Bijlage 4 20231010-OV Altena vast te stellen visie aanpassingen inzichtelijk bij RV vaststelling omgevingsvisie Altena 2040
Tekst van het document
69
Een risico van deze aanpak is dat spanning tussen de verschillende opgaven, ambities en belangen pas op een later moment duidelijk wordt. De in de gemeente Altena aanwezige waarden zijn kwetsbaar voor nieuwe ontwikkelingen. Vooral gezien deze kwetsbaarheden en de gemeentelijke ambities zou het OER een ‘spiegel’ moeten voorhouden, die ambities met elkaar confronteert en laat zien of deze haalbaar zijn. Het is waarschijnlijk dat bepaalde ambities niet (volledig) realiseerbaar zijn en/of met elkaar botsen en dat niet alles overal kan. Dit is inhoudelijk echter niet in het OER uitgewerkt. Dit leidt ertoe dat een grote opgave resteert voor de uitwerking van de visie. Het is de uitdaging om te zorgen dat in dat stadium integraal naar de knelpunten en belangen kan worden gekeken om alsnog tot goede oplossingen te komen en negatieve effecten voor de leefomgeving te voorkomen. Bijvoorbeeld: Hoeveel woningbouw is er mogelijk in het buitengebied, uitgaande van de landschappelijke en natuurwaarden en de draagkracht van het bodem- en watersysteem? En wat betekent dit voor de inbreidingsopgave? Tegen deze achtergrond signaleert de Commissie bij de toetsing van het OER een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende punten: 1.
Analyse leefomgevingsfoto en ambities. In het OER ontbreekt een goede analyse van de huidige situatie en autonome ontwikkelingen. Daardoor mist inzicht in knelpunten en de rol van het bestaande beleid daarin. Bovendien volgen de dilemma’s die in het OER besproken zijn niet logisch uit de leefomgevingsfoto en de ambities van de gemeente. 2. Inzicht in ruimtevraag. De opgaven voor de gemeente op het gebied van woningbouw, bedrijventerreinen, duurzame energie en landbouw én de te beschermen waarden zijn in het OER niet of nauwelijks ruimtelijk vertaald, ook niet in ‘orde van grootte’. In de ontwerp-omgevingsvisie lijken wel locaties te worden aangewezen waar ruimte is voor ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij Woudrichem. Hier komt bij dat de ontwikkeling van de haven van Werkendam niet volledig in het OER is meegenomen, terwijl deze ook ruimte vraagt en relevant is voor andere ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden. 3. Navolgbaarheid effectbeoordeling. De methodiek voor de beoordeling van effecten is niet duidelijk beschreven. Vooral omdat veel ontwikkelingen en effecten bij elkaar zijn opgeteld is de effectbeoordeling niet goed te volgen en te verifiëren. Dit is van belang omdat de effecten van te maken keuzes ingrijpend en onomkeerbaar kunnen zijn. 4. Aanzet voor monitoringsplan.
