CConstaterende datAltena
Koppel je AI →
Document · PDF

2022 10 25 Gemeente Altena Gemeenteraad

Raadsvergadering 25 oktober 2022, gemeente AltenaBij agendapunt: Opening en vaststellen agenda50.774 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Misschien heel erg goed, maar we weten we kunnen ook niet in de toekomst kijken en als SGP zouden we het wel zeer betreuren als we straks eindelijk zover zijn dat we de plannen hebben afgerond en we zouden dan het geld niet hebben. Daarom stellen we eigenlijk voor om een investeringsfonds in het leven te roepen, een investeringsfonds ontsluiting Werkendam-Noord. Hoe zouden we dat kunnen betalen? Volgens mij is die vraag al meer langsgekomen, maar we kennen een hele hoge reserve grondexploitatie van 4,9 miljoen. Alle mogelijke verliezen in de grondexploitatie zijn al afgedekt in de een verliesvoorziening en het is dus totaal niet nodig om zo'n gigantische reserve in stand te houden. Wij zouden daarom voor willen stellen om een bedrag van 3 miljoen uit de reserve te storten in een nieuw investeringsfonds ontsluiting Werkendam-Noord. Waarom vinden we dat van belang? Niet alleen dat we dan in ieder geval al wat spaargeld klaar hebben staan, maar over het algemeen is het zo als je als gemeente je nek uitsteekt om ergens in ieder geval alvast geld voor klaar te leggen, dat de kans dan ook in ieder geval groot of in ieder geval een stuk groter is om ook bijdragen en subsidies van derden binnen te krijgen, zoals wellicht provincie, of misschien wel Europa, of noem het allemaal maar op.

Daarom vinden we het ook van belang dat we nu ook direct die financiële middelen klaarleggen om ook door middel van cofinanciering andere financiële middelen binnen te krijgen. Ik kan me voorstellen dat misschien een reactie zal zijn: waarom zou je dat doen, want het geld is er nu, dat zal er straks ook nog wel zijn. Ja, ik zou met een metafoor kunnen spreken: mijn buurman zou een miljoen op zijn spaarrekening kunnen hebben, maar dan is het nog niet van mij, hè, dus dan staat het toch heel ver van mij vandaan. Dus daarom stellen wij toch gewoon voor: label dat geld, het staat nu op een plaats waar het totaal niet nodig is. En ja, wij zouden het daar in ieder geval voor willen parkeren vanwege de noodzaak om ook dat straks te kunnen realiseren. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Versluis. Mijnheer Kolff.

De heer Kolff: Voorzitter, dit is echt hele boekhoudtechnische vragen worden hier gesteld natuurlijk. Volgens mij schrijf je ook af, de wegen worden ook afgeschreven. Dus je kan het in een fonds doen met zo’n project, het gaat om de kosten wat het per jaar gaat kosten. Dat bedrag wat je noemt is natuurlijk megabedrag, dat hoeven we niet in één keer te betalen. Je ontwikkelt het wel, maar je schrijft het door de jaren heen af. Het gaat over de kosten die je per jaar extra maakt en die moeten in de begroting opgenomen. Dan denk ik, als we natuurlijk al een investeringsfonds hebben, laten de boekhouders dat zelf misschien beter zeggen en we gaan daarna nog naar een provincie, Rijk, of dat u al meer noemde om geld binnen te halen. Dan zeggen ze: er zit zoveel geld in die pot, jullie kunnen het zelf wel betalen. Dus ik weet niet of dat een tactische, maar ook een goede boekhoudtechnische zet is. Maar vooral die afschrijving, die meerwaarde, die meerkosten per jaar, daar gaat het om en niet over het totaalbedrag. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Kolff. Mijnheer Roovers. De heer Roovers: Voorzitter, we onderschrijven natuurlijk de nut en noodzaak van die investering, dus daar hebben we absoluut geen discussie over.

Over de wijze van financiering – en daar gaat dit vraagstuk uiteindelijk over – zijn we vooral ook wel heel benieuwd naar het antwoord van de wethouder of dit ook wel noodzakelijk is. Want we snappen als je het hebt over cofinanciering, dat het ons wel kan helpen. Maar uiteindelijk zou het misschien ook wel beter geformuleerd kunnen worden in de vraag of dit dan ook noodzakelijk is en dit de meest geijkte manier is om het op te lossen. We horen graag het antwoord van de wethouder. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Roovers. Mijnheer Alderliesten. De heer Alderliesten: Dank, voorzitter. In lijn met de vorige spreker, de vraag is even of dat je überhaupt het voor het zoeken naar fondsen mogelijke cofinanciering, wat dan ook, of dat je daar dit voor nodig hebt. Als dat zo is, dan hoor ik dat graag van de wethouder. Ik hoor het überhaupt graag van de wethouder, ik zie de noodzaak er momenteel niet van in. De voorzitter: Dank u wel. Mijnheer Nieuwenhuizen. De heer Nieuwenhuizen: Dank u wel, voorzitter. Wij zien hier niet zozeer een noodzaak van in. Er zijn meer knelpunten, of meer oplossingen die we nog moeten realiseren waar we geld voor nodig hebben. Het zal hier ook gaan om een investeringsbudget, dus gaan we ook afschrijven en aflossen, jaarlijks dus, en dan zien we dat vanzelf terug in onze begroting en hoeven we niet voor te reserveren. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel.

Mijnheer Timmermans. De heer Timmermans: Dank u, voorzitter. Voorzitter, er wordt getrokken aan de pot met geld. Vanuit de SGPgedachte, we hebben de zeven vette jaren misschien nu wel gehad en dadelijk krijgen we de zeven magere jaren, dus ik voel er met mijnheer Kolff van de VVD eigenlijk niet zo heel veel voor om het te gaan labelen. Ik denk dat we inderdaad dan de verkeerde verwachtingen scheppen ten opzichte van de andere partijen. Dank u. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Timmermans. Niemand meer verder? Dan mag u als eerste, mijnheer Versluis, weer reageren op de inbreng van anderen.

