24-053 Handreiking Duurzaam Bouwen
Tekst van het document
Dit houdt in dat vrijkomende elementen, producten, materialen en grondstoffen in het systeem zinvol en zo hoogwaardig mogelijk worden teruggebracht met een zo laag mogelijke milieuimpact. Een circulaire sloop moet worden gerealiseerd binnen het spanningsveld van budget, technische mogelijkheden, gezondheid en de wet- en regelgeving. Om de meest geschikte sloopaannemer aan te wijzen, is het essentieel voor de ABG-gemeenten om zich te laten overtuigen van de circulaire aanpak van het ontmantelproces. Daarnaast wil ABG het vertrouwen krijgen dat de bestaande bebouwing volledig circulair wordt ontmanteld, binnen de vastgestelde richtlijnen en mogelijkheden. De sloopaannemer kan dit vertrouwen aantonen door te komen met specifieke voorbeelden van circulaire maatregelen die zij zullen treffen. Een sloopaannemer kan dit bijvoorbeeld aantonen aan de hand van referentieprojecten.
1 Zie bijlage II; Toelichting BCI Gebouw en MPG
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 26
Voor er opdracht wordt verstrekt aan een sloopaannemer moet er een Plan van Aanpak worden opgesteld waarbij de werkwijze voor een circulaire ontmanteling met daarbij een overzicht van concrete circulaire maatregelen is vastgelegd. Een aantal voorbeelden van maatregelen die vastgelegd kunnen worden zijn: ◼ Beschrijf uw aanpak om vrijkomende elementen, producten en materialen te inventariseren en te registreren; ◼ Beschrijf uw aanpak om voor de vrijkomende elementen, producten en materialen de waarde en de afzetkanalen te bepalen en vast te leggen; ◼ Beschrijf uw aanpak om te borgen en aan te tonen dat de vrijkomende elementen, producten en materialen daadwerkelijk hun weg terugvinden in de gebouwde omgeving; ◼ Kwantificeer de aanpak door te sturen op KPI #1.6 – Vrijkomende materialen ◼ Beschrijf hoe uw besluitvorming voor circulaire maatregelen tot stand komt; ◼ Welke concrete circulaire maatregelen treft u ter onderbouwing van uw eerder omschreven aanpak? 08.02 Oogstkaart Om een beeld te krijgen van de aanwezige materialen in het sloopobject moet er een inventarisatie worden gemaakt. Naast dat sloopaannemers zelf zullen inventariseren kan er bij de aanbestedingsdocumenten informatie worden gedeeld over de aanwezige materialen in het te slopen object. Wanneer gekozen wordt om zelf een volledige gebouwinventarisatie aan te leveren is dit kostbaar.
Een alternatief wat sneller kan worden opgesteld en een goed beeld geeft van de aanwezige materialen is een oogstkaart. In deze oogstkaart wordt informatie vastgelegd over aanwezige materialen, producten en elementen, waarbij zelf het detailniveau kan worden bepaald. De oogstkaart is een middel om inzicht te bieden in KPI #1.6 – Vrijkomende materialen De bestaande materialen, producten en elementen worden middels een rondgang geïnventariseerd. Voor ieder woningtype/ complex zijn de materialen, producten en elementen vastgelegd en beoordeeld op de onderdelen: ◼ Afvalstrategie (volgens R-ladder2); ◼ Conditie; ◼ Demontagemethode (losmaakbaarheid); ◼ Afzetmogelijkheid. Opbouw oogstkaart In de oogstkaart zijn per geïnventariseerd bouwproduct (per regel) de volgende onderdelen (per kolom) benoemd: ◼ Nr.: NL/SfB groep van de producten; ◼ Onderdeel: de productnaam van hetgeen dat geïnventariseerd is tijdens de rondgang; ◼ Toelichting: eventuele opmerking relevant voor de situatie; ◼ Foto: betreffende fotonummer die correspondeert met een fotorapportage; ◼ Materiaal: materiaal waar het bouwproduct van is gemaakt; ◼ Afvalstrategie: vastgestelde afvalstrategie voor het product volgens de R-ladder; ◼ Conditie: indicatieve conditie van het product volgens NEN 2767; ◼ Demontage: potentie voor demontage;
2 Zie bijlage II; Toelichting BCI Gebouw en MPG
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 27
◼ ◼
Afzetmogelijkheid: potentiële afzetmogelijkheid; Afmetingen/hoeveelheden: de indicatieve afmetingen en hoeveelheden zijn opgenomen per onderdeel, op woningniveau en op complexniveau.
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 28
B IJ L AGE I : B E GR I PPE N L I J ST Begrip
Toelichting
Kritische Prestatie Indicator
Een meetbare maatstaf die wordt gebruikt om de prestaties van een specifiek
(KPI)
doel te evalueren.
