Verordening maatschappelijke ondersteuning - getekend
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 Geldend van 15-04-2025 t/m heden Intitulé
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025 De Raad van de Gemeente Almelo;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders (raadsvoorstel zaaknummer 8664); gelet op: - de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4.a, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; - artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; - artikel 147 en 149 van de Gemeentewet; overwegende,
dat de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gehouden is om zo goed mogelijke ondersteuning en hulp aan volwassenen te bieden; besluit vast te stellen de: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025’
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
1.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt het volgende verstaan onder: a. Aanbieder: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;
b. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaaris; - een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staatis tot zelfstandigheid of participatie; en
c.
financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; Algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning: een algemene
d. e.
voorziening is voorliggend op de Wmo 2015; Beleidsregels: beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Almelo 2025; Beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende
f.
voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staatzijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Onder beschermd wonen wordt ook verstaan: beschermend wonen, verder te noemen: beschermd wonen; Cliënt: persoon die gebruik maakt van een collectieve of algemene voorziening of aan wie
g.
een melding is gedaan, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid Wmo 2015; College: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almelo;
toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het
psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het
een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie
h. i.
j. k.
|L
Inwoner: inwoner als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 die ingezetene is
van de gemeente Almelo en ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP);
Maatschappelijke opvang: het bieden van tijdelijk onderdak, begeleiding, informatie en
advies aan personen die, door een of meerdere problemen al dan niet gedwongen, de
thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
_Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een
persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015; Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wmo 2015;
Ondersteuning: hulp bij de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een
beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de
eigen leefomgeving, beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
m. Ondersteuningsplan: het plan dat door het college wordt opgesteld naar aanleiding van het
onderzoek waarin de adviezen, verwijzingen en de afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 worden omschreven. In het ondersteuningsplan is de ondersteuningsbehoefte van de cliënt vastgelegd en zijn de doelen
(beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken beschreven, evenals de bijdragen die zowel het
n.
college als de hulpvrager, door middel van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;
p.
een professionele aanbieder of een informele hulp zijn; Pgb-beheerder: een persoon die de belangen van de cliënt behartigt en de aan een Pgb
o.
q. r.
s.
t.
Pgb-aanbieder: een derde die cliënt heeft betrokken om ondersteuning in te kopen. Dit kan
verbonden taken uitvoert, als de cliënt ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een Pgb;
Sociaal netwerk: personen uit huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Voorliggende voorziening: een voorziening die geboden wordt op grond van andere wetgeving, zoals Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg et cetera. Als een cliënt zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet is er voldoende eigen kracht; Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
Zorgverlener: hiermee wordt zowel de aanbieder, de professionele aanbieder als de informele aanbieder aangeduid.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van inwoners van de gemeente Almelo. 2. In afwijking van het voorgaandelid heeft deze verordening ten aanzien van maatschappelijke opvang en beschermd wonen betrekking op de inwoner die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt in de zin van artikel 1.2.1, onder b en c van de Wmo 2015.
Indien de aanvrager van beschermd wonen beter in een andere centrumgemeente kan worden
opgevangen, dan zal het college zorgen voor een overdracht naar de gemeente waar de aanvrager wordt opgevangen.
Artikel 1.3 Bevoegdheid college Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening en de
Wet.
Hoofdstuk 2 Toegang tot voorzieningen
Artikel 2.1. Vormen van voorzieningen 1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn onder andere beschikbaar: e Voorlichting;
Informatie en advies (bijv. ouderenadviseur en onafhankelijke clientondersteuning); (Arbeidsmatige) dagactiviteiten;
Consultatie;
Inloopvoorzieningen; Ondersteuning gericht op ontwikkeling van kinderen; Ondersteuning gericht op (ontzorgen) van het gezinssysteem; (Preventieve) opvoed- en opgroeiondersteuning; Ondersteuning gericht op zelfredzaamheid (bijv. thuisadministratie); Ondersteuning gericht op maatschappelijke participatie (bijv. activiteiten georganiseerd in wijkcentra); (Preventieve) ondersteuning bij eenzaamheid; Ondersteuning gericht op (ontzorgen van) mantelzorgers;
Ondersteuning bij schulden;
Vervoers- en boodschappendienst;
Wasverzorging; Inloopvoorzieningen.
De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn in de navolgende segmenten beschikbaar: Begeleiding individueel; Dagbesteding; Woonvoorziening; Rolstoelvoorziening; Sportvoorziening; Huishoudelijke ondersteuning;
Vervoer;
e
Individueel vervoer; Beschermd Wonen;
Maatschappelijke opvang.
Inzet van een collectieve voorziening, algemene voorziening en/of voorliggende voorziening gaat voor op de inzet van een maatwerkvoorziening. Het college treft geen maatwerkvoorziening als een collectieve, algemene en/of voorliggende voorziening de hulpvraag/problemen van de cliënt
kan oplossen. Voor zoverblijkt dat een algemene voorziening en/of voorliggende voorziening niet geheel in de hulpvraag/problemen van de cliënt voorziet, kan aanvullend op deze voorziening een
maatwerkvoorziening worden verstrekt.
6.
De inzet van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd op inzet van andere collectieve voorzieningen, algemene en /of voorliggende voorzieningen om tot een zo doelmatige en efficiënte inzet van hulp te komen.
Het college kan het aanbod van voorzieningen nader uitwerken.
Artikel 2.2 Toegang tot algemene voorzieningen 1, Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk, zonder beschikking en zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de cliént. Een algemeen onderzoek of iemand tot de doelgroep van een algemene voorziening behoort, is mogelijk. Het college kan bepalen dat aan de toegang van een bepaalde algemene voorziening lichte voorwaarden zijn verbonden.
