CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Adviesrecht tijdelijke opvang Oekraïners Schelfhorstdwarsweg - bijlage 3 - Ruimtelijke motivering BOPA Schelfhorstdwarsweg

Raad 3 maart 2026, gemeente AlmeloBij agendapunt: Adviesrecht tijdelijke opvang Oekraïners Schelfhorstdwarsweg15.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Huisvesting Oekraïense ontheemden Schelfhorstdwarsweg, Almelo Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving

Gemeente Almelo 15-1-2025

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Huisvesting Oekraïense ontheemden Schelfhorstdwarsweg Gemeente Almelo

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Concept 01 20 januari 2026 148655/26-000.756

148655 Anoniem Anoniem

Anoniem Anoniem Anoniem

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Hoogoorddreef 15 Postbus 12205 1100 AE Amsterdam +31 (0)20 312 55 55 www.witteveenbos.com KvK 38020751

© Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Projectlocatie

6

1.2.1 1.2.2

6 7

Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie

1.3

Leeswijzer

7

2

BESCHRIJVING VOORGENOMEN ONTWIKKELING

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Toekomstige situatie

9

3

TOETSING AAN HET OMGEVINGSPLAN

11

3.1

Tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Almelo

11

3.1.1 3.1.2

11 13

3.2

Bestemmingsplan Stadsrandgebied Almelo Noord Overige bestemmingsplannen

Juridisch kader buitenplanse omgevingsplanactiviteit

14

3.2.1

14

Uitgebreide procedure van toepassing

4

BELEIDSKADER

15

4.1

Rijksbeleid en Rijksregels

15

4.1.1

15

4.2

4.3

4.4

5

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Provinciaal beleid

16

4.2.1 4.2.2

16 17

Provinciale Omgevingsvisie Overijssel Provinciale Omgevingsverordening Overijssel

Waterschapsverordening

18

4.3.1

18

Waterschapsverordening waterschap Vechtstromen

Gemeentelijkbeleid

19

4.4.1 4.4.2

19 20

Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040 Woonvisie Almelo 2020-2030

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

22

5.1

5.2

5.3

5.4

5.5

Milieueffectrapportage

22

5.1.1 5.1.2 5.1.3

22 23 23

Ladder voor duurzame verstedelijking

23

5.2.1 5.2.2 5.2.3

23 23 24

5.7

24

5.3.1 5.3.2 5.3.3

24 24 24 24

5.4.1 5.4.2 5.4.3

25 25 25

5.10

5.11

5.12

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Natuur

25 Toetsingskader Resultaten Conclusie

25 28 30

Luchtkwaliteit

31

5.6.1 5.6.2 5.6.3

31 32 33

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Geluid

34 Toetsingskader Resultaten Conclusie

Geur 5.8.1 5.8.2 5.8.3

5.9

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Verkeer en parkeren

5.7.1 5.7.2 5.7.3 5.8

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Gezondheid en duurzaamheid

5.5.1 5.5.2 5.5.3 5.6

Toetsingskader Resultaten Conclusie

34 34 34 35

Toetsingskader Resultaten Conclusie

35 35 35

Omgevingsveiligheid

35

5.9.1 5.9.2 5.9.3

36 37 38

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Trillingen

38

5.10.1 5.10.2 5.10.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

38 39 39

Archeologie en cultuurhistorie

39

5.11.1 5.11.2 5.11.3

39 40 41

Bodem

Toetsingskader Resultaten Conclusie

42

5.12.1 5.12.2 5.12.3 5.13

5.14

5.15

5.16

5.17

Toetsingskader Resultaten Conclusie

42 42 43

Ontplofbare oorlogsresten

43

5.13.1 5.13.2 5.13.3

43 43 44

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Weging van het waterbelang

44

5.14.1 5.14.2 5.14.3

44 44 44

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Activiteiten en milieuzonering

45

5.15.1 5.15.2 5.15.3

45 45 46

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Lichthinder

46

5.16.1 5.16.2 5.16.3

46 46 46

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Sociale veiligheid

46

5.17.1 5.17.2

46 47

Resultaten Conclusie

6

MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

48

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48

6.1.1

48

Participatie

6.2

Beheer en onderhoud

50

6.3

Handhaving

50

6.4

Financiële uitvoerbaarheid

50

Laatste pagina

50

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Quickscan flora en fauna

44

II

Aanvullend onderzoek steenuil en kerkuil

16

III

Vooronderzoek archeologie

38

IV

Verkennend bodemonderzoek

160

V

Participatieverslag 15 januari 2025

4

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het college van de gemeente Almelo heeft op 11 maart 2025 een besluit genomen over de grondexploitatie van een locatie aan de Schelfhorstdwarsweg. De gemeente Almelo is voornemens om aan de Schelfhorstdwarsweg tijdelijke huisvesting voor Oekraïense ontheemden te realiseren. De huisvesting is beoogd voor maximaal vijftien jaar (tot uiterlijk 31 december 2041) en biedt plaats aan 450 personen. De huisvesting wordt gerealiseerd middels 57 modulaire woningen van permanente kwaliteit (conform de eisen van het Bbl). Na de duur van de huisvesting blijven de modulaire woningen staan en wordt de projectlocatie ingericht als reguliere Almelose woonwijk. Voorliggende onderbouwing heeft enkel betrekking op de tijdelijke huisvesting van Oekraïense ontheemden. De beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden is strijdig met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Stadsrandgebied Almelo Noord’ (vastgesteld 19 november 2013)1. De beoogde tijdelijke ontwikkeling kan planologische mogelijk worden gemaakt middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hiervoor is een onderbouwing noodzakelijk voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggende Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) voorziet hierin.