De heer Versluis: Dank u wel, voorzitter. Ik kan natuurlijk niet zeggen: dank voor deze brede steun. Die klinkt er in ieder geval niet in door. Maar goed, ik ben toch blij dat ik het op de agenda heb gezet en dat wel iedereen in ieder geval onderschrijft dat het in ieder geval een investering is die we op ons afkrijgen die ook echt noodzakelijk is. Hij is door meerderen gesteld en met name ook door de heer Kolff. Ik ben ook geen boekhouder, wat ik wel weet is dat we jaren geleden in ieder geval een nieuwe school hebben gebouwd, dat we toen vervolgens een fonds hebben gevormd van toekomstige opbrengsten van gronden van scholen die vrijkwamen, waardoor in een bepaalde vorm kapitaalslasten daaruit verrekend zouden worden. Maar nogmaals, ik ben ook geen boekhouder. Als het niet kan, dan kan het gewoon niet, wacht ik ook gewoon het antwoord van de wethouder af. Maar ik wil wel gewoon onderstrepen en daarom breng ik het natuurlijk ook niet voor niks in, ik denk dat we bijna jaarlijks spreken over een subsidioloog, subsidies, bijdrage van anderen. Nu kom ik gewoon concreet met een voorstel: als wij iets willen ontvangen, zullen wij ook boter bij de vis moeten brengen. Ik denk dat het ook noodzakelijk is om in ieder geval te laten zien als gemeente dat je zelf iets doet om er ook nog iets bij te krijgen. Maar goed, daar hoor ik ook graag de reactie van de wethouder over.

Richting de VVA wil ik nog opmerken dat die vanavond, ik dacht: hij is heel erg Bijbelvast, hij had het al over joden en over christenen, nu heeft het over zeven magere, zeven vette. Maar misschien moeten we toch nog een beetje gaan helpen, maar misschien is daar straks nog tijd voor na de vergadering om hem nog wat wegwijs daarin te maken. Dankjewel. De voorzitter: Ik voel een mooi gesprek straks aankomen. Portefeuillehouder Tanis. De heer Tanis: Dank u, voorzitter. Volgens mij is hier niemand in de raad die twijfelt aan de nut en de noodzaak en de wenselijkheid om te komen tot een tweede ontsluiting van Werkendam. Dat is één. Er is inderdaad een inschatting gemaakt van een bedrag van, nou ja, plus of min 10 miljoen. Dat is best een hoop geld, maar ik ben het wel eens met enkele sprekers die zeggen: op het moment dat het college met een voorstel komt, dan vragen wij een krediet aan, wat wat mij betreft vervolgens leidt tot jaarlijkse kapitaallasten die we dan vervolgens in de begroting een plekje kunnen geven. Dus wat dat betreft heb ik het fonds niet nodig, zeg ik maar gewoon heel eerlijk. Als u zegt: op het moment suprême dat wij met de provincie of met een andere partij praten over mogelijke vormen van subsidiëring, ja, dan is er per definitie natuurlijk sprake van cofinanciering en dan hebben we op dat moment natuurlijk wel een toezegging nodig.

Maar dan kom ik gezien het breed gedeelde belang van de tweede ontsluiting graag naar de raad terug en wat mij betreft voegt op dit moment een fonds niets toe, voorzitter. Ik begrijp uw suggestie met betrekking tot Werkendam, maar het is boekhoudkundig administratief ook een – mag ik dat zeggen – verrekte lastige oplossing die de oude gemeente gekozen heeft met betrekking tot zo'n fonds en dat op die manier vrij te laten vallen. Dus ik pleit mee voor pragmatisme: vraag gewoon krediet aan de raad aan en op het moment dat het krediet verstrekt is, kan de weg aangelegd worden, kunnen we de gronden gaan kopen en dan kunnen we gewoon de jaarlijkse kapitaallasten in de begroting een plekje geven. De voorzitter: Dank u wel, portefeuillehouder. Tot slot mijnheer Versluis. De heer Versluis: Ik ben in ieder geval toch blij om te horen dat het boekhoudkundig in ieder geval geen overtreding is, dus anders zouden we nu natuurlijk al onrechtmatig handelen. Maar of dat het inderdaad de meest handige manier is om het te doen op de manier zoals ik voorstel natuurlijk niet, maar het gebeurt dus wel. Ja, de wethouder heeft de hulp van de SGP niet nodig als het gaat om een investeringsfonds. Dus ja, wat dat betreft, we hebben het in ieder geval opgelaten, we zullen daar ook voor de rest niet op terugkomen.

Maar wat we wel heel belangrijk vinden dat u in ieder geval meeneemt, als u onze hulp nodig heeft als het gaat om cofinanciering, dat u dan in ieder geval tijdig aan de bel trekt, want dan zijn wij in ieder geval sowieso

als SGP bereid om daar in ieder geval ook concreet wat geld voor neer te leggen om die andere middelen op te halen. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Versluis. Volgens mij was dat ook een goede conclusie van het debat. Programma 6 Financiën 6.1 Verlaging van de verhoging van de OZB (VVD) De voorzitter: Dan gaan we – het is mooi, we lopen goed op schema – naar programma 6 over de financiën. We hebben nog twee onderwerpen te gaan. Eén, de ‘Verlaging van de verhoging van de OZB’. Dat is even om even iedereen er nog goed bij te houden. De verlaging van de verhoging van de OZB. Aan het woord is de VVD, mijnheer Bouman. De heer P. Bouman: Dank u wel, voorzitter. Ik zie dat u ervan genoten heeft, van onze titel. In de begroting zoals die nou voorligt zit het voorstel van het college om de ozb te verhogen met vijf procent. Dan zou je denken: goh, de inflatie is – wat is die tegenwoordig, die schiet een beetje richting de zeventien volgens mij op dit moment, die fluctueert een beetje heel hard. Maar dan zou je zeggen: nou, dat is vijf procent aller schappelijkst, want de prijzen stijgen met zeventien procent en wij halen er maar vijf op. Alleen, vanuit het perspectief van de burger, die burger betaalt ook die zeventien procent extra aan de kassa en die krijgt daarbovenop nog een ozb-verhoging van vijf procent.

Dus voor die burger is dat best wel pittig en die betaalt op alles al meer. Dus als het enigszins kan zijn wij als VVD van mening dat wij onze lasten zo min mogelijk moeten verhogen, omdat onze burgers al zoveel lastenverhogingen hebben. Als je dan even kijkt naar het financieel perspectief van de gemeente, dan lijkt het erop dat je die verhoging die het college heeft ingeboekt niet kan verlagen omdat je dat geld nodig hebt. Alleen, het college heeft een voorzichtigheidsmarge ingebouwd in de begroting waardoor ze minder rijksbijdragen hebben ingeboekt dan we daadwerkelijk gaan krijgen. Dan hebben we het gewoon over enkele miljoenen per jaar, dus er komt zeer realistisch gezien enkele miljoenen meer per jaar binnen dan nu in de begroting staat. Die ozb-verhoging gaat over tonnen, dus we kunnen best één, twee procent minder de ozb verhogen dan dat er nu in staat. Daar lijden wij als gemeente niks onder en daar hebben onze burgers heel veel baat bij. Dus dat is ons voorstel, één of twee procent van de verhoging af en dan krijg je dus een verlaging van de verhoging, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Bouman. Mijnheer Roovers van het CDA. De heer Roovers: Dankjewel, voorzitter. Toen ik dit onderwerp op de agenda zag staan, had ik eigenlijk mezelf even twee vragen voor ogen: het doel en uiteindelijk ook de doelgroep.