Artikel 2.3 Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (hulpvraag) kan door of namens een cliënt worden gedaan. 2. Het college maakt voldoende kenbaar hoe en waar een melding kan worden gedaan. 3. Het college bevestigt de melding. 4 Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke
cliëntondersteuning. Het college draagt er zorg voor dat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek tijdig wordt geïnformeerd over de procedure van het onderzoek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Artikel 2.4 Onderzoek naar aanleiding van een melding 1. Het college voert, onder andere naar aanleiding van een gesprek met de cliënt, onderzoek uit 2.
naar de hulpvraag, als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wet. Het college onderzoekt: |. Stap 1: wat de hulpvraag is van de cliënt; Il. Stap 2: welke problemen de cliënt ondervindt bij de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;
Il. Stap 3: welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te
leveren aan de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; IV. Stap 4: in hoeverre kunnen eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg,
ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning bieden; V. Stap 5: slechts voor zover de hiervoor genoemde mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. Het college onderzoekt naast het bepaalde in lid 2 de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt. De cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger, verschaft het college de gegevens en bescheiden die
voor het onderzoek nodig zijn en waaroverhij/zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
De cliënt, dan wel huisgenoten bij het onderzoek naar stap 4, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, dienen medewerking te verlenen bij de uitvoering van het onderzoek, zoals bedoeld in dit artikel. Als de cliënt een persoonlijk plan (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de Wet) aan het college
heeft overhandigd voorzijn ondersteuning betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Het college is bevoegd om de cliënt op een aangegeven plaats en tijdstip door één of meer deskundigen te doen bevragen en onderzoeken als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Hierbij geldt het vereiste dat de adviseur onafhankelijk en onpartijdig is.
Tijdens het gesprek wordt de cliënt, desgevraagd, in begrijpelijke woorden medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een Pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.
Het college streeft bij het onderzoek een integrale beoordeling na, zodat aangedragen
oplossingen voor de hulpvragen/problemen af worden gestemd op andere lopende voorzieningen
om tot een zo doelmatige en efficiënte inzet van hulp te komen. 10. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het ondersteuningsplan. 11. Het college verstrekt de cliënt, na afronding van het onderzoek, het ondersteuningsplan. 12. Het college kan besluiten het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk
achterwege te laten als het college op basis van voorafgaand dossieronderzoeken bekend is met
de cliënt en zijn actuele situatie en over voldoende inzicht beschikt in de ondersteuningsbehoefte. Artikel 2.5 Afwegingscriteria eigen kracht 1. De Wmo 2015 heeft het doel dat inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven en inwoners die beschermd wonen of maatschappelijke opvang ontvangen, een veilige woonomgeving te bieden zodat zij, indien mogelijk, weer in staat zijn zich op eigen krachtte handhaven in de samenleving. Als uitgangspunt van de Wet geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving de
verantwoordelijkheid is van mensen zelf (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 841, nr. 3, pagina 10 en 27). Uitgangspunt is dat iedere ingezetene eerst kijkt wat hij/zij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem/haar kan doen, en deze dan ook levert als dat mogelijk is, of wat
hij/zij zelf voor een ander kan doen.
Daarom wordt in het onderzoek naar de hulpvraag gekeken naar wat de cliënt nog wel kan of zelf kan organiseren eventueel met hulp van het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg
collectieve, algemene en/of voorliggende voorzieningen om zijn/haar zelfredzaamheid en
participatie te vergroten (eigen kracht). Onder eigen kracht wordt verstaan: het vermogen van de cliënt om zelf zijn leven feitelijk vorm te geven en problemen op te lossen. Hieronder wordt verstaan het vermogen van de cliënt om zelf, of met behulp van anderen zoals het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere voorzieningen (bijvoorbeeld collectieve, algemene en/of voorliggende voorzieningen), te
herkennen en erkennen (begrijpen) dat problemen bestaan om vervolgens zelf te kunnen komen
tot het treffen van maatregelen om deze problemen op te lossen en/of te verbeteren. Dit met het
| | | |
uiteindelijke doel om niet of zo min mogelijk aangewezen te raken op maatschappelijke
ondersteuning.
Het college onderzoekt bij de beoordeling of er sprake is van eigen kracht de volgende factoren: a. Is de cliënt (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen) in staat om zijn hulpvraag te herkennen?
b.
c.
Is de cliënt (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen) redelijkerwijs in staat om de noodzakelijke hulp te regelen om zijn hulpvraag op te lossen? Zoja, komt de cliënt daardoor niet in de problemen?
Als uit onderzoek blijkt dat de cliënt, eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp,
mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende)
voorzieningen of technologieën, een oplossing kan vinden voor de hulpvraag dan is er sprake van
voldoende eigen kracht.
Als de client een beroep kan doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij
de benodigde hulp om daarmee zijn zelfredzaamheid en/of participatiemogelijkheden te vergroten, wordt van hem/haar verwacht dat hij/zij hier gebruik van maakt. De ondersteuning die het sociale netwerk normaliter biedt en/of redelijkerwijs bieden kan, valt
8. 9.
onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen maatwerkvoorziening. Het college treft geen maatwerkvoorziening als de eigen kracht van de cliënt toereikend is om de hulpvraag van de cliënt op te lossen. Het college kan het onderzoek naar de eigen kracht nader uitwerken.
Artikel 2.6 Aanvraag maatwerkvoorziening
1.
