Vaststellen bestemmingsplan Woningbouw Thorbeckelaan - Bijlage 1 - Bestemmingsplan Woningbouw Thorbeckelaan compleet
Tekst van het document
Er worden 84 nieuwe woningen gerealiseerd die zorgen voor extra verkeersbewegingen en daarmee een effect op de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Dit is concreet uitgewerkt in 5.9.1. In totaal vallen 445 extra verkeersbewegingen/per etmaal te verwachten. Deze input is als worst-case doorberekend in de NIBM-tool, zie onderstaand.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
31
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Figuur 5.2: worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 445 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van structureel vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 5.2 is de worst-case berekening weergegeven met de extra voertuigbewegingen. Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
5.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
32
NL.IMRO.0141.00103-BP31
maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Dit bestemmingsplan maakt kwetsbare objecten in de vorm van woningen mogelijk.
Uit de riscio-inventaristatie blijkt dat het plangebied zich bevindt buiten het invoedsgebied van een risicobron. De dichtstbijzijnde risicobron is de spoorlijn Almelo - Hengelo-west. Deze ligt op een afstand van meer dan 250 meter. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet. Uit Bijlage II tabel Basisnet spoor van de Regeling Basisnet blijkt dat voor deze spoorlijn geen sprake is van een PR10-6-r-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Gezien de afstand van meer dan 200 m tot de spoorlijn, is de hoogte van het groepsrisico geen aandachtspunt. Op grond van Bijlage II Tabel Basisnet Spoor, opgenomen in de Regeling basisnet, worden over dit traject A,B2, C3, D3 en D4-stoffen getransporteerd. Het plangebied blijkt binnen het invloedsgebied van brandbare gassen (A), toxische gassen (B2) en toxische vloeistoffen (D3 en D4) te liggen. De gemeente Almelo heeft een eigen externe veiligheidsbeleid waarin de spooromgeving is verdeeld in drie zones. Het plangebied ligt in zone 3 (groene zone). In het beleid is opgenomen dat invulling gegeven dient te worden aan een beperkte verantwoording. Voor deze planontwikkeling is deze verantwoordingsplicht uitgevoerd, door Kragten (d.d. 31 mei 2023, projectnr. ALO001). Het betreft een kwalitatieve verantwoording.
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. De brandweer Twente heeft een externe veiligheidsadvies opgesteld. Het advies is in het verantwoordingsrapport verwerkt. Vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met de scenario's: toxisch scenario, en BLEVE-scenario.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
33
NL.IMRO.0141.00103-BP31
In Bijlage 3 is de verantwoording voor de onderhavige plannen nader uitgewerkt. Hiermee wordt voldaan aan de verantwoordingsplicht. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
5.6
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid Vechtstromen De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie.
Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld.In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen.
Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
34
NL.IMRO.0141.00103-BP31
steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast.
Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Programma Water en Riolering - de verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteert de gemeente voor op komst van de Omgevingswet. In het Programma Water en Riolering - De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie (AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt voorgesorteerd op een meer integrale aanpak en maakt de gemeente gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken. Hiermee houdt de gemeente haar watersysteem ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt haalbaar en betaalbaar.
Met het watersysteem streeft de gemeente daarom naar het integreren van de vier waterstromen: stedelijk afvalwater hemelwater (regenwater) grondwater oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). De maatregelen voor de komende planperiode zijn bepaald door de huidige situatie te toetsen aan de normen die volgen uit de doelstellingen. Maatregelen betreffen onderzoeks-, borgings-en fysieke maatregelen en zijn gericht op het meer datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad inrichten, onderhouden en vervangen van het watersysteem. Datagedreven, gebiedsgericht en samen met de stad vormen dan ook de drie pijlers van onze werkwijze. Almelose Klimaatadaptatie Strategie AKAS Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio's. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN).
Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1. Kwetsbaarheden in beeld brengen
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
35
NL.IMRO.0141.00103-BP31
2. Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3. Uitvoeringsagenda opstellen 4. Meekoppelkansen benutten 5. Stimuleren en faciliteren 6. Reguleren en borgen 7. Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte. Wateroverlast Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld. Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70 mm (hoofdwegen) en 45 mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt.
Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70 mm of 45 mm in één uur. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)). De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente. Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Eventuele riolering dient zodanig ontworpen te worden dat bui 8 (Leidraad Riolering, Rioned), verhoogd met 15%, verwerkt kan worden zonder water op straat. Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand).
Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de gemeente maatregelen indien dat doelmatig is.Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater. Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht.
Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien. Oppervlaktewater wordt zo ingericht dat droogval zoveel als mogelijk voorkomen kan worden en circulatie mogelijk is. Bij de herinrichting van de openbare
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
36
NL.IMRO.0141.00103-BP31
ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken. Op privaat terrein zijn eigenaren zelf verantwoordelijk voor het droogtebestendig maken van hun groen of voor het beperken van de gevolgen. Watertoetsproces Op 2 september 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. Deze toets is als Bijlage 4 bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de watertoets is de normale procedure van toepassing. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies en ziet geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Oppervlaktewatersysteem Uit het raadplegen van de legger van Waterschap Vechtstromen blijkt dat er binnen het plangebied geen waterlichamen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde waterlichaam ligt aan de overzijde van de Thorbeckelaan. Er kan dan ook gesteld worden dat de ontwikkeling geen wijzigingen aanbrengt aan het (oppervlakte)watersysteem van de gemeente. Waterkeringen De legger geeft van Waterschap Vechtstromen geeft aan dat er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen waterkeringen aanwezig zijn. Riolering Het vuilwater van het gebouw wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De riolering wordt, zoals in het gemeentelijke waterbeleid wordt aangegeven, conform het bouwbesluit aangelegd.
Deze rioolaansluiting dient aangevraagd te worden bij de gemeente. Hemelwaterafvoer Het plangebied beslaat een gloabele oppervlakte van 17.842 m². In de bestaande situatie is daarvan circa 15.920 m² verhard. In de nieuwe situatie zal dat circa 13.046 m² zijn. Dat betekent een afname van verhard oppervlak in het plangebied, een vermindering van ongeveer 18%. Voor het terrein waarop het appartementencomplex is voorzien (rood omkaderd in figuur 5.3), zal het hemelwater op eigen terrein worden opgevangen en zal het water worden geïnfiltreerd in de grond. Voor het terrein waar de woningen zijn gepland (blauw omkaderd in figuur 5.3) is een waterhuishoudkundig plan opgesteld.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
37
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Figuur 5.3: plangebied (bron: Geofoxx) Het waterhuishoudkundig plan is opgesteld door Geofoxx (d.d. 14 november 2023, projectnr. 20230662/RREK), zie bijlage Bijlage 5 Waterhuishoudkundig plan. Het onderzoek biedt inzicht in de grondwaterhuishouding (grondwaterstanden, fluctuaties en stromingsrichting) en bodemopbouw ter plaatse. In het rapport komt aan de orde: het vooronderzoek, geohydrologisch onderzoek, veldwerkzaamheden inclusief gronddoorlatendheid, de geldende regels voor waterhuishouding bij ruimtelijke ontwikkelingen met daaruit volgende conclusies en advies. Resultaten rapportage De planlocatie is dit moment bebouwd met een school en een parkeerterrein. Alle resterende gebouwen en voorzieningen zullen worden gesloopt en er zullen verscheidene nieuwe huizen en een appartementencomplex wroden gerealiseerd. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 13.046 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (20 mm voor de bestaande verharding) is binnen het plangebied 181 m³ bergingscapaciteit benodigd. Het hemelwater kan over het maaiveld en via natuurlijk afschot naar de wegen stromen. De holle wegen in het schetsontwerp kunnen circa 156 m³ water bergen en het IT-riool (doornsnee 400 mm) hieronder kan 45 m³ bergen. In de laag onder de weg (in het puingranulaat) is extra ruimte voor waterberging.
Daarnaast wordt geadviseerd om in een overstort richting de bestaande sloot ten noordoosten van de planlocatie te voorzien om grote hoeveelheden water bij extreme regenval te kunnen bergen. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor de hoogteverschillen welke ontstaan tussen de percelen. Op basis van het vorenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor de plannen.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
38
NL.IMRO.0141.00103-BP31
5.7
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).
