CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Grote Waardweg bij RV VVGB vestiging tijdelijke Aldi

Raadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente AltenaBij agendapunt: VVGB Vestiging tijdelijke Aldi - Grote Waardweg ong. te Werkendam14.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33/50

4.7

Archeologie

4.7.1 Normstelling en beleid Erfgoedwet In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige archeologische waarden van het projectgebied. Nota Archeologie en paraplubestemmingsplan De gemeente Altena heeft een archeologiebeleid. Dit archeologiebeleid bestaat uit drie elementen te weten: de beleidsnota, de archeologische beleidskaart en de Erfgoedverordening. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.

Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem- verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het plan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. De geactualiseerde Nota, beleidskaart en verordening zijn planologisch-juridisch verankerd in het reeds vastgestelde 'Paraplubestemmingsplan Archeologie'.

34/50

4.7.2 Toetsing Op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid, het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie', heeft het projectgebied op de hoek Grote Waardweg - Dijkgraaf Den Dekkerweg geen archeologische waarde. Dat betekent dat bodemingrepen ten behoeve van de beoogde ontwikkeling toegestaan zijn zonder dat specifiek onderzoek dient te worden uitgevoerd. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het projectgebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Daarom geldt ten alle tijde wel een archeologische zorgplicht. Mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, geldt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de gemeente Altena of de provincie Noord-Brabant. 4.7.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Cultuurhistorie

4.8.1 Normstelling en beleid Het cultuurhistorisch beleid van de gemeente Altena is vastgelegd in het bestemmingsplan. Volgens het vigerende bestemmingsplan valt het plangebied in een zone met de gebiedsaanduiding 'overige zone – waarde cultuurhistorie-erfgoed NHW' alsmede 'overige zone – zeekleilandschap-eerste aanwaspolders'. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – waarde cultuurhistorie-erfgoed NHW' zijn mede bestemd voor de instandhouding, herstel en ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde de Nieuwe Hollandse Waterlinie met de volgende kernkwaliteiten: samenhang van forten, dijken, kaden en inundatiekommen; groen en overwegend rustig karakter en de openheid (met dien verstande dat de kernkwaliteit openheid niet van toepassing is ter plaatse van de aanduiding 'overige zone -rivierenlandschap-overslaggronden'). De zone met de aanduiding 'zeekleilandschap-eerste aanwaspolders' is mede bestemd voor de instandhouding, herstel en ontwikkeling van het zeekleilandschap, subtype eerste aanwaspolders. Hiervoor gelden de volgende kernkwaliteiten: openheid; grootschalig karakter; doorschemerend (micro)reliëf; kades en dijken en bijbehorende taluds. De hierboven genoemde kernkwaliteiten mogen niet onevenredig worden aangetast.

4.8.2 Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een cultuurhistorisch bureauonderzoek uitgevoerd, opgenomen als bijlage 5. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting.

35/50

Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van een gebied met een dynamische geschiedenis. De historische structuur en karakteristiek is hierdoor (grotendeels) pas vanaf de laatste bedijking in het midden van de 16e eeuw ontstaan. Het projectgebied maakte deel uit van een relatief laaggelegen polder gebied omringd door dijken. Deze structuur is vanaf 1673 gebruikt voor de (Oude) Hollandse Waterlinie en vanaf 1815 ook voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In de jaren zeventig hebben grote wijzigingen plaatsgevonden in het gebied rond het projectgebied. De uitbreidingswijken van Werkendam hebben zich tot aan de noordgrens van het plangebied uitgebreid, de Grote Waardweg en de Dijkgraaf den Dekkerweg zijn (verhoogd) aangelegd, de polder is (deels) afgegraven, de verkaveling is sterk vergroot en direct ten zuiden van het projectgebied is een boerenerf aan de Grote Waardweg 1 aangelegd. Als gevolg van de veranderingen die in de 20e eeuw hebben plaatsgevonden is de historische samenhang en karakteristiek aangetast. Door de afgraving is het microreliëf gewijzigd. De aanleg van de wegen, uitbreidingswijken en erf aan de Grote Waardweg 1 heeft de openheid van het landschap met de bijbehorende zichtlijnen (vrij schootsveld) vanaf de liniedijken (eerst de Vervoornsche kade en later de Werkendamsche Dijk) aangetast.

De zichtlijnen naar het projectgebied worden zowel vanuit het noordelijk (uitbreidingswijk) als het zuiden (erf) geblokkeerd. Door de afgraving van de polder is de Grote Waardweg als het ware een hoger gelegen acces door de linie geworden. De cultuurhistorische waarde van het projectgebied bestaat uit: (open) agrarisch gebied; onderdeel inundatiegebied van zowel de Oude als de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De plannen om een supermarkt in het gebied te realiseren zullen de hierboven beschreven, beperkte, waarden aantasten. Op het moment dat de supermarkt weer wordt verwijderd en het gebied wordt teruggebracht in de huidige staat (agrarisch gebied) is er van aantasting geen sprake meer. Derhalve is er vanuit cultuurhistorisch perspectief geen bezwaar tegen de plannen om een tijdelijke supermarkt in het projectgebied te plaatsen. Er dient na het afbreken van de supermarkt wel ervoor gezorgd te worden dat het huidige hoogteverloop eveneens weer wordt hersteld om resterende ophogingen, afgravingen en steilrandjes te voorkomen. 4.8.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Geluid (wegverkeerslawaai)

4.9.1 Normstelling en beleid De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.9.2 Toetsing De ontwikkeling maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan daardoor achterwege worden gelaten.

36/50

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel het uitstralingseffect van de verkeerstoename beoordeeld. Op basis van de berekende verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling en de verdeling daarvan over het wegennet en gegevens uit het verkeersmodel (gegevens 2030) is bepaald dat voor de relevante wegen geen sprake zal zijn van een verkeertoename van meer dan 25% ten opzichte van de autonome situatie. Bij een toename van >25% is er namelijk pas een significant effect op de geluidsbelasting. Zodoende zal als gevolg van de ontwikkeling ook geen sprake zijn van een significante geluidtoename langs deze wegen. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg. 4.9.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.10 Bodem 4.10.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.10.2 Toetsing en conclusie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 6. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig zandig klei.

De ondergrond bestaat vanaf 1,00 m-mv uit zwak tot sterk siltig matig fijn zand. De bovengrond is in alle boringen zwak baksteenhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A: slootdempingen Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de gedempte sloten op deze deellocatie zintuiglijk dienen te worden onderzocht. Zintuiglijk is in de bovengrond in alle boringen een zwakke bijmenging met baksteen waargenomen. Verder zijn er geen bijmengingen aangetroffen. Ter plaatse van de gedempte sloten zijn geen andere bodemvreemde bijmengingen aangetroffen dan in de rest van het

37/50

onderzoeksgebied. Hierdoor is het aannemelijk dat de sloot destijds is gedempt met gebiedseigen grond. Deellocatie B: overige terrein Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV-NL). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Zintuiglijk is in de bovengrond in alle boringen een zwakke bijmenging met baksteen waargenomen. De bovengrond is zwak verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, nikkel, lood en/of zink. De ondergrond is zwak verontreinigd met lood. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Echter gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging en omgevingsvergunning op de onderzoekslocatie. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4.10.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Ecologie 4.11.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten.

38/50

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

39/50

Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. 4.11.2 Toetsing In het kader van het aspect ecologie is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, gericht op zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming. Bijbehorende rapportage is weergegeven als bijlage 7. Hierna worden per aspect de belangrijkste aandachtspunten beschreven.

4.11.2.1 Soortenbescherming Uit de quickscan blijkt dat gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling de verwachting is dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Uit de quickscan blijkt dat er geen soortgerichte nader onderzoeken nodig zijn. Wel kan, vanwege geschiktheid van de onderzoekslocatie gewerkt worden volgens een ecologisch werkprotocol ten aanzien van de zorgplicht. In dit werkprotocol kunnen maatregelen worden opgenomen ter bescherming van verschillende soortgroepen.

40/50

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien er buiten het broedseizoen gewerkt wordt er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt zal worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om de werkzaamheden te starten daarbij broedvogels te verstoren. Vleermuizen kunnen gebruik maken van de bomenrijen als oriëntatiepunt voor vliegroutes. Het is daarom belangrijk dat er tijdens de werkzaamheden geen grote lichten gericht zijn op de bomen aan de zuid- en westkant. Ook dienen alle lichten uitgeschakeld te worden als de dagelijkse werkzaamheden overdag stoppen. Als dit niet mogelijk is dient er gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting. Dit geldt ook voor de nieuwe situatie. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken.

Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Ecologisch werkprotocol Op basis van de conclusies uit de opgestelde quickscan is een ecologisch werkprotocol opgesteld, opgenomen als bijlage 8. In dit werkprotocol zijn maatregelen verwoord die getroffen dienen te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Dit wordt bewerkstelligd door de functionaliteit die de onderzoekslocatie en/of de directe omgeving voor vleermuizen, algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën heeft, te handhaven en directe schade door de werkzaamheden te voorkomen.

De maatregelen zijn hierna opgesomd weergegeven: Toolboxmeeting houden voorafgaand aan de werkzaamheden; Voor de start van het broedseizoen (wanneer er geen actieve nesten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn) de locatie ongeschikt maken voor broedvogels; Broedvogelinspectie uitvoeren voorafgaand aan de werkzaamheden wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen gaan starten; Een ecologisch bureau inschakelen bij de start van het ongeschikt maken; Er mag geen verlichting worden toegepast richting de bomen en bebouwing; Verlichting uitschakelen tussen zonsopkomst en zonsondergang; Indien verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst noodzakelijk is, dient gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting; In één bepaalde richting werken; Paddenscherm met halve emmertjes plaatsen voorafgaand aan de werkzaamheden;

41/50

Vrijgave door een ecologisch bureau na afloop van controleronde (enkele dagen na het ongeschikt maken), indien nodig aanvullend ongeschikt maken (maatwerk). 4.11.2.2 Gebiedsbescherming Uit de quickscan is wat betreft gebiedsbescherming naar voren gekomen dat externe effecten als gevolg van een toename van stkstofdepositie vanwege de aard van de nieuwe situatie (supermarkt met veel verkeersbewegingen) op voorhand niet uit te sluiten zijn. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een effectenonderzoek (ook wel "Nee, tenzij toets") Natuurnetwerk Brabant nader moeten worden onderzocht. Stikstofdepositieonderzoek De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen.

Figuur 4.4 laat de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Het meest nabijgelegen gebied met vermesting- en/of verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Biesbosch. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt 800 meter. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.

Figuur 4.4 Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied

42/50

Met het rekenmodel Aerius (versie 2022.2) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is de realisatie- en gebruiksfase beschouwd. In de als bijlage 9 bijgevoegde memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De in- en uitvoergegevens vanuit Aerius voor de aanleg- en gebruiksfase zijn opgenomen in de bijlagen 10 en 11. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat er zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase een afname is van stik-stofdepositie van 0,01 mol/ha/jr op 0,31 resp. 0,80 ha stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Op basis van deze berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Effectonderzoek Natuurnetwerk Brabant Op basis van de conclusies uit de quickscan is een effectonderzoek Natuurnetwerk Brabant uitgevoerd, opgenomen als bijlage 12 bij voorliggende onderbouwing. Het effectonderzoek heeft als doel om de effecten van het beoogd gebruik op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het naastgelegen Natuurnetwerk Brabant (NNB) te onderzoeken. De ligging van het NNB-gebied is weergegeven in figuur 4.5. De belangrijkste conclusies worden hierna beschreven.

Figuur 4.5 Ligging plangebied ten opzichte van NNB-gebied (Bron: Econsultancy) Er vinden geen ingrepen binnen het NNB plaats. De huidige natuurwaarden zullen dan ook niet direct aangetast worden. Ook zal er geen areaal van het NNB verloren gaan. Binnen het NNB vinden geen werkzaamheden in de bodem plaats. Op de onderzoekslocatie zullen mogelijk enkele graafwerkzaamheden plaatsvinden, maar dit zal niet van invloed zijn op de geomorfologische processen en bodemkwaliteit binnen het NNB. Indien er geen water afgevoerd wordt richting het NNB, zal er naar verwachting tevens geen effect zijn op de waterhuishouding of de waterkwaliteit binnen het NNB. Indien er wel water afgevoerd wordt richting het NNB, dienen maatregelen genomen te worden om dit water te zuiveren alvorens het water in het NNB terecht komt. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van een OBAS (olie-/benzineafscheider). Op deze manier kan voorkomen worden dat de waterkwaliteit binnen het NNB achteruit gaat. De voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen leiden tot een afname in rust en stilte binnen het NNB. Geadviseerd wordt om voor de toekomstige

43/50

situatie een geluidscontour te laten maken om te bepalen of het geluidsniveau dusdanig toeneemt dat compensatie aan de orde is en om inzichtelijk te maken welk oppervlak van het NNB in dat geval gecompenseerd dient te worden. Daarnaast wordt geadviseerd om de tijdelijke ruwbouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om verstoring van broedvogels te voorkomen. De donkerte en openheid binnen het NNB zal niet veranderen indien de in paragraaf 5.6 van het onderzoeksrapport beschreven maatregelen in acht worden genomen. Op deze manier wordt er geen verlichting in de richting van het NNB uitgestraald. Indien het niet mogelijk is om verlichting in de richting van het NNB te voorkomen, dient bepaald te worden in welke mate het NNB verlicht wordt en of hiervoor compensatie van het NNB aan de orde is. Daarnaast wordt geadviseerd om tijdens de bouwwerkzaamheden geen bouwverlichting te gebruiken. De landschapsstructuur en de belevingswaarde van het NNB zullen niet beïnvloed worden door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie. 4.11.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Luchtkwaliteit 4.12.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de

44/50

luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.12.2 Toetsing Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 1.881 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt worst-case uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. In de nibm-tool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 1,13 µg/m³ en van fijnstof van 0,29 µg/m³ (figuur 4.6).

Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.

Figuur 4.6 Resultaten NIBM-tool 2022 (Bron: InfoMil) 4.12.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

45/50

4.13 Water 4.13.1 Normstelling en beleid In het projectgebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheer zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in acht hoofdthema’s: 1. Beschermen tegen overstromingen. 2. Water eerlijk verdelen. 3. Voorbereiden op extreem weer. 4. Schoon water. 5. Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur. 6. Zwemwater. 7. Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit. 8. Toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen.

De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden. Voor een A-watergang geldt een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunningsen/of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en/of afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Beleidsvisie riolering en water gemeente Altena (december 2017) Het gemeentelijk beleid ten aanzien van riolering en water is opgenomen in de Beleidsvisie riolering en water Altena. Altena schrijft voor dat men hydrologisch neutraal bouwt, hetgeen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en (erf)verharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging.

Met andere woorden: indien toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Gezorgd moet

46/50

worden dat er voldoende buffercapaciteit aanwezig is. De oorspronkelijke landelijke afvoer mag niet overschreden worden bij een bui die eens in de 10 jaar voorkomt (T=10). 4.13.2 Toetsing Watergangen Op alle watergangen en sloten die zijn opgenomen in de legger, is de keur van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Aan de noord- en oostzijde van het projectgebied bevindt zich een B-watergang, weergegeven in figuur 4.7. Aan de oostzijde is een duiker gesitueerd waar in de toekomstige situatie de in- en uitrit van het terrein voorzien is.