Belangrijk is om bij de uitwerking van de omgevingsvisie steeds integraal naar alle ambities en belangen te kijken, en deze in samenhang te beoordelen. Om de integraliteit en samenhang in het vervolgproces goed te kunnen volgen, en zo nodig te kunnen bijsturen, is een daarop toegesneden monitoringsysteem cruciaal. Hiervoor is een navolgbare effectbeoordeling van belang, omdat deze dan herhaald kan worden en er inzicht in trends ontstaat. De reactie op het advies van de Commissie m.e.r. is opgenomen in de nota beantwoording zienswijzen. Besluitvorming en zienswijzen Door voorkeuren uit te spreken tussen verschillende botsingen, geeft de gemeenteraad in deze omgevingsvisie richting aan de ambities en waarden. De ontwerp-omgevingsvisie is het resultaat van
70
de inbreng uit het participatieproces van 2018, de bijeenkomsten met de klankbordgroep, dorpsraden en de digitale enquête en ontmoetingen in 2021, de botsproeven en de keuzesessies met de gemeenteraad. De ontwerp-omgevingsvisie ligt ter inzage van 3 juni 2022 tot en met 22 juli 2022. Iedereen heeft in deze periode de kans om op de ontwerp-omgevingsvisie te reageren. Een samenvatting van de ontvangen reacties (zienswijzen) wordt daarna gepubliceerd. U kunt uw zienswijze ook via deze website indienen via de contactpagina. De ontwerp-omgevingsvisie lag ter inzage van 3 juni 2022 tot en met 22 juli 2022 Gedurende deze periode kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen op het besluit. In de periode van 13 juli tot en met 21 juli zijn er 11 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn ondertekend door minstens één indiener. Dit maakt de zienswijzen ontvankelijk. De beantwoording van de zienswijzen is opgenomen in de Nota Beantwoording Zienswijzen( link opnemen)
Wat betekent dit voor u? Van visie naar uitvoering In dit hoofdstuk wordt ingegaan op: • Samenwerken met de omgevingsvisie • Van visie naar uitvoering • Kostenverhaal • Categorieën ontwikkelingen voor verhaal financiële bijdragen • Kostenverhaal en financiële bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkelingen Samenwerken met de omgevingsvisie Deze omgevingsvisie is niet een eindproduct, maar juist de start. De omgevingsvisie en het bijhorende Omgevingseffectrapport zijn de eerste onderdelen van het integrale afwegingskader voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. We wegen de ontwikkelingen af tegen onze ambities en richten ons op de bijdrage aan kwaliteit. Zo kunnen gemeente, inwoners, bedrijven en organisaties samenwerken aan een integrale ontwikkeling van Altena. Een omgevingsvisie zelfbindend is, dus bindt alleen de gemeente en bevat geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. De omgevingsvisie vraagt nog wel om een verdere vertaling van de ambities naar de verschillende dorpen, gebieden en thema’s. We vullen de cyclus verder in met de actualisaties van de omgevingsvisie, de programma’s en het omgevingsplan. De Omgevingswet gaat ervan uit dat in 2029 2032 voor het hele grondgebied van de gemeente een omgevingsplan is vastgesteld.
De Omgevingswet beoogt dat met de omgevingsvisie er één beleidsdocument bestaat waarin het beleid voor de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen en in samenhang is opgenomen. In de omgevingsvisie is dit als uitgangspunt genomen. Tegelijkertijd constateren we dat actuele opgaven telkens om nieuw beleid vragen. Tevens is er sprake van recent vastgesteld (sectoraal) beleid met daaraan gekoppelde uitvoeringsprogramma’s, die nog niet in samenhang met andere beleidsvelden zijn opgesteld. Kortom, er is een continue stroom van beleidsontwikkeling op allerlei beleidsvelden. Iets dat met de Omgevingswet ook niet zal veranderen. Vandaar dat het gehele stelsel van de Omgevingswet is gebaseerd op de zogenaamde beleidscyclus. Het bovenstaande vraagt wel om een nieuwe benadering van beleid en uitvoering, om ook in de toekomst de beleidscyclus op een goede wijze te kunnen hanteren.
Van visie naar uitvoering
71
De beleidscyclus waarop het stelsel van de Omgevingswet is geënt, ziet er onder meer op toe dat de samenhangende benadering wordt geborgd, van beleid tot uitvoering. In deze omgevingsvisie hebben we ons strategisch beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving uiteengezet. De wijze waarop we hier uitvoering aan gaan geven (de ‘hoe'- vraag) wordt opgenomen in programma’s Omgevingswet (POW)). In de praktijk is “de winkel tijdens de verbouwing” echter gewoon opengebleven. Dit betekent dat er nieuw (gebiedsgericht) beleid in ontwikkeling is, maar dat er ook al langer bestaand beleid van kracht is. Het bestaande beleid kent vaak een beleids- en uitvoeringscomponent en kan niet altijd 1- op-1 worden opgenomen in de omgevingsvisie. Het simpelweg intrekken van het bestaande beleid dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving zou betekenen dat er allerlei hiaten en leemtes gaan ontstaan. Dat willen we uiteraard voorkomen. Daarom gaan we bouwen aan een nieuw 'beleidshuis'. Hiermee wordt inzichtelijk op welke wijze we het bestaande beleid en de lopende trajecten gaan organiseren. We brengen hiermee beleid en uitvoering op diverse beleids- en werkvelden bij elkaar. Het beleidshuis vormt de basis voor de samenhangende POW’s en daarmee een belangrijke stap in de beleidscyclus (van sectoraal naar integraal). Op deze wijze wordt een integrale beleidsbenadering en werkwijze geborgd.
