CConstaterende datAlmere
Koppel je AI →
Document · PDF

Bundel PM 2 september

Politieke Markt 2 september 2021, gemeente Almere29.630 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze punten worden hieronder toegelicht.

Invoering schriftelijke waarschuwing De schriftelijke waarschuwing voor een eerste overtreding van een niet-geüniformeerde arbeidsverplichting is nieuw in deze verordening (art 6 lid 2). De waarschuwing vervangt de categorieën van handelingen waarvoor nu nog verschillende maatregelen gelden. Deze categorieën staan in de oude verordening in artikel 8.

Een maatregel is een verlaging van de uitkering die kan worden opgelegd als een bijstandsgerechtigde zich niet houdt aan de verplichtingen die bij een uitkering horen (met uitzondering van de overtreding van de inlichtingenplicht; daarvoor worden geen maatregelen opgelegd maar boetes). De bedoeling van een maatregel is om een bijstandsgerechtigde het gedrag te laten veranderen en de verplichtingen wél te gaan nakomen. Onder de oude verordening heeft een overtreding direct financiële consequenties. Door de waarschuwing kan een bijstandsgerechtigde het gedrag aanpassen door alsnog aan de verplichting te gaan voldoen, zonder dat dit onmiddellijk deze consequenties heeft. Dit voorkomt (extra) financiële

VOORSTEL AAN DE GEMEENTERAAD

IN T E V U L L E N D O O R D E R A A D S G R I F F I E RV-NUMMER PROCEDURE PAGINA

RV-63/2021 Carrousel: 2 september 2021 3

problemen die niet alleen nadelig zijn bij het aan het werk helpen van mensen, maar die ook doorwerken in het leven van bijstandsgerechtigden en hun gezin.

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken, dat financiële stress en gebrek aan doenvermogen een belangrijke invloed hebben op het menselijk gedrag: het zorgt ervoor dat mensen minder goed in staat zijn om te doen wat van hen wordt verwacht. Deze inzichten worden binnen het sociaal domein in Almere breed erkend en toegepast. Vanuit dat oogpunt vinden wij het vanzelfsprekend om bijstandsgerechtigden waar mogelijk eerst de kans te geven om hun gedrag aan te passen, voordat dit financiële gevolgen heeft. Daarom wordt in deze verordening de schriftelijke waarschuwing geïntroduceerd (art. 6). Een schriftelijke waarschuwing gaat in de praktijk samen met een gesprek met de bijstandsgerechtigde, om te bespreken wat er verwacht wordt en wat de gevolgen zijn als niet aan de verplichting voldaan gaat worden. Als dit alles geen effect heeft, geldt bij de volgende overtreding de maatregel voor recidive. Daarmee wordt het oude, vrij ingewikkelde systeem van categorieën van maatregelen bij de eerste keer niet nakomen, vervangen door de schriftelijke waarschuwing. De beoordeling van situaties wordt daarmee eenvoudiger, wat ook de rechtsgelijkheid ten goede komt.

De waarschuwing wordt gebruikt bij de niet-geüniformeerde verplichtingen, zoals genoemd in artikel 6 lid 1 onder d.

De waarschuwing kan niet gebruikt worden: - bij de geüniformeerde verplichtingen, omdat de Participatiewet daarvoor geen ruimte laat; - bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan. In dergelijke gevallen wordt een maatregel namelijk opgelegd voor gedrag dat niet meer te herstellen is. Het gaat dan om het onverantwoord opmaken van vermogen zodat iemand (eerder) uitkeringsafhankelijk wordt, of om het opzeggen van algemeen geaccepteerd werk waardoor iemand uitkeringsafhankelijk wordt; - bij ernstige agressie, waarbij sprake is van fysiek of verbaal geweld tegen de mensen die de wet uitvoeren, of waarbij schade wordt aangericht aan spullen of aan het gebouw. Gebruik van geweld wordt niet geaccepteerd en hierbij past geen waarschuwing.

Spreiden van 100% maatregelen over 3 maanden bij niet- geüniformeerde maatregelen De verplichte maatregel van 100% voor overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting wordt gespreid over 3 maanden. In de nieuwe verordening is vastgelegd dat de eerste 100% maatregel ook bij de niet-geüniformeerde verplichtingen wordt gespreid over 3 maanden (art. 13). Dit zijn maatregelen die worden opgelegd ná een waarschuwing en er is dan dus sprake van recidive. Het spreiden van deze maatregelen voorkomt dat huishoudens helemaal zonder inkomen komen te zitten, met alle gevolgen van dien. Als de bijstandsgerechtigde binnen deze 3 maanden alsnog gaat meewerken aan de verplichting waarvoor de maatregel werd opgelegd, vervalt het restant van de maatregel.

Verzwaring van maatregelen voor misdragingen We kunnen geen wangedrag tolereren tegen medewerkers van de gemeente. De maatregelen voor misdraging worden daarom op twee punten verzwaard (art. 9). Voor het herhaaldelijk uitschelden van mensen die belast zijn met het uitvoeren van de wet is de maatregel verdubbeld van 10 naar 20%. Het bedrag van de maatregel komt daarmee ongeveer overeen met de boete die staat op het beledigen van een ambtenaar in functie. Voor zeer ernstige misdragingen zoals fysiek geweld en bedreiging gold al een maatregel van 100%. Dit geldt nu ook voor het door ernstige agressie toebrengen van schade aan interieur en gebouw. Natuurlijk kunnen vernielingen niet geaccepteerd worden. Maar daarbij vinden wij deze verzwaring belangrijk vanwege de grote impact van dit soort gedrag op het veiligheidsgevoel van de mensen die ermee geconfronteerd worden.

2 Verbetering aansluiting uitvoeringspraktijk In de praktijk is gebleken dat sommige onderdelen van de oude verordening niet gebruikt werden of niet meer van toepassing waren. Deze onderdelen zijn in de nieuwe verordening weggelaten. Daarnaast is de leesbaarheid van de verordening verbeterd. Dit heeft geleid tot de onderstaande wijzigingen in de verordening.