1.2

Projectlocatie

1.2.1

Ligging projectlocatie

De projectlocatie bevindt zich noorden van het centrum van de stad Almelo in de gelijknamige gemeente, dit is weergeven op afbeelding 1.1. Nabij de projectlocatie liggen enkele woningen en maatschappelijke gebouwen.

1

Vanaf 1 januari 2024 zijn de beheersverordeningen en bestemmingsplannen van rechtswege omgezet naar het omgevingsplan.

Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van het huidige naar het nieuwe recht. Alle beheersverordeningen en bestemmingsplannen worden onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Omdat de gemeente Almelo het tijdelijke deel nog niet heeft overgezet naar het ‘nieuwe deel’ van het omgevingsplan, wordt hier nog uitgegaan van het bestemmingsplan.

6 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Afbeelding 1.1 Ligging projectlocatie

1.2.2

Begrenzing projectlocatie

Voorliggende onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (hierna GoFlo). De begrenzing van de projectlocatie is weergeven op afbeelding 1.2. Op de projectlocatie bevindt zich één reeds bestaand pand (inclusief bijgebouwen), namelijk het pand aan de Schelfhostdwarsweg 1.

Afbeelding 1.2 Begrenzing projectlocatie

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een nadere beschrijving van de huidige en toekomstige situatie op de projectlocatie, waarna in hoofdstuk 3 een toetsing volgt van het voornemen aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 getoetst aan de relevante ruimtelijk beleidskaders van Rijk, provincie, waterschap en gemeente. In hoofdstuk 5 worden voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten

7 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

beschouwd wat de effecten zijn van het realiseren van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische haalbaarheid van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling toegelicht.

8 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

2 BESCHRIJVING VOORGENOMEN ONTWIKKELING In dit hoofdstuk worden de huidige en toekomstige situatie in en om de projectlocatie beschreven. Hierbij wordt eerst ingegaan op de huidige situatie, vervolgens wordt de beoogde situatie uitgewerkt.

2.1

Huidige situatie

De projectlocatie ligt aan de Schelfhorstdwarsweg in Almelo. Het perceel is kadastraal bekend als AmbtAlmelo, sectie M, nummer 29. Het betreft een deels leegstaand terrein (agrarisch met waarden) en een woning bestaande uit meerdere gebouwen (wonen - stadsrand 2). Het terrein is grotendeels onverhard. Op afbeelding 2.1 is de kadastrale situatie weergegeven.

Afbeelding 2.1 Kadastrale situatie

2.2

Toekomstige situatie

De gemeente Almelo is voornemens om vanaf 2027 voor 15 jaar (tot uiterlijk 31 december 2041) op de projectlocatie 450 personen op te vangen. Op de projectlocatie worden 57 modulaire woningen van permanente kwaliteit (conform de eisen van het Bbl) gebouwd. Op afbeelding 2.2 is het stedenbouwkundigplan weergegeven van de nieuwe situatie.

9 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Afbeelding 2.2 Stedenbouwkundigplan

10 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

3 TOETSING AAN HET OMGEVINGSPLAN In deze paragraaf wordt de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling getoetst aan de ruimtelijke plannen die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van De gemeente Almelo. Daarnaast wordt het juridische kader van een omgevingsvergunning -buitenplanse omgevingsplanactiviteit uiteengezet.

3.1

Tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Almelo

3.1.1

Bestemmingsplan Stadsrandgebied Almelo Noord

Op de projectlocatie gelden binnen het tijdelijk deel van het omgevingsplan van gemeente Almelo het bestemmingsplan ‘Stadsrandgebied Almelo Noord’ (vastgesteld d.d. 19 november 2013). Op afbeelding 3.1 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven. Binnen de projectlocatie komen de volgende bestemmingen voor: - enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ (artikel 5); - enkelbestemming ‘Wonen - Stadsrand 2’ (artikel 30); - enkelbestemming ‘Maatschappelijk - 5’ (artikel 16); - enkelbestemming ‘Verkeer’ (artikel 23); - enkelbestemming ‘Tuin’ (artikel 22); - dubbelbestemming ‘Archeologische verwachting hoog’ (artikel 35); - dubbelbestemming ‘Archeologische verwachting middelhoog’ (artikel 36); - dubbelbestemming ‘Leiding - Riool’ (artikel 33); - dubbelbestemming ‘Leiding - Water’ (artikel 34). Hieronder wordt de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling aan de enkelbestemmingen getoetst. Afbeelding 3.1 Uitsnede bestemmingsplan Stadsrandgebied Almelo Noord