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt schriftelijk en ondertekend of digitaal ingediend bij het college door middel van een daartoe door het college ter beschikking gesteld aanvraagformulier. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook worden ingediend door ondertekening van hetin artikel 2.4 lid 10 genoemde ondersteuningsplan, welke vervolgens door de cliént ter beschikking wordt gesteld aan het college. Bij de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb dient een aanvraagformulier of
ondertekend ondersteuningsplan, een zorgplan, bewijstukken waaruit blijkt dat aan de vereiste kwaliteitseisen voor hulp wordt voldaan (zoals diploma) en een geldige VOG van de directe zorgverlener en vervangend zorgverlener overlegd te worden aan hetcollege.
Indien de cliént in geval van een aanvraag voor een Pgb een Pgb-beheerder heeft gemachtigd, dan zal het college deze Pgb-beheerderin het beoordelen van de aanvraag betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek laten plaatsvinden, alvorens over te gaan tot
besluitvorming op de aanvraag tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een Pgb.
Artikel 2.7 Spoedeisende ondersteuning 1. Het college kan in voorkomende gevallen waarin spoedeisende ondersteuning nodig is, al dan niet in verband metrisico's voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.4, op de aanvraag van een inwoner. 2. Spoedeisende ondersteuning kan niet ingezet worden in de vorm van een Pgb. Artikel 2.8 Beschikking 1. Het college legt de beslissing omtrent het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening
vast in een beschikking. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval vastgelegd: a. Welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt, wie de ondersteuning gaat bieden en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b. c.
d.
Wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is; Of de voorziening in zorg in natura (ZIN) of in de vorm van een Pgb wordt verstrekt; Of een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is.
Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een Pgb vermeldt de beschikking naast de
in het eerste lid genoemde zaken bovendien:
a. b.
De hoogte van het Pgb en hoe deze is bepaald; Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het Pgb;
c.
3.
Welke verplichtingen verbonden zijn aan het Pgb;
d. De wijze van verantwoording van de besteding van het Pgb. Het college neemt het besluit zoals bedoeld in het eerste lid, op grond van de aanvraag, het onderzoek en het ondersteuningsplan.
Hoofdstuk 3 Criteria maatwerkvoorzieningen Artikel 3.1 Algemene criteria voor toekenning maatwerkvoorziening 1. De cliënt kan binnen de kaders van de Wet, voornamelijk de artikelen 1.2.1, 2.3.5 en 2.3.6 en
sQa*9200®
deze verordening slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor zover:
De cliënt ingezetene is van de gemeente Almelo op grond van de Wet; en De cliënt behoort tot de doelgroep van de Wmo; en
De cliënt geen gebruik kan maken van de eigen kracht; en De cliënt geen gebruik kan maken van gebruikelijke hulp; en De cliënt geen hulp kan krijgen van mantelzorg of andere personen uit het sociaal netwerk; en De cliënt geen gebruik kan maken van collectieve of algemene of andere voorzieningen; en De cliënt geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen; en Het college, aldus, de noodzaak voor het treffen van een maatwerkvoorziening heeft
vastgesteld om: |. De beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, IL.
maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of
De problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als sprake is van psychische of psychosociale problemen of indien de cliënt de thuissituatie
heeft verlaten, al dan niet in verband metrisico's voorzijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld of mishandeling, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk
2. 3.
4.
weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopst adequate en meest doeltreffende maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht
kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de maatwerkvoorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de ondersteuningsvraag en (waar beschikbaar) er gewerkt wordt met een bewezen effectieve interventie. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor hulp die de cliënt voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. Als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van beperkingen in de b.
5.
7.
Voor zover het college alsnog de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf kan beoordelen en vaststellen.
Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien: a. De maatwerkvoorziening, gelet op de persoon, veilig is voor de cliënt en zijn omgeving en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; b. De cliënt binnen zijn vermogen in voldoende mate meewerkt aan het opstellen en nakomen c.
6.
zelfredzaamheid en/of participatie waarvoor de hulp is ingezet; en
van het ondersteuningsplan (nakomen afspraken); De cliënt de gemaakte afspraken met de zorgverlener (de feitelijke uitvoering van ondersteuning) nakomt en/of mogelijk maakt;
d. De noodzaak tot het verstrekken van een voorziening niet aan de cliënt te verwijten is. Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in
bruikleen, financiële tegemoetkoming of in eigendom verstrekken. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college
verstrekte voorziening wordt deze alleen verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch
is afgeschreven: a. Tenzij de eerder verstrekte voorziening niet opzettelijk door eigen toedoen verloren is gegaan;
b.
c. 8.
Tenzij de veroorzaakte kosten worden betaald;
Als de eerder verstrekte voorziening niet langer een adequate oplossing biedt in de
ondersteuningsbehoefte.
Het college kan de criteria zoals genoemd in dit artikel nader uitwerken.
Artikel 3.1.1 Criteria voor weigeren maatwerkvoorziening 1. Het college weigert een maatwerkvoorziening als: a.
b. Cc.
Niet voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals bedoeld in lid 1 van artikel 3.1 van deze verordening; Uit de uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat inzet van een maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college niet noodzakelijk wordt geacht; De noodzaak tot ondersteuning vermijdbaar was: De noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was en maatregelen konden worden getroffen om de hulpvraag overbodig te maken;
Als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
De voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt;
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening is gedaan op een zodanig moment dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning naar het oordeel van het college niet kan plaatsvinden; De maatwerkvoorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de cliënt en of
het gezinssysteem; De maatwerkvoorziening niet van goede kwaliteit is als bedoeld in artikel 2.3.6 lid 2 onder c
van de Wet;
Er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat van de Wet; Als de cliënt een maatwerkvoorziening in de vorm van een Pgb wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb, dan is het niet toegestaan om dat Pgb te besteden aan
2.
inzet van een (dreigende) overbelaste huisgenoot (gezinssysteem) en/of sociaal netwerk. Het college kan de criteria zoals genoemd in dit artikel nader uitwerken.