VOORSTEL AAN DE GEMEENTERAAD

IN T E V U L L E N D O O R D E R A A D S G R I F F I E RV-NUMMER PROCEDURE PAGINA

RV-63/2021 Carrousel: 2 september 2021 4

- Verwijzingen naar wetten zijn vereenvoudigd. Zo is de opsomming van alle artikelen uit de Participatiewet waarin verplichtingen zijn opgenomen, vervangen door een verwijzing naar het algemene artikel het verlagen van de bijstand bij het niet nakomen van de verplichtingen; - Niet-noodzakelijke verwijzingen zijn verwijderd; - Artikel 2 van de oude verordening is geschrapt. Dit artikel verwees naar misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen. Daarbij is de bestuurlijke boete van toepassing. Dit hoort daarom niet in de Maatregelenverordening; - De mogelijkheid om een maatregel toe te passen op de individuele inkomenstoeslag is geschrapt omdat dit in de praktijk nooit gebeurt (oude verordening art 4 lid 2); - De mogelijkheid om een maatregel met terugwerkende kracht op te leggen is geschrapt omdat dit in de praktijk niet voorkomt (oude verordening art 7 lid 2); - de IOAW en de IOAZ worden voor de overzichtelijkheid in aparte artikelen behandeld (art 10 en 11);Artikel 12 over samenloop is sterk vereenvoudigd ten opzichte van de oude verordening. Samenloop is aan de orde wanneer er meerdere maatregelwaardige gedragingen in één kalendermaand plaatsvinden.

WAT ZIJN ALTERNATIEVEN VOOR DE RAAD? De wijzigingen zijn bedoeld om de verordening beter te laten aansluiten op de uitgangspunten die voor het sociaal domein vastgesteld zijn, om meer rekening te kunnen houden met individuele kenmerken en omstandigheden van bijstandsgerechtigden en om beter aan te sluiten op de uitvoeringspraktijk. Er zijn geen wettelijke verplichtingen om tot deze wijzigingen te besluiten. Als deze verordening niet wordt vastgesteld, blijft de oude verordening van kracht.

WAT ZIJN DE CONSEQUENTIES VAN DIT BESLUIT VOOR INWONERS EN ORGANISATIES IN DE STAD OF ANDERE DERDEN? IS OF WORDT HIERAAN IN HET KADER VAN EEN PARTICIPATIETRAJECT AANDACHT BESTEED? Dit besluit heeft gevolgen voor inwoners met een bijstandsuitkering die verplichtingen niet nakomen.

WELKE FINANCIËLE MIDDELEN ZIJN MET DIT BESLUIT GEMOEID? Bij niet-geüniformeerde verplichtingen wordt in eerste instantie een waarschuwing in plaats een korting op de uitkering. Daarvan kan een effect zijn dat de uitkeringslasten iets stijgen. Dit effect is erg klein, maar lastig in te schatten omdat het aantal opgelegde maatregelen door de jaren heen fluctueert.

Daar staat tegenover dat we van de waarschuwing een positief effect verwachten. De waarschuwing veroorzaakt minder financiële problemen bij bijstandsgerechtigden, waarbij bekend is dat financiële stress en schulden ervoor zorgen dat bijstandsgerechtigden moeilijker re-integreren in het arbeidsproces en dus langer in de uitkering blijven. Vanuit de wetenschappelijke inzichten over stres en doenvermogen, verwachten we daarnaast dat de waarschuwing een meer motiverend effect heeft op bijstandsgerechtigden dan een direct financieel gevolg. Dit heeft een positief effect op het verdere re-integratieproces. Deze effecten vallen op voorhand niet te kwantificeren. De verwachting is dat er per saldo geen effect op de BUIG zichtbaar zal zijn.

WANNEER WORDT HET BESLU IT VAN DE GEMEENTERAAD UITGEVOERD, GEREALISEERD EN WANNEER WORDT DE GEMEENTERAAD DAAROVER GERAPPORTEERD? Zodra de Maatregelenverordening is vastgesteld, wordt deze gepubliceerd. De verordening is geldig vanaf de dag na publicatie.

IS AAN DE BESLUITVORMI NG OVER DIT VOORSTEL EEN FATALE TERMIJN (WETTELIJKE DEADLINE) VERBONDEN? ZO JA, WAAROM? Nee

BIJLAGEN Maatregelenverordening Almere 2021

ACHTERLIGGENDE STUKKEN Collegevoorstel Maatregelenverordening Almere 2021 en besluit d.d. 18 mei 2021

RAADSBESLUIT

IN T E V U L L E N D O O R D E R A A D S G R I F F I E RV-NUMMER PROCEDURE PAGINA

1 RV-63/2021 Carrousel: 2 september 2021

ONDERWERP

Maatregelenverordening Almere 2021

De raad van de Gemeente Almere

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders,

Besluit:

De Maatregelenverordening Almere 2021 vast te stellen.

Almere, 8 juli 2021

De raad voornoemd,

De griffier, De voorzitter,

G.J. Broer F.M. Weerwind

Maatregelenverordening Gemeente Almere 2021

De Raad van de gemeente Almere;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;

gelet op

artikel 147, eerste lid Gemeentewet; de artikelen 8 lid 1 aanhef, en onderdeel a en d Participatiewet; de artikelen 35 onder a en c Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; de artikelen 35 onder a en c Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

overwegende dat

deze verplicht is om bij verordening te regelen dat de uitkering of inkomensvoorziening van belanghebbende zoals aangewezen in de Participatiewet, IOAW of IOAZ wordt verlaagd indien aan bepaalde verplichtingen niet wordt voldaan; deze verplicht is bij verordening regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;

BESLUIT

vast te stellen de:

Maatregelenverordening Gemeente Almere 2021

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijving 1. Alle begrippen in deze verordening die niet nader omschreven zijn hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. wet: de Participatiewet, IOAW en IOAZ; b. bijstand: algemene en bijzondere bijstand; c. algemene bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5 sub b Participatiewet; d. bijzondere bijstand: bijstand die wordt verleend met toepassing van artikel 12 Participatiewet; e. bijstandsnorm: de norm zoals bedoeld in artikel 5 sub c Participatiewet;

f. uitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAZ of in artikel 5 IOAW; g. uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde bruto grondslag, bedoeld in artikel 5 lid 4 IOAW of IOAZ; h. norm: de norm als bedoeld onder sub e en g; i. schriftelijke waarschuwing: een op schrift gestelde attendering in het kader van het maatregelenbeleid; j. maatregel: - het verlagen van de bijstand op grond van artikel 9a lid 12 Participatiewet, artikel 18 lid 2 Participatiewet, artikel 18 lid 4 Participatiewet, artikel 18b lid 1 Participatiewet of - het verlagen van de uitkering op grond van artikel 20 lid 2 IOAW of artikel 20 lid 1 IOAZ; k. jongere: persoon jonger dan 27 jaar; l. LBIO: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen; m. college: - het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere voor zover het de uitvoering van de Participatiewet en IOAW betreft of - het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad voor zover het de uitvoering van de IOAZ betreft. Dit geldt niet voor het vaststellen van beleid of nadere regels. n. raad: de gemeenteraad van de gemeente Almere.