11 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Agrarisch met waarden De voor 'Agrarisch met waarden’ (artikel 5) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat de uitoefening van zelfstandige niet-grondgebonden agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen niet zijn toegestaan; b. de bestaande bedrijfswoning(en); c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwaarden; d. volkstuinen ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin'; e. een sportterrein ter plaatse van de aanduiding 'sport'; f. een zend- en ontvangstinstallatie ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie'; g. maximaal één paardenbak binnen het bouwvlak; h. een ondergrond ten behoeve van een paardenbak ter plaatse van de aanduiding 'paardenbak', met dien verstande dat geen omheining ten behoeve van de paardenbak is toegestaan; i. bed & breakfast (bestaande uit maximaal vier slaapkamers en één gemeenschappelijke huiskamer met een maximale oppervlakte van 30 m2 per kamer) binnen de bestaande hoofdgebouwen en/of karakteristieke bijbehorende bouwwerken; j. wegen en paden; k. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water; l. extensieve dagrecreatie; m.

teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat boogkassen met een bouwhoogte van maximaal 1,20 meter uitsluitend zijn toegestaan in de periode van oktober tot en met april; n. met bijbehorende gebouwen, overige bouwwerken, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen binnen het bouwvlak, groenvoorzieningen, tuinen en erven en de bestaande nutsvoorzieningen. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling past daarmee niet binnen de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden’ en is strijdig met het bestemmingsplan. Wonen - Stadsrand 2 De voor 'Wonen - Stadsrand 2' (artikel 30) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; b. bed & breakfast; c. maximaal één paardenbak; d. tuinen en erven; e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water; f. en daarbij behorende gebouwen, overige bouwwerken en andere bijbehorende voorzieningen. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling past daarmee niet binnen de enkelbestemming 'Wonen - Stadsrand 2' en is strijdig met het bestemmingsplan. Maatschappelijk - 5 De voor ‘Maatschappelijk -5’ (artikel 16) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dienstverlening ten behoeve van de brandweer; b.

verkeersvoorzieningen ten behoeve van het bestemmingsverkeer; c. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen aan- en afvoeren van water. In de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling beoogt de gemeente op deze gronden een weg en verkeersvoorzieningen te realiseren. Daarmee past de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling binnen de enkelbestemming ‘Maatschappelijk -5’. Verkeer De voor 'Verkeer' (artikel 23) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten voet- en fietspaden;

12 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

b. c. d. e. f. g. h. i. j.

groen- en speelvoorzieningen; geluidswerende voorzieningen; parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen; mobiele verkooppunten; straatmeubilair zoals lichtmasten en verkeerslichtinstallaties, alsmede abri's, reclame- en informatieobjecten, kunstwerken, vlaggenmasten en dergelijke; bovengrondse en/of ondergrondse voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water; met de daarbij behorende gebouwen, overige bouwwerken, verhardingen en overige bijbehorende voorzieningen.

In de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling beoogt de gemeente op deze gronden een weg en verkeersvoorzieningen te realiseren. Daarmee past de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling binnen de enkelbestemming ‘Verkeer’. Tuin De voor 'Tuin' (artikel 22) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen en erven; b. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water; met de daarbij behorende overige bouwwerken, groenvoorzieningen, verhardingen, tuinafscheidingen en overige bijbehorende voorzieningen. In de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling beoogt de gemeente op deze gronden groenvoorzieningen en voorzieningen t.b.v. de waterhuishouding te realiseren. Daarmee past de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling binnen de enkelbestemming ‘Tuin’. Relatie met het planvoornemen De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de huidige enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden’ en 'Wonen - Stadsrand 2' en is daarom strijdig met het bestemmingsplan ‘Stadsrandgebied Almelo Noord’.

3.1.2

Overige bestemmingsplannen

Binnen de projectlocatie gelden ook de bestemmingsplannen ‘Parapluherziening algemene afwijkingen’ (2012-2022), ‘Parapluherziening wonen’ (23-03-2020) en ‘Parapluherziening parkeren’ (05-06-2018). De relatie van deze plannen met het planvoornemen wordt hieronder besproken. Parapluherziening algemene afwijkingen Dit bestemmingsplan dient ter vervanging van de Beleidsregel voor toepassing van planologische gebruiksactiviteiten op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° wet algemene bepalingen omgevingsrecht (2015). De gewijzigde beleidsregels zijn niet relevant voor voorliggende tijdelijke ontwikkeling. Parapluherziening wonen Dit bestemmingsplan ziet toe op de wijzing van regels die betrekking hebben op wonen. De gewijzigde beleidsregels zijn niet relevant voor voorliggende tijdelijke ontwikkeling. Parapluherziening parkeren Dit bestemmingsplan ziet toe op de wijziging van regels die betrekking hebben op het parkeren. Door een wijziging van de Woningwet is de verwijzing in bestemmingsplannen naar stedenbouwkundige bepalingen in de gemeentelijke bouwverordening komen te vervalen. Hierdoor kunnen voor de parkeernormen niet

13 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

meer worden verwezen naar de gemeentelijke bouwverordening. Met de parapluherziening Parkeren worden deze parkeernormen alsnog geborgd door te verwijzen naar de geldende beleidsregels voor parkeren. Conform het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren’ wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden slechts verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat gelet op de omvang van de bestemming van het gebouw en/of de gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen. In hoofdstuk 5.4 ‘Verkeer en Parkeren’ wordt dit aspect verder uitgewerkt.