Artikel 3.2. Aanvullende criteria begeleiding individueel en dagbesteding Artikel 3.2.1 Begeleiding individueel 1. Voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel zijn er twee producten: begeleiding individueel basis en begeleiding individueel plus. De volgende uitgangspunten zijn van
toepassing: Inzet van de individuele begeleiding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld:
o o
Bij basis wordt eerst gekeken of de ondersteuning in de sociale basis kan worden opgelost; Bij plus wordt eerst gekeken of de ondersteuning door inzet van begeleiding basis kan
worden opgelost; De (Pgb-)aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid en/of participatie
of passende ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk; De begeleiding vindt in principe plaats in de omgeving waar de cliënt woont. Afhankelijk van de individuele casus kan er ook gebruik worden gemaakt van begeleiding op afstand (niet plaatsgebonden), bijvoorbeeld door middel van (beeld)bellen; Samenloop met andere ondersteuning zoals met een algemene voorziening is mogelijk. Artikel 3.2.1.1 Begeleiding individueel basis
Begeleiding individueel basis is bedoeld voor de cliënt met een verstandelijke, zintuigelijke,
lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperking dat zich uit in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op één of meerdere leefgebieden.
De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: Decliént heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;
729290509
1.
De cliént kan de behoefte-/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken:
De cliént is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken; De cliént heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;
Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt;
De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle
situaties en/of escalatie;
De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.
Artikel 3.2.1.2 Begeleiding individueel plus 1. Begeleiding individueel plus is bedoeld voor de cliënt met ernstige en/of meervoudige
verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)
geriatrische beperkingen dat zich uit in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op meerdere levensgebieden.
aon
De inwoner voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: De inwoner heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; De inwoner kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; De inwoner is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;
De inwoner heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;
De inwoner vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige
mh
gedragsproblematiek; g.
De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie; De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.
Artikel 3.2.2 Dagbesteding 1. Voor de maatwerkvoorziening dagbesteding zijn er twee producten: dagbesteding basis en dagbesteding plus. 2. De volgende uitgangspunten zijn voor dagbesteding van toepassing: e Inzet van dagbesteding is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld: o Bij basis wordt eerst gekeken of de ondersteuning in de sociale basis kan worden o
e e
opgelost; Bij plus wordt eerst gekeken of de ondersteuning door inzet van dagbesteding basis kan worden opgelost;
De (Pgb-)aanbieder leidt (indien mogelijk) de cliënt toe naar zelfredzaamheid of passende
ondersteuning in de sociale basis en/of het sociale netwerk;
Dagbesteding vindt fysiek plaats in groepsverband, op een specifiek daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie/woning van de cliënt.
Artikel 3.2.2.1 Dagbesteding basis 1. Dagbesteding basis is bedoeld voor de cliënt met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke,
cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho-)geriatrische beperking datzich uit in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Er moet sprake zijn van matige beperkingen
in de zelfredzaamheid en/of participatie op één of meerdere levensgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken: a. De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig; b. De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken; c. De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen; d. De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek. 3.2.2.2 Dagbesteding plus
1.
Dagbesteding plus is bedoeld voor de cliént met ernstige en/of meervoudige verstandelijke,
zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen dat zich uit in beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op meerdere levensgebieden. De cliént voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken: a. De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig; b. De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken; c. De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning; d. De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;
e.
De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen.
Artikel 3.3 Aanvullende criteria vervoer van en naar de dagbesteding 1. Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een voorziening voor vervoer van en naar de
dagbesteding als de cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek,
niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de
dagbesteding, waarbij de dichtstbijzijnde locatie van de dagbesteding leidend is.
Indien de cliënt een vervoersvoorziening van de gemeente heeft op grond van artikel 3.6 van de
verordening dan komt hij/zij niet in aanmerking voor vervoer van en naar de dagbesteding. Artikel 3.4 Aanvullende criteria kortdurend verblijf 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een kortdurend verblijf, indien: a. De cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met permanent toezicht of nabijheid; en
b.
c.
Ontlasting van de mantelzorger die dit permanent toezicht of deze nabijheid levert noodzakelijk is; en De cliënt gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze
maatwerkvoorziening. Kortdurend verblijf kan, afhankelijk van de beperkingen en belemmeringen van de cliënt, worden
geïndiceerd met en zonder begeleiding en dagbesteding.
Kortdurend verblijf kan maximaal 14 dagen achtereenvolgend per kalenderjaar volledig ingezet worden. Kortdurend verblijf wordt alleen toegekend, indien cliënt geen aanspraak kan maken op respijtzorg vanuit de Zorgverzekeringswet. Artikel 3.5 Aanvullende criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning, indien de cliënt wegens een beperking in de zelfredzaamheid en/of participatie niet zelfstandig in staat is om
huishoudelijke taken te verrichten. Huishoudelijke ondersteuning kent één basismodule en 5 aanvullende modules: a. b.
Module wasverzorging; Module regie;
d.
Module zorg voor minderjarige kinderen;
c.
e.
Module maaltijdverzorging; Module praktische hulp.
Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van de woning, zoals ramen lappen aan de
buitenkant en onderhoud van de tuin, maakt geen deel uit van de huishoudelijke ondersteuning. Van de ondersteuningsvrager wordt medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren.