Nou ja, het doel is helder en de vraag is eigenlijk of de VVD nu met dit middel wel denkt of ze daar heel de doelgroep mee benaderen. Want de heer Bouman zegt terecht dat onze inwoners natuurlijk allemaal te maken hebben met inflatie, maar wat de heer Bouman vergeet is dat niet elke inwoner in deze gemeente ozb betaalt. Ik wil de heer Bouman daar vooral in meenemen in het verhaal dat huurders van vooral sociale huurwoningen zeker geen ozb betalen, dus mijn concrete vraag is: denkt de heer Bouman met dit middel uiteindelijk het probleem op te lossen van het verhaal van inflatie, koopkrachtverlies en noem maar op? De voorzitter: Mijnheer Bouman. De heer P. Bouman: Als we zouden spreken over een verlaging van de belasting, dan heeft u gelijk. Dan zou je zeggen: je kan niet een verlaging gaan doorvoeren voor één doelgroep. Maar we hebben het hier over een

verhoging die ingevoerd wordt op één doelgroep en die willen we temperen. De gemeente verhoogt niet de belasting op de andere doelgroepen, de gemeente verhoogt de ozb die deze doelgroep treft. Dus we temperen deze verhoging. De voorzitter: Mijnheer Roovers nog. De heer Roovers: Voorzitter, dan nogmaals de vraag: hoe denkt de heer Bouman dan toch tegemoet te komen aan die doelgroep die op andere fronten toch uiteindelijk geen ozb betaalt en toch de klappen krijgt van de inflatie? De heer P. Bouman: Voorzitter, dan moet u voortaan uw wekker zetten, want daar hebben we het 's middags en vlak nadat we friet op hebben gehad – betaald van de ozb – hebben we het daarover gehad. We hebben het uitgebreid over armoedebeleid gehad en daar hebben wij een concreet voorstel voor ingediend. Waar was uw voorstel? De voorzitter: Ik ga gewoon naar de volgende fracties. Mijnheer Bakker van AltenaLokaal. De heer Bakker: De wekker zetten, ja, dat is misschien nog wel een goeie. Overigens, dat zagen we ook misschien bij de heer Alderliesten, hè, dat was precies op tijd voor het eten, inderdaad. Goed, voorzitter, dank u wel. Mijnheer Bouman, op zich natuurlijk oogt die heel sympathiek, hè, vooral ook niet te veel geld weghalen.

Maar – u hoort de maar al aankomen, mijnheer Noordergraaf – oogt die heel sympathiek richting onze inwoners uiteraard, het lijkt toch wat ons betreft toch wel een beetje op symboolpolitiek. Zeker als je kijkt naar het verhaal van één procent, twee procent minder verhoging. Ik moet eerlijk zeggen dat ik zelf niet eens weet hoeveel ozb ik betaal, maar als ik eventjes alle gemeentelijke belastingen pak, dan kom ik zo rond de zevenhonderd euro denk ik ongeveer uit. Als ik daar één of twee procent van afhaal, dan heb ik per jaar nou, inderdaad veertien euro en als ik dat dan nog even deel door twaalf, één huishouden heeft dan ongeveer een voordeel van één euro per maand. Dat is één. Andere kant, administratieve lasten. Ik weet niet of de wethouder daar ook nog eventueel op in wil gaan, maar de administratieve lasten die we als gemeente hebben zijn vele malen hoger, dus vraag ik mij even af wat de inwoner hieraan heeft. De voorzitter: Mijnheer Bouman. De heer P. Bouman: Dank u wel. De voorzitter: Het is een beetje een debat wat heen en weer mag gaan. Ja, ga uw gang. De heer P. Bouman: Kijk, als je alles gaat delen door maanden, dan wordt het steeds kleiner. Als u het had gedeeld door weken, dan was het nog minder geweest. Zo werkt dat een beetje. Kijk, en de administratieve lasten … De heer Bakker: Voorzitter, ter interruptie.

Ook al deel ik het door een jaar, dan is het nog steeds een heel klein bedrag. De heer P. Bouman: Ja, dat is waar, heer Bakker, maar het is wel een klein bedrag wat structureel doorwerkt. Als u zegt het is een klein bedrag, dan kunnen we net zo goed de ozb verhogen met tien procent, dat is ook nog steeds een relatief klein bedrag, hè, maar dat gaan we ook niet doen. Dus kijk, alle procenten bij elkaar tellen toch op en het gaat erom dat je niet meer wil ophalen dan je nodig hebt. Dat is het punt, heer Bakker.

Wij hebben die vijf procent zoals het er nou uitziet meerjarig structureel niet nodig en we halen hem toch op, dat is dat is punt. De voorzitter: Mijnheer Timmermans. De heer Timmermans: Voorzitter, ik wou eigenlijk de heer Bakker tegemoetkomen. Want ik sluit me eigen compleet aan bij de VVD, maar we kunnen ook vier of vijf procent minder doen. Dat kan natuurlijk ook, hè. Dus dan wordt uw maandbedrag of een weekbedrag, net hoe je het wil zeggen, wordt dan gewoon lager. De heer Bakker: Je zou hem ook met vijf procent kunnen verlagen, dat klopt. De heer Timmermans: Ik zou hem gewoon niet verhogen inderdaad, dus gewoon gelijk laten, dat zou mijn voorstellen aan het college zijn. De heer Bakker: Ik zie de motie graag komen. De voorzitter: Mijnheer Bouman. De heer P. Bouman: Gaat de heer Bakker die dan wel steunen als het daadwerkelijk om substantiële bedragen gaat? Want in theorie is het geld er om vijf procent minder te verhogen ook. De heer Bakker: Nee, kijk, wat de heer Roovers ook natuurlijk al aangaf rondom ozb is natuurlijk dat we één doelgroep dan pakken en dan moeten we hem eventjes volgens mij op een andere manier doen. De bedoeling is volgens mij niet om het twee euro of zo te verhogen of te verlagen, als ik hem even per maand pak. Als ik het per jaar pak, heb je het over twee tientjes, mijnheer Bouman. Nou, oké.