HOOFDSTUK 2 FORMELE ASPECTEN OPLEGGEN MAATREGEL

Artikel 2 Opleggen maatregel 1. Het college legt een maatregel op in de volgende gevallen: a. als belanghebbende verplichtingen uit de wet niet nakomt als bedoeld in de artikel 18, lid 2 en lid 4 van de Participatiewet, artikel 20, lid 2 van de IOAW, of artikel 20, lid 1 van de IOAZ dan wel; b. als belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in de kosten van het bestaan dan wel; c. als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet. 2. Het opleggen van de maatregel is gebaseerd op het handelen of nalaten van belanghebbende en wordt ten uitvoer gelegd op de norm zoals die geldt voor de belanghebbende(n) en/of de bijzondere bijstand die wordt verleend met toepassing van artikel 12 Participatiewet. 3. Het college stemt de maatregel af op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende.

Artikel 3 Besluit tot opleggen maatregel In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. het percentage waarmee de norm wordt verlaagd;

d. de motivering van dat percentage indien wordt afgezien van het standaardpercentage.

Artikel 4 Afzien van opleggen maatregel 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; b. de gedraging heeft plaats gevonden meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 5 Ingangsdatum maatregel 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op die waarin het besluit tot het opleggen van de maatregel aan belanghebbende is bekendgemaakt. 2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien een belanghebbende voorafgaande aan de aanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan heeft betoond, direct bij aanvang bijstand een maatregel opgelegd.

HOOFDSTUK 3. MAATREGELWAARDIG GEDRAG

Artikel 6 Het niet of onvoldoende nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen Participatiewet 1. Het niet nakomen van de verplichtingen uit de wet zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, omvat de volgende gedragingen: a. het onvoldoende meewerken aan activiteiten, onderzoeken of werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling; b. het niet voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen of niet bereikbaar zijn op een belafspraak; c. gedraging die leidt tot ingetrokken ontheffing arbeidsplicht alleenstaande ouder op grond van artikel 9a Participatiewet; d. het niet nakomen van overige verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en/of re-integratie, opgelegd op grond van artikel 55 van de wet, waaronder begrepen het niet onderwerpen aan een, op advies van een arts noodzakelijk geachte behandeling van medische aard. e. het niet willen meewerken aan het afleggen van de verplichte taaltoets. f. het niet verrichten van opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie naar vermogen; g.

het onvoldoende nakomen van de verplichting tot arbeidsinschakeling door een jongere gedurende de 4 weken na de melding, voor zover de geschonden verplichting niet wordt genoemd in artikel 18 lid 4 Participatiewet en/of het door een jongere onvoldoende aantonen dat het regulier onderwijs geen mogelijkheden meer biedt.

h. het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen, opgelegd op grond van artikel 55 van de wet, die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand, waaronder begrepen het niet inschakelen van het LBIO.

2. Een schriftelijke waarschuwing is van toepassing als er voor de eerste keer sprake is van een verlagingswaardige gedraging zoals vermeld in het eerste lid. 3. Een volgende verlagingswaardige gedraging binnen 2 jaar na de datum van het besluit als genoemd in lid 2 van dit artikel valt onder recidive conform artikel 13. Deze termijn van 2 jaar blijft gelden ongeacht of de bijstandsperiode onderbroken is geweest.

Artikel 7 Het niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen arbeidsinschakeling Participatiewet 1. Het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet leidt tot het opleggen van een maatregel van 100 % voor de duur van één maand. 2. Het bedrag van deze maatregel wordt in gelijke delen verrekend in de maand volgend op de maand waarin het besluit genomen is en de daarop volgende twee maanden, wat neerkomt op 1/3e deel per maand.

Artikel 8 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoals bedoeld in artikel 18 lid twee Participatiewet, dan wordt een maatregel opgelegd van 100% van de norm voor de duur van één maand indien belanghebbende een beroep op de bijstand doet vanwege verwijtbaar ontslag. 2. Als er sprake is van onverantwoord snel interen op het vermogen wordt een maatregel opgelegd van 20% van de norm gedurende het aantal maanden dat er een vervroegd beroep op de bijstand is gedaan met een maximum van 24 maanden. De interingsnorm bedraagt 1,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm, eventueel verhoogd in verband met hoge woonkosten. Daarnaast kan er reden zijn om het in te teren vermogen lager vast te stellen als gevolg van substantiële noodzakelijke uitgaven, zoals o.a. kosten in verband met noodzakelijk vervanging van duurzame gebruiksgoederen en/of noodzakelijke verhuiskosten.

Artikel 9 Zeer ernstige misdragingen 1. Er wordt een maatregel opgelegd als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9 lid 6 van de Participatiewet dan wel die zijn belast met de uitvoering van de IOAW of IOAZ als bedoeld in de artikelen 37 lid 1 onder g van de IOAW of IOAZ. 2. Als er voor de eerste keer sprake is van ernstige verbale agressie zoals uitschelden, vloeken en/of discrimineren naar een medewerker is een schriftelijke waarschuwing van toepassing. 3. De maatregel bedraagt 20% van de norm gedurende één maand als er sprake is van herhaaldelijke verbale agressie naar een medewerker van de gemeente, nadat belanghebbende reeds een waarschuwing heeft gehad binnen een periode van twee jaar na de datum van het besluit waarbij aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

4. De maatregel bedraagt 100% van de norm gedurende één maand als er sprake is van door ernstige agressie toegebrachte schade aan het interieur en/of de gebouwen van de gemeente. 5. De maatregel bedraagt 100% van de norm gedurende één maand onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 3 van deze verordening als er sprake is van mensgericht fysiek geweld, spugen, intimidatie en/of bedreiging en overige vormen van ernstige agressie. 6. Het college doet aangifte bij de politie indien de misdraging te kwalificeren is als een strafbaar feit.