Artikel 3.6 Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen 1. Vervoersvoorzieningen kunnen worden verstrekt om de volgende resultaten te bereiken: a.
Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoersmiddel;
b. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale contacten. Het college kent geen vervoersvoorziening toe als de cliënt met of zonder loophulpmiddel redelijkerwijs in staat is het openbaar vervoerte bereiken en te gebruiken. Bij vervoersvoorzieningen geldt het primaat van hetcollectief vervoer. Op het collectief vervoer zijn de volgende criteria van toepassing: a. De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas.
b.
Een Pgb is hiervoor niet mogelijk; De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar
vervoer, waarbij de tarieven zijn berekend op basis van het werkelijk aantal gereisde kilometers; c. De cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 400 meter verplaatsen. Begeleiding bij een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als cliënt afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit.
Artikel 3.6.1 Algemene criteria vervoersvoorzieningen 1. Voorverstrekking van deindividuele vervoersvoorzieningen gelden de volgende algemene criteria: a. De cliënt is in staat op een verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen; en
b.
De cliënt heeft een frequente verplaatsingsbehoefte van minimaal 2 tot 3 keer per week voor
het doen van boodschappen voor dagelijks levensonderhoud, om maatschappelijk te kunnen
=p ao
participeren en het onderhouden van sociale contacten in de directe woonomgeving; en
Er is geen andere aanvullende vervoersvoorziening verstrekt met hetzelfde gebruiksdoel; en De stalling moet mogelijk zijn; en De woonomgeving moet geschikt zijn voor gebruik van de vervoersvoorziening; en
De cliënt moet uit eigen kracht op de vervoersvoorziening kunnen gaan zitten en afstappen en in staat zijn zelfstandig het vervoermiddel te stallen.
Artikel 3.6.2 Aanvullende criteria scootmobiel 1.
Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. b. c.
d.
Er dient sprake te zijn van een balansprobleem, waardoor de cliënt ernstig beperktis in zijn mobiliteit; en
Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat cliënt zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met
een taxi of autorit, en De cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 400 meter verplaatsen; en
De beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefteis vrijwel dagelijks.
Artikel 3.6.3 Aanvullende criteria rolstoel(en)
1.
Om in aanmerking te komen voor een rolstoel gelden de volgende aanvullende criteria: a. De cliënt ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is niet in staat om zich gedurende vijf minuten met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator te verplaatsen; en b.
c.
De cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; en
De beperkingen zijn langdurend van aard.
Artikel 3.6.4 Aanvullende criteria elektrische rolstoel
1.
Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel gelden de volgende aanvullende criteria: a.
b.
De cliënt ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is permanent afhankelijk van een rolstoel; en
De cliënt is niet in staat om zich over een afstand van meer dan 10 meter of 1 minuut
achtereen lopend te verplaatsen.
Artikel 3.6.5 Aanvullende criteria elektrische ondersteuning
1.
Om in aanmerking te komen voor elektrische ondersteuning gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a.
b.
c.
d.
Ondersteuning op een handbewogen rolstoel (e-motion wielen) voor de zeer korte afstand: e Alleen als de cliënt volledig rolstoelgebonden is en niet in staat is om zich zelfstandig hoepelend te verplaatsen vanwege te weinig kracht, een “duwtje in de rug” nodig heeft;
e
Hetiseen aanpassing van de rolstoel en geen vervoersvoorziening.
e
Alleen als de cliënt volledig rolstoelgebonden is en niet in staat is om zich hoepelend te
Ondersteuning op een handbewogen rolstoel (e-motion wielen) voor de zeer korte tot middellange afstand: verplaatsen over afstanden meer dan 100 meter;
e In dit geval zal de voorziening als een vervoermiddel worden gebruikt. Duwondersteuning op een rolstoel: e Alleen als de cliënt volledig rolstoelgebonden is en niet in staat is om zich zelfstandig hoepelend te verplaatsen, van anderen afhankelijk is voor zijn/haar verplaatsingen en diegene zelf ook niet zonder ondersteuning de rolstoel meer dan 400 meter kan duwen. Tandem/duofiets of een driewielfiets met trapondersteuning:
e
e
Een tandem/duofiets of een driewielfiets met trapondersteuning wordt niet standaard verstrekt;
Als er vanwege de beperkingen van de bestuurder van het hulpmiddel dan wel de te verplaatsen persoon een tandem/duofiets of een driewielfiets met trapondersteuning
noodzakelijk is dan komt de elektrische ondersteuning voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 3.6.6 Aanvullende criteria tandem/duofiets of een driewielfiets 1. Om in aanmerking te komen voor een tandem/duofiets of een driewielfiets gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. b.
De cliënt ondervindt op medische gronden een mobiliteitsbeperking over een middellange afstand; en
Eris sprake van een frequente verplaatsingsbehoefte van 2 á 3 keer per week in de directe
woon- en leefomgeving.
Artikel 3.6.7 Aanvullende criteria handbike
1.
Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. b.
c. d.
De cliënt is aangewezen op een rolstoel en moet de handbike zelfstandig aan de rolstoel kunnen koppelen; en De cliënt is niet in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (meer dan 400 meter) binnen redelijke tijd te verplaatsen; en
De cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte
boven de 400 meter, die niet anderszins kan worden opgelost, en
De cliënt is redelijkerwijs in staat om met de handbike een middellange afstand af te leggen.
Artikel 3.6.8 Aanvullende criteria autoaanpassingen 1. Om in aanmerking te komen voor autoaanpassingen gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
ao
a.