Hij wordt inderdaad steeds kleiner hoe verder je hem gaat doen. Maar nogmaals, dat zijn volgens mij niet de bedragen waar we het over moeten hebben. Het zijn volgens mij meer bijvoorbeeld uw Altenabon, dat we zeggen: de mensen die het echt heel erg hard nodig hebben, dat we het daarvoor doen. De voorzitter: Mijnheer Timmermans nog een keer. De heer Timmermans: Dank u, voorzitter. Aan de heer Bakker, het is ook niet een eenmalige verhoging van vijf procent, dus we gaan nu tellen met die vijf procent, maar hij komt ieder jaar weer terug. Ieder jaar vergaderen we weer opnieuw hierover in de begroting en ieder jaar gaan die procenten omhoog. Als u twintig jaar vijf procent doet, dan bent u ook op een gegeven moment bij honderd procent. Dus uiteindelijk is het zo, u geeft iets anders af aan de inwoners en ik snap ook, de inwoner komt als eerste. Maar dat wil niet zeggen dat de bedrijven het zo makkelijk hebben in deze tijd. Als je naar de brandstofkosten kijkt en naar de energiekosten hebben bedrijven het zeker zo moeilijk als de inwoner. Dus een kleine compensatie aan die zijde kan ook geen kwaad, denk ik. De heer Bakker: Nee, misschien niet inderdaad. Maar goed, nogmaals, daar zijn we volgens mij als Altena kunnen we daar altijd aan bijdragen. Nogmaals, volgens mij hebben we daar ook de diverse dingen al voor vanavond onder andere voor gehad.

Volgens mij gaat het meer dan om de grote gebaren richting de bedrijven. Dan kijken we toch heel vaak natuurlijk naar een landelijke overheid die daar onder andere het mkb fors in compenseert. De voorzitter: Ik stel voor dat dit debatje nu eventjes voldoende gevoerd is. Dan gaan we naar mijnheer Versluis.

De heer Versluis: Dank u, voorzitter. Ik besef dat dit het eerste jaar is dat de SGP in ieder geval ozb niet op deze agenda zet als het gaat om de begrotingsbehandeling. Alle andere jaren wel. Kostte veel moeite om in ieder geval medestrijders te krijgen, dat is één keer gelukt, vorig jaar. Ik had eigenlijk verwacht, de heer Bouman, dat is zo'n slimme debater, die gaat straks zeggen: waarom waren jullie vorig jaar allemaal voor, had dat met verkiezingen te maken of zo? Maar die kwam er toch niet helemaal uit bij hem. Maar goed, even alle gekheid op een stokje. Kijk, de SGP is in ieder geval al aan het proberen de lasten voor onze mensen, onze bedrijven in ieder geval op een zo gunstig mogelijk niveau te houden. We zouden natuurlijk in eerste instantie veel meer moeten verhogen, dus wat dat betreft ziet dit er al iets gezonder uit. Ik zou eerst graag de reactie van de wethouder Financiën willen horen: wat zou dit betekenen? Want volgens mij is één percent twee tot tweeëneenhalve ton, dus ja, dan zou drie procent, dus twee procent verlagen, denk ik een half miljoen zijn. Ja, dat zijn toch forse bedragen en wat dat in ieder geval in het geheel zou betekenen. Ik denk ook niet dat dit college voor niets ingestoken heeft op deze behoedzaamheid, maar daar wil ik nog graag de reactie van de portefeuillehouder over. De voorzitter: Jazeker. Mijnheer Bouman. De heer P.

Bouman: Bij interruptie. Kijk, ik ben ook geen ster in rekenen, maar de effecten van de verhoging van vijf procent staan netjes opgesomd in de begroting. Dat was een kleine zeven ton geloof ik, dan kan je aan de hand daarvan ongeveer uitrekenen wat er gebeurt als je niet vijf procent verhoogt, maar maar vier of drie procent. Dus dat valt op zich wel mee waar we het over hebben, heer Versluis, dus in die zin kunt u dat gewoon met een gerust hart wel steunen, denk ik, ongeacht wat uw wethouder zegt – onze wethouder, sorry. De voorzitter: Wil mijnheer Versluis daar nog op reageren? De heer Versluis: Nou, ik moest hem natuurlijk herstellen, maar dat deed hij zelf al, het is inderdaad onze wethouder. Maar ik zei ook: er is natuurlijk niet voor niks ingestoken op deze behoedzaamheid die het college denk ik ingezet heeft in deze begroting. Die hebben daar goede redenen voor dat wellicht toch in de komende jaren die rijksbijdrage toch niet dat niveau gaat halen. Dat is één, dat is een stukje voorzichtigheid, maar ook B, volgens mij om in ieder geval ook richting onze overheid te laten zien nu dat het allemaal niet meevalt, zal ik maar zeggen. Dus dat het in ieder geval gaat wringen in het begrotingsland van de gemeente. Ik dacht dat dat ook een beetje de achterliggende reden was. De voorzitter: Dank.

Ik stel even voor dat we … Of zijn er nog mensen die zich nu nog in het debat willen roeren die zich nog niet geroerd hebben? Dan gaan we naar het college toe. Wethouder Tanis. De heer Tanis: Voorzitter, ik loop nu hier een jaar of vier rond en ik heb tot op de dag van vandaag nog nooit in de richting van de heer Bouman een soort ontnuchterende mededeling moeten doen. Ja, en eens moet toch de eerste keer zijn. Ja, ga maar even zitten. Toch even om terug te komen, voorzitter, wij hebben bij de kadernota inderdaad het fenomeen behoedzaamheid ingevoerd. Dat betekende dat voor volgend jaar voor 2023 er op dat moment een bedrag opgenomen was van afgerond anderhalf miljoen, wat in de jaren daarna opliep naar 2 en iets meer dan 2 miljoen, inderdaad vanwege de onzekerheid. Alleen, en daar betrap ik u toch op een heel incidenteel foutje, in het raadsvoorstel en ook dus in de onderliggende stukken staat in het raadsvoorstel zelfs twee keer – ik moet hem er even inwrijven – dat het college bij deze begroting die aan de raad aangeboden is voor 2023 de behoedzaamheidsreserve heeft laten vervallen en dus de anderhalf miljoen volledig ingezet heeft om dus de begroting sluitend te krijgen. Dus dat werpt wel een iets ander licht op de discussie van de afgelopen tien minuten, voorzitter. Voor de jaren daarna is die inderdaad gehandhaafd gebleven, maar voor volgend jaar niet.