3.2

Juridisch kader buitenplanse omgevingsplanactiviteit

De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een BOPA is nodig voor een activiteit die niet voldoet aan- of in strijd is met het omgevingsplan. Het bevoegd gezag mag de vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 1, Bkl). De initiatiefnemer moet aantoonbaar maken/onderbouwen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale en Waterschapsverordening en een aanvaarbaard woon- en leefklimaat.

3.2.1

Uitgebreide procedure van toepassing

Voor een BOPA-aanvraag geldt in beginsel de reguliere procedure met een beslistermijn van acht weken met een mogelijkheid van verlenging met zes weken. Daarna volgt een bezwaartermijn van zes weken en is beroep mogelijk. Het bevoegd gezag kan de uitgebreide procedure (Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht) van toepassing verklaren op de BOPA (artikel 16.65, lid 4, Omgevingswet), als: - het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en; - waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Daarnaast kan de uitgebreide procedure van toepassing zijn als de aanvrager hierom heeft verzocht of ingestemd (artikel 16.65, lid 1, onder b Omgevingswet). De uitgebreide procedure kent een beslistermijn van 26 weken. Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal zes weken, dus in totaal kan de beslistermijn maximaal 32 weken bedragen. Als het bevoegde gezag besluit de ontwerpvergunning te verlenen volgt een zienswijzenperiode van zes weken. Na de zienswijzenperiode wordt het definitieve besluit genomen waar zes weken beroep op kan worden ingediend. In de meeste gevallen duurt dit traject tussen de zes maanden en een jaar, afhankelijk van de complexiteit van de activiteit en de mate van inspraak. Eventuele beroepsprocedures bij de rechter kunnen de doorlooptijd verder verlengen.

De procedurebepalingen staan in de Ow, het Omgevingsbesluit (Ob) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vanwege de complexiteit van de voorgenomen ontwikkeling en de wens van de gemeente Almelo om belanghebbenden actief te betrekken bij de uitwerking van beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden, is gekozen om een uitgebreide procedure voor de BOPA te hanteren.

14 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

4 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling het relevante ruimtelijk beleid en de regelgeving van Rijk, provincie en gemeente beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen de tijdelijke ontwikkeling en het beleid en er wordt getoetst of de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende beleid en regelgeving.

4.1

Rijksbeleid en Rijksregels

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: - een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; - over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; - een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 duurzaam economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1 combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; 2 kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;

15 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

3

afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Relatie met planvoornemen In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang. Hierbij hoort ook het voorzien in woningen voor ontheemden, in dit geval Oekraïense ontheemden. De beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden kan daarmee in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft de NOVI geen directe implicaties voor het planvoornemen.

4.2

Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een Omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor de nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid.

4.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Overijssel

Het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving wordt omschreven in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 (hierna: Omgevingsvisie). Op 8 november 2023 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie geactualiseerd. Het instrument waarmee het beleid uit de Omgevingsvisie wordt doorgevoerd, is de Omgevingsverordening Overijssel (verder toegelicht in paragraaf 4.2.2). In de Omgevingsvisie schetsen de Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie. Het vizier is daarbij gericht op 2030. In de visie zijn ambities en doelstellingen van provinciaal belang geformuleerd en vastgelegd hoe deze gerealiseerd moeten worden. De visie bevat een beschrijving van het doel en de huidige kwaliteiten van de provincie, een overzicht van actuele maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van klimaat, energie en regionale economie, en de bijbehorende opgaven en kansen. Deze opgaven zijn vertaald naar centrale beleidsambities voor negen thema’s, waarbij drie overkoepelende rode draden centraal staan: duurzaamheid, sociale kwaliteit en ruimtelijke kwaliteit. Het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie (afbeelding 4.1) richt zich op de vragen ‘of’, ‘waar’ en ‘hoe’ centraal. Of een initiatief mogelijk is, wordt mede bepaald door de provinciale generieke beleidskeuzes. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan waar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij de vraag hoe initiatieven kunnen worden ingepast.

16 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Provincie Overijssel

Relatie met planvoornemen Gelet op de bovenstaande toetsing en het feit dat het enkel een tijdelijke huisvesting voor Oekraïense ontheemden betreft, is er geen sprake van strijdigheid met de Omgevingsvisie Overijssel. Eventuele beleidskeuzes, ontwikkelperspectieven of gebiedskenmerken worden door de tijdelijke ontwikkeling niet aangetast.