Eris een medischeindicatie voor individueel vervoer per eigen auto (elke vorm van taxivervoer is medisch niet verantwoord); of Er is een indicatie voor individueel (rolstoel)taxivervoer; Belanghebbendebeschikt over een eigen auto die niet ouder is dan 5 jaar; en
Het gebruik van de eigen auto is verantwoord; en De kosten van aanpassing zijn niet hoger dan de kosten die uitgegeven zouden worden aan
een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar.
Artikel 3.6.9 Aanvullende criteria sportvoorziening 1. De cliént komt in aanmerking voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende aanvullende voorwaarden: a. Decliént maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel; en
b. c.
De cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; en Beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening,
d.
De cliënt is lid van een sportvereniging.
beoefening is niet op een andere wijze mogelijk; en
Artikel 3.6.10 Geen gebruik vervoersvoorziening
Indien de cliënt langer dan 3 maanden geen gebruik maakt van de vervoersvoorziening kan het college de toegekende voorziening intrekken of beëindigen zoals bedoeld in artikel 2.3.10 lid 1 sub e Wmo 2015. Artikel 3.7 Aanvullende criteria woonvoorzieningen 1. Woonvoorzieningen hebben tot doel beperkingen, die het normale gebruik van de woning door de persoon met beperking in de weg staan, te compenseren. 2. De cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerk woonvoorziening voor een woning in de gemeente Almelo indien:
a.
b.
De aanpassing van de woning waar hij/zij zijn/haar hoofdverblijf heeft of zal hebben en die geschikt is om het hele jaar door te worden bewoond, als een verhuizing geen adequate oplossing biedt voor de cliënt. Het bezoekbaar maken van een woning waarin de cliënt die in een instelling verblijft,
regelmatig komt, in de zin dat de woonkamer en het toilet door hem/haar bereikt en gebruikt
kunnen worden en er, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, niet eerder in de gemeente Almelo of een andere gemeente een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken voor: a. De kosten van een verhuizing, voor zover de te verlaten woning in Almelo staat;
b.
Dubbele woonlasten als een cliënt tijdelijk elders moetverblijven, totdat de woning is
aangepast. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als: a. De cliënt belemmeringen ervaart in het gebruik van zijn/haar woning als gevolg van plotseling optredende beperkingen en een woonvoorziening geen goedkopere oplossing biedt, en
b. c.
De cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om in samenspraak met de verhuurder de belemmeringen in het gebruik van de woning te doen wegnemen; en Er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen
uitzicht is op de opheffing van de belemmeringen in het gebruik van de woning.
Een woonvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een
wooncomplex is niet mogelijk als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking.
Het college weigert een voorziening, indien de belemmeringen te wijten zijn aan achterstallig
onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor
periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten.
Het college verstrekt geen woonvoorziening, indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of
haar beperkingen op dat moment meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Het college verstrekt geen woonvoorziening voor verblijf in een hotel, pension,
trekkerswoonwagen, tweede woning of andere niet voor permanente bewoning bedoelde
verblijven. Indien het college een woningaanpassing heeft verstrekt en de cliënt verhuist binnen 10 jaar, nadat de woningaanpassing is verstrekt, dan dient de meerwaarde van de woning door de
woningaanpassing — onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 8.2 van de verordening te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.
Artikel 3.8 Aanvullende criteria beschermd en beschermend wonen 1. Beschermd wonen is bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die
niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhavenin de samenleving. Een cliént kan in aanmerking komen voor beschermd of beschermend wonen als er sprake is van een combinatie van factoren: a.
b. c.
sao
d.
De cliënt is niet in staat om een hulpvraag te stellen als hij/zij ondersteuning nodig heeft en
heeft ook niemand die dat voor hem/haar kan doen; De cliënt kan de hulpvraag niet langer dan 30 minuten uitstellen; De cliënt heeft begrenzing in gedrag nodig, door agressie, veroorzaken van overlast of een gevaar te zijn voor anderen; Eris een hoog risico op decompensatie en complicaties die kunnen leiden tot risicovolle situaties; De cliënt heeft zeer beperkte ADL vaardigheden (algemene dagelijkse levensverrichtingen); De cliënt heeft moeite met indelen van de dag door beperkte regie en oriëntatie;
De tijdsduur van de hulpvraag is langer dan 3 maanden;
De aandoening is chronisch, uitzicht op herstel/verbetering is afhankelijk van — gecreëerde — omstandigheden.
Artikel 3.9 Aanvullende criteria maatschappelijke opvang
1.
Een cliént kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang indien: a. De cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; en b. De cliënt tijdelijk onderdak nodig heeft; en
c. De cliënt zich niet op eigen kracht kan handhaven in de maatschappij. De toegang tot de maatschappelijke opvang kan worden geweigerd als: a. De cliënt zich onvoldoende inspant om zijn eigen kracht, zelfredzaamheid en participatie te versterken; b. De cliënt de maatschappelijke opvang gebruikt op een manier die niet bij de aard en het doel van maatschappelijke opvang past.
Inzet van de maatschappelijke opvang is altijd tijdelijk.
De cliënt die aanspraak maakt op maatschappelijke opvang wordt opgevangen in de regio waar de voorwaarden voor een succesvol traject voor de cliënt optimaal zijn of waar de cliënt
aantoonbare binding heeft.
Hoofdstuk 4 Kwaliteit Artikel 4.1 Kwaliteitseisen
1.
Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders.