De voorzitter: Dank u wel, portefeuillehouder. Mijnheer Bouman, u bent ontnuchterd? De heer P. Bouman: Nou, ik was helaas nog nuchter, maar … Nee, dat had ik gezien, heer Tanis. Ja, zeker. Maar we hadden ook gezien dat de jaarschijf één nog ruim boven nul uitsteekt, ongeveer een tonnetje of vier. Aan de hand van mijn foutieve rekenkunde die ik net heb uitgelegd zeg maar over die zeven ton, wat vijf procent ozb-verhoging betekent, hadden wij ook wel berekend dat één of twee procent daar wel vanaf kan, heer Tanis. Dus volgens mij zou u dan nog steeds wel sluitend moeten kunnen uitkomen, zeg maar, ook in jaarschijf één. De heer Tanis: Zeker, nee, dat bestrijd ik niet. Maar u bouwde uw verhaal op aan hand van de behoedzaamheidsreserve, vandaar dat ik even die insteek koos. Maar op zich heeft u daar gelijk in. Ik bedoel, één procent, wij rekenen meestal met ongeveer 120.000 euro, één procent ozb. Maar goed, dat is nooit helemaal met een met een schaartje te knippen, dus in die zin is er wat ruimte. Maar goed, die keuze laat ik graag aan de raad, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Nou, mijnheer Bouman, het laatste woord is aan u. De heer P. Bouman: Nou, dan heeft iedereen gelijk, en de heer Versluis heeft een antwoord wat het kost. Dus dan gaan we gewoon denken wat we gaan doen, voorzitter, en dan kunnen we dit punt wel voor nu sluiten, denk ik. De voorzitter: Voor nu sluiten.

Ik denk dat het over twee weken wel terugkomt. 6.2 Organisatieversterking (ChristenUnie) De voorzitter: Dan gaan we naar het laatste agendapunt. Agendapunt 6.2, de ‘Organisatieversterking’. De ChristenUnie leidt dat debatje in. De heer Van der Hoeven. De heer Van der Hoeven: Voorzitter, het is maar goed dat er net nog een agendapunt tussen zat, want anders had ik misschien niet eens gedaan, dit punt inbrengen, want ik vind dat mijn collega-raadslid gewoon niet op een correcte wijze behandeld is. Als daar een vraag open staat, dan hoeft daar niet zo lullig op gereageerd te worden. Als de toon is, daar willen wij gewoon niet aan meedoen, dan gaan we gewoon weg. Dus er heeft gelukkig een punt tussen gezeten, dus ik ben even wat tot rust gekomen, maar dit moeten we niet te vaak doen met elkaar. Ik wou gaan spreken over de organisatie. Het probleem wat wij zien is dat wij ons toch wel wat zorgen maken. Vorig jaar hebben 2 miljoen extra in de personeelspot gedaan, dit jaar komen er 4 miljoen bij en er staat nog steeds ergens anders een opmerking dat vanuit de ‘…’budget 2,6 miljoen ook een groot gedeelte aan personeel en aan informatievoorziening uitgegeven moet worden. We hebben na zitten denken wat nou daar de oorzaak van is dat we dat niet onder controle krijgen. We hebben onze mond vol van strategie, we willen een grote gemeente spelen, vergelijken met 100.000+ gemeentes.

Maar wie weet er in deze zaal nog waar we nu concreet naar op weg zijn, moeten we daar als raad niet met elkaar opnieuw over spreken? Ik ben van de week op zoek geweest naar de visie die wij met de inwoners hebben opgesteld, vastgesteld en ook door de raad is vastgesteld. Tot mijn grote schrik ontdekte ik dat die op de website van de gemeente niet meer staat. Nog wel in onze stukken in de raadsinformatie, maar op de website, er staan ongeveer honderd visiestukken, maar de visie van de inwoners staat er niet meer in. Daar stond onderin: we gaan dat samen doen, we gaan de gemeenschap in. Er stonden geen grote strategische doelen in, nee, we willen gewoon zorgen dat die dienstverlening goed op orde is. Wij willen ons niet met het verbeterproject bemoeien wat de gemeentesecretaris met zijn organisatie aan het opzetten is, maar wel de noodzaak om daar

vanuit de raad een focus in aan te brengen. De inwoners willen gewoon een schone straat, als ze dat nodig hebben willen ze zorgen hebben, ze willen duidelijke regels over een bouwvergunning en het liefst een beetje snel. Ik denk dat het ook sociaal is naar onze medewerkers die gewoon prima en veel operationeel werk doen. Als we alles naar een strategisch niveau willen toetsen, dat zal volgens mij ook geen gunstig effect hebben op het uitstroompercentage in het ziektepercentage van onze inwoners. Dat heeft gevolgen als we voor zo'n soort oplossing kiezen en met elkaar dat gesprek weer aangaan. We zullen misschien wat minder dingen gaan doen. Een politieke prioritering is wat ons betreft nodig. We hebben niet overal een kast vol van ‘…’ nodig, maar we gaan wel weer terug naar die inwoner met initiatieven die ook al door mijn collega's zijn aangehaald, dat we daar ruimte en budget weer voor terug willen hebben. Dat is mijn oproep aan de raad: hoe zitten we daarin, herkennen we dat? Het geeft geen grote … Maar als we volgend jaar weer 4 miljoen erbij krijgen, zijn we het daar dan mee eens, of niet, of gaan we nou een grens stellen met elkaar? Als ik met 4 miljoen met deze onderbouwing naar mijn baas zou gaan, nou, ik weet niet of ik gelijk naar buiten werd geschopt, maar ik denk wel dat ik mijn huiswerk opnieuw moet doen.

Dus het zijn echt serieuze bedragen, het gaat over tien procent van het personeelsbudget wat er nou weer bij geplust wordt en volgens mij moeten we met elkaar die discussie voeren: doen we nou wel de juiste dingen en hebben we de juiste focus? Want we kunnen niet heel de organisatie in één klap op orde maken, maar wel in stappen de goede kant op gaan. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Van der Hoeven. Mijnheer Timmermans. De heer Timmermans: Dank u, voorzitter. Wij hebben natuurlijk tijdens de verkiezingen wel wat geroepen, maar er zijn inderdaad wat dingen in de organisatie die volgens mij ook wel uitgebreid moeten worden, dus dat speelt wel. Anderzijds moet ik de heer Van der Hoeven ook wel gelijk geven dat we misschien wel prioriteiten moeten stellen. Dus inderdaad, u kunt mij dan vinden in die discussie verder, zeker. De voorzitter: Mijnheer Bouman. De heer A. Bouman: Dankjewel, voorzitter. Ik moet ook even een beetje bijkomen, maar dan nu even toch een beetje de treurnis die uit uw verhaal spreekt. Ja, toch een beetje, u ziet het een beetje aan de sombere kant in, hoor ik alle allemaal. Ik vraag me aan de ene kant een klein beetje af: waar is dat nu allemaal op gebaseerd? Want u geeft ook aan: hier als raad stellen we wel dingen vast, maar ja, eigenlijk doet het er allemaal niet zo heel erg veel toe. Dat hoor ik u ongeveer zeggen.