In de onderstaande afbeelding is de opbouw van het beleidshuis gevisualiseerd.
Nb. figuur nog opnemen Er worden vijf programmapijlers onderscheiden, waarvan er twee gebiedsgericht en drie een meer opgavegerichte benadering hebben. Het beleidshuis en daarmee de programma’s worden de komende jaren geleidelijk ingericht/gevuld en aangevuld. Daarnaast actualiseren we de Nota Grondbeleid (2023). De POW’s maken de inhoud van deze omgevingsvisie concreet voor diverse gebieden in of beleidssectoren van de gemeente. Bij het opstellen van het omgevingsplan wordt bepaald welke visieen programmaonderdelen hierin worden geborgd. Samengevat leidt dit tot het volgende: • We rangschikken ons bestaande beleid (en nieuwe beleid) onder vier zogeheten Programma’s Omgevingswet (POW). Daarnaast actualiseren we de Nota Grondbeleid; • Onder deze vier omgevingsprogramma’s kunnen meerdere deelprogramma’s/aanvullingen of gebiedsgerichte uitwerkingen worden opgesteld; • We spreken voortaan niet meer over “visies” maar over programma’s Omgevingswet. De term visie is voorbehouden aan de omgevingsvisie. Dit om in de toekomst verwarring te voorkomen; • De POW’s (en onderdelen hiervan) passen binnen het beleid van de omgevingsvisie. Is dit niet het geval, dan wordt de visie geactualiseerd of herijkt. Zo houden we ons beleid actueel en voorkomen we dat er beleidsconflicten ontstaan. In het raadsbesluit bij deze omgevingsvisie wordt aangegeven hoe en wanneer de visie wordt herijkt.
• Wanneer er sprake is van voorziene uitbreidingen vanuit de RES, dan wordt de omgevingsvisie daar in de toekomst op aangepast. • Voor de verdere uitwerking van de omgevingsvisie wordt er uit gegaan van het nieuwe provinciale beleid (de nieuwe omgevingsverordening). Daarnaast worden de nieuwe regionale en provinciale beleidsprocessen rondom de SRTB (Strategische Visie Regio Breda-Tilburg), BPLG (Brabants Programma Landelijk Gebied) en Ruimtelijke puzzel toegevoegd onder “Relatie met andere visies”. Kostenverhaal en financiële bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkelingen Bij het uitvoeren van projecten van initiatiefnemers maakt de gemeente kosten voor openbare voorzieningen bij de ontwikkelingen van een gebied. Deze kosten betaalt de initiatiefnemer. Hiervoor leggen we in principe afspraken vast in een (anterieure) overeenkomst met deze initiatiefnemer. Lukt
72
dit niet, dan kunnen we (nu nog) met een exploitatieplan de kosten alsnog (achteraf) verhalen. Een exploitatieplan voorziet in een publiekrechtelijke borging van het kostenverhaal. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de term grondexploitatie en daarmee ook het exploitatieplan. De Omgevingswet spreekt over ‘kostenverhaal’. Dit kostenverhaal vindt zijn basis in het publiekrecht. Het publiekrechtelijke kostenverhaal wordt/is geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De term grondexploitatiekosten wordt/is vervangen door kosten die gemaakt zijn voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Financiële bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen: wetscontext Bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen hebben betrekking op maatschappelijk belangrijke functies, zoals natuur, recreatie, landschap, een evenwichtige woningvoorraad en infrastructuur. De Wet ruimtelijke ordening biedt met artikel 6.24 de mogelijkheid om daarvoor anterieur een financiële bijdrage te vragen van initiatiefnemers als deze ontwikkelingen in een structuurvisie zijn opgenomen. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet treden artikelen 13.13 en 13.22 in de plaats van artikel 6.24 Wro. De aangewezen ontwikkelingen waarover een overeenkomst kan worden gesloten staan in artikel 8.20 van het Omgevingsbesluit (Ob).