(Pgb-)aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen conform artikel 3.1 van de
Wet en bijlage 1 bij de verordening, eisen met betrekking tot de deskundigheid van
beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren
van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. Om na te gaan of de kwaliteit van de ondersteuning voldoende geborgd is, wordt onder meer gekeken naar de volgende punten:
a.
b. c.
De professional beschikt over de juiste kwalificaties om de ondersteuning te kunnen leveren,
dat wil zeggen relevante opleiding, kennis en ervaring. Indien van toepassing registratie in een relevant beroepsregister;
Het type zorg sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte; De professional die cliëntgebonden hulp levert, dient een door de overheid erkende,
afgeronde zorggerelateerde opleiding (gericht op mensen) te hebben afgerond. Dit, naar uitsluitend oordeel van de gemeente:
|.
d. e.
De opleiding dient passend te zijn bij de te verrichten activiteiten en bij de persoonlijke
kenmerken en omstandigheden, complexiteit en aard van de problematiek van de cliënt
en het gezin en/of systeem; Dater sprake is van kwaliteitseisen die opgenomen zijn in de bij de inkoop gestelde inkoopvoorwaarden;
Bij indiensttreding dient de professional die de ondersteuning levert en de bestuurder(s) van een zorgorganisatie te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met
screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. De VOG dient specifiek voor de betreffende functie die door de medewerker wordt uitgevoerd te zijn afgegeven. De
VOG mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene bij de (Pgb-)aanbieder in dienst is getreden en niet ouder te zijn dan drie jaar. Na indiensttreding zorgt de (Pgb-)aanbieder ervoor dat er voor de medewerker per drie jaar een nieuwe VOG wordt aangevraagd en verkregen. Een VOG is niet nodig bij zorg door familie (eerste of
f.
g. h.
i.
j.
tweedegraads) of partner; Dat de door de (Pgb-)aanbieder ingeschakelde medewerkers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Zij dienen te beschikken over een adequate opleiding en een recente VOG. De (Pgb-)aanbieder draagt er zorg voor dat ingeschakelde vrijwilligers beschikken over een recente VOG; De (Pgb-)aanbieder dient adequaat verzekerd te zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid en de verzekering biedt in voldoende mate dekking tegen schade,
die kan ontstaan bij of als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden;
Een verklaring van de Belastingdienst inzake betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen (VOFG), waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de verplichtingen tot het betalen van belasting en sociale zekerheidspremies, kan worden uitgevraagd; De (Pgb-)aanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de cliënt voldoende gewaarborgd is. De (Pgb-)aanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen. In
het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans en resultatenrekening gevraagd worden, waaruit in ieder geval de gerealiseerde omzet en kosten gesplitst naar personele kosten en materiële kosten zijn opgenomen; De (Pgb-) aanbieder neemt de regels in acht van de Wet normering topinkomens en de
regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp.
Met een Pgb bekostigde professioneel verleende hulp moet aan dezelfde kwaliteitseisen worden voldaan als gecontracteerde ondersteuning bij zorg in natura. Het college draagt er zorg voor dat indien een (Pgb-)aanbieder gebruik maakt van een
onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer
voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van
voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn
geven of de (Pgb-)aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een Pgb. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de (Pgb-)aanbieders en het zo nodig met de cliënt controleren van de geleverde voorzieningen. De (Pgb-)aanbieder beschikt over een onafhankelijke klachtencommissie en een
vertrouwenspersoon. Cliënten dienen door de (Pgb-)aanbieder actief geïnformeerd te worden
over de klachtenregeling. De klachtenregeling dient eveneens terug te vinden zijn op de website
van de (Pgb-)aanbieder.
Artikel 4.2 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst, zoals
bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast:
a.
b. 2.
a.
Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
b.
Redelijke overheadkosten;
d.
scholing, werkoverleg; Reis- en opleidingskosten;
f._
Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten
e.
5.
Overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en
Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen conform de AMvB reële tarieven Wmo: a. De kosten van de beroepskracht; c.
4.
Een reêle prijs of tarief, geldend als ondergrens voor:
e Het doen van een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en e De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerstelid, vast:
b.
3.
Een vasteprijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of
Kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de aanbieder de eis wordt gesteld een prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van dienstverlening korten met maximaal het bedrag waarmee bezoldigingen en uitgekeerde
ontslagvergoedingen aan al dan niet ingehuurde (deeltijd) medewerkers, bestuurders en toezichthouders over dat jaar (naar rato) meer bedragen dan de normen, zoals bedoeld in artikel
6.
2.3 en 2.10 van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp. Wanneer de (Pgb-)aanbieder op enige wijze bedragen onttrekt aan de bedrijfsvoering op een voor de branche niet gebruikelijke, niet integere, dan wel niet marktconforme wijze wordt dit gezien als
schending van de integriteit. Dit staat het leveren van ondersteuning in de weg en heeft tot gevolg dat het college de aanbieder kan uitsluiten van het leveren van de ondersteuning, zoals omschreven in artikel 5.1 lid 4 van deze verordening en op basis van de contracten met de
aanbieders.
Hoofdstuk 5 De voorwaarden voor een persoonsgebonden budget (Pgb) Artikel 5.1 Criteria Pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een Pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 van de Wet opgenomen voorwaarden. Het gaat om de volgende voorwaarden: a. De cliënt is naar het oordeel van het college in staat tot een redelijke waardering van belangen; en b. De cliënt kan de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren; en
c.
d.
2.
De cliënt dient gemotiveerd aan te geven dat hij/zij een Pgb wenst; en
Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning die men met het Pgb wil inkopen van goede kwaliteit is.
Onverminderd het gestelde in lid 1 is een Pgb alleen mogelijk indien:
a.