Artikel 10 Het niet nakomen van verplichtingen IOAW/IOAZ 1. Het voor de eerste keer niet of onvoldoende nakomen van de volgende verplichtingen uit artikel 37 van de IOAW of artikel 37 van de IOAZ en artikel 38 lid 3 IOAW of artikel 38 lid 3 van de IOAZ leidt tot het opleggen van een schriftelijke waarschuwing: a. het nalaten van hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert. b. het naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt c gedraging die leidt tot ingetrokken ontheffing arbeidsplicht alleenstaande ouder 2. Het niet of onvoldoende nakomen van de volgende verplichtingen uit artikel 37 van de IOAW of artikel 37 van de IOAZ leidt tot het opleggen van een maatregel van 100% voor de duur van een maand als er sprake is van het niet gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

3. Het bedrag van de maatregel bedoeld in het tweede lid wordt in gelijke delen verrekend in de maand van oplegging van de maatregel en de daarop volgende twee maanden, wat neerkomt op 1/3e deel per maand.

Artikel 11 Weigering uitkering IOAW/IOAZ 1. Het college weigert de uitkering voor de duur van één maand naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in artikel 8 van de IOAW of IOAZ zou hebben kunnen verwerven als: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt; b. de dienstbetrekking is beëindigd door op of verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd; c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

HOOFDSTUK 4 SAMENLOOP, RECIDIVE

Artikel 12 Samenloop 1. Er is sprake van samenloop wanneer belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan 2 of meer gedragingen in één kalendermaand. 2. Indien er sprake is van samenloop van 2 of meer gedragingen die schending opleveren van één of meer verplichtingen genoemd in artikel 6, 9 en 10 van deze verordening, dan wordt een maatregel opgelegd met het hoogste percentage. 3. Indien er sprake is van samenloop van de in lid 2 vermelde gedragingen met een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan gaat de maatregel behorend bij de geüniformeerde verplichting voor op de maatregel van de niet- geüniformeerde verplichting, uitgezonderd de gedragingen vermeld in artikel 9 van deze verordening. Een maatregel op grond van artikel 9 wordt altijd opgelegd, ook wanneer er sprake is van samenloop met een maatregel op grond van een geüniformeerde arbeidsverplichting.

Artikel 13 Recidive 1. Bij recidive wordt uitgegaan van de gedraging(en) per individu. 2. Indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij aan hem een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6 en 10 is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde of vergelijkbare maatregelwaardige gedraging leidt dit tot een maatregel van 100%. Het bedrag van deze maatregel wordt in gelijke delen verrekend in de maand volgend op de maand waarin het besluit genomen is en de daarop volgende twee maanden, wat neerkomt op 1/3e deel per maand. 3. Indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij aan hem een maatregel als bedoeld in lid 2 is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een maatregelwaardige gedraging als bedoeld in artikel 6 en 10 wordt een maatregel opgelegd voor de duur van twee maanden ter hoogte van 100%. 4. Indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij aan hem een maatregel als bedoeld in lid 3 is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een maatregelwaardige gedraging als bedoeld in artikel 6 en 10 wordt telkens een maatregel van 100% opgelegd voor de duur van drie maanden. 5.

Indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij aan hem een maatregel als bedoeld in de artikel 9 lid 3 van deze verordening is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde maatregelwaardige gedraging leidt dit telkens tot een maatregel van 100% voor de duur van een maand. 6. Een besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen telt mee voor recidive.

Artikel 14 Toepassen maatregel na onderbreking bijstand Indien de belanghebbende niet langer een uitkering op grond van de Participatiewet of IOAW ontvangt, brengt het college bij een nieuwe aanvraag om bijstand of IOAW binnen een periode van 6 maanden na beëindiging van de vorige uitkering, een eerder opgelegde doch niet geëffectueerde maatregel alsnog ten uitvoer.

HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 15 Hardheidsclausule Het college is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van deze verordening mochten voordoen.

Artikel 16 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking. 2. De Maatregelen- en handhavingsverordening gemeente Almere 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 1 bedoelde datum.

Artikel 17 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening gemeente Almere 2021.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van ….

De griffier, De voorzitter, G.J. Broer F.M. Weerwind

Toelichting bij de Maatregelenverordening Almere 2021 Algemeen Rechten en verplichtingen in de Participatiewet

De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van de bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Artikel 18 lid 1 Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden, wat maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 Participatiewet legt een directe koppeling tussen rechten en plichten van bijstandsgerechtigden: het recht op bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de bijstand niet alleen afhangt van de toepasselijke norm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een belangrijke rol.

De gemeente zal onderzoek moeten doen naar de persoonlijke omstandigheden van de bijstandsgerechtigde, waarbij de knelpunten op de diverse leefgebieden in kaart moeten worden gebracht in het kader van stress sensitieve dienstverlening. Verder hebben belangrijke onderzoeken (o.a. ‘Weten is nog geen doen’ van de WRR) aangetoond dat de overheid veel meer rekening moet houden met het ‘doen-vermogen’ van mensen1. Het college kan afzien van het toepassen van een verlaging bij een gedraging welke krachtens de maatregelenverordening tot een verlaging kan leiden voor zover het gaat om schending van een niet-geüniformeerde verplichting. In dat geval volstaat het college met een schriftelijke waarschuwing die alleen wordt toegepast bij de eerste keer van verzuim binnen een periode van 2 jaar. Hierdoor krijgt de belanghebbende de kans zijn gedrag te veranderen, zonder dat dit direct nadelige financiële gevolgen heeft. De betreffende gedraging wordt aangemerkt als een verlagingswaardige gedraging en telt mee voor recidive. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde wederom zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het college de bijstandsuitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging.

Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende redenen aanwezig acht. In artikel 18 lid 4 Participatiewet zijn de geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van één van deze verplichtingen geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met 100 procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening wordt de duur en de verrekening van de verlaging vastgelegd, 18 lid 5 Participatiewet. Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Een verlaging krachtens de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen.2 Als een

1 Het rapport en een samenvatting daarvan zijn te vinden op:

https://www.wrr.nl/publicaties/rapporten/2017/04/24/weten-is-nog-geen-doen 2 CRvB 31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB 29-07-2008, nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 19-01-2010, nr. 08/1012 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052.

betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9 lid 6 Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd. In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de maatregelenverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.

Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 1 Begripsomschrijving Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Schriftelijke waarschuwing: een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven als er voor de eerste keer sprake is van een verlagingswaardige gedraging Artikel 2 Opleggen maatregel Op grond van in de maatregelenverordening vast te leggen criteria dient het college in individuele gevallen te bepalen welke verplichtingen van toepassing zijn en wat de verlaging van de bijstandsuitkering is indien een verplichting niet wordt nagekomen. Dit geldt voor de niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18 lid 2 Participatiewet. Afstemming bijzondere bijstand In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.

Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in lid 2 van de verordening geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval ook bestaat uit de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Participatiewet. In het derde lid komt maatwerk aan de orde. Om de mate van verwijtbaarheid en persoonlijke omstandigheden mee te laten wegen zullen in het kader van stress sensitieve dienstverlening de knelpunten op de diverse leefgebieden in kaart moeten worden gebracht. Artikel 3 Besluit tot opleggen maatregel Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. Artikel 4 Afzien van opleggen maatregel Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18 lid 9 Participatiewet, respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en artikel 20 lid 3 IOAZ.

Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.3 Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke

3 CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887.

vorm van verwijtbaarheid of vanwege verjaring van de gedraging afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege artikel 2 lid 3 van deze verordening van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt deze verordening dat het college geen maatregel oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het college overgaat tot het opleggen van een verlaging. Afzien van het opleggen van een maatregel in verband met dringende redenen Er kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden.

Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het opleggen van een maatregel. Schriftelijke mededeling in verband met recidive Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive, artikel 13 van deze verordening. Artikel 5 Ingangsdatum maatregel Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een maatregel. Dan hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag.

Artikel 6 Het niet of onvoldoende nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen Participatiewet In artikel 6 worden schendingen van de niet geüniformeerde verplichtingen uit de Participatiewet, de IOAW en IOAZ geformuleerd en de schriftelijke waarschuwing die voortvloeit uit een eerste verzuim. Als een belanghebbende wel een verplichting schendt en de gedraging niet leidt tot schending van een van de geüniformeerde verplichtingen van artikel 18 lid 4 Participatiewet, dan is sprake van schending van een niet-geüniformeerde verplichting. In dat geval is het opleggen van een maatregel aan de orde op grond van artikel 18 lid 2 Participatiewet samen met de maatregelenverordening. In lid 1 onder a zit een nuanceverschil ten opzichte van de wet, hier wordt een maatregel bepaald voor het onvoldoende meewerken aan de arbeidsinschakeling. Artikel 18 lid 4 van de Participatiewet gaat uit van volledig niet meewerken. Artikel 7. Het niet nakomen van geüniformeerde verplichtingen arbeidsinschakeling Participatiewet De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode, artikel 18 lid 5, eerste volzin Participatiewet.

De periode is vastgesteld op één maand waarbij het bedrag van de verlaging wordt verrekend over drie maanden. De belanghebbende kan zijn gedrag nog verbeteren, waardoor de mogelijkheid bestaat dat de maatregel in de tweede of derde maand ingetrokken wordt. Dat is geregeld in 18 lid 11 Participatiewet, de zogenaamde inkeerregeling. Artikel 8. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in de kosten van zijn eigen bestaan dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder is aangewezen op bijstand, dan is sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Bijstand in de vorm van een geldlening Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college een ander spoor kiezen door te besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48 lid 2, onderdeel b, Participatiewet. Artikel 9. Zeer ernstige misdragingen Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld spugen, schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.

Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen.4 Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.5 Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegenkomen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.6 Artikel 10 Het niet nakomen van verplichtingen IOAW/IOAZ De maatregelen IOAW/IOAZ zijn in een apart artikel opgenomen. De maatregel is gelijk aan het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen arbeidsinschakeling Participatiewet zoals genoemd is artikel 7 van deze verordening.

Artikel 11 Weigering uitkering IOAW/IOAZ In artikel 20 IOAW en IOAZ is aan het college de bevoegdheid toegekend om de uitkering tijdelijk of blijven te weigeren bij gedraging genoemd onder a tot en met d. In dit artikel wordt de duur geregeld, een periode van een maand. Artikel 12 Samenloop In dit artikel wordt het maatregelen regiem beschreven als er sprake is van samenloop van een of meer gedragingen in een kalendermaand. Artikel 13 Recidive Na een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 6 en 10 wordt bij recidive een maatregel opgelegd van 100% verrekend over drie maanden. Ook hier heeft de belanghebbende de mogelijkheid om zijn gedrag aan te passen, waardoor de mogelijkheid bestaat dat de maatregel in de tweede of derde maand ingetrokken wordt. Tevens is in dit artikel de verlaging geregeld voor herhaaldelijke verbale agressie.

4 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 24.

5 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 55.

6 Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 25-26.

Voorstel aan Burgemeester en Wethouders Werk en Inkomen

Steller: S.E.F. Dickens

Djuma: Datum BenW: 18 mei 2021 Pagina 1/6 Onderwerp Maatregelenverordening Almere 2021 Portefeuille Werk en Inkomen, Integratie en Wonen met Zorg Portefeuillehouder(s) F.T. de Jonge Publiekssamenvatting Soort stuk Het college stelt aan de raad voor om de Maatregelenverordening Almere 2021 Hamerstuk vast te stellen. (Tijdelijke) Geheimhouding:

De Maatregelenverordening is een invulling van de Participatiewet. Deze verordening vervangt de Maatregelen- en handhavingsverordening 2016. Embargo tot: Er zijn geüniformeerde en niet-geüniformeerde verplichtingen. De geüniformeerde verplichtingen zijn in de Participatiewet vastgelegd. Voor deze verplichtingen geldt dat gemeenten bij overtreding ervan een maatregel moeten opleggen van 100% van de voor die persoon geldende bijstandsnorm. Deze verordening regelt alle overige verplichtingen, deze worden aangeduid als de niet-geüniformeerde verplichtingen.

Bij de geüniformeerde verplichtingen werd de 100% maatregel al over 3 maanden gespreid. Dat blijft zo. In de nieuwe verordening is vastgelegd dat de eerste 100% maatregel nu ook bij de niet-geüniformeerde verplichtingen wordt gespreid over 3 maanden. Bestuurlijk voortraject Bestuurlijk vervolg PFO Werk en Inkomen, 12 april 2021 Verzending aan de raad: Ja Integratie en Wonen met Zorg

Bijlagen Collegebesluit • Raadsvoorstel in te vullen door Bureau Agenda • Maatregelenverordening Almere 2021 ■ Conform 18 mei 2021

□ Gewijzigd

□ Aangehouden

□ Teruggenomen

Voorstel aan Burgemeester en Wethouders Djuma

Pagina 2/6

Ontwerpbesluit De raad voor te stellen: De Maatregelenverordening Almere 2021 vast te stellen.