Naast deze minnelijke variant (artikel 13.22 Ow) krijgen de financiële bijdragen in de Omgevingswet ook een publiekrechtelijk afdwingbare variant (artikelen 13.23 en 13.24 Ow). De gevraagde financiële bijdrage kan worden ingezet voor de realisatie van maatschappelijke functies. De gemeente kan dit dus opnemen in een overeenkomst met de betreffende initiatiefnemer. Er dient wel sprake te zijn van een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de betalende ontwikkeling en de ontvangende ontwikkeling. Omdat de omgevingsvisie wordt vastgesteld onder de Wro is het overgangsrecht zoals opgenomen in de Invoeringswet Omgevingswet ten aanzien van het kostenverhaal en financiële bijdragen van toepassing. Deze regeling heeft een eerbiedigende werking. Minnelijke variant In navolging van de Structuurvisie Land van Heusden en Altena worden aan ontwikkelingen in het buitengebied anterieur een bijdrage aan het Fonds “Landschapsinvestering Structuurverbetering Buitengebied Land van Heusden en Altena” worden gevraagd. Deze bijdrage dient om de ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied, die van betekenis zijn voor de betreffende functie, ook op termijn op peil te kunnen houden. Omdat het investeringen zijn die niet noodzakelijk zijn om de betreffende functie op een ruimtelijk goede manier tot ontwikkeling te laten komen, vallen ze niet onder de verplicht te verhalen kosten.
Dit is ook van belang voor de toekomstwaarde van de ruimtelijke ontwikkeling. De ruimtelijke ontwikkelingen die deels ten laste kunnen worden gebracht van het Fonds “Structuurverbetering Buitengebied Land van Heusden en Altena” hebben betrekking op: • Structuurversterking van het landschapsbeeld, door investeringen in landschapsbeplantingen die ook op termijn de verschillen in de landschapskarakteristiek herkenbaar houden. Deze investeringen dragen ertoe bij dat nieuwe ontwikkelingen zich beter kunnen voegen in de landschappelijke structuur, c.q. deze structuur nieuwe ontwikkelingen beter kan dragen. • Verbeteren van de gebruikskwaliteiten van het buitengebied door de, voor de woon- en recreatiefuncties in het buitengebied belangrijke cultuurhistorische en landschapskwaliteiten te versterken. Deze gebiedsgerichte investeringen verhogen de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de recreatieve potenties en zijn daarmee van meerwaarde voor deze functies.
73
•
Versterken van de recreatieve structuur door verbeteringen van de mogelijkheden voor recreatief medegebruik. Deze gebiedsgerichte investeringen verhogen de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de recreatieve potenties en zijn daarmee van meerwaarde voor deze functies. Deze bijdragen kunnen door de gemeenten alleen op basis van vrijwilligheid via een anterieure overeenkomst worden gevraagd.