Ergeen weigeringsgrond van toepassing is zoals benoemd in artikel 3.1.1 van deze verordening en de leden 3 tot en met 6 van dit artikel; en
b. Cc.
De ondersteuning in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het Ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; en Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van een persoon of organisatie te betrekken.
Het college weigert een Pgb te verstrekken als: De kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura;
a. b.
Het college eerder een beslissing heeft herzien en/of heeft ingetrokken, omdat: e De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; e
De cliënt niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het Pgb verbonden voorwaarden;
De cliënt het Pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd; De cliënt een Pgb wenstin te zetten voor vervoer, maar de cliënt in deze behoefte kan
voorzien door gebruik te maken van het collectief vervoer; De cliënt een Pgb wil inzetten voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het Pgb of een combinatie hiervan, al f.
dan niet in combinatie met de kosten van de Pgb-beheerder,; De cliënt een Pgb wenst in te zetten voor een (Pgb-)aanbieder waarbij misbruik en/of
oneigenlijk gebruik is vastgesteld. Het college verstrekt geen Pgb voor ondersteuning van een (Pgb-)aanbiederindien er twijfels zijn
over de integriteit van de (Pgb-)aanbieder, wat zich in ieder geval voordoet indien de (Pgb-)
aanbieder: a. Betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de b. c. d. e.
f._
kwaliteit van de ondersteuning in gevaar kan brengen;
Verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest, _Bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; Bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; Er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de Pgb-aanbieder en/of zijn/haar directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; Zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de Pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of er meerdere incidenten hebben
plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn/haar functie;
g. Op basis van een Bibob-toets door het college is (of zal worden) geweigerd als zorgaanbieder. Verstrekking in de vorm van Pgb vindt niet of niet langer plaats als:
a.
b. c.
d.
6.
Op grond van aanwijzingen die duidelijk maken dat het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een Pgb; Uit onderzoek van het college blijkt dat de cliënt en/of de Pgb-beheerder de aan het Pgb verbonden taken onvoldoende uitvoert en/of kan uitvoeren; Er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een Pgb in het verleden; Er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.
Het college kan de criteria voor een Pgb nader uitwerken.
Artikel 5.2 Criteria Pgb-beheer 1. Het college beoordeelt, door middel van een gesprek, of de cliënt en/of aangedragen Pgb-
beheerder de aan het Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze kan uitvoeren (Pgb-
~~ samo
aoc
vaardigheid). De cliënt en/of Pgb-beheerder dient ten minste aan te geven:
Welke ondersteuning de cliént nodig heeft; Wat de cliént en/of Pgb-beheerder met het Pgb wenst in te kopen;
Waarom de cliënt de ondersteuning in de vorm van een Pgb wenst te ontvangen; Indien van toepassing: wie de cliënt heeft gemachtigd om zijn/haar belangen ten aanzien van
het Pgb te behartigen en de aan het Pgb verbonden taken uit te voeren; Hoe de cliënt en/of Pgb-beheerder een keuze maakt voor een geschikte Pgb-aanbieder;
Op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;
Op welke wijze de Pgb-aanbieder wordt aangestuurd in de praktijk; Op welke wijze de zorg wordt gecontroleerd;
Op welke wijze hij/zij een juiste administratie gaat bijhouden;
j. k.
Op welke wijze hij/zij een contract aangaat met de Pgb-aanbieder, Hoe de cliënt en/of Pgb-beheerder omgaat met geconstateerde onjuistheden.
Indien de cliënt een Pgb-beheerder heeft gemachtigd, dan zal het college deze Pgb-beheerder in
het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek hebben, alvorens over te
gaan tot besluitvorming op de aanvraag. Het college acht een cliënt en/of een Pgb-beheerder niet in staat de aan een Pgb verbonden
zoa
taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem/haar sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: Schuldenproblematiek; Verslavingsproblematiek; Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
b. c.
De Pgb-beheerder een professionele Pgb-beheerder is; De Pgb-beheerder door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder;
Een verstandelijke beperking; Een psychiatrisch ziektebeeld; Een vastgestelde cognitieve stoornis;
Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift,
Indien er twijfels zijn over de Pgb-vaardigheid of andere gronden. De vaardigheden zijn omschreven in bijlage 3 van deze verordening. Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een Pgb-beheerder alleen geacht de aan het Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. De Pgb-beheerder tot het sociaal netwerk van de cliënt behoort; d.
De Pgb-beheerder niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het Pgb wordt
ingekocht en/of geen relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de
situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het Pgb is omgeven, naar het oordeel
e. f.
g. h.
van het college passend wordt bevonden;
Er geen sprake is van belangenverstrengeling tussen de Pgb-beheerder en de uitvoerder van
de Pgb-aanbieder; Ersprake is van voldoende nabijheid richting de cliënt in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd;
De Pgb-beheerder de belangen van de cliënt voldoende kan behartigen, De Pgb-beheerder de aan een Pgb verbonden taken kan uitvoeren.
Onverlet het bepaalde in lid 4 van dit artikel, worden professionele Pgb-beheerders en door de
rechtbank benoemde personen zoals mentoren, curatoren of bewindvoerders, door het college
getoetst op Pgb-vaardigheid.
7.
Een cliënt krijgt, bij de beoordeling van een aanvraag voor een Pgb, in totaal twee mogelijkheden om een persoon aan te dragen die de aan de Pgb verbonden taken gaat uitvoeren. Indien geen geschikte Pgb-beheerder aangedragen wordt, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een Pgb worden afgewezen. Het college kan de criteria ten aanzien van het beheer van het Pgb nader uitwerken.