5.7.1 Quickscan natuurwaarden Bij dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (projectnummer 2487, d.d. 6-5-2020), zie ook Bijlage 6. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. De oorspronkelijke schoollocatie van het ROC Twente, aan de Thorbeckelaan, wordt gesloopt en het plangebied wordt ingericht als woningbouwlocatie. Behalve de schoolgebouwen, zijn ook de woningen tussen het schoolterrein en de Thorbeckelaan gesloopt en worden middels voorliggend plan vervangen door nieuwbouw. Ten slotte zal een voormalige basisschoollocatie gesaneerd worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In bijgevoegd rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 24 maart 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijk e consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt stikstof uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Opdrachtgever heeft daarom onderzoek laten verrichten om de effecten van deze emissie op kwetsbare Natuur 2000 gebied te onderzoeken. In dit kader is een AERIUS berekening uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in Bijlage 7. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2023.0.1. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2023 voor de aanlegfase en 2024 voor de gebruiksfase. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming.
Als bijlagen bij deze rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de gebruiksfase. Aanlegfase De totale NOx-emissie als gevolg van de realisatie van de ontwikkeling bedraagt in totaal 215,5 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 8,0 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie als gevolg van het gebruik van de woningen en appartementen bedraagt in totaal 143,7 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 3,0 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
39
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Conclusie stikstofdepositieberekening. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2023.0.1 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Wettelijk e consequenties m.b.t.
soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een rusten voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een vaste verblijfplaats en nestelen er vogels. Met uitzondering van de gierzwaluw, is van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Nesten van de gierzwaluw zijn ook buiten de broedtijd beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd/vernield worden. Bezette nesten van alle vogelsoorten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om de functie en betekenis van de woonblokken voor de gierzwaluw vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Met uitzondering van de egel, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’ voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Voorgenoemde vrijstelling geldt niet voor de egel, welke mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet in de bosschages in deelgebied Thorbeckelaan. Om beplanting te mogen verwijderen in overeenstemming met wet- en regelgeving voor soortbescherming, dient een ontheffing aangevraagd te worden, òf dient gewerkt te worden volgens een geschikte Gedragscode. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen niet aangetast. Samenvattende conclusie: Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Voor de meeste soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling geldt niet voor bezette vogelnesten en voor vleermuizen. Ook is de nestplaats van de gierzwaluw buiten de broedtijd beschermd.
Op basis van de uitgevoerde Quickscan natuurwaardenonderzoek, kunnen de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten niet volledig bepaald worden. Om de functie en betekenis van de bakstenen gebouwen voor vleermuizen vast te kunnen stellen en om de functie van de woongebouwen voor gierzwaluwen vast te kunnen stellen, is aanvullend onderzoek vereist. Beide onderzoeken dienen uitgevoerd te worden, conform de daarvoor geldende onderzoeksprotocollen. Mogelijk bezet de egel een rust- en/of voortplantingsplaats in deelgebied Thorbeckelaan. Deze soort is beschermd en mag niet zonder ontheffing negatief beïnvloed worden. Nader onderzoek naar de egel is noodzakelijk, tenzij er gekozen wordt om te werken volgens een geschikte Gedragscode. Indien gekozen wordt te werken volgens een Gedragscode, dient er aantoonbaar gewerkt te worden conform de gestelde eisen en
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
40
NL.IMRO.0141.00103-BP31
voorwaarden van de Gedragscode. In het kader van de zorgplicht (Art. 1.11 Wnb), dienen de werkzaamheden afgestemd te worden op de ecologie van de in het plangebied voorkomende beschermde dieren. Voorkomen moet worden dat amfibieën in winterrust gedood worden en dat eieren of larven van amfibieën of jonge amfibieën of grondgebonden zoogdieren in de op de voortplantingsplaats gedood worden.
5.7.2 Aanvullend soortenonderzoek Op 24 maart 2020 is binnen het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd met als doel de wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming vast te stellen, welke kunnen ontstaan als gevolg van de sloop van bebouwing en herontwikkeling van de schoollocatie t.b.v. wonen. Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en voortplantingslocatie van de egel, vleermuis en gierzwaluw niet vastgesteld kan worden op basis van een quickscan natuurwaardenonderzoek, is in de zomer en nazomer 2020 nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van een vaste rust- en voortplantingsplaats van egel, gierzwaluw en vleermuis. De rapportage is opgenomen in Bijlage 8. Vleermuizen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de bebouwing in het onderzoeksgebied. Er is ook geen (territoriaal) gedrag waargenomen wat zou kunnen duiden op aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen. De bebouwing in het onderzoeksgebied wordt niet door vleermuizen gebruikt als zomer-, kraam-, paar- of winterverblijfplaats. Tijdens alle bezoeken aan het plangebied zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen in en rond het plangebied waargenomen.
De vleermuizen foerageerden hoofdzakelijk rond de opgaande beplanting in het plangebied, of de vleermuizen vlogen over het plangebied, terwijl ze foerageerden rond de beplanting welke net buiten het plangebied staat. Er zijn tegelijkertijd maximaal vijf foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen in het plangebied. De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied leidt niet tot een aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen, van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute. Gierzwaluw Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat gierzwaluwen een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Egel Er is tijdens het onderzoek geen egel waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de egel een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezet. Conclusie De voorgenomen herontwikkeling leidt niet tot een aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen, van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute van vleermuizen. Ook wordt door het slopen van bebouwing geen vaste rust- of voortplantingsplaats van de gierzwaluw verstoord, beschadigd of vernield. Door het verwijderen van beplanting wordt geen egel gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van de egel beschadigd of vernield.
Voor de herontwikkeling van het terrein is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk ten aanzien van vleermuizen, gierzwaluw of egel. Er zijn tijdens het aanvullend onderzoek geen andere beschermde diersoorten in het plangebied aangetroffen dan reeds beschreven in de rapportage van de quickscan. Hiermee vormt de Wet natuurbescherming geen belemmering voor het planvoornemen.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
41
NL.IMRO.0141.00103-BP31
5.8
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Voor een groot deel van het plangebied nabij de Thorbeckelaan is de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachting middelhoog' van toepassing. Onder deze bestemming wordt aangegeven dat de gronden mede bestemd zijn voor bescherming van de archeologische waarden. Bij ingrepen met een nieuw te bouwen oppervlak kleiner dan 5000 m2 of minder dan 50 cm diep geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Toets In voorliggend plan geldt dat een groot deel van de nieuw te bebouwen gronden (met bodemingrepen dieper dan 50 cm) als gevolg van voorliggende plannen reeds bebouwd en daarmee geroerd zijn. Dit is het geval op de locatie van de voormalige basisschool, de ROC locatie Thorbeckelaan en de portiekflats langs de Thorbeckelaan. De voorziene ontwikkeling voorziet niet in extra te bebouwen oppervlak van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm. Het aspect archeologie vormt van ook geen belemmering voor de ontwikkeling Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap.
Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn die als gevolg van de plannen kunnen worden geschaad. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
5.9
Verkeer / parkeren
5.9.1 Verkeer Voor de wijziging van het bestemmingsplan is inzicht in de verkeerskundige effecten van de ontwikkeling benodigd. Daarom is Goudappel B.V. gevraagd om het verkeerskundig onderzoek uit te voeren ten behoeve van de herontwikkeling. In bijgevoegde rapportage in Bijlage 9 zijn de resultaten beschreven.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
42
NL.IMRO.0141.00103-BP31
In het onderzoek wordt antwoord gegeven op de volgende vragen: Hoeveel verkeersbewegingen genereert de ontwikkeling? Kan het verkeer van de ontwikkeling in de toekomst verkeersveilig afgewikkeld worden op het omliggende wegennet? Toets Uit het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: De verkeersafwikkeling is ook na de ontwikkeling van de Thorbecke-locatie en het ROC goed. De verkeerskundige effecten van de ontwikkeling zijn beperkt. Het verschil in verkeersgeneratie op de Thorbecke-locatie ontstaat doordat binnen de ontwikkeling huidige functies plaatsmaken voor nieuwe functies. Op een werkdag neemt de verkeersgeneratie toe met circa 445 motorvoertuigbewegingen (mvt). Het verschil in het ochtendspitsuur bedraagt minus circa 20 aankomsten en plus circa 40 vertrekken. In het avondspitsuur is de prognose 40 extra aankomsten en 5 extra vertrekken. Zowel op de rotonde Aalderinkssingel – Thorbeckelaan – Apollolaan als bij VRI’s Wierdensestraat – Aalderinkssingel – Egbert ten Catelaan en bij VRI Wierdensestraat – Rohofstraat – Kersenstraat kan het verkeer in de toekomstige situatie na realisatie van de ontwikkeling binnen de gestelde criteria afgewikkeld worden.
5.9.2 Parkeren Aan de Thorbeckelaan is in de huidige situatie een parkeerterrein ten behoeve van het ROC van Twente in Almelo aanwezig (zowel voor de huidige vestiging aan de Thorbeckelaan als aan de Wierdensestraat). Met het plan om de ROC-locatie Thorbeckelaan te saneren en binnen dit plangebied woningen te realiseren komt een deel van deze bestaande parkeerplaatsen aan de Thorbeckelaan te vervallen. Er blijven 125 parkeerplaatsen resteren op deze locatie; deze blijven aangewend voor parkeren van de ROC-locatie aan de Wierdensestraat. Toets De 84 nieuw te realiseren woningen in het plangebied zorgen voor een parkeeropgave die binnen het projectgebied ingevuld moet worden. Aan de hand van de beleidsregel parkeernormen van de gemeente Almelo kan bepaald worden wat de parkeerbehoefte is. De gemeente maakt gebruik van de parkeernormen zoals opgenomen in de CROW. Daarbij wordt uitgegaan van een matig stedelijk gebied en de maximale parkeernorm. In de navolgende tabel staan de parkeernormen en het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven, een gemiddelde van 2,4 parkeerplaats per woning. In de parkeernormen is een bezoekersaandeel verwerkt en dat is 0,3. Type woning Appartementen Stadswoningen Tweekappers Vrijstaande villa's
CROW parkeernorm 2,2 2,3 2,5 2,5
Afwijken van het parkeerbeleid In het paraplubestemmingsplan Parkeren is aangegeven dat in specifieke gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op het beleidsuitgangspunt. Hiervoor geldt dat sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden, dat het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast en de parkeersituatie in de openbare ruimte niet onevenredig wordt aangetast. In de beleidsregel worden “bijzondere omstandigheden” gedefinieerd. Onder bijzondere omstandigheid wordt verstaan dat het realiseren van parkeerruimte op eigen terrein niet mogelijk is of dat het realiseren van de benodigde parkeerruimte op eigen terrein niet wenselijk is. De beoogde locatie is gelegen in een stedelijke woongebied. Het gebied ligt op loopafstand van een OV-knooppunt (treinstation en busstation). Het woongebied combineert suburbaan wonen met stedelijk wonen. Naast grondgebonden woningen in de vorm van stadswoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en appartementen. Er is sprake van een gedifferentieerd woningaanbod.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
43
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Hieronder is aangegeven hoe het parkeren in het plangebied is voorzien. In de nieuwe situatie zullen er ten behoeve van de woningen in totaal 161 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Grotendeels van de parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. Daarnaast zijn er een aantal parkeerplaatsen langs de Thorbeckelaan aanwezig.De halfvrijstaande en vrijstaande woningen hebben allen parkeervoorzieningen op de eigen kavel, ook voor de meeste stadswoningen is parkeren op eigen kavel mogelijk. Daarnaast zijn er een drietal parkeerkoffers voorzien waar geparkeerd kan worden en is er voor de appartementen tevens parkeerruimte voorzien onder het complex. Onder het appartementencomplex worden 52 parkeerplaatsen gerealiseerd (halfverdiept). Voor zowel de tweekappers als de vrijstaande villa's geldt dat er voor elke woning twee parkeerplaatsen op het eigen terrein gerealiseerd worden. Dit komt in totaal neer op 48 parkeerplaatsen voor de tweekappers en 4 parkeerplaatsen voor de vrijstaande villa's. Ook voor de stadswoningen geldt dat de parkeerplaatsen grotendeels op het eigen terrein worden gerealiseerd. In totaal gaat het hier om 14 parkeerplaatsen op het eigen terrein. De overige parkeerplaatsen worden in de openbare ruimte gerealiseerd, in de vorm van 3 parkeerkoffers (29 parkeerplaatsen), en langsparkeren aan de Thorbeckelaan (16 parkeerplaatsen).
In de navolgende tabel wordt een overzicht weergegeven van het beoogde aantal parkeerplaatsen. Locatie Appartementen Tweekappers Vrijstaande villa's Stadswoningen Parkeerkoffer 1 Parkeerkoffer 2 Parkeerkoffer 3 Langsparkeren Thorbeckelaan Totaal
Aantal parkeerplaatsen 52 48 4 14 7 4 7 16 161
Bij de aanleg van deze 161 parkeerplaatsen komt de norm uit op ruim 1,92 parkeerplaats per woning. Dat is lager dan de (maximale) CROW-norm die die conform de beleidsregel parkeernormen van de gemeente gehanteerd zou moeten worden aangezien het plangebied buiten de begrenzing van de binnenstad en de zogenoemde 'schil' ligt. Het plangebied ligt echter op korte afstand van het station (maximaal ongeveer 650 m loopafstand). Daarom mag aangenomen worden dat het openbaar vervoer een hoger aandeel heeft in de modal split van bewoners en bezoekers van bewoners en wat leidt tot een wat lagere parkeerbehoefte. Overigens is het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor dit gebied hiermee nog beduidend hoger dan de minimum parkeernorm die ook in de CROW-richtlijn te vinden is maar ingevolge de beleidsregel parkeren niet wordt gehanteerd. Die zou leiden tot 135,8 parkeerplaatsen. Met het voorliggende plan wordt voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Met het voorliggende plan wordt voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10 M ilieueffectrapportage Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
44
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Op voorhand dient beschouwd te worden of sprake is van een activiteit welke voorkomt in de D-lijst. De activiteit waar voorliggend plan de meeste aansluiting bij vindt is een stedelijk ontwikkelingsproject. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook 'dorpen' hieronder vallen. Wat 'stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn.
Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Middels onderhavig bestemmingsplan wordt een woningbouwontwikkeling, met bijbehorende infrastructuur mogelijk gemaakt. Voor de bouw van de toekomstige woningen worden onder meer portiekflats, een voormalige basisschool en ROC-locatie binnen het plangebied gesloopt. De ontwikkeling is concreet beschreven in de planbeschrijving in Hoofdstuk 3. Het huidige gebruik van het plangebied bestaat reeds uit 'Maatschappelijk', 'Wonen' en 'Verkeer', daarmee bestaat het plangebied reeds uit stedelijke functies met bijbehorende bebouwingsmogelijkheden. Als gevolg van voorliggend plan komen de maatschappelijke bestemmingen (de mogelijkheden voor de ROC en de basisschool) te vervallen. Tevens zijn twee portiekflats met 48 woningen van de woningstichting gesloopt. Op de locatie komen hiervoor in de plaats circa 84 woningen. Qua omvang en intensiteit nemen de maatschappelijke activiteiten als gevolg van de ontwikkeling af c.q. te vervallen en dit wordt geheel vervangen door een minder intenstief woongebruik.
Uit voorgaande volgt dat de in onderhavig plan besloten ontwikkelingen gezien de aard en omvang in algemene zin niet te kwalificeren zijn als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
45
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
6.2
T oelichting op de regels
6.2.1 Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels * Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. * Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: * bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; * bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); * afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; * specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; * afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
46
NL.IMRO.0141.00103-BP31
bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; * wijzigingsregels: In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels * Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; * Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; * Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; * Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; * Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; * Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; * Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels * Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; * Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
6.2.2 Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Verkeer Gronden met deze bestemming mogen worden gebruikt als verkeers- en verblijfsgebied. Ook bij deze functie behorende elementen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde of ongebouwde parkeervoorzieningen, bermen en voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater zijn toegestaan. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijde. De maximale bouwhoogte van de toegestane bouwwerken is aangegeven in de regels.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
47
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Woongebied Deze gronden zijn bestemd voor woningen, ruimten ten behoeve van uitoefening van aan huis verbonden beroepen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven en verkeersareaal, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater. Gebouwen in de bestemming worden binnen de aangegeven bouwvlakken gebouwd. Het maximum aantal grondgebonden en gestapelde woningen is voor het totale plangebied van het bestemmingsplan aangegeven. Hierdoor wordt de flexibiliteit verhoogd. Het totaal aantal woningen in het plangebied mag niet worden overschreden. Waarde - Archeologische verwachting middelhoog Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de bescherming van archeologische waarden. Voor de gronden met deze dubbelbestemming geldt dat er archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden wanneer het nieuw bebouwd oppervlak groter is dan 5.000 m² of dieper dan 0,50 m. Leiding - Riool De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' is opgenomen voor de instandhouding en bescherming van (ondergrondse) hoofdrioleringen met de daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan ter plaatse van deze dubbelbestemming.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
48
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
vastgesteld bestemmingsplan w oningbouw Thorbeckelaan
49
NL.IMRO.0141.00103-BP31
Hoofdstuk 8 8.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie (29 juni 2023) aangegeven dat het plan past binnen het provinciaal ruimtelijk belei en zien geen belemmeringen om het plan in procedure te brengen. Waterschap Vechtstromen Op 2 september is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een normale procedure van toepassing verklaard.