Adviesrecht tijdelijke opvang Oekraïners Schelfhorstdwarsweg - bijlage 3 - Ruimtelijke motivering BOPA Schelfhorstdwarsweg
Tekst van het document
Daarom leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot schadelijke handelingen die vergunningplichten zijn met betrekking tot de steenuil en kerkuil. Houtopstanden Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen bomen gekapt. Op de projectlocatie worden verspreid extra bomen geplant.
5.5.3
Conclusie
Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden, als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden, kunnen worden uitgesloten.
30 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Een onderzoek naar stikstofdepositie (AERIUS-berekening) wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit aspect een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Het aspect gebiedsbescherming vormt hierdoor geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Soortenbescherming Tijdens de werkzaamheden voor de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden dient rekening gehouden te worden met de zorg plicht en aandachtspunten uit de quickscan flora en fauna. Het aspect soortenbescherming vormt hierdoor geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Houtopstanden Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen bomen gekapt. Het aspect houtopstanden vormt hierdoor geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.6
Luchtkwaliteit
Bij het aspect luchtkwaliteit gaat het om de gezondheid van mensen waarborgen en geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken die mensen blootstellen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.6.1
Toetsingskader
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde Rijksomgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2.5) maatgevend zijn. Voor de volgende activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden: - in en nabij aandachtsgebieden moet er getoetst en gemonitord worden aan de Rijksomgevingswaarden van NO2 en PM10, met uitzondering van activiteiten of projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De aandachtsgebieden staan aangegeven in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl; - bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; - bij het toelaten van een activiteit of project in een omgevingsplan; - bij specifieke projecten of activiteiten, te weten bij: · de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 m; · een wijziging van een tunnel waarbij de lengte met minimaal 100 m toeneemt; · de aanleg van een auto(snel)weg.
Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan minimaal één van de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat de Rijksomgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. De omgevingswaarde voor PM2,5 ligt op 25 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in
31 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de lichtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 µg/m2.
5.6.2
Resultaten
Bij de resultaten wordt ingegaan of sprake is van een overschrijding van de omgevingswaarden en of de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit middels de NIBM-tool. Er wordt zowel ingegaan op de huidige situatie als de toekomstige situatie. Daarnaast behoort de projectlocatie niet tot een aandachtsgebied, zoals benoemd in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl, waarvoor aanvullende eisen aan activiteiten worden gesteld. Huidige situatie Op afbeelding 5.3, afbeelding 5.4 en afbeelding 5.5 zijn de huidige achtergrondconcentraties op de projectlocatie weergegeven. De concentraties liggen voor NO2 op een jaargemiddelde van 9,3 tot 12,4 microgram/m3. Voor fijnstof geldt voor PM10 een jaargemiddelde van 14,5 microgram/m3 en voor PM2,5 7,8 microgram/m3. De huidige jaargemiddelde voor luchtkwaliteit liggen dus ruim onder de omgevingswaarden van 40 microgram/m3 voor zowel NO2 als PM10, en 25 microgram/m3 voor PM2,5.
Afbeelding 5.3 Concentratie stikstofdioxide (NO2) in 2023 op en rondom de projectlocatie (Atlas Leefomgeving 8-1-2026)
32 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Afbeelding 5.4 Concentratie fijnstof PM10 in 2023 op en rondom de projectlocatie(Atlas Leefomgeving 8-1-2026)
Afbeelding 5.5 Concentratie fijnstof PM2,5 in 2023 op en rondom de projectlocatie(Atlas Leefomgeving 8-1-2026)
Toekomstige situatie Door middel van de NIBM-tool is het mogelijk om de bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtkwaliteit ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking te berekenen. PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. De invulling van de NIBM-tool wordt nog gedaan. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld.
5.6.3
Conclusie
De huidige achtergrondconcentraties voor PM2,5, PM10 en NO2 liggen ruim onder de wettelijke omgevingswaarden, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor mensen. De ontwikkeling leidt niet tot een dusdanige toename van uitstoot van PM2,5, PM10 en NO2 dat de
33 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
omgevingswaarden worden overschreden. PM resultaten NIBM-tool. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit aspect een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Voor het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.7
Geluid
In het kader van een BOPA dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbronsoort (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet, via het gemeentelijke omgevingsplan, het Besluit kwaliteit leefomgeving en onderliggende besluiten en regelingen.
5.7.1
Toetsingskader
Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat bevat de regels over geluid door een activiteit op of in geluidsgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 van de Bruidsschat zijn de waarden bepaald, met daarin onderscheid in: - activiteiten anders dan door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.2); - geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.4). In afdeling 3.5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De Omgevingswet maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde en bronnen met basisgeluidemissie. Het is aan het bevoegd gezag om het geluidsniveau van wegen, spoorwegen en industrieterreinen te beoordelen conform artikel 3.20 van het Bkl. Het Rijk stelt voor een aantal aangewezen geluidsgevoelige gebouwen en stiltegebieden specifieke regels op. Voor geluidgevoelige functies zoals wonen, onderwijs of zorg is artikel 3.20 van het Bkl bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming op basis van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
Conform artikel 22.54 lid 2 van de bruidsschat van het omgevingsplan hoeft er in het kader van een BOPA voor een periode korter dan 10 jaar niet getoetst te worden aan de bepalingen over geluid in paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan, mits het niet een geluidsgevoelig gebouw betreft. Een geluidgevoelig gebouw (Bijlage 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) is een: gebouw met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, kinderopvang met bedden en gezondheidszorg met bedden.
5.7.2
Resultaten
PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Geluidonderzoek wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld.
5.7.3
Conclusie
PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Geluidonderzoek wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de
34 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit aspect een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.8
Geur
In deze paragraaf wordt behandeld op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
5.8.1
Toetsingskader
Regels over geur zijn onderverdeeld in de verschillende Amvb’s van de Omgevingswet. Het verschilt per stationaire bron en activiteit waar de regels zijn opgenomen. Omdat er geen aanpassingen hebben plaatsgevonden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van gemeente Almelo, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. De regels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 van het Bal. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of geurhinder aanvaardbaar is gelet op het Bkl en het omgevingsplan.
5.8.2
Resultaten
De algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur vanuit het Bkl zijn van toepassing. In het Bkl staat opgenomen dat het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur middels het omgevingsplan. Op het moment van het opstellen van dit rapport heeft gemeente Almelo geen geurbeleid opgenomen in het omgevingsplan. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is tevens (nog) geen geurcontour opgenomen. In de bruidsschat staan regels ten aanzien van geuremissies voor bepaalde activiteiten. De tijdelijke huisvesting van Oekraïense ontheemden is niet opgenomen als activiteit waarvoor geurvoorschriften gelden. Daarnaast is de tijdelijke voorgenomen ontwikkeling geen bron van geuremissies. Desalniettemin moet zorg worden gedragen voor een aanvaardbaar leefklimaat ten aanzien van geur. Gekeken naar de projectlocatie zijn er geen bedrijven of andere bronnen gesitueerd die geurhinder veroorzaken.
5.8.3
Conclusie
In de nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen bronnen die geurhinder kunnen veroorzaken. Daarnaast is de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden zelf geen bron van geuremissies. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.9
Omgevingsveiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse omgevingsveiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Dit worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een omgevingsplan of afwijking van een omgevingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het project
35 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
een onacceptabel omgevingsveiligheidsrisico oplevert. Hiertoe wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het groepsrisico wordt onder de Omgevingswet ingevuld door aandachtsgebieden. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en aandachtsgebieden. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.
5.9.1
Toetsingskader
Kwetsbare gebouwen en locaties In het omgevingsplan houdt de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening met het belang van een veilige leefomgeving. De gemeente moet onder andere regels opnemen om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen. In artikel 5.3 Bkl worden gebouwen en locaties ingedeeld in 3 categorieën: 1 zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2 kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3 beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). De aanwijzing van deze categorieën gebouwen en locaties staan in bijlage VI van het Bkl. Zeer kwetsbare gebouwen Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Het gaat om de volgende gebouwen: - woonfunctie voor 24-uurszorg; - basisscholen; - scholen voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking; - dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking; - gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen); - kinderopvang; - gevangenissen. Kwetsbare gebouwen en locaties Kwetsbare gebouwen en locaties zijn gebouwen met een woonfunctie en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn.
Het gaat bijvoorbeeld om de volgende gebouwen en locaties: - woonfunctie; - bijeenkomstfunctie; - kantoorfunctie; - sportfunctie; - scholen voor volwassenen; - gezondheidszorg zonder bedgebied; - locaties voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties Tot slot kunnen gebouwen en locaties beperkt kwetsbaar zijn. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende gebouwen en locaties: - woonfunctie op een locatie met een dichtheid van ten hoogte twee woningen, woonschepen of woonwagens per ha; - kantoorfunctie met een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 1.500 m2; - een onderwijsfunctie voor volwassenenonderwijs (met uitzondering van een onderwijsfunctie waarin doorgaans een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig is); - recreatief nachtverblijf voor ten hoogste 50 personen;
36 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
-
evenementen in de openlucht voor minder dan 5.000 personen.
Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. De gemeente moet in het omgevingsplan regels opnemen over externe veiligheid als nieuwe risicobronnen worden toegestaan. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is: ‘de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit’ (artikel 5.6 Bkl). De grenswaarde voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is 1 op de 1.000.000 per jaar: PR10-6 (artikel 5.7 Bkl). Deze grenswaarde wordt ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR 10-6 contour van een activiteit komen (artikel 5.8 Bkl). In het Bkl staan voorwaarden waaronder een gemeente bij kwetsbare gebouwen en locaties tijdelijk kan afwijken van de grenswaarden, voor een periode van maximaal drie jaar (artikel 5.10 Bkl). Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat een gemeente rekening moet houden met de PR 10-6-contour. De gemeente kan hierbij, binnen de voorwaarden van de instructieregel, een eigen afweging maken (artikel 5.11 Bkl).
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het bepalen van het GR worden aandachtsgebieden aangewezen. Het bevoegd gezag weegt binnen deze aandachtsgebieden af of extra maatregelen nodig zijn ter bescherming tegen de gevolgen van een ongeval. Binnen een explosie- en brandaandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen, welke worden opgenomen in het omgevingsplan. In de voorschriftgebieden gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw volgens artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met de volgende aandachtsgebieden: - brandaandachtsgebied; - explosieaandachtsgebied; - gifwolkaandachtsgebied. Artikel 5.15 Bkl is niet van toepassing als voorgenoemde kwetsbare gebouwen en locaties op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan (artikel 5.15a Bkl). De gemeente kan binnen een aandachtsgebied ook nog een voorschriftengebied aanwijzen.
In dit deel van het aandachtsgebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (artikel 4.90-4.96 Bbl). Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Dit geldt niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen.
5.9.2
Resultaten
De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Daarom leidt de ontwikkeling vanuit omgevingsveiligheid niet tot een eventueel knelpunt voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten.
37 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Op afbeelding 5.6 zijn de risicobronnen rondom de projectlocatie weergegeven. Enkel ten noordwesten van de projectlocatie is een risicobron aanwezig met meerdere plaatsgebonden risicocontouren. De projectlocatie is niet gelegen binnen deze plaatsgebonden risicocontouren. Verder zijn er geen risicobronnen aanwezig nabij de projectlocatie.
Afbeelding 5.6 Plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden rondom de projectlocatie (Atlas Leefomgeving, geraadpleegd 8-12026)
5.9.3
Conclusie
De beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden heeft geen invloed op de omgevingsveiligheid van de omgeving aangezien het geen risicobron is. Daarnaast valt de projectlocatie niet binnen een aandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour. Het aspect omgevingsveiligheid is daarmee geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.10
Trillingen
In deze paragraaf wordt behandeld op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect trilling. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er eisen gesteld aan de maximale trillingsniveaus die als aanvaardbaar worden beschouwd. Trillingen kunnen onder andere veroorzaakt worden door spoorverkeer, wegverkeer of industriële activiteiten. Er dient getoetst te worden of de trillingsniveaus ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling de wettelijke normen niet overschrijden.
5.10.1 Toetsingskader Om het aspect trillingen te toetsen dient eerst bepaald te worden of de ontwikkeling een trilling gevoelige locatie, ruimte, of gebouw betreft. Hierna kan getoetst worden of de gestelde normen niet worden overschreven en de ontwikkeling dus aanvaardbaar is in het kader van een goede fysieke leefomgeving. De geldende wet- en regelgeving rondom het aspect trillingen is voornamelijk te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Bruidsschat.
38 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Het beoordelen van trilling heeft drie doelen: 1 beoordelen of activiteiten in trilling gevoelige gebouwen op een locatie wenselijk of toelaatbaar zijn; 2 beoordelen of maatregelen nodig zijn om trillinghinder te voorkomen; 3 beoordelen of activiteiten of werkzaamheden voldoen aan de normen voor trillingen.
5.10.2 Resultaten De huisvesting voor Oekraïense ontheemden zelf is geen trillingsbron en zorgt daarmee niet voor trillinghinder op de omgeving. Ook dient rekening gehouden te worden met mogelijke trillinghinder van de omgeving op de projectlocatie. Trillinghinder kan ontstaan onder andere ontstaan door verkeer over de weg (waarbij belangrijke factoren zijn: zwaardere voertuigen, een hogere snelheid en een oneffen wegdek) of verkeer over het spoor. In of nabijheid de projectlocatie is geen spoorlijn aanwezig. Nabij de projectlocatie bevinden zich wel (gemeentelijke) wegen (Vriezenveenseweg, Bleskolksingel en Van Rechteren Limpurgsingel) waar mogelijk trillinghinder kan optreden. Echter zijn er woningen aanwezig op tenminste dezelfde afstand van deze wegen als de projectlocatie. Gezien woningen (trilling gevoelige gebouwen) zijn toegestaan op minstens dezelfde afstand van de trillingsbronnen, wordt beargumenteerd dat de voorgenomen ontwikkeling eveneens toelaatbaar is en dat er geen sprake is van significante trillinghinder.
5.10.3 Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11
Archeologie en cultuurhistorie
5.11.1 Toetsingskader Gemeenten dienen in het omgevingsplan, en bij aanpassingen daarvan, rekening te houden met het belang van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit verschillende elementen: - (bekende of verwachte) archeologische monumenten; - monumenten (zoals (bouw)werken, tuinen en parken); - stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. Tot eind 2031 (of de datum waarop de gemeente het definitieve omgevingsplan vaststelt) zijn de regels met betrekking tot cultureel erfgoed gebundeld in het tijdelijk omgevingsplan. Deze bundeling omdat de regels die voorheen waren opgenomen in het bestemmingsplan, de welstandsnota en een aantal regels over archeologie in de lokale erfgoed- of monumentenverordening. Regels uit de erfgoed- of monumentenverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten in 2031 opgenomen zijn in het omgevingsplan. Archeologie Om te kunnen garanderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke archeologische monumenten aantast dient er onderzocht te worden of er archeologische monumenten in de bodem aanwezig zijn. De gemeente kan lokale regels hierover stellen (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl).
Het onderzoek kan verschillende vormen aannemen, zoals archeologische begeleiding van baggerwerkzaamheden of het graven van proefsleuven.
39 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
In beginsel moet de gemeente bodemroerende projecten die kleiner zijn dan 100 m2 zijn vrijstellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). In het omgevingsplan kan de gemeente echter een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Dit gebeurt in de regel wanneer er een substantiële verwachting is dat er sporen gevonden kunnen worden, of juist niet. Monumenten Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een projectlocatie aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. De gemeente dient in het omgevingsplan rekening te houden met de instructieregels (artikel 5.130 Bkl) van het Rijk. Deze gaan over: - ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; - verplaatsing van beschermde monumenten; - gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; - aantasting van de omgeving van een beschermd monument; - aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; - conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Beschermde stads- en dorpsgezichten De gemeente moet de aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen voorkomen.
Dit kan ook gaan om de aantasting van de groenaanleg en waterstructuren die onderdeel uitmaken van de te beschermen karakteristieken van het beschermd gezicht. De directe omgeving van beschermde gezichten kan ook onderdeel zijn van het bijzondere karakter van het gebied, denk aan zichtlijnen of de beleving van een historisch stadssilhouet. Ook de provincies en het Rijk kunnen beschermde stads- en dorpsgezichten aanwijzen. Deze staan respectievelijk in de provinciale omgevingsverordening of zijn (op Rijksniveau) aangewezen middels een instructiebesluit. Voor bouwen en woningen in een beschermd stads- of dorpsgezicht gelden er voor bepaalde bouwactiviteiten extra voorwaarden. De activiteiten zijn in de regel minder vaak vergunningvrij. Deze regels staan in art. 2.29 en 2.30 Bbl.
5.11.2 Resultaten Archeologie Vooronderzoek archeologie Vestigia heeft in opdracht van Gemeente Almelo een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage III van voorliggend rapport. Uit het vooronderzoek blijkt dat twee delen aan te wijzen met een hoge archeologische verwachting, dit zijn de oranje contouren op afbeelding 5.7. Daarnaast is in het noordwesten van de projectlocatie een historisch boerderijerf aanwezig geweest: ’t Kleine Bokhorst (rood op onderstaande afbeelding).
40 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Afbeelding 5.7 Hoge archeologische verwachting projectlocatie
Op basis van de hoge archeologische verwachtingswaarden en het historisch boerderijerf is vervolgonderzoek nodig. Vervolgonderzoek archeologie PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Vervolgonderzoek archeologie wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Monumenten Er zijn geen gemeentelijke, provinciale en/of Rijksmonumenten in of nabij de projectlocatie aanwezig. Beschermde stads- en dorpsgezichten Er zijn geen beschermde stads- en/of dorpsgezichten in of nabij de projectlocatie aanwezig.
5.11.3 Conclusie PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Vervolgonderzoek archeologie wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit aspect een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Er zijn geen monumenten en/of beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig op of nabij de projectlocatie. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
41 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
5.12
Bodem
5.12.1 Toetsingskader Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden. In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: - regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerk voorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); - regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22; Bal); - regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en waterbodemkwaliteit.
5.12.2 Resultaten Voor de realisatie van de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden vinden grondroerende werkzaamheden plaats. Daarom is het van belang dat de kwaliteit van de bodem voldoende is vastgesteld. Ortageo heeft in opdracht van Gemeente Almelo een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage IV van dit rapport. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat op deellocatie A (erf) (zoals weergegeven op Afbeelding 5.8) de grond is verontreinigd met lood en zink. Daarom is enkel op deze locatie nader onderzoek uitgevoerd om de omvang van de aangetoonde verontreiniging in de grond nader in beeld te brengen. Met het nadere onderzoek is de verontreiniging voldoende in beeld gebracht. Omdat sprake is van een verontreiniging ter plaatse van deellocatie A, dient daar sanering van de bodem plaats te vinden voorafgaand aan de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
42 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Afbeelding 5.8 Deellocaties verkennend bodemonderzoek
5.12.3 Conclusie Voorafgaand aan de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling wordt de bodem gesaneerd. Het aspect bodemkwaliteit vormt daarna geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
5.13.1 Toetsingskader Voor het aspect ontplofbare oorlogsresten gelden geen rijksregels. De decentrale overheden kunnen zelf de afweging maken hoe zij binnen de instrumenten van de Omgevingswet invulling willen geven aan het onderwerp ontplofbare oorlogsresten
5.13.2 Resultaten De gemeente Almelo heeft een gemeente breed onderzoek uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten. Op afbeelding 5.9 is een uitsnede van het onderzoek weergegeven met daarop de projectlocatie blauw aangegeven. Zoals te zien op de kaart is de projectlocatie niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.
43 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Afbeelding 5.9 Onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (kenmerk: S2009.001, Leemans Speciaalwerken b.v.)
5.13.3 Conclusie De projectlocatie is niet verdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.14
Weging van het waterbelang
5.14.1 Toetsingskader Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen de waterbelangen en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving).
5.14.2 Resultaten PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. De weging van het waterbelang wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld.
5.14.3 Conclusie PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. De weging van het waterbelang wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen
44 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit aspect een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.15
Activiteiten en milieuzonering
Het doel van milieuzonering is een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
5.15.1 Toetsingskader De voormalige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt niet meer door de VNG geactualiseerd en Milieuzonering Nieuwe Stijl 2019 biedt een nieuwe aanpak van hoe je bedrijfsmatige activiteiten kan beoordelen. In de publicatie is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld kan worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op basis van de maatgevende afstand. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. Deze regels en normen worden gesteld in het belang van een goede ruimtelijke ordening en een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, ten behoeve van een optimaal en doelmatig grondgebruik. In oktober 2024 heeft de VNG de nieuwe richtlijnen voor activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze nieuwe handreiking biedt een actuele en gedetailleerde leidraad voor het inpassen van activiteiten binnen de ruimtelijke ordening, met speciale aandacht voor het minimaliseren van milieuhinder en het bevorderen van een duurzame leefomgeving.
Voor de huidige ontwikkelingen wordt echter nog steeds getoetst aan de bestemmingsplannen (tijdelijk deel omgevingsplan) die zijn opgesteld op basis van de oude handreiking. Het aspect activiteiten en milieuzonering is daarom getoetst aan de hand van de voormalige VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2009). Deze aanpak zorgt voor continuïteit en rechtszekerheid in de ruimtelijke ordeningsprocessen en voorkomt dat projecten plotseling moeten worden aangepast aan de nieuwe richtlijnen.
5.15.2 Resultaten De tijdelijke huisvesting voor Oekraïense ontheemden wordt niet genoemd in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Daarom geldt voor de locatie zelf geen milieuzone die van invloed kan zijn op de omgeving. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de projectlocatie geen bedrijven aanwezig die een milieuzone hebben.
45 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
5.15.3 Conclusie In de nabijheid van de projectlocatie zijn geen bedrijven aanwezig met een milieuzonering. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft zelf ook geen milieuzone. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.16
Lichthinder
5.16.1 Toetsingskader Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Bkl bevat geen regels ten aanzien van lichthinder. In het Bal artikel 4.790 staat Rijksregels opgenomen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. De decentrale overheden kunnen in het omgevingsplan en de omgevingsverordening regels opnemen ter voorkoming van lichthinder. Omdat gemeente Almelo nog geen aanpassingen heeft gedaan aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan, gelden de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, die met de Bruidsschat onderdeel zijn geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan over lichthinder. Deze regels uit de Bruidsschat gaan over lichthinder afkomstig van sporten in de buitenlucht. In het gemeentelijke omgevingsplan weegt lichthinder ook mee als aspect vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. In de provinciale omgevingsverordening zijn gebieden aangeduid waar geen lichthinder mag ontstaan zoals stilte- en natuurgebieden.
5.16.2 Resultaten In het omgevingsplan van gemeente Almelo zijn enkel regels over lichthinder opgenomen die betrekking hebben op sportevenementen in de buitenlucht. Daar is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van. Daarnaast ligt de projectlocatie niet in stilte- of natuurgebieden.
5.16.3 Conclusie Het aspect lichthinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
5.17
Sociale veiligheid
Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving vooral ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan meer veiligheid zijn onder andere: - informeel toezicht op de openbare ruimte; - persoonlijke controle over de (eigen) omgeving; - het imago van het (totale) gebied.
5.17.1 Resultaten Maatregelen die het gemeente Almelo neemt voor beheer in en rond de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden zijn onder andere: - 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie; - 7 dagen per week aanwezigheid van medewerkers op de locatie; - huisregels hanteren en toezien op naleving; - eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken; - dagbesteding verzorgen;
46 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
-
informeren over gedragsregels in Nederland; wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie; deelname aan veiligheidsoverleg met politie en indien nodig andere betrokkenen; 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden.
Samen met de politie is de gemeente verantwoordelijk voor de leefbaarheid buiten de projectlocatie. De gemeente is daarbij verantwoordelijk voor het monitoren van de effecten van de huisvesting voor Oekraïense ontheemden in de omgeving en zo nodig in overleg met de politie (aanvullende) maatregelen te treffen. De politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde, onder gezag van de burgemeester en de opsporing bij eventueel gepleegde strafbare feiten onder gezag van het Openbaar Ministerie. De locatie is voorzien van meerdere afvalbakken. Tevens wordt het terrein schoongehouden door de medewerkers en bewoners. Hier worden onderlinge afspraken op locatie over gemaakt. Verder wordt regelmatig vuil afgevoerd van de locatie. Mocht blijken dat er aanvullende voorzieningen getroffen moeten worden, dan worden die door de gemeente Almelo uitgevoerd.
5.17.2 Conclusie Ten behoeve van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling wordt een pakket aan maatregelen getroffen om de sociale veiligheid in de omgeving van de locatie te waarborgen. Door het nemen van deze maatregelen vormt het aspect sociale veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.
47 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
6 MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een BOPA dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het omgevingsplan zijn besproken met de belanghebbenden. Het betrekken van de omgeving in een vroeg stadium, vergroot het draagvlak en voorkomt vaak eventuele bezwaren in een later stadium.
6.1.1
Participatie
Op meerdere momenten heeft participatie plaatsgevonden. Op afbeelding 6.1 is het besluitvormingsproces van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling weergegeven. Hier zijn ook enkele participatiemomenten in opgenomen.
Afbeelding 6.1 Proces besluitvorming
48 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
In tabel 6.1 is een overzicht opgenomen van de participatie-/informatiemomenten die plaats hebben gevonden met daarbij een korte toelichting.
Tabel 6.1 Overzicht participatie-/informatiemomenten Datum 24-9-2024
openbare raadsvergadering waarin voornemen van de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden op de Schelfhorstdwarsweg gedeeld is
25-9-2024
collegebesluit om de beoogde locatie aan te wijzen, directe buren (circa acht adressen) worden deze dag ook per brief uitgenodigd voor buurtgesprek op 17 oktober 2025
15-10-2024
extra ingelast overleg met projectleider en directielid, waarbij direct omwonenden voor de sessie van 17 oktober 2025 in gesprek willen, omdat daar grotere opkomst wordt verwacht. Uitleg gedeeld vanuit de gemeente waarom deze locatie gekozen is en wat de plannen zijn. Buurt staat nog niet open voor gesprek over de bouwplannen, want de boodschap is ‘Andere locatie is beter’
17-10-2024
buurtbijeenkomst bij Huize Alexandra waarvoor circa. acht adressen waren uitgenodigd, maar totaal circa 75 buurtbewoners op af zijn gekomen. Eerste schetsen van de locatie worden gedeeld met vier varianten. De gemeente geeft een toelichting waarom deze locatie gekozen is, dat de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden met flexwoningen voor maximaal 15 jaar (tot uiterlijk 31 december 2041) is en dat de locatie daarna in beeld komt voor permanente woningen. Veel emoties, vragen over waarom deze locatie is gekozen en gesprek met de politiek verantwoordelijken wordt gemist
Nov – dec
diverse gesprekken met belanghebbenden / buurtbewoners. Belangrijkste bespreekpunten waren: locatie niet akkoord, al genoeg overlast door AZC en huidige opvang bang voor ‘barakken’ / slechte kwaliteit woningen buurt vreest voor extra overlast door 450 bewoners i.p.v. huidige 310 Oekraïense bewoners aan de Vriezenveenseweg ontsluiting / hardrijden / verkeersveiligheid omgeving Vriezenveenseweg
15-1-2025
grote buurtbijeenkomst bij Het Noordik waarbij de toelichting wordt gegeven op de plannen, waarbij ook de burgemeester in gesprek gaat met de buurt. Gemeente geeft aan vier tafels toelichteng op de plannen over de thema’s proces, veiligheid, huisvesting voor Oekraïense ontheemden en Ruimtelijke inpassing. Bewoners lopen per groep langs de tafels en kunnen vragen stellen en input geven op de plannen. Het volledige verslag van het buurtgesprek is opgenomen in bijlage V van voorliggend rapport
25-2-2025
buurtbewoners spreken in bij de raadsvergadering over het project. Spreken zorgen uit over de impact op de omgeving, college zegt toe dat de overlast niet mag toenemen en presenteert bouwplan om zorgen weg te nemen. Zo wil de gemeente circa 60 reguliere rijwoningen bouwen in plaats van tijdelijke flex appartementen. Ook wordt er een werkgroep opgezet voor de leefbaarheid in de buurt
11-3-2025
gemeenteraad stemt in met locatiekeuze voor het project aan de Schelfhorstdwarsweg
16-4-2025
informatieavond om het proces nader toe te lichten en nieuwe schetsen van het ontwerp te tonen. Buurtbewoners kunnen vragen stellen en reageren op de schetsen, die op
49 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Datum basis van de input aangepast worden. Ondanks de weerstand tegen de locatie is er waardering voor de omzetting naar reguliere woningen qua omvang. Veel vragen en afstemming over ontsluiting, toezicht / beveiliging en looptijd van de voorgenomen ontwikkeling 24-6-2025
informatieavond met buurtbewoners, waarbij de nieuwste schetsen worden getoond. Opmerkingen vanuit de buurt zijn hierin zo veel mogelijk meegenomen. Laatste opmerkingen en details worden opnieuw besproken en meegenomen voor de komende aanbesteding om een bouwer te selecteren voor het bouwplan
15-09-2025
inloopsessie over verkeersmaatregelen (onder ander drempels in Vriezenveenseweg) en ontwikkeling ‘Hag’ (huidige opvanglocatie). Met de opmerkingen over de veiligheid wordt zo met deze ontwikkeling een (gedeeltelijke) oplossing geboden voor de overlast
9-12-2025
gemeenteraadsvergadering waarin het krediet van de opstalontwikkeling wordt vastgesteld, nieuwste schetsen worden getoond die uit de aanbesteding zijn gekomen.
6.2
Beheer en onderhoud
De gemeente Almelo verzorgt het beheer en onderhoud van het gebouw en het terrein gedurende het gebruik ten behoeve van de huisvesting voor Oekraïense ontheemden. Als de huisvesting voor Oekraïense ontheemden is beëindigd, kan de locatie (inclusief de woningen) worden gebruikt als reguliere Almelose woonwijk.
6.3
Handhaving
De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Almelo vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving zal afstemming met gemeente en politie plaatsvinden.
6.4
Financiële uitvoerbaarheid
De gemeente Almelo is verantwoordelijk voor de financiering van de uitvoering en de exploitatieduur. De projectlocatie is in eigendom en beheer van de gemeente. De gemeenteraad van Almelo heeft de grond- en opstalexploitatie vastgesteld met een bijbehorend krediet, waardoor financiële uitvoerbaarheid aangetoond is. De gemeente voert een maatschappelijke taak uit en wordt gedeeltelijk gefinancierd door het rijk voor de opvang van maatschappelijke groepen.
50 | 50
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01
Bijlage(n)
I BIJLAGE: QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Bijlagen
II BIJLAGE: AANVULLEND ONDERZOEK STEENUIL EN KERKUIL
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Bijlagen
III BIJLAGE: VOORONDERZOEK ARCHEOLOGIE
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Bijlagen
IV BIJLAGE: VERKENNEND BODEMONDERZOEK
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Bijlagen
V BIJLAGE: PARTICIPATIEVERSLAG 15 JANUARI 2025
Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Bijlagen
www.witteveenbos.com