Inleiding en bestuurlijke In 2015 werd nieuwe wetgeving van kracht met betrekking tot het opleggen van context maatregelen aan bijstandsgerechtigden. De bijbehorende verordening werd in 2016 voor het laatst aangepast. In de afgelopen jaren is ervaring opgedaan met de uitvoering van deze wetgeving en de verordening. Hieruit is de behoefte ontstaan om de maatregelenverordening te vereenvoudigen en de leesbaarheid te verbeteren. Wetenschappelijke kennis over het menselijk gedrag heeft de afgelopen jaren een duidelijke plaats gekregen in het beleid binnen het sociaal domein. In lijn daarmee wordt in deze verordening meer ruimte gemaakt om gedrag aan te passen, zonder dat dit direct financiële consequenties heeft.

De recente gebeurtenissen rondom de toeslagenaffaire onderstrepen nog extra hoe belangrijk het is om rekening te houden met de individuele omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Het is vanzelfsprekend dat dit ook geldt bij het opleggen van maatregelen. We verliezen de zorg voor onze inwoners niet uit het oog.

De gemeenteraad is bevoegd om regels op te stellen over het verlagen van de bijstand vanwege de volgende omstandigheden (art. 147 Gemeentewet en art. 8, lid 1a Participatiewet): - betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; - het niet voldoen aan de niet-geüniformeerde arbeidsverplichtingen.

Overtredingen van de inlichtingenplicht vallen niet onder deze verordening: daarvoor worden boetes opgelegd en geen maatregelen.

Deze verordening vervangt de Maatregelen- en handhavingsverordening Gemeente Almere 2016. Het wettelijk kader voor de Maatregelenverordening Almere 2021 is de Participatiewet. Het Beleidskader Sociaal domein 2019-2022 is van toepassing.

Beoogd effect Met deze nieuwe verordening worden twee doelen bereikt: 1. de verordening sluit beter aan bij het beleid in het Sociaal Domein om rekening te houden met individuele kenmerken en omstandigheden van bijstandsgerechtigden; 2. de verordening sluit beter aan bij de uitvoeringspraktijk

Argumenten De belangrijkste wijzigingen in de verordening worden hieronder toegelicht. Om duidelijk te maken waar de veranderingen zijn aangebracht, wordt verwezen naar de huidige Maatregelen- en handhavingsverordening Almere 2016 als ‘oude verordening’. Naar de nu voorliggende Maatregelenverordening Almere 2021 wordt verwezen als ‘nieuwe verordening’.

We kennen geüniformeerde en niet-geüniformeerde verplichtingen. De geüniformeerde verplichtingen zijn in de Participatiewet vastgelegd. Voor deze verplichtingen geldt dat gemeenten bij overtreding ervan een maatregel moeten opleggen van 100% van de voor die persoon geldende bijstandsnorm.

Deze verplichtingen gaan allemaal over medewerking aan de arbeidsinschakeling. Een voorbeeld is het niet aanvaarden of behouden van werk. De enige beleidsvrijheid die de gemeente heeft waar het gaat om geüniformeerde verplichtingen, is de keus om de 100% maatregel te spreiden over drie maanden. Dit was al vastgelegd in de vorige verordening en dit wijzigt in deze verordening niet.

Deze verordening regelt alle overige verplichtingen, deze worden aangeduid als de niet-geüniformeerde verplichtingen.

Overigens geldt altijd, ook bij de geüniformeerde verplichtingen, dat onderzoek gedaan wordt naar de omstandigheden. Dit is te vinden in het onderdeel Toelichting van deze verordening.

Toelichting op de doelstellingen:

1 Betere aansluiting bij het beleid binnen het Sociaal Domein en meer rekening houden met individuele kenmerken en omstandigheden: De verordening wordt op drie punten inhoudelijk aangepast: - de invoering van een schriftelijke waarschuwing; - het spreiden van 100% maatregelen over drie maanden gaat niet alleen gelden voor geüniformeerde, maar ook voor niet-geüniformeerde maatregelen; - de maatregelen voor misdragingen worden op twee punten verzwaard.

Deze punten worden hieronder toegelicht.

Invoering schriftelijke waarschuwing De schriftelijke waarschuwing voor een eerste overtreding van een niet- geüniformeerde verplichting is nieuw in deze verordening (art 6 lid 2). Een maatregel is een verlaging van de uitkering die kan worden opgelegd als een bijstandsgerechtigde zich niet houdt aan de verplichtingen die bij een uitkering horen. Onder de oude verordening heeft een overtreding direct financiële consequenties. Door de waarschuwing kan een bijstandsgerechtigde het gedrag aanpassen door alsnog aan de verplichting te gaan voldoen , zonder dat dit onmiddellijk deze consequenties heeft. Dit voorkomt (extra) financiële problemen die niet alleen nadelig zijn bij het aan het werk helpen van mensen, maar die ook doorwerken in het leven van bijstandsgerechtigden en hun gezin.

Dit sluit aan bij wetenschappelijke inzichten over de invloed van financiële stress en gebrek aan doenvermogen op het menselijk gedrag. Het is logisch om die inzichten ook een plek te geven in de Maatregelenverordening.

Een schriftelijke waarschuwing gaat in de praktijk samen met een gesprek met de bijstandsgerechtigde, om te bespreken wat er verwacht wordt en wat de gevolgen zijn als niet aan de verplichting voldaan gaat worden. Als dit alles geen effect heeft, wordt een maatregel opgelegd. Dit geldt dan als recidive. Hiermee wordt het oude, vrij ingewikkelde systeem van categorieën van maatregelen bij de eerste keer niet nakomen, vervangen door de schriftelijke waarschuwing. De beoordeling van situaties wordt daarmee eenvoudiger, wat ook de rechtsgelijkheid ten goede komt.

De waarschuwing wordt gebruikt bij de niet-geüniformeerde verplichtingen, zoals genoemd in artikel 6 lid 1 onder d in de nieuwe verordening.

De waarschuwing kan niet gebruikt worden:

- bij de geüniformeerde verplichtingen, omdat de Participatiewet daarvoor geen ruimte laat; - bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan. In dergelijke gevallen wordt een maatregel namelijk opgelegd voor gedrag dat niet meer te herstellen is; - bij ernstige agressie waarbij sprake is van fysiek of verbaal geweld.