In een omgevingsvisie of programma moet een nadere onderbouwing worden gegeven over de wijze waarop met de financiële bijdragen wordt omgegaan. Wij kiezen er voor om dit te doen in de op te stellen POW’s een programma (Grondbeleid), dat we als programma onder de Omgevingswet aanmerken. Hiermee kunnen we namelijk concreter invulling geven aan de financiële bijdragen en brengen we tevens alle aspecten die met grondbeleid en bijdragen te maken hebben onder in één samenhangend document. Voorkeursrecht Voor het geven van een voorkeursrechtbeschikking moet er een grondslag zijn. De grondslag voor de vestiging van een voorkeursrecht kunnen zijn: • de voorkeursrechtbeschikking, waarin een nieuwe functie is toegedacht; • een gemeentelijke omgevingsvisie, provinciale omgevingsvisie of nationale omgevingsvisie, waarin een nieuwe functie is toegedacht; • een programma van de gemeente, de provincie of het Rijk, waarin een nieuwe functie is toegedacht; • een omgevingsplan, waarin een nieuwe functie is toegedeeld. Het besluit dat de grondslag is moet voldoende concreet inzicht geven in de voorziene functiewijziging. Daar met de vaststelling van deze omgevingsvisie onvoldoende concreet inzicht kan worden gegeven in de beoogde ontwikkelingen/projecten c.q. nieuwe functie, kiezen we er voor om bij het vestigen van een voorkeursrecht, dit te doen in een programma of omgevingsplan.
Kostenverhaal Bij het uitvoeren van projecten van initiatiefnemers maken wij als gemeente kosten. Deze kosten betaalt de initiatiefnemer. Voor alle in deze visie en in de programma's genoemde ontwikkelingen die vallen binnen de in het Omgevingsbesluit aangewezen ontwikkelingen kan de gemeente Altena bijdragen verhalen indien er sprake is van samenhang met het initiatief/bouwplan. Deze visie bevat de hoofdlijnen van het grondbeleid en de grondslag voor het vestigen van een voorkeursrecht, gedoogplichten en onteigening. De gemeente hanteert financiële instrumenten zoals een (Landschapsinvesterings)fonds. Bij kostenverhaal wordt onderscheid gemaakt in: • De gebiedseigen kosten (de kosten die nodig zijn om het gebied bouwrijp te maken, inclusief inrichting/inpassing en plan- en procedure kosten); • Bovenwijkse voorzieningen (kosten die nodig zijn om het gebied bouwrijp te maken, inclusief inrichting en plan- en procedure kosten, maar die over meerdere plannen kunnen worden verdeeld); • Bovenplanse verevening (verevenen van een negatief exploitatiesaldo van een plan door een bijdrage uit een plan met een positief planexploitatieresultaat); Voor kostenverhaal leggen we afspraken vast in een overeenkomst met deze initiatiefnemer. Lukt dit niet, dan zullen we met een exploitatieplan de kosten alsnog (achteraf) verhalen. Onder de Omgevingswet zal het exploitatieplan verdwijnen.
Er zullen kostenverhaalsgebieden in het omgevingsplan worden aangewezen om publiekrechtelijk kostenverhaal mogelijk te maken indien geen anterieure overeenkomst kan worden afgesloten. De medewerking aan een (bouw)activiteit
74
kan worden geweigerd indien de kosten niet kunnen worden verhaald door de gemeente. Bij sommige projecten levert de initiatiefnemer een bijdrage aan bovenwijkse voorzieningen, bijvoorbeeld voor de aanleg van een rondweg of een park waar ook het nieuwe project gebruik van maakt. Categorieën ontwikkelingen voor verhaal financiële bijdragen Het omgevingsplan kan bepalen dat bijdragen worden verhaald voor een ontwikkeling om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te verbeteren. Gemeenten kunnen dan een financiële bijdrage verhalen op initiatiefnemers van bouwactiviteiten. Dit heet de publiekrechtelijke afdwingbare financiële bijdrage. Deze regeling geldt voor verschillende categorieën ontwikkelingen. Het Omgevingsbesluit (Ob) wijst de categorieën ontwikkelingen aan. Alleen voor deze ontwikkelingen voor verbetering van de fysieke leefomgeving kan in het omgevingsplan een financiële bijdrage worden gevraagd. De volgende ontwikkelingen zijn aangewezen: • Aanpassing van de inrichting van het landelijk gebied voor verbetering van de landschappelijke waarden. • Aanleg of verandering van aangewezen gebieden voor de bescherming van de natuur. Of voor het herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen. • Aanleg van infrastructuur voor verkeers- en openbaar vervoernetwerken van gemeentelijk of regionaal belang.
• Aanleg van recreatievoorzieningen die onderdeel zijn van de gemeentelijke of regionale groenstructuur. • Ontwikkelingen om een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad te bereiken. • Stedelijke herstructurering. Er moet functionele samenhang zijn tussen de activiteit en ontwikkeling voor het verbeteren van de fysieke leefomgeving. De functionele samenhang moet blijken uit de toelichting bij het omgevingsplan. Een onderbouwing in een programma kan hierbij als basis dienen. Voorkeursrecht en onteigening Via het voorkeursrecht kan de gemeente een recht vestigen op grond, waardoor de eigenaren eerst aan hen moeten aanbieden voordat ze de eigendom aan een ander mogen overdragen. In het omgevingsplan worden eventuele grondslagen voor vestiging voorkeursrecht bepaald. Via onteigening kan de gemeente grondeigendom ontnemen, als het in het algemeen belang nodig is om het te ontwikkelen, gebruiken of beheren. Een onteigeningsbeschikking vindt plaats op basis van het omgevingsplan, een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) of projectbesluit.
Rol van de gemeente Initiatieven die bijdragen aan de doelstellingen van de omgevingsvisie juichen we toe. We nodigen initiatiefnemers uit om hun plannen en ideeën te delen met de gemeente. We denken mee met initiatiefnemers om hun idee te realiseren, maar stellen kaders als dat moet. Zo vinden we het belangrijk goed na te denken over waar we wel of geen nieuwe woningen toestaan, en welk type woningen er dan ontwikkeld moet worden. Een ander onderwerp waar we een duidelijke set regels meegeven is de energietransitie. We kiezen zorgvuldig waar we kunnen ontdekken en leren van het stellen van minder regels en ruimere normen, op basis van de opgaven die voor een gebied of een thema zijn geformuleerd. We werken meer vanuit de behoefte van de samenleving. Daarom vinden we participatie belangrijk. We zijn blij met onze actieve inwoners die meedenken over de ontwikkeling van onze gemeente. Per traject bepalen we wat past, en welke rol we pakken. Niet voor ieder project nemen we de regie. Bij sommige projecten kan de initiatiefnemer zelf prima de gesprekken met de omgeving voeren.
75
Andere projecten begeleiden we zelf om deze tot een goed einde brengen. We zorgen dat de kaders voor initiatiefnemers én inwoners helder en navolgbaar zijn. Daarom letten we op de communicatie over het proces én de resultaten van een participatietraject. We hechten waarde aan het actief betrekken van onze inwoners bij de ontwikkeling van de leefomgeving. We vinden het belangrijk dat inwoners initiatief kunnen tonen als zij denken dat het anders, beter, slimmer en/of goedkoper kan, waarbij de waarden en ambities van de fysieke leefomgeving omarmd worden en omarmen het middel “Right to Challenge”.
Relatie met andere visies Elke overheidslaag stelt een omgevingsvisie op; gemeenten, provincies en het Rijk. De omgeving houdt namelijk niet op bij de grens van een gemeente, waterschap of provincie. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) en omgevingsvisie Noord-Brabant (POVI) beschrijven de waarden, thema’s en ambities voor hun gebieden. Daar valt Altena dus onder. Echter in onze eigen omgevingsvisie maken wij onze eigen keuzes, die soms ook van de andere visies kunnen verschillen. We gaan hieronder kort in op de kern van deze andere omgevingsvisies. Nationale omgevingsvisie (NOVI) De NOVI biedt een kader en geeft richting op een landelijke schaal. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en verdere uitwerking gericht op gebieden. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee we keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter kunnen maken. Zo bouwen we samen aan een mooier en sterker Nederland. De NOVI omschrijft 4 prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Ook moet Nederland zich inzetten om op een duurzame wijze energie te kunnen opwekken.
• Duurzaam economisch groeipotentieel: Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. • Sterke en gezonde steden en regio’s: Er zijn nieuwe locaties nodig voor wonen en werken, het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. We willen de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren: schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Ook gaan we aan de slag met het verbeteren van biodiversiteit en het tegengaan van bodemdaling. Omgevingsvisie Noord-Brabant De Brabantse omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Met deze visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van de leefomgeving van de inwoners van Brabant.
De focus ligt daarbij op de vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatbestendig Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie
76
De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Extra focus op deze hoofdopgaven is nodig om een goede basis met een goede omgevingskwaliteit te behouden. Hier werkt de provincie al langere tijd met anderen samen aan. Daarom is dat benoemd als de basisopgave waar de provincie met elkaar voor staat. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Regionale investeringsagenda Met onze buurgemeenten hebben we in de regio Breda een gezamenlijke opgave op het gebied van wonen, economie, mobiliteit (openbaar vervoer), 'ruimte, landschap en water' en 'klimaat en energie'. De investeringsagenda regio Breda is een krachtenbundeling van de tien gemeenten en (semi-)publieke en private partners. Met de rol die de gemeente Altena daarin kan spelen, hebben we met onze keuzes in deze omgevingsvisie al zoveel mogelijk rekening gehouden. Met de ontwikkelingen uit de regionale investeringsagenda (RIA) dragen we gezamenlijk bij aan de doelen uit de provinciale (POVI) en nationale omgevingsvisie (NOVI). De investeringsagenda hanteert de volgende uitgangspunten: a. stad en land optimaal in balans b. opgaven in samenhang oppakken c.
samen sterker SRTB (Strategische Visie Regio Breda-Tilburg) De Stedelijke regio Breda Tilburg (SRBT), is een speciaal stedelijk samenwerkingsverband van negentien gemeenten, vier waterschappen, de provincie Noord-Brabant en Rijksoverheid dat samen werkt aan de ontwikkeling van de regio. SRBT streeft naar een goede balans tussen groei van economie, wonen en mobiliteit, en het versterken van de leefkwaliteit. Regio West-Brabant (RWB) is partner in deze stedelijke regio. In het overleg dat de stedelijke regio voert, komen onderwerpen aan bod die veelal de gemeentegrenzen overstijgen. Denk aan woningbouw, werklocaties, wateropgave, natuurontwikkeling, verduurzaming, de mobiliteitstransitie en het landelijk gebied. Door samen op te trekken kunnen deze uitdagingen beter, zorgvuldig en in samenhang worden opgepakt. Ieder vanuit de eigen kwaliteiten, expertise en karakter. Gezamenlijke ontwikkeling regio SRBT streeft naar duurzame ontwikkeling van de regio om deze voor langere termijn toegankelijk, leefbaar en economisch op hoog niveau te houden (de tweede motor van Nederland). Landschap en water - de ‘blauw-groene structuur’ - zijn daarbij leidend voor de keuzes om te maken. Door de gemeente is een reactie gegeven op het Ontwikkelperspectief en eerste uitvoeringsafspraken Stedelijk Brabant 2040” en concept-”Ontwikkelstrategie SRBT”.
[link opnemen] Groenblauwe gebiedsgerichte aanpak (GGA) De GGA is een samenwerkingsverband, geïnitieerd door de provincie Noord-Brabant. Centraal in de Brabantse groenblauwe gebiedsgerichte aanpak staat samen de transformatie van het landelijk gebied realiseren. Dit door in en bij natuurgebieden met elkaar slimme combinaties van oplossingen te zoeken voor sterkere natuur, voldoende water met een betere kwaliteit, een goede bodem en de toekomst van de landbouw. De klimaat-, natuur- en wateropgaven – maar ook de opgaven op het gebied van energie, woningbouw en sociale samenhang – maken dat het Brabantse landelijk gebied en de landbouw gaan veranderen. We willen dat het ook in de toekomst een buitengebied is waar mensen gezond en veilig kunnen wonen, werken en leven. En dus werkt men een Brabants buitengebied waar onze bodem, ons water en onze lucht op orde zijn. Dat is van belang voor onze natuur, ons landschap, onze landbouw en onze gezondheid. 77
Er is een GGA voor de Biesbosch en de GGA Polder van de toekomst. De eerste is breder dan het grondgebied van de gemeente Altena. Beiden zijn input voor het BPLG. [link opnemen] BPLG (Brabants Programma Landelijk Gebied) In het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) heeft het Rijk aan de provincies gevraagd om aan de slag te gaan met de uitwerking van de richtinggevende doelen op het gebied van natuur, water en klimaat en een provinciaal gebiedsprogramma op te stellen. Het NPLG is een grote kans voor versnelling van de uitvoering van het Brabantse beleid op het gebied van natuur, stikstof, water, bodem, klimaat en landbouw. Het NPLG is een grote kans voor versnelling van de uitvoering van het Brabantse beleid op het gebied van natuur, stikstof, water, bodem, klimaat en landbouw. Het Brabantse gebiedsprogramma noemen we het Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG). Tegelijkertijd werkt de provincie in opdracht van het Rijk met een breed netwerk van partners aan een Ruimtelijk Voorstel. Dit is een integraal aanbod dat laat zien hoe we als Brabant de opgaven van het Rijk verbinden aan onze Brabantse ambities, wat daarin mogelijk en haalbaar is en welke keuzes daarvoor gemaakt moeten worden. In het ruimtelijk voorstel komen 3 ontwikkelperspectieven bij elkaar: 1. Landelijk gebied 2. Verstedelijking 3.
Klimaat & energie Het BPLG vormt dus een bouwsteen voor het ‘ruimtelijk voorstel’ ten aanzien van natuur, water, bodem, klimaat en het perspectief landbouw in het landelijk gebied. Het BPLG en het ruimtelijk voorstel worden in samenhang ontwikkeld. “Ruimtelijke puzzel” In Brabant werken we samen aan grote opgaven in relatie tot onze fysieke leefomgeving. We willen veel nieuwe woningen bouwen, ruimte voor bedrijven om te ondernemen, de transitie maken naar duurzame energie, de milieukwaliteit en de kwaliteit van water en natuur versterken, perspectief bieden voor de landbouw en sterke steden, vitaal platteland en Brabant bereikbaar houden. Dat, terwijl we ons tegelijkertijd aanpassen aan klimaatverandering en verdere klimaatverandering voorkomen. Om alle ambities te realiseren hebben we meer ruimte nodig dan in Brabant beschikbaar is. Dit vraagt er dus om samen keuzes maken, want niet alles kan en niet alles kan overal. Al deze ontwikkelingen vragen om ruimte. In de Ruimtelijke ordeningsbrief van 17 mei 2022 worden provincies door het rijk gevraagd om een zogeheten ruimtelijke puzzel te leggen en als regisseur op te treden om de nationale opgaven te verbinden met de decentrale opgaven. Het vertrekpunt van de provincie Noord-Brabant is de Brabantse Omgevingsvisie van waaruit we werken aan de 5 maatschappelijke opgaven om samen de kwaliteit van Brabant verder te verbeteren.
Maatschappelijke agenda De gemeente ontwikkelt een maatschappelijke agenda samen met organisaties en inwoners in het maatschappelijk domein. In deze agenda wordt bepaald welke ambities en opgaven de gemeente en partners hebben voor onder andere zorg, onderwijs en leefbaarheid, en hoe daaraan gewerkt gaat worden. De omgevingsvisie en de maatschappelijke agenda kunnen niet los van elkaar gezien worden. Ze zijn aan elkaar verbonden. De omgevingsvisie draagt bij aan het oplossen van sociaalmaatschappelijke problemen, bijvoorbeeld daar waar het gaat om het versterken van sociale samenhang, het bevorderen van sociale veiligheid en gezondheid en het verbeteren van de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
78
79