4.2.2

Provinciale Omgevingsverordening Overijssel

Op 1 november 2024 is de Omgevingsverordening Provincie Overijssel in werking getreden. Deze verordening is met het oog op de rode draden van het provinciaal omgevingsbeleid (duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en gezondheid) gericht op: - ontwikkeling van een goed woon- en leefklimaat, nu en in de toekomst; - ontwikkeling van een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie met flexibele vestigingsmogelijkheden; - beschermen en ontwikkeling van een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen; - versterking van de complementariteit van stad en platteland als ruimtelijk, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel; - bieden van veilige, betrouwbare en vlotte ketenreizen voor personen en goederen van en naar stedelijke netwerken binnen en buiten Overijssel; - watersystemen van een goede ecologische kwaliteit die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn; - veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen; - betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen; en - balans tussen gebruik en bescherming van de ondergrond. De relevante gebiedsaanwijzingen, beperkingengebieden en omgevingswaarden die behoren bij de Omgevingsverordening Overijssel zijn weergegeven in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het DSO is geraadpleegd.

Op basis van het DSO zijn onderstaande gebiedsaanwijzingen van toepassing op de projectlocatie. Per aanwijzing wordt geanalyseerd of deze van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling en of deze mogelijk beperkingen oplevert (zie tabel 4.1).

17 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Tabel 4.1 Aanduidingen in provinciale omgevingsverordeningen en de relatie met de voorgenomen ontwikkeling Gebiedsaanwijzing

Inhoud gebiedsaanwijzing en relatie met de voorgenomen ontwikkeling

bakens in de tijd

deze gebiedsaanwijzing onderscheidt gebieden van diverse aard uit verschillende perioden van de wordingsgeschiedenis van Overijssel. Ten behoeve van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd zodat bakens uit de tijd niet zomaar verstoord worden. De aanwijzing is daarom geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling

beekdalen en natte laagtes

deze gebiedsaanwijzing onderscheidt in de Catalogus Gebiedskenmerken onder natuurlijke laag het gebied ‘beekdalen en natte laagtes’. In de omgevingsverordening Overijssel zijn geen voorwaarden voor dit gebiedskenmerk opgenomen. De aanwijzing is niet relevant voor de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling

informele trage netwerk

deze gebiedsaanwijzing wijst het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie aan. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen permanente wijzigingen gedaan aan dit netwerk. De aanwijzing is niet relevant voor de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling

nieuwe recreatiewoningen

deze gebiedsaanwijzing omvat regels voor het realiseren van nieuwe recreatiewoningen onder bepaalde voorwaarden. In dit planvoornemen worden geen nieuwe recreatiewoningen gerealiseerd. De aanwijzing is niet relevant voor de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling

recreatieve routes en vaarwegen

deze gebiedsaanwijzing ziet op het opzetten van gebiedsgerichte ketens van recreatieve routes en vaarwegen. Het planvoornemen betreft geen (permanente) wijzigingen in deze routes of vaarwegen. De aanwijzing is niet relevant voor de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling

stads- en dorpsranden

deze gebiedsaanwijzing geeft aan dat sprake is van twee elkaar overlappende invloedssferen in het landschap. De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling die niet resulteert in een aantasting van het landschap. De aanwijzing is niet relevant voor de realisatie van de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling

Relatie met planvoornemen Gelet op de bovenstaande toetsing en het feit dat de voorgenomen ontwikkeling alleen de tijdelijke huisvesting voor Oekraïense ontheemden betreft, is er geen sprake van strijdigheid met de Omgevingsverordening Overijssel. Eventuele beleidskeuzes, ontwikkelperspectieven of gebiedskenmerken worden door de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet aangetast.

4.3

Waterschapsverordening

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet zorg worden gedragen voor de waterbelangen. Door middel van een watertoets wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst wat de gevolgen zijn op het waterhuishouden. Onder de Omgevingswet blijft dit proces bestaan, maar dan onder de noemer ‘weging van het waterbelang’. Per waterbeheerder kan het verschillen welke elementen van belang zijn om te toetsen. De beoogde projectlocatie ligt in het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen.

4.3.1

Waterschapsverordening waterschap Vechtstromen

De Waterschapsverordening waterschap Vechtstromen bevat regels voor activiteiten die in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De Waterschapsverordening onderscheidt de volgende drie activiteiten: - beperkingengebied-activiteiten met betrekking tot waterstaatwerken; - lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk; - wateronttrekkingsactiviteiten.

18 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Voor activiteiten kan een zorg-, meld-, of vergunningsplicht gelden. Daarnaast kan het waterschap een maatwerkvoorschrift opleggen voor het uitvoeren van activiteiten. De betreffende vergunningen en/of meldingen zullen in een separate aanvraag worden ingediend bij het waterschap en maken geen onderdeel uit van de BOPA-procedure. Relatie met planvoornemen Het plangebied bevindt zich in het beheergebied van het waterschap Vechtstromen. In hoofdstuk 5.14 van dit rapport volgt de weging van het waterbelang en wordt ingegaan op de effecten op de waterhuishoudkundige situatie. Hier worden geen belemmeringen voorzien.