Spreiden van 100% maatregelen over 3 maanden bij niet- geüniformeerde maatregelen Bij de geüniformeerde maatregelen wordt de 100% maatregel al over 3 maanden gespreid. In de nieuwe verordening is vastgelegd dat de eerste 100% maatregel ook bij de niet-geüniformeerde verplichtingen wordt gespreid over drie maanden (art. 13). Dit zijn maatregelen die worden opgelegd ná een waarschuwing en er is dan dus sprake van recidive. Het spreiden van deze maatregelen voorkomt dat huishoudens helemaal zonder inkomen komen te zitten, met alle gevolgen van dien. Als de bijstandsgerechtigde binnen deze 3 maanden alsnog gaat meewerken aan de verplichting waarvoor de maatregel werd opgelegd, vervalt het restant van de maatregel.

Verzwaring van maatregelen voor misdragingen Voor het herhaaldelijk uitschelden van medewerkers van de gemeente is de maatregel verdubbeld van 10 naar 20%. Het bedrag van de maatregel komt nu ongeveer overeen met de boete die staat op het beledigen van een ambtenaar in functie. Voor zeer ernstige misdragingen zoals fysiek geweld en bedreiging gold al een maatregel van 100%. Dit gaat ook gelden voor het door ernstige agressie toebrengen van schade aan interieur en gebouw. Naast dat vernielingen niet geaccepteerd kunnen worden, is deze verzwaring belangrijk vanwege de grote impact van dit soort gedrag op het veiligheidsgevoel van de mensen die ermee geconfronteerd worden.

2 Verbetering aansluiting uitvoeringspraktijk In de praktijk is gebleken dat sommige onderdelen van de oude verordening niet gebruikt werden of niet meer van toepassing waren. Deze onderdelen zijn in de nieuwe verordening weggelaten. Daarnaast is de leesbaarheid van de verordening verbeterd. Het betreft de volgende wijzigingen: - Verwijzingen naar wetten zijn vereenvoudigd; - Niet-noodzakelijke verwijzingen zijn verwijderd; - Artikel 2 van de oude verordening is geschrapt. Dit artikel verwees naar misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen. Daarbij is de bestuurlijke boete van toepassing. Dit hoort daarom niet in de Maatregelenverordening. - De mogelijkheid om een maatregel toe te passen op de individuele inkomenstoeslag is geschrapt omdat dit in de praktijk nooit gebeurt; - De mogelijkheid om een maatregel met terugwerkende kracht op te leggen is geschrapt omdat dit in de praktijk niet voorkomt; - de IOAW en de IOAZ zijn voor de overzichtelijkheid in aparte artikelen behandeld (art 10 en 11). - Artikel 12 over samenloop is sterk vereenvoudigd ten opzichte van de oude verordening. Samenloop is aan de orde wanneer er meerdere maatregelwaardige gedragingen in één kalendermaand plaatsvinden.

Tegenargumenten en De wijzigingen zijn bedoeld om de verordening beter te laten aansluiten op de kanttekeningen uitgangspunten die voor het sociaal domein vastgesteld zijn, om meer rekening te kunnen houden met individuele kenmerken en omstandigheden van bijstandsgerechtigden en om beter aan te sluiten op de uitvoeringspraktijk. Er zijn geen wettelijke verplichtingen om tot deze wijzigingen te besluiten. Als deze verordening niet wordt vastgesteld, blijft de oude verordening van kracht.

Financiële middelen en Bij niet-geüniformeerde verplichtingen wordt in eerste instantie een effecten waarschuwing in plaats een korting op de uitkering. Daarvan kan een effect zijn dat de uitkeringslasten iets stijgen. Dit effect is erg klein, maar lastig in te schatten omdat het aantal opgelegde maatregelen door de jaren heen fluctueert.

Daar staat tegenover dat we van de waarschuwing een positief effect verwachten. De waarschuwing veroorzaakt minder financiële problemen bij bijstandsgerechtigden, waarbij bekend is dat financiële stress en schulden ervoor zorgen dat bijstandsgerechtigden moeilijker re-integreren in het arbeidsproces en dus langer in de uitkering blijven. Vanuit de wetenschappelijke inzichten over stress en doenvermogen, verwachten we daarnaast dat de waarschuwing motiverender werkt voor bijstandsgerechtigden dan een direct financieel gevolg. Dit heeft een positief effect op het verdere re-integratieproces. Deze effecten vallen op voorhand niet te kwantificeren. De verwachting is dat er per saldo geen effect op de BUIG zichtbaar zal zijn.

Duurzaamheidsparagraaf N.v.t.

Afstemming Afdeling Werk & Inkomen, afstemming met collega’s die met deze verordening gaan werken (team Werk, team Bezwaar, Beroep & Klachten): akkoord

Aanpak/Uitvoering Zodra de Maatregelenverordening is vastgesteld, wordt deze officieel bekendgemaakt in de Staatscourant en het Gemeenteblad. De verordening is geldig vanaf de dag na publicatie. De juridisch kwaliteitsadviseurs zorgen voor de training van de collega’s die met de maatregelenverordening te maken hebben, waarbij dienstverlening vanuit het concept Stress sensitieve dienstverlening wordt meegenomen. Waar nodig worden de werkinstructies aangepast.

Communicatie (intern en Door middel van publiekssamenvatting. extern) - Nieuwbrief Werk en Inkomen om bijstandsgerechtigden te informeren. - De Sociaal Raadslieden worden op de hoogte gesteld - Interne nieuwsbrief afdeling Werk & Inkomen

Besluit Burgemeester en Wethouders Djuma Besluit (in te vullen door Bureau Agenda)

Vergaderdatum 18 mei 2021

B en W besluit Maatregelenverordening Almere 2021

Het college besluit: De raad voor te stellen: De Maatregelenverordening Almere 2021 vast te stellen.