Bruto vloeroppervlakte (BVO)
Bruto vloeroppervlakte van een gebouw, zoals bepaald in de NEN 2580
NL/SfB
NL/SfB is de meest gebruikte classificatie voor gebouwonderdelen in Nederland. Bouw- en installatiebedrijven coderen met deze open standaard lagen en objecten in BIM en CAD-systemen en gebruiken NL/SfB voor het ordenen van informatie van leveranciers.
Layers of brand
Middels de Layers of Brand wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende type producten in de bouwsector: Site (locatie), Structure (constructie), Skin (huid; gevel, dak en begane grondvloer), Services (installaties), Space Plan (afbouw), Stuff (vast en los meubilair). Kenmerkend van deze gebouwlagen is dat de levensduur van producten over het algemeen verschillen. Daarom wordt in ontwerpkeuzes vaak rekening gehouden met deze lagen met kenmerkende levensduur.
Functionele eenheid
De functionele eenheid is een essentieel concept voor de vergelijking van producten op basis van hun functionaliteit, onafhankelijk van hun fysieke eigenschappen of omvang. Resultaten van een LCA worden gereduceerd tot dezelfde functionele eenheid, bijvoorbeeld een vierkante meter.
Levenscyclusanalyse (LCA)
Levenscyclusanalyse is een methodologie om de milieueffecten van een product gedurende de hele levenscyclus te beoordelen. De analyse omvat het verzamelen en analyseren van verschillende gegevens, van hulpbronnen tot energieverbruik, om de milieu-impact te kwantificeren en te evalueren.
Milieukostenindicator (MKI)
Schaduwkosten vertegenwoordigen de milieulast die een materiaal of product veroorzaakt van ‘Wieg tot Graf’. Hoe hoger de schaduwkosten, hoe zwaarder de milieubelasting. Aan de hand van een levenscyclusanalyse (LCA) wordt inzicht verkregen in de totale milieulast uitgedrukt per milieueffect. Alle milieueffecten worden op basis van weegfactoren vertaald naar een gewogen milieuscore, de MKI.
MilieuPrestatie Gebouw
Milieuprestatie Gebouwen. De score voor materiaalgebonden milieu-impact van
(MPG)
een gebouw. De MPG wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie bouwwerken. Zie https://milieudatabase.nl/ voor meer informatie
Paris Proof (MPG-2)
'De MPG-2 score, ook bekend als Paris Proof Indicator, geeft aan hoeveel materiaalgebonden CO2-uitstoot (uitgedrukt in CO2-equivalenten) vrij komen tijdens de productie- en bouwfase. Deze indicator vloeit voort uit dezelfde rekenmethode als MPG.
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 29
Begrip
Toelichting
Global Warming
Klimaatverandering ontstaat onder andere door de uitstoot van koolstofdioxide (CO 2)
Potential; GWP (CO2)
en wordt uitgedrukt in Global Warming Potential (GWP) over een tijdsbestek van 100 jaar, gemeten in kg CO2-equivalent. Een lagere CO2-uitstoot leidt tot een gereduceerd broeikaseffect. Naast het totale GWP, is deze indicator ook uitgedrukt in GWP/BVO, oftewel kilogram CO2-equivalenten per vierkante meter bruto vloer oppervlak per jaar.
Material Circularity Index
De herkomst van materialen en het toekomstscenario van materialen bepalen samen
(MCI)
de Material Circularity Index (MCI). Met behulp van de Building Circularity Index (BCI) kan deze indicator berekend worden. Herkomstscenario en toekomstscenario zijn hieronder toegelicht.
Materiaal:
Herkomstscenario van het materiaal (nieuw, hergebruikt, gerecycled, biobased)
herkomstscenario -Nieuw
Materiaal dat geproduceerd is uit primaire grondstoffen.
-Hergebruikt
Materiaal dat deel uitmaakt van een samengesteld bouwcomponent, -product of element dat als geheel opnieuw wordt gebruikt voor dezelfde functie na een eerdere toepassing. Er heeft dus geen bewerking van het materiaal plaatsgevonden.
-Gerecycled
Materiaal dat na gebruik een recyclingproces heeft ondergaan en nu opnieuw toegepast wordt in een bouwcomponent, -product of -element.
- Biobased
Materiaal afkomstig van levende organismen dat op een menselijke tijdschaal wordt geteeld, natuurlijk aangevuld of natuurlijk wordt gereinigd.
Materiaal:
Toekomstscenario van het materiaal (storten, verbranden, recyclen, hergebruiken)
Toekomstscenario -Stort
Materiaal waarvan het afvoeren naar de stort het meest realistische levenseinde scenario is.
-Verbranding
Materiaal waarvan verwerking in een verbrandingsoven voor energiewinning het meest realistische levenseinde scenario is.
-Recycling
Materiaal waarvan recycling van de materialen het meest realistische levenseinde scenario is.