4.4

Gemeentelijkbeleid

4.4.1

Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040

De Omgevingsvisie is vastgesteld op 29 september 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Almelo. In de Omgevingsvisie staat hoe de omgeving binnen de gemeente Almelo zich tot nu toe heeft gevormd en wat de visie is voor de toekomst. Voor de Omgevingsvisie is de gemeente Almelo verdeeld in vier gebieden: het buitengebied, de bedrijventerreinen, de wijken & dorpen en de binnenstad (zie afbeelding 4.2). Daarnaast zijn er onderwerpen die voor alle gebieden hetzelfde zijn, die los van de gebiedsindeling, in algemeenheid zijn beschreven. De projectlocatie valt onder het gebied ‘het buitengebied’.

Afbeelding 4.2 Indeling deelgebieden Omgevingsvisie Almelo 2020-2040

Het buitengebied van Almelo bestaat uit een geheel aan grafelijke gebieden en landgoederen, het oude cultuurlandschap, het jonge ontginningslandschap, het boerenland en de beroemde groene longen van Almelo, die zich in een vlindervorm om de stad en dorpen uitstrekt. In dit buitengebied genieten mensen

19 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

van rust en stilte, terwijl het tegelijkertijd een onmisbaar leefgebied is voor dieren. Ontwikkelingen die hier plaatsvinden moeten passen bij de Almelose maat en schaal, mogen de bestaande natuur niet aantasten en dienen goed samen te gaan met de (agrarische) bedrijvigheid. Conform de visie worden nieuwe woningen alleen toegevoegd wanneer dit aantoonbaar nodig is en een duidelijke meerwaarde heeft. Te veel bewoning kan het buitengebied op slot zetten voor agrariërs en de rust verstoren. De projectlocatie wordt omringd door het deelgebied ‘Wijken en Dorpen’. De hoofdfunctie van dit gebied is ‘prettig wonen’. Prettig wonen beging met een passende woning. Met de kans om woonwensen te vervullen. De gemeente Almelo wil wijken creëren met gemengde woonmilieus, waar genoeg aanbod is voor elke doelgroep. De bestaande woonvoorraad heeft relatief veel sociale woningbouw en koopwoningen in het hoge(re) segment. Dit wordt meer in balans gebracht door bij herstructurering op woningen in het middensegment in te zetten. Verder wil de gemeente de bestaande woningvoorraad zo slim mogelijk benutten en daarmee aansluiten op de ontwikkeling van de bevolking. Dat betekent onder meer: - de benodigde verscheidenheid aanbrengen door herstructureren van panden en gebieden; - de (minimale hoeveelheid) nieuwbouw ontwikkelen in bestaande wijken (inbreiding, geen uitbreiding).

Relatie met planvoornemen De voorgenomen ontwikkeling resulteert niet in een verstoring van het buitengebied. De beoogde huisvesting is een plek waar ontheemde Oekraïners kunnen verblijven, de noodzaak voor zo een plek in Almelo is groot en heeft een duidelijke meerwaarde. Daarmee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Almelo.

4.4.2

Woonvisie Almelo 2020-2030

De woonvisie van de gemeente Almelo gaat over wonen in Almelo en de vele onderwerpen die daarmee samenhangen, zoals demografische ontwikkelingen, de bevolkingssamenstelling, de zorgvraag omtrent wonen, de kwaliteit van de woningvoorraad en verduurzaming. Met de visie wordt 15 jaar vooruit gekeken. Op basis van de prognose, historische en huidige woonsituatie zijn de belangrijkste ambities bepaald. Almelo wil een sterke centrumgemeente zijn en blijven, met een regiofunctie voor Noordwest-Twente. Om dat op woongebied te realiseren zijn drie grote ambities geformuleerd. De gemeente streeft naar: 1 een flexibele woningvoorraad: · de verwachte groei van de gemeente mogelijk maken en alvast voorbereid zijn op de (op termijn) te verwachten krimp; · onderscheidende nieuwbouw realiseren en een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor jongeren en jonge gezinnen; · inbreiding verkiezen boven uitbreiding; · een vitale, aantrekkelijke binnenstad creëren; · de kernen Aadorp en Bornerbroek de ruimte geven om aan de vraag naar nieuwbouw tegemoet te komen; 2 een evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad: · het aandeel koop- en huurwoningen meer in evenwicht brengen, en de sociale woningbouw beter over onze (en omliggende) gemeente(n) verdelen; · de woonvoorzieningen voor kwetsbare groepen beter over onze (en omliggende) gemeenten verdelen; 3 een toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad:

· zorgen dat (oudere) inwoners een fijne woonomgeving krijgen/behouden, in nabijheid van anderen en met voorzieningen binnen bereik; · bestaande en nieuwe woningen levensloopgeschikt maken; · een betaalbare en duurzame energievoorziening bereikbaar maken voor iedereen en bestaande woningen voor 2050 aardgasvrij maken. De woningvoorraad kan tot 2035 nog met ruim 1.600 woningen groeien en die groei zal vooral bestaan uit koopwoningen. In dit segment is er meer vraag naar eengezinswoningen dan naar meergezinswoningen