En ja, zo zitten wij eigenlijk niet in de wedstrijd, dat gevoel hebben wij ook als CDA Altena niet. Natuurlijk zijn er wel dingen die verbeterd moeten worden, daar hebben we ook een coalitie of een bestuursakkoord neergelegd waarin wij gezegd hebben: we gaan geen nieuwe ambities neerleggen, maar we willen juist de dingen die we in gang hebben gezet, die willen we gaan afmaken. We willen investeren in de organisatie, daar dus ook echt geld en tijd voor vrijmaken. Dat zijn hele duidelijke prioriteiten die we als raad daar ook in hebben gesteld met elkaar. Dat komt nu tot uitvoering, daar is het college allemaal mee bezig en daar kunnen wij kritische vragen over stellen, maar u komt hier nu met een heel treurig, triest verhaal waar ik eigenlijk niet zo goed weet wat ik er nou eigenlijk mee aan moet. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Bouman. Mijnheer Den Haan. Ja, u stond erachter. De heer Den Haan: Dank u wel, voorzitter. Ik wil altijd wel in volgorde blijven, maar ja, als u naar rechts kijkt en mij eerst ziet, dan ga ik gewoon ook eerst, ja. Eigenlijk een beetje hetzelfde als de heer Bouman. Ik zag de heer Van der Hoeven staan en ik denk … Even opletten nu. Dan inderdaad het verhaal wat u stelt, ik bedoel, als het waar zou zijn – dat zijn uw aannames – dan kan ik me alles bij voorstellen. Waar u vraagt: herken je je daarin? Nou, het korte antwoord is nee.

In het vervolg op de heer Bouman van het CDA, ja, we hebben dat

bestuursakkoord, we zijn aan de slag en dat hebben we ook gemaakt op basis van het feit dat we in die dienstverlening dat we sterk moesten investeren om dat vertrouwen terug te halen van die inwoners. Daar zijn we nu mee bezig, daar krijgen we ik weet niet hoeveel informatie over dat het ook inderdaad gaat gebeuren, dat het ook – en dat je het college vertellen, maar dat horen we ook als we vragen stellen – dat het ergens wel eens mank loopt, dus dat betekent dat we dan extra moeten investeren. Dus als je dan aan mij vraagt: als we dan over een jaar, of twee jaar, of drie jaar weer 4 miljoen in moeten investeren. Als nodig is, als wij daar goede uitleg over krijgen, dan zeggen wij: ja, dan is dat nodig. Maar dus, ik herken dat totaal niet. Daar wou ik het voorlopig maar even bij laten, want ik kom er niet verder mee. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Den Haan. Mijnheer Versluis. Ja, als mevrouw Maris het woord wil voeren, kan ze gewoon achter de katheder gaan staan. Ja, maar ze zit nog een beetje in de afwachtende houding. U mag als eerste het woord, als u wil, maar de hoffelijkheid van der heer Versluis wil ik natuurlijk wel ondersteunen. Mevrouw Maris: Dank u wel, heren en dames. Ik herken ook toch uw verdrietige houding. Het heeft misschien ook wel met het vorige punt te maken, of het daar voorgaande punt, maar ik begrijp ook wel wat u zegt voor een deel.

Ik herken ook wel, we zijn natuurlijk als een hele ambitieuze gemeente begonnen met grote dromen – collega droomt er ook nog van. En ja, soms gaat het gewoon niet zo snel als je wel denkt dat het snel kan gaan. En zeker ook is geld niet altijd de oplossing, dat herken ik ook wel. Je kunt heel veel geld blijven stoppen, maar als de cultuur niet verandert, ik heb dat hier ook al vaker gezegd, dan kun je heel veel geld blijven stoppen en dan gebeurt er niks. Maar we zien juist wel dat er veel gebeurt en ik wil toch positief blijven kijken naar de dingen die wel goed gaan. Ik denk dat we daar ook mee verder komen en ik zie wel de prioriteit en de focus die daar gelegd wordt en laten we daar ook naar blijven kijken. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Maris. Mijnheer Versluis. De heer Versluis: Misschien had ik niet eens meer op hoeven te gaan staan, voorzitter, maar ook de SGP herkent zich niet helemaal in het droeve verhaal van de ChristenUnie. Kijk, dat er uitdagingen binnen onze gemeente liggen, dat is zeker. Dat er misschien nog wat is blijven liggen, dat weten we ook, maar daarom zijn we juist natuurlijk bezig met die organisatieversterking. We hebben hier een pakket met ambities neergelegd en dat moet ook uitgevoerd worden.

Volgens mij net als zo’n dag zoals vandaag hebben we weer allerlei ambities met de raad en ik denk dat we met name gewoon de spiegel ook naar onszelf moeten richten: laat alsjeblieft die organisatie nu zijn werk doen waar ze voor moeten staan. Er liggen schitterende plannen die in de afgelopen jaren met elkaar besloten zijn en verder gebracht zijn, die moeten uitgevoerd worden en daar hoort een goede organisatie bij en ook deze middelen. En ja, in onze ogen hebben wij in ieder geval wat dat betreft wel gewoon scherp: wat is er nu echt noodzakelijk, wat heeft prioriteit? Wij herkennen ons ook niet in uw droevige verhaal. Dus ja, ik zou zeggen: probeer ook de zon weer een beetje te gaan zien en met ons samen vooruitkijken. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Versluis. Mijnheer Van der Hoeven. De heer Van der Hoeven: Ik wist niet dat ik non-verbaal zo droevig was. Het is een zorg die wij hebben. We horen overal strategisch, strategisch, er moet ook gewoon gewerkt worden. En ja, de onderbouwing om weer zoveel geld erbij te hebben, jullie vinden het allemaal gewoon, ik vind dat niet gewoon. Jullie hebben er allemaal vertrouwen in, wij hebben daar wat minder vertrouwen in.

Zijn we nog bezig? Waar is die visie gebleven die we met de inwoners hebben vastgesteld, waarom kunnen we daar nu niet meer aan toetsen als wij keuzes maken? Dat was een unaniem raadsbesluit om die visie op deze manier, om dit soort gemeente te

zijn. Als ik zie hoe we met dingen omgaan, dan heb ik daar wel een beetje zorgen over, ja. Worden wij nu een heel mooi kantoor met allemaal strategische mensen, of zijn wij gewoon de mensen buiten aan het helpen die met hun gewoon operationele vragen bezig zijn? Die balans, ja, daar maken we ons inderdaad zorgen over. Als wij dan de middelen zien die daartegenaan gezet worden, nou ja, ik ben daar kennelijk de enige in, of wij zijn daar de enigen in. Het zij dan maar zo, en we hebben wel eens vaker gelijk gehad op langere termijn. De voorzitter: Mijnheer Bouman bij interruptie. De heer A. Bouman: Dank u wel, voorzitter. Mijnheer Van der Hoeven, wij vinden dat niet gewoon wat we aan het doen zijn hier in de gemeente Altena. We hebben juist gezegd: we willen een stap extra gaan zetten en we willen daarin gaan investeren. Ik ben het met u eens, we hebben hier niet alleen beleidsmakers nodig, er moet ook zeker aan de uitvoering gewerkt worden, hè. Dat hoor ik u ook zeggen en op dat punt hebben wij er ook vertrouwen in dat het college daar ook kritisch op is en daarvan kijkt dat we niet alleen beleidsmakers gaan krijgen.