Aldus vastgesteld in het college van BenW d.d. 18 mei 2021

Indien van toepassing bij gewijzigd besluit (enkel voor digitale publicatie)

Aangepaste Publiekssamenvatting

GESPREKSWIJZER | KEUZES EN DELEN

ONDERWERP NUMMER DATUM BIJEENKOMST

Raadsvoorstel ‘Ontwerp VVGB voor het realiseren van een zonnepark ter plaatse van de Groene RV-67/2021 2 september 2021 Kadeweg’

INITIATIEFNEMER GESPREKSVORM TOELICHTING OP GESPREKSVORM

INW ONERS INFORMEREN Wilt u inspreken? Zie https://gemeenteraad.almere.nl/invloednu VERKENNEN RAAD VAN ALMERE Behandelwijze KEUZES EN DELEN • Inbreng van de fracties PRESIDIUM VAN DE RAAD DEBATTEREN • Reactie college COLLEGE B&W BESLUITEN • Conclusie voorzitter over vervolg

SAMENVATTING OBSERVATIES PRESIDIUM

Op 5 maart 2021 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het Het raadsvoorstel stond 8 juli jl. op de agenda bij besluitrijp. De fracties van de realiseren van een zonnepark aan de Groene Kadeweg. Het project omvat een Partij voor de Dieren, PVV, AP/OPA en Leefbaar Almere hebben hierbij verzocht zonnepark met 7.046 panelen met een omvang van circa 4,5 hectare. Het om een inhoudelijke agendering. Het belangrijkste argument is dat deze fracties realiseren hiervan past niet in het geldende bestemmingsplan. Op grond van de nog verschillende vragen hebben. Daarnaast is de PVV van mening dat het in door de raad vastgestelde regeling ‘Categorieën gevallen waarin een verklaring strijd zou zijn met het bestemmingsplan en mist Leefbaar Almere de deelname van geen bedenkingen niet is vereist’ is voor de beide benodigde van de Almeerder. omgevingsvergunningen een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig.

ROLLEN VAN DE DEELNEMERS i DOCUMENTEN / DOSSIERS / HISTORIE

LUISTEREN INFORMEREN INSPREKEN BEVRAGEN MEESPREKEN UITSPREKEN

INWONER

RAADSLEDEN

COLLEGE

DOCUMENTEN / DOSSIERS / HISTORIE

ONDERWERP

Raadsvoorstel ‘Ontwerp VVGB voor het realiseren van een zonnepark ter plaatse van de Groene Kadeweg’

INHOUD

17-10-2019 Regeling Categorieën gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, gemeente Almere

26-09-2019 Raadsvoorstel en -besluit ‘Aanwijzingsbesluit ex artikel 6.5 lid 3 Besluit omgevingsrecht (Bor) (actualiseren voorhangprocedure)

ROLLEN VAN DE DEELNEMERS

LUISTEREN INFORMEREN INSPREKEN BEVRAGEN MEESPREKEN UITSPREKEN

De feitelijke informatie Inwoners laten de raad Inwoners vertellen kort, Inwoners praten mee of de verschillende weten wat er leeft of bondig en ongehinderd over het geagendeerde politieke standpunten aan de hand is iets aan de raad onderwerp horen Aanmelden is nodig INWONERS uiterlijk op de dag van bespreken voor 12.00 uur via: raadsgriffie@almere.nl

Nog zonder oordeel (Debat) Raadsleden delen hun feiten, meningen, Raadsleden belangenafweging, opvattingen e.d. proberen anderen politieke overtuiging verzamelen van hun mening en/of keuze RAADSLEDEN te overtuigen

Kennisnemen van In openheid laten weten Het college Collegeleden proberen Het college neemt een inzichten en waar het om gaat of wat legt de raad dilemma’s anderen van hun standpunt in over het standpunten er aan de hand is voor mening te overtuigen geagendeerde inwoners/raadsleden onderwerp COLLEGE

VOORSTEL AAN DE GEMEENTERAAD

IN T E V U L L E N D O O R D E R A A D S G R I F F I E RV-NUMMER PROCEDURE PAGINA

RV-67/2021 Carrousel: 2 september 2021 1

ONDERWERP Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een zonnepark ter plaatse van de Groene Kadeweg.

BELEIDSVELD PORTEFEUILLEHOUDER Floriade, Duurzaamheid en Democratische J. Hoek Vernieuwing VRAGEN BIJ TELEFOON P. Rinsma 0625744046

VOORGESTELD RAADSBESLUIT 1. Een ontwerpverklaring van geen bedenkingen af te geven op grond van artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het ontwerp van de omgevingsvergunning activiteit planologische regeling voor het realiseren van een zonnepark aan de Groene Kadeweg. 2. De ontwerpverklaring van geen bedenkingen als definitief te beschouwen wanneer er geen zienswijzen worden ingediend.

WAT IS DE ESSENTIE VAN DIT VOORSTEL EN WAT WORDT VAN DE RAAD GEVRAAGD? Dit voorstel betreft een stap in de procedure het realiseren van een zonnepark aan de Groene Kadeweg mogelijk te maken. Het project omvat een zonnepark met 7.046 panelen met een omvang van circa 4,5 hectare. In totaal zal het zonnepark een opwekkend vermogen hebben van circa 3,8 MWp.

Het verzoek aan de raad is nu om een ontwerp verklaring van geen bedenkingen af te geven voor deze ontwikkeling. Het zonneveld wordt gerealiseerd voor de duur van 25 jaar.

HOE LUIDT HET VASTGESTELDE WETTELIJKE EN BELEIDSKADER? ZIJN ER EERDERE RAADSBESLUITEN OF -BESPREKINGEN DIE RELEVANT ZIJN TE NOEMEN? • Bestemmingsplan De Vaart-IV • Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikelen 2.12, lid 1, onder a, sub 3˚, 2.20a, 2.27 en 3.10 tot en met 3.13) • Besluit omgevingsrecht (artikel 6.5)

WAAROM WORDT DIT BESLUIT AAN DE RAAD VOORGELEGD? Op 5 maart 2021 is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een zonnepark aan de Groene Kadeweg. Het project omvat een zonnepark met 7.046 panelen met een omvang van circa 4,5 hectare. In totaal zal het zonnepark een opwekkend vermogen hebben van circa 3,8 MWp.

De aanleiding tot het zonnepark is urgentie voor de opwek van duurzame stroom voor elektrische mobiliteit binnen Almere als onderdeel van de MRA regio (waarvan Almere deel uitmaakt) De opgewekte stroom van dit zonnepark zal geleverd worden aan de publieke laadpalen onder andere in Almere. Deze laadinfrastructuur is in nauwe samenwerking met MRA-Elektrisch en Pitpoint/Total in de MRA regio tot stand gekomen, dus ook in Almere. De locatie ligt in het vigerende bestemmingsplan “De Vaart-IV” en heeft de bestemming ‘Uit te werken gebied voor recreatie III’. Een zonnepark is niet genoemd in het toegestane gebruik en is daarom in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10474398/1