-Hergebruik
Materiaal waarvan hergebruik van de bouwcomponenten, -producten of -elementen het meest realistische levenseinde scenario is. Het toepassen van producten met een toekomstscenario ‘Hergebruiken’ vereist een terugnamegarantie.
Technische levensduur
Technische levensduur is de periode waarin een product naar behoren functioneert.
Functionele levensduur
De functionele levensduur is het moment waar het product de verlangde functionele prestaties niet meer kan leveren.
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 30
Begrip
Toelichting
Losmaakbaarheid (LI)
Conform de meetmethodiek voor losmaakbaarheid V2.0 bepalen vier technische losmaakbaarheidsfactoren de LI-score van een product: Type verbinding, Toegankelijkheid van de verbinding, Doorkruisingen, Randopsluiting.
Type verbinding (TV)
Objecten zijn met elkaar verbonden door diverse typen verbindingen. Met betrekking tot losmaakbaarheid prevaleren droge verbindingen, verbindingen met toegevoegde elementen en directe, integrale verbindingen boven zachte en harde chemische verbindingen.
Toegankelijkheid
De toegankelijkheid van de verbinding gaat in op de fysieke mogelijkheid om bij
verbinding (ToV)
verbindingselementen te komen en de mate waarin hierbij schade ontstaat aan de omliggende objecten. Wanneer de toegankelijkheid hoog is, dus wanneer het gemakkelijk is om bij het verbindingselement te komen zonder dat schade ontstaat aan de omliggende gebouwdelen, heeft dit een positief effect op de losmaakbaarheid.
Doorkruisingen (DK)
Doorkruisingen ontstaan bij integratie en vervlechting van objecten uit verschillende lagen (Layers of Brand). Dit zorgt voor afhankelijkheid van objecten ten opzichte van elkaar. Wanneer objecten elkaar niet fysiek doorkruisen, blijven deze onafhankelijk van elkaar en zijn gemakkelijker demonteerbaar.
Randopsluitingen (RO)
Randopsluiting ontstaat door fysieke insluiting door omliggende objecten die demontage anders dan de omgekeerde bouwvolgorde onmogelijk maken. Om tussentijdse demontage te waarborgen dienen objecten open te blijven aan minimaal één kant en zijn ze niet fysiek ingesloten. Hierdoor zijn deze van elkaar te scheiden zonder omliggende objecten te beïnvloeden.
Building Circularity Index
De Building Circularity Index (BCI) is uitgedrukt in een percentage tussen de 0% en
(BCI)
100%, waarbij 0% volledig lineair en 100% volledig circulair is. In de BCI-score zijn twee sub-indicatoren opgenomen, namelijk de MCI en LI.
Product Circularity Index
De MCI- en de LI-score vormen samen de Product Circularity Index (PCI). De PCI-score
(PCI)
representeert de circulaire potentie van een product als het in een bouwwerk gemonteerd is. De PCI-score wordt uitgedrukt tussen 0% en 100%, waarbij 0% volledig lineair en 100% volledig circulair is.
Materialenpaspoort
Een materialenpaspoort biedt een gedetailleerd overzicht van de toegepaste bouwproducten, -materialen en -grondstoffen, inclusief informatie over milieuimpact en circulariteit. Met behulp van de Building Circularity Index (BCI) kan het materialenpaspoort ingericht worden.
Terugnamegarantie
Overeenkomst waarbij de leverancier en een koper bij de verkoop van bouwmaterialen afspreken dat de koper de bouwmaterialen in toekomst kan teruggeven aan de leverancier. De leverancier kan deze materialen vervolgens opnieuw gebruiken voor andere toepassingen, ontmantelen voor de grondstoffen of reviseren en opnieuw in de markt brengen.
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 31
Begrip
Toelichting
Total Cost of Ownership
TCO is het totaalbedrag aan kosten voor de aanschaf en het bezit van een
(TCO)
product gedurende de gehele levenscyclus van het product
BENG-1
Dit staat voor de eerste BENG-eis, die betrekking heeft op de maximale energiebehoefte van een gebouw. Het meet de hoeveelheid energie die nodig is om het gebouw te verwarmen en koelen, gecorrigeerd voor seizoensinvloeden en klimaatverschillen. De BENG 1-eis beoogt de energiebehoefte te verminderen door middel van goede isolatie, geoptimaliseerde gebouworiëntatie en efficiënte verwarmings- en koelsystemen.
BENG-2
Dit staat voor de tweede BENG-eis, die de maximale primaire energiegebruik van een gebouw meet. Primaire energie omvat alle energiebronnen die nodig zijn om het gebouw te voorzien van verwarming, koeling, verlichting, ventilatie en apparaten, inclusief verliezen tijdens productie, transport en distributie. BENG 2 stelt eisen aan de totale energie-efficiëntie van het gebouw en moedigt het gebruik van hernieuwbare energiebronnen zoals zonne-energie en windenergie aan.
BENG-3
Dit vertegenwoordigt de derde BENG-eis, die betrekking heeft op het aandeel hernieuwbare energie in de totale energievoorziening van het gebouw. Het meet het percentage van de totale benodigde energie dat afkomstig is van hernieuwbare bronnen zoals zonne-energie, windenergie, biomassa en geothermische energie. BENG 3 stimuleert het gebruik van duurzame energiebronnen om de afhankelijkheid van niet-hernieuwbare energiebronnen te verminderen.
TOjuli
Deze indicator definieert de eis om te grote opwarming van woningen (in de zomer) te voorkomen. TO-juli is een indicatiegetal waarmee inzichtelijk wordt gemaakt wat het risico is qua temperatuuroverschrijding. De waarde van TOjuli vloeit direct voort uit de BENG-berekening. Een belangrijke factor daarin is de zontoetreding, die afhankelijk is van de oriëntatie van de woning en de eventueel aangebrachte zonwering. Ook de gebouwmassa is van invloed. De TOjuli is gesteld om maximaal 1,2. Door de juiste toepassing van zonwering kan de waarde zakken tot het gewenste niveau.
PV-panelen
PV-panelen is een term die voor zonnepanelen gebruikt wordt. Het is in feite de technische benaming voor zonnepanelen: installaties die door middel van zonlicht energie opwekken. PV is de afkorting van ‘Photo Voltaic’. ‘Photo’ staat hier voor licht en ‘voltaic’ staat hier voor stroom.
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 32
Begrip
Toelichting
Wateroverlast
Wateroverlast is de overlast die optreedt als gevolg van (extreme) neerslag. Er zijn meerdere factoren die samen kunnen zorgen voor deze wateroverlast. Allereerst is de intensiteit en duur van de neerslag van grote invloed op het risico op overlast. De wijze en mate waarop de verschillende oppervlakken het water opnemen of laten doorstromen is een tweede belangrijke factor. Tot slot zijn er nog de riolering en het oppervlaktewater die water van het maaiveld kunnen vasthouden, bergen en afvoeren.
Neerslag infiltratie
De hoeveelheid jaarlijkse neerslag dat wordt geïnfiltreerd in de bodem en waterbergende natuur (zoals bomen) op een bepaalde kavel. Een grotere bui mag overloop naar openbaar gebied hebben. Een hogere infiltratiegraad duidt op een duurzaam waterbeheer en de bevordering van natuurlijke afvoerprocessen. Het is een maatstaf voor de effectiviteit van het infiltratiesysteem en benadrukt het vermogen om regenwater vast te houden op de locatie en overbelasting van het rioleringssysteem te verminderen.
Droogte
Als er meer water verdampt, afgevoerd wordt of gebruikt wordt dan dat er bijkomt, ontstaat droogte. De droogte wordt berekend uit de hoeveelheid regen die valt, verminderd met de verdamping. Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten.
Warmtewering en
De minimaal vereiste oppervlakken binnen een bepaald gebied dat is ingericht met
verkoeling
warmtewerende of verkoelende materialen en technieken. Het dient als een maatstaf voor het bevorderen van duurzaamheid en het verminderen van hittestress door het maximaliseren van oppervlakken die de hitte absorberen, weerkaatsen of afvoeren. Een hoger percentage geeft aan dat een groter deel van de omgeving thermisch comfortabeler en klimaatbestendiger is ingericht.
(Hoogwaardige) habitats
Een habitat omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt. De indicator hoogwaardige habitats beschrijft het aantal soorten hoogwaardige habitats dat gerealiseerd wordt met als doel de gebiedseigen biodiversiteit te versterken.
Waterkwaliteit
Deze indicator stelt vast dat het behandelde afvalwater dat wordt geloosd vanuit het projectgebied moet voldoen aan de vastgestelde waterkwaliteitsnormen zoals bepaald door relevante milieuwetgeving en -regulering. Deze normen omvatten maximale toegestane concentraties van verontreinigende stoffen, microbiële belasting en andere schadelijke elementen in overeenstemming met de specifieke waterlichamen waarnaar het afvalwater wordt afgevoerd.
Gezonde
Gezonde bodemgesteldheid kan worden gedefinieerd als de staat van de bodem
bodemgesteldheid
waarin fysieke, chemische en biologische eigenschappen optimaal zijn voor het ondersteunen van een divers ecosysteem en het bevorderen van plantengroei. Specifiek in bouwprojecten verwijst gezonde bodemgesteldheid naar de mate waarin de bodem in bouwgebieden in staat is om ecologische processen te ondersteunen en te behouden, en om te dienen als een duurzame basis voor biodiversiteit.
2024-0617.006-V3.0 | Pagina 33