Maar wij staan er in elk geval voor dat we ook als raad juist ook een positieve houding moeten hebben richting de organisatie wat we allemaal aan doen zijn, want op het moment als het al moeilijk is om ook goede mensen hier te vinden, die zowel aan beleid als aan uitvoering moeten werken, dan helpt een heel erg treurig verhaal dat het allemaal niet zo heel erg goed gaat, dat helpt daar mijns inziens zeker niet bij. De voorzitter: Mijnheer Van der Hoeven. De heer Van der Hoeven: Volgens mij heb ik juist mijn complimenten uitgesproken over de mensen die het operationele werk doen en volgens mij hebben wij hier als raad een verantwoordelijkheid, budgetrecht en een visierecht en een initiatiefrecht om dingen aan de orde te steken. Ik vind het gewoon erg vervelend dat het dan op die manier afgedaan wordt en dat er niet inhoudelijk wordt ingegaan. Eén kant wel, er zit een stukje zorg: houden we oog voor operatie? Maar ik vind dat gewoon te makkelijk. Ik zeg een punt en als iedereen vindt: jongen, je hebt helemaal ongelijk. Ik leef in een democratie, daar leg ik me helemaal bij neer. Maar dan wel ingaan op de constatering: zetten we nou niet te veel alleen op strategie in en verliezen we die operatie uit het oog? Ik heb begrip voor de mensen die hier werken, dat is volgens mij niet vanuit mijn mond ter discussie gesteld.

Het gaat over de keuze die wij als raad maken en die misschien het college maakt of die de conditie heeft gemaakt. Daar wil ik u een spiegel voorhouden en misschien is het een scherpe spiegel, dat weet ik niet. Maar als we daar met elkaar niet in willen kijken, prima, het zij dan zo, dan houden wij het wel in de gaten. De voorzitter: Mijnheer Bouman nog een keer en dan geef ik het woord aan de heer Versluis. De heer A. Bouman: Nou doet u eigenlijk hetzelfde misschien dat u mij verwijt, want u zegt: u wil daar niet naar kijken. Ik ben erop ingegaan door te zeggen: u zei, het is almaar gewoon dat we dat hier doen. Ik zeg: nou, het is helemaal niet gewoon. Ik ben rechtstreeks op uw verhaal ingegaan en u geeft aan – en dat heb ik dan inderdaad wellicht niet goed gehoord: ik heb complimenten gegeven voor de mensen die hier dingen uitvoeren. Nou, daar schaar ik me dan graag achter. Ik geef ook de complimenten aan de mensen die beleid proberen te maken hier. Dus wat daar aangaat, het gaat er ons in elk geval om, wij zullen een positieve houding moeten hebben denk ik met elkaar, ook een stukje energie daarin uitstralen. Wat ons betreft niet het glas halfleeg zien, want dat trekt denk ik niet extra energie naar de gemeente Altena toe en die hebben we onzes inziens wel heel hard nodig. Ik hoop, maar ik vind het prima dat kritisch bent, hè, positief kritisch bent.

Dat is ook goed, maar ja, dat stukje positief, dat miste ik in elk geval heel erg in de eerste inbreng die u daarstraks had.

De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Bouman. Wilt u eerst, mijnheer Versluis? Ja? Mijnheer Versluis. De heer Versluis: Dat is niet zo ingewikkeld hoor, voorzitter, maar ik haak nog even aan bij beleid en uitvoering. Ik denk dat we daar op zich wel met elkaar dicht bij elkaar zitten. Ik heb het volgens mij wel eens eerder genoemd: we hebben behoefte aan denkers en aan doeners en die balans moet goed zijn, want je hebt natuurlijk net niks aan om alleen maar beleid te bedenken en vast te stellen zonder dat je capaciteit om uit te voeren. Maar kunt u nou eens gewoon bijvoorbeeld drie concrete onderdelen of dingen noemen dat u zegt: dat vind ik echt onzin, daar wordt echt gewoon de verkeerde richting gekozen, daar zit echt te veel energie op die en die onderwerpen, want dat is een disbalans. Want u heeft wel een heel betoog, maar wat is nou concreet waar u het probleem ziet? De voorzitter: Mijnheer Van der Hoeven. De heer Van der Hoeven: Dat is wel een hele favoriete debattruc om dan drie dingen op te laten noemen. Maar laat ik er eentje noemen. Er is een initiatief om een hondenuitlaatplek in Werkendam te maken. Mensen willen daar zelf energie voor inzetten, er moet even een stukje afgerasterd worden, een bordje erbij. Nee, dat kan niet, want we moeten eerst strategisch hondenuitlaatbeleid maken voor heel Altena, anders kunnen we niet zo'n weitje organiseren.

Dan denk ik: ja, waarom? De heer Versluis: Ja, als reactie op dat ik zeg, zo simpel als de heer Van der Hoeven het voorstelt, zeggen we: dat zou voor mij niet nodig zijn, dat zou natuurlijk onzin zijn. Maar goed, ik hoop wel dat dit een incident zijn. Als wij in ieder geval geen grotere voorbeelden kunnen noemen, dan word ik er nog niet echt ongerust van. De voorzitter: Mijnheer Van der Hoeven, u mag het debat afronden en dan gaan we naar het college luisteren en dan krijgt u nog een keer het laatste woord. De heer Van der Hoeven: Nee, ik heb verder niet op in te gaan. De voorzitter: Portefeuillehouder Sheikkariem. De heer Sheikkariem: Dank u wel, voorzitter. Voorzitter, namens het college ga ik proberen de opmerking die mijnheer Van der Hoeven maakt toch een stukje duiding te geven, want ik proef ook de vraag: kunt u gewoon ook inzichtelijk maken waar die investering naartoe gaat? Ik neem u even mee terug naar vorig jaar, toen de vorige bestuursperiode bijna afgerond werd. Toen werd geconstateerd dat de vorige start gewoon niet verstandig was. Het was heel ambitieus, er waren heel veel ideeën en wensen opgeschreven, maar er was onvoldoende rekening gehouden wat de stand van de ambtelijke organisatie was. In het kort was de conclusie: zowel aan kwalitatieve kant als aan kwantitatieve kant moest er geïnvesteerd worden.

