Nederland is in 2025 uitgegroeid tot een urgent milieuvraagstuk. Staalslakken zijn restproducten uit de staalproductie, voornamelijk afkomstig van Tata Steel, en bevatten zware metalen. Ze worden al jarenlang toegepast in wegen, fietspaden, dijken en als funderingsmateriaal in bijvoorbeeld parkeerterreinen. Echter, uit onderzoek blijkt dat deze toepassingen kunnen leiden tot ernstige milieuschade, zoals verontreiniging van bodem en water, vissterfte, gezondheidsklachten bij mensen en aantasting van riolering. Tegelijkertijd is er druk vanuit de circulaire economie om grondstoffen zo veel mogelijk te hergebruiken, in plaats van te storten. Dit spanningsveld maakt de staalslakkenproblematiek complex. Daarom geldt sinds medio 2025 een verbod van een jaar en een vergunningplicht voor bepaalde toepassingen van staalslakken. Binnen die periode wordt gewerkt aan structurele regelgeving – o.a. een meldingsplicht en risicoanalyse voorafgaand aan toepassing - en innovatieve methoden om staalslakken schoner en veiliger in te zetten. Naast staalslakken zijn er meer reststoffen die als bouwstof mogen worden gebruikt.
Inmiddels heeft het IPO het Rijk opgeroepen bovengenoemde periode tevens te benutten voor fundamentele keuzes, niet alleen over staalslakken, maar over hoe we omgaan met reststoffen, risico’s en verantwoordelijkheid in een circulaire economie. Omdat de toepassing van staalslakken – en veel andere reststoffen - niet gemeld hoefde te worden heeft de OMWB weinig informatie beschikbaar van eerdere toepassingslocaties in onze gemeenten en eventuele risico’s van deze toepassingen. De staalslakkenproblematiek heeft de volgende impact voor de VTHKA uitvoering van de OMWB. 16
• • •
VTH-medewerkers zullen vaker te maken krijgen met nieuwe toetsings- en toezichtvragen rond staalslakken, gezondheidsrisico’s en milieu, wat vraagt om extra kennisopbouw en samenwerking met de GGD. Voor de OMWB betekent dit uitbreiding van taken binnen de basistaak milieubelastende activiteiten, in nauwe afstemming met gemeenten. De OMWB moet gemeenten actief informeren, adviseren over inpassing in omgevingsplannen en instemming vragen met werkafspraken over toezicht en handhaving.
Impact OMWB 2027 en verder: Impact
Fin. post
Bedrag
A Verkenning problematiek staalslakken en zo nodig andere toegepaste reststoffen die landelijk als risicovol voor mens en/of milieu worden aangemerkt, in afstemming met andere omgevingsdiensten, provincie en het ministerie van IenW
P3
€. 7.500
B Regionale strategie voor inventarisatie toepassingslocaties staalslakken en risico-inschatting in afstemming met gemeenten en GGD
P3
€. 7.500
C opbouwen en borgen gespecialiseerde kennis op gebied van staalslakken
opleiding
€. 3.000
D afstemmen van VTH taken met gemeenten en GGD
P3
€. 13.000
E aanvullende VTH uitvoering staalslakken (basistaak)
P1
€. 17.000
Ontwikkelingen in de agrarische sector en de VTH-impact De Nederlandse agrarische sector staat al jaren onder druk door de stikstofproblematiek en het verlies van derogatie. Derogatie hield in dat Nederlandse boeren, vanwege de grote hoeveelheid grasland, tijdelijk méér dierlijke mest mochten uitrijden dan in Europa was toegestaan. Dit uitzonderingsrecht is de afgelopen jaren stapsgewijs ingetrokken. Het verlies hiervan vergroot de druk op bedrijven: mestafzet wordt duurder, bedrijfsvoering moeilijker en stallen komen sneller leeg te staan. Leegstaande locaties brengen nieuwe risico’s met zich mee: een verhoogde kans op broedplaatsen voor malariamuggen en de opkomst van illegale activiteiten in het buitengebied, zoals drugslabs en illegale opslag.
17
Naast deze ruimtelijke en veiligheidsrisico’s speelt ook een milieuvraagstuk. De afgelopen jaren is er in de paardensector steeds meer gebruik gemaakt van polyvlokken of tapijtsnippers als bodembedekking bij maneges. Hoewel dit restproducten zijn, kunnen ze zich verspreiden in de omgeving. De samenstelling bevat bovendien Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), wat schadelijke effecten kan hebben op bodem en waterkwaliteit. VTH-impact voor de Omgevingsdienst en eigenaren Voor omgevingsdiensten en hun eigenaren (gemeenten) betekent dit dat de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)-opgave verandert en intensiever wordt: • • •
Vergunningverlening: nieuwe milieuaspecten (zoals polyvlokken met ZZS) vragen om scherpere toetsing bij aanvragen. Toezicht: leegstand vereist gerichte aandacht om risico’s op muggenplagen en illegale activiteiten vroegtijdig te signaleren. Handhaving: bij overtredingen rondom gebruik van restmaterialen of illegale activiteiten in leegstaande agrarische gebouwen is stevig optreden noodzakelijk.
Kortom: de transitie van de agrarische sector – versterkt door het wegvallen van derogatie – heeft directe gevolgen voor milieu, veiligheid en leefbaarheid. Omgevingsdiensten spelen hierbij een cruciale rol door samen met gemeenten en andere partners tijdig risico’s te signaleren, toezicht te houden en de leefomgeving te beschermen. Impact OMWB 2027 en verder: Impact
Fin. post
Bedrag
P3 (verkennen)
€. 20.000,-
P1 (VTH)
€. 20.000,-
B Malariamug (problematiek)
P3
€. 10.000,-
C Polyvlokken (problematiek en uitwerken VTH strategie)
P3
€. 20.000,-
A stikstofproblematiek verkenning en inrichten VTH proces
Kader Richtlijn Water Nederland moet uiterlijk eind 2027 voldoen aan de waterkwaliteitseisen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Schoon water versterkt biodiversiteit en natuurwaarden en draagt bij aan een prettige, groene leefomgeving voor inwoners. Door strikte normen voor waterkwaliteit te stellen, draagt de richtlijn bovendien direct bij aan de veiligheid en beschikbaarheid van schoon drinkwater. De KRW stelt eisen aan bedrijven, overheden, burgers en andere watergebruikers om de waterkwaliteit te verbeteren en verbiedt tevens verslechtering van de waterkwaliteit. Gemeenten moeten, net als Rijk, waterschap en de provincie, met hun beleid en uitvoering helpen om de waterkwaliteit te verbeteren. Als Nederland of een gemeente zich niet aan de regels houdt, kan dat leiden tot Europese boetes of het ongeldig verklaren van omgevingsvergunningen. Dat kan opnieuw zorgen voor vertraging van projecten, zoals we ook zien bij het stikstofdossier.
18
Hoewel er de afgelopen jaren veel is gedaan, is nu al duidelijk dat niet alle wateren in 2027 zullen voldoen aan de KRW-eisen. Gemeenten moeten daarom duidelijk kunnen laten zien dat hun besluiten bijdragen aan de KRW-doelen. Daarnaast moeten zij aantonen dat zij de afgelopen jaren maatregelen hebben genomen om deze doelen te halen. Omdat de Brabantse wateren nog niet op orde zijn, startten Rijk en regio gezamenlijk een ‘KRW-impulsprogramma’ om ‘alles op alles te zetten om aan de KRW te voldoen’. De KRW-impuls Brabant 2025-2027 beschrijft aanvullende maatregelen voor de Brabantse overheden voor de KRW-opgave in 2027. Gemeenten hebben een sleutelrol bij het verminderen van indirecte lozingen door bedrijven. Het gaat daarbij om chemische stoffen die tijdens productieprocessen vrijkomen en via het riool in het watersysteem terechtkomen. De OMWB is door de provincie en regio-gemeenten gemandateerd voor de VTH-taken op indirecte lozingen. In 2025 is de OMWB gestart met het uitbreiden van kennis en capaciteit om de VTHtaken rond indirecte lozingen ‘op niveau’ te brengen. Dat is op dit moment nog onvoldoende het geval. Deze uitbreiding is in lijn met de KRW-impuls Brabant.
Voor gemeentelijke KRW-maatregelen beschrijft de impuls concreet het intensiveren van risico gestuurd toezicht bij relevante indirecte lozingen van bedrijfsafvalwater en inclusief bijbehorende bemonstering op KRW-stoffen, in samenwerking met omgevingsdiensten en waterschappen. Om de bestuurlijke awareness te voeden ontvangen de leden van het Algemeen Bestuur rond de publicatie van deze Kaderbrief een brief van waterschap Brabantse Delta, portefeuillehouder dhr. Scholze en OMWB waarin de sleutelrol van de gemeenten bij de KRW-impuls Brabant wordt verduidelijkt en wordt ingegaan op de mogelijke consequenties bij het niet voldoen aan de KRW. Tevens wordt gevraagd de KRW bestuurlijk te agenderen en de KRW als prioriteit vast te leggen voor de komende bestuursperiode. De KRW-impuls heeft de volgende impact voor de VTHKA uitvoering van de OMWB. 1. Vergunningverlening: het “KRW-proof” maken van gemeentelijke vergunningen samen met de Brabantse waterschappen op basis van de in 2025/2026 ontwikkelde blauwdruk voor provinciale vergunningen. 2. Toezicht: het verhogen van het aantal toezichtscontroles, met name op indirecte lozingen en het nemen van meer afvalwatermonsters bij geselecteerde bedrijven. 3. Handhaving: bij overtredingen rondom afvalwaterlozingen is stevig optreden noodzakelijk.