20 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

(niet-grondgebonden/appartementen). In de huursector is het de opgave om meergezinswoningen toe te voegen. Per saldo neemt het sociale huursegment in omvang af. Opgemerkt wordt dat deze gemeentelijke Woonvisie (nog) niet is aangepast aan de bijgestelde ambitie zoals vastgelegd in de Regionale Woonagenda Twente. Daarin zijn immers afspraken gemaakt dat binnen de gemeente Almelo tot 2030 in een woningbehoefte van meer dan 2.000 woningen extra zal voorzien. Relatie met planvoornemen De gemeente Almelo richt zich op een flexibele, evenwichtige, gevarieerde, toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad. De beoogde tijdelijke huisvesting voor Oekraïense ontheemden sluit aan op deze beleidslijnen uit de woonvisie.

21 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het beginsel van de Omgevingswet, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van deze BOPA aangetoond. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - milieueffectrapportage; - ladder voor duurzame verstedelijking; - duurzaamheid & gezondheid; - verkeer en parkeren; - flora en fauna; - luchtkwaliteit; - geluid; - geur; - omgevingsveiligheid; - trilling; - archeologie en cultuurhistorie; - bodemkwaliteit; - ontplofbare oorlogsresten; - weging van het waterbelang; - activiteiten en milieuzonering; - lichthinder; - (sociale) veiligheid.

5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1

Toetsingskader

Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is toetsen aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan.

22 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

5.1.2

Resultaten

De huisvesting voor Oekraïense ontheemden staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit jurisprudentie is gebleken dat in specifieke gevallen het vestigen van een tijdelijke opvang kan worden gezien als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit hangt echter af van de aard en omvang van de plaatselijke situatie. In onderhavige situatie is sprake van een tijdelijke gemeentelijke opvang met een omvang van 450 personen, in 57 modulaire woningen, voor een periode van 15 jaar (tot uiterlijk 31 december 2041). Uit de jurisprudentie volgt niet duidelijk of de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling wordt aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. Zekerheidshalve wordt daarom een m.e.r.-beoordeling opgesteld. PM de m.e.r.-beoordeling wordt opgesteld wanneer alle onderzoeksresultaten uit de milieuonderzoeken gereed zijn.

5.1.3

Conclusie

PM de m.e.r.-beoordeling wordt opgesteld wanneer alle onderzoeksresultaten uit de milieuonderzoeken gereed zijn. Op voorhand wordt niet verwacht dat de m.e.r.-beoordeling een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.

5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.2.1

Toetsingskader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

5.2.2

Resultaten

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het realiseren van een huisvesting voor Oekraïense ontheemden wordt niet benoemd in artikel 5.129g van het Bkl. Uit jurisprudentie is gebleken dat huisvesting voor Oekraïense ontheemden mogelijkerwijs gezien kan worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit is voornamelijk afhankelijk van de duur van de opvang en de omvang van het aantal op te vangen personen. De voorgenomen ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ontwikkeling of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling als genoemd in artikel 5.129g van het Bkl, aangezien sprake is van een tijdelijke ontwikkeling.

23 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

5.2.3

Conclusie

De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling voorziet niet in een substantiële ontwikkeling waardoor geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee hoeft de laddertoets niet uitgevoerd te worden.

5.3

Gezondheid en duurzaamheid

5.3.1

Toetsingskader

Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid, bij een BOPA-aanvraag, is sterk afhankelijk van het beleid van de gemeente. Er is geen algemeen toetsingskader, per gemeente moet er vastgesteld worden, ten eerste, of er getoetst dient te worden en ten tweede, hoe getoetst dient te worden. Voor duurzaamheid dient hoofdzakelijk gekeken te worden naar de te treffen energiebesparende maatregelen, zo horen alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar te worden getroffen. In het huidige tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Almelo zijn nog geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema gezondheid. In het omgevingsplan van de gemeente Almelo zijn wel regels opgenomen met betrekking tot overbewoning van woonruimte. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van bewoners dient een woning niet bewoond te worden door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte (artikel 22.16).

5.3.2

Resultaten

In het huidige tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Almelo zijn nog geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema duurzaamheid en gezondheid. In dit rapport zijn echter alle relevante milieuaspecten bekeken die een impact kunnen hebben op de aspecten duurzaamheid en gezondheid. De resultaten hiervan zijn in onderhavig hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieuaspecten geen belemmering naar voren komt. Voor het thema gezondheid geldt dat de verblijfsplekken minimaal 12 m 2 gebruiksoppervlak dienen te hebben per persoon om overbewoning tegen te gaan. Hieraan wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voldaan.

5.3.3

Conclusie

Het aspect duurzaamheid & gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Verkeer en parkeren

Bij het aspect verkeer en parkeren wordt gekeken naar de huidige verkeersituatie in de nabijheid en ontsluiting van de projectlocatie. Verder wordt gekeken naar de verkeersaantrekkende werking van een huisvesting voor Oekraïense ontheemden in relatie tot de afwikkeling van het verkeer en de verkeersveiligheid. Tot slot wordt het aspect parkeren behandeld.