U heeft ongetwijfeld nog op uw netvlies staan dat vorig jaar tijdens de begrotingsbehandeling een motie is aangenomen: college, ga aan de slag en kom met een nulmeting, een nulmeting op dienstverlening, een nulmeting op de organisatiesterkte. en breng dat bijeen met een plan en zorg ervoor – dat was ook de opdracht die de raad mee heeft gegeven aan het vorige college – zorg ervoor dat u de ambities in evenwicht brengt met wat er kan. Met die opdracht is het college aan de slag gegaan, heeft in een overdrachtsdossier meegegeven aan de nieuwe coalitie en daarin is in ieder geval een destillatie opgenomen in het bestuursakkoord wat omschreven staat bij de begrippen WORT, waarvan u ongetwijfeld weer waar het voor staat: de W van onze wervingsstrategie anders gaan doen, de O van organisatieontwikkeling, de R van regionaal een speler kunnen zijn, de T veel meer gaan inzetten op talentmanagement. Daarmee zijn we aan de bak gegaan en dat heeft erin geresulteerd dat wij tussentijds twee keer nog aan de raad hebben gerapporteerd waar we tegenaan lopen.

Op 4 oktober jongstleden, dat was de laatste keer, hebben we in een informatie aan de raad tijdens de Altenatafel verteld wat de stand van zaken is, hoe we investeren. Ik snap ook uw signaal: let op, ik wil niet alleen een gemeente zijn die inzet op beleid op strategische capaciteit. Nee, dat hebben we niet. Ik kan u vertellen, de investering – want ik zie het niet dat we geld vragen, wij vragen investeren om onze gemeente nog bloeiender te maken – dat daar twee derde van in de operationele tak wordt geïnvesteerd en een derde echt wel nodig is om de kwalitatieve kant waarin wij met vraagstukken zitten die zich niet beperken tot historie, maar met name met nieuwe impulsen. Zoals u vanavond ook hoort, als wij denkkracht en ontwikkelkracht nodig hebben om bijvoorbeeld een CPO of andere vormen van wonen, dan hebben we een ander soort denkkracht nodig. Maar dat is maar een derde en twee derde gaat naar de uitvoering. Wij hebben dat gerapporteerd en ik moet u eerlijk zeggen dat de raad goed op de hoogte was en de reacties die wij kregen mij in ieder geval geruststelden: oké, de raad is voldoende aangehaakt en ik heb ook de afspraak gemaakt om namens het college in mei volgend jaar de volgende rapportage te delen met de raad. Zij worden meegenomen tot op detail en hebben het gevoel aangehaakt te zijn.

Dus ik hoop hiermee iets weg te halen bij u en anders hoor ik graag uw vragen waar het nog meer in zit. Ik wil daar nog één ding aan toevoegen en dat is niet om het goed te praten, maar we hebben als Altena onszelf, maar ook onze ambtelijke organisatie de afgelopen jaren tekortgedaan. We hebben veel meer van ze verlangd dan ze konden geven. Ook uit de laatste onderzoeken die landelijk zijn uitgevoerd door het A&O fonds blijkt dat ondanks de investering die we hebben gepleegd in de ambtelijke organisatie, wij nog ver onder het landelijk gemiddelde zitten qua aantal fte's voor de omvang van onze gemeente en organisatie. Theoretisch gezien, ik kan met procenten gaan werken, maar ik ga het uitleggen in aantallen. Met het aantal medewerkers wat we hebben, als we het zouden vergelijking met andere gemeenten tussen de 50.000 en 100.000 inwoners, zouden we ongeveer 42.000 inwoners kunnen bedienen, en we hebben er 57.000. Dat is dus de basis op orde gaan krijgen, aantrekken daarvan, naast de kracht die we ook willen hebben om ook een krachtige speler te worden. Voor deze termijn zo even, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. We hebben maar één termijn in beginsel, de heer Van der Hoeven mag het debat beëindigen met een conclusie. Hij heeft het ingeleid. De heer Van der Hoeven: Ik kon zelf niet bij die laatste bijeenkomst zijn waar dat plan toegelicht is.

Ik heb het wel teruggekeken en ik heb ook een collega die ook veel van personeelszaken afweet, die heeft ook meegekeken en die heeft er ook op gereflecteerd, maar die zat wel in dezelfde hoek, hè: let op, jullie zijn op heel veel borden tegelijk aan schaken. En elke veertien dagen een voortgangsgesprek over de toekomst met heel de organisatie, nou, dat is maar heel weinig organisatie waar dat goed gaat en dan nog een positieve tendens houden. Dus daar komt echt die zorg vandaan: jongens, zijn we niet te veel op alle plekken aan drukken en zijn we niet aan het focussen op de plekken waar het echt nu hard nodig is? In die zin wil ik daar niet op ingaan. Het laatste wat ik gewoon zelf ook wel vast wil houden en ik weet nog niet hoe ik het moet organiseren, maar ik vind het essentieel dat wij nog een keer naar die visie kijken die we vastgesteld hebben. Hoever staan we er nu vanaf en is dat nou een bewuste keuze geweest, of niet? Ik denk dat dat … Ik weet nog niet in welke vorm of welk moment dat moet, dat staat ook een beetje los van de begroting in die zin, dus het hoeft niet over veertien dagen. Maar ik vind dat wel ook naar de inwoners toe wel een element wat we ook serieus moeten nemen. We hebben er vierhonderd mensen aan laten werken en dat kunnen we niet via een zijingangetje kunnen we er eraf laten lopen, wat ons betreft. De voorzitter: Dank u wel, mijnheer Van der Hoeven.

Het is aan u om te kijken hoe u dat nog een plek wil geven eventueel over twee weken.

4.

Sluiting De voorzitter: Daarmee wil ik wel de avond beëindigen met u allen dankzeggen, ook voor uw bereidwilligheid om de vaart erin te houden. We zijn toch nog ruim binnen het bovenste tijdschema geëindigd, dank daarvoor. Het is aan u om te kijken waar u moties en amendementen voor wil aanleveren, daar heeft u tot vrijdag 4 november de tijd voor. We zullen met het presidium nog even nagaan, we hebben in beginsel de tijd vanaf vier uur gereserveerd, of we dan inderdaad om vier uur starten, of op een andere manier dat vormgeven, maar dat zullen we in het presidium wel bespreken en dat hoort u van ons. Ik wil u nog danken met tot slot eindigen dat 208 kijkers u gevolgd hebben vanavond. Dat is weer een respectabel aantal. Ik wens u allemaal nog een goede nazit en een goede nachtrust toe. Dank u wel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12036935/2