Het aanvragen van een watervergunning dan wel indienen van een melding bij het Waterschap Rivierenland is niet noodzakelijk. Met inachtname van bovenstaande voorwaarde vormt het initiatief geen belemmering op het waterhuishoudkundig systeem en bijbehorende kwaliteit van deze watergangen.

Figuur 4.7 Watergangen in de directe omgeving van het projectgebied (Bron: Waterschap Rivierenland) Bodemopbouw en geohydrologie De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een kalkhoudende poldervaaggronden, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit rivierklei op zand. De afzettingen,

47/50

waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Westland. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 0,8 m -NAP, waardoor het grondwater zich op ± 0,6 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in oostelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het projectgebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt.

Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het projectgebied kent een oppervlakte van 5.690 m2 en is in de bestaande situatie volledig onverhard. In de beoogde tijdelijke situatie zal circa 90% verhard zijn (winkeloppervlak, parkeerterrein en ontsluiting). Dit komt neer op een oppervlak van 5.121 m2. Voor het projectgebied komt de benodigde waterberging conform de beleidsregels van het waterschap uit op 223 m3. Wat betreft de beoogde ontwikkeling vindt waterberging plaats op aan de randen van het projectgebied (groenzone) en op naastgelegen agrarische gronden. Gezien het grote oppervlak parkeerterrein zal naar verwachting gebruik worden gemaakt van een zogenoemde bodempassage voordat geloosd wordt op het oppervlaktewater. Daarnaast is het bij bovengronds afvoeren van regenwater belangrijk om rekening te houden met voldoende afschot, zodat het water in de gewenste richting loopt. Hemelwater- en vuilwaterafvoer In de directe omgeving van het projectgebied ligt geen riool.

Directe aansluiting hierop is daarom niet mogelijk. Eventueel IBA kan eisen stellen en een maatwerkvoorschrift opleggen of middels persleiding aansluiten op het gemeentelijk riool (DWA) van de Bocharenweg (circa 400 m). Veiligheid en waterkeringen Aan de noord- en oostzijde van het projectgebied bevindt zich een B-watergang. Bij het ontwerp van het projectgebied dient rekening gehouden te worden met een beschermingszone van 1 meter en een onderhoudsstrook van 3 meter.

48/50

4.13.3 Conclusie Het aspect water wordt in het kader van de omgevingsvergunning bouwen nader uitgewerkt en met gemeente en waterschap worden afgestemd. Ten tijde van de omgevingsvergunning bouwen zal dit aspect worden getoetst op vergunbaarheid.

49/50

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Financiële aspecten

Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om kosten van de planontwikkeling (procedure artikel 2.12 eerste lid onder a onder 3 Wabo) en mogelijke planschade te verhalen op grondeigenaren. In het kader hiervan wordt tussen initaitiefenemer en gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

5.2

Maatschappelijke aspecten en procedure

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. 5.2.1 Omgevingsdialoog In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft op 19 december 2022 een inloopinformatieavond plaatsgevonden. De inloopinformatieavond betrof een vrije inloop waarbij diverse visuals en plattegronden op beurswanden en doekframes gepresenteerd stonden. De inloopinformatieavond was bedoeld om de dialoog met de omwonenden en belanghebbenden aan te gaan omtrent de vestiging van een tijdelijke ALDI op het perceel aan de Grote Waardweg / Dijkgraaf den Dekker. Tevens was de inloopinformatieavond bedoeld om omwonenden en belanghebbenden te informeren en indien daar behoefte voor was om feedback, opmerkingen en/of wensen te verzamelen. Aan de hand van de ontvangen feedback zal in overleg met de gemeente bekeken worden of het plan aangepast al dan wel geoptimaliseerd moet worden. Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 13. 5.2.2 Procedure Gemeente Altena heeft aangegeven medewerking te willen verlenen in de vorm van een uitgebreide omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan (art. 2.1, lid 1 onder c Wabo). De beslistermijn is 26 weken. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn mogelijk.

50/50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13105466/1