24 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

5.4.1

Toetsingskader

PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Nadere uitwerking van het thema verkeer en parkeren volgt. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld.

5.4.2

Resultaten

PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Nadere uitwerking van het thema verkeer en parkeren volgt. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld.

5.4.3

Conclusie

PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Nadere uitwerking van het thema verkeer en parkeren volgt. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Op voorhand wordt niet verwacht dat dit aspect een belemmering vormt voor de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling.

5.5

Natuur

In deze paragraaf wordt ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de beoogde huisvesting voor Oekraïense ontheemden vanuit het oogpunt van flora en fauna.

5.5.1

Toetsingskader

Gebiedsbescherming Onder de Omgevingswet maakt natuur onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Hierdoor valt natuur(bescherming) onder de reikwijdte van de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. De instrumenten zien op Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en aangewezen bijzondere natuurgebieden, landschappen en parken (artikel 2.44 Ow). Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Door middel van Natura 2000-gebieden worden plant- en diersoorten die in Europa bedreigd zijn en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve onder andere de begrenzing van het gebied, opgenomen voor welke habitattypen en soorten het gebied is aangewezen en welke doelen hiervoor gelden. Op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e van de Omgevingswet (Ow) is een omgevingsvergunning vereist voor een ‘Natura 2000-activiteit’.

Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als een ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied1. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als gevolg van de formulering zijn activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied niet vergunningplichtig. Daarnaast benoemt

25 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

hoofdstuk 11 van het Bal enkele gevallen die een vrijstelling van de vergunningplicht kunnen inhouden (bijvoorbeeld in een omgevingsverordening, ministeriële regeling of programma). Op grond van artikel 8.74b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit een passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen (zoals extern salderen). Als de vereiste zekerheid dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten niet is verkregen, dan kan op grond van artikel 8.74b lid 2 Bkl een omgevingsvergunning alleen nog worden verleend, als: - er geen alternatieve oplossingen zijn; - het project nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en, - de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de Natura 2000activiteit.

Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, is verplicht: - alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en, - als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wat deze zorgplicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.6 lid 2 Bal. Stikstofdepositie Voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moeten worden in de vergunningverlening. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator.

Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied1. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; 1

Artikel 5.1 Omgevingswet.

2

Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.

26 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

·

C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft1.

Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, gericht op de bescherming, instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: - de aanwezige dier- en plantensoorten; - typen natuurlijke habitats; - leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Afdeling 7.3 Bkl bevat instructieregels voor de Omgevingsverordening die de provincie verplichten tot: - het aanwijzen van NNN-gebieden; - het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden in deze gebieden; en, - het stellen van regels (over regels in omgevingsplannen en projectbesluiten), in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNNgebieden. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Soortenbescherming is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten. Een flora- en faunaactiviteit wordt gedefinieerd als een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’1. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde soorten.

Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt beschermde soorten of habitats voorkomen. Dit gebeurt door middel van een quickscan. Als blijkt dat er mogelijk beschermde soorten op de planlocatie aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Door middel van het vervolgonderzoek moet duidelijk worden waar welke soorten voorkomen, of er sprake is van belangrijke leefgebiedsfuncties (voortplantings- of vaste rust- en/of verblijfplaatsen) en moeten de effecten van het voornemen in beeld worden gebracht. Hierbij dient te worden bezien of er een verbodsbepaling wordt overtreden door de betreffende ingreep.

1

Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.

27 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Op basis van art. 5.1 lid 2 onder g Ow is een flora- en fauna-activiteit vergunningplichtig voor zover deze als dusdanig is aangewezen op basis van hoofdstuk 11 van het Bal. Hoewel de betreffende artikelen en kaders afhankelijk zijn van de specifieke soorten die betrokken zijn bij de betreffende activiteit, komt het toetsingskader op voor alle soorten op hoofdlijnen grotendeels overeen. Om een omgevingsvergunning te verkrijgen dient op hoofdlijnen te worden voldaan aan drie criteria: - er bestaan geen andere bevredigende oplossingen dan de betrokken activiteit; - de activiteit is nodig in het kader van een van de in de wet genoemde redenen (bijvoorbeeld de - volksgezondheid of openbare veiligheid); - de voorgenomen activiteit leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding. Naast de vergunningplicht kent de Omgevingswet ook een specifieke zorgplicht voor de flora- en faunaactiviteit.

Iemand die weet of kan weten dat een activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor natuurbescherming, moet: - alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en, - als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wat deze plicht in ieder geval inhoudt is nader uitgewerkt in artikel 11.27 lid 2 Bal. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is onderdeel van de Omgevingswet. Houtopstanden worden in de Omgevingswet gedefinieerd als een ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend’. De regels uit de Omgevingswet gelden als er sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Onder vellen wordt verstaan het ‘rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben’. Op grond van artikel 11.126 Bal is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Bij vellen hoort tevens een herbeplantingsplicht. Daarnaast kan de gemeente in het omgevingsplan regels opnemen voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap.

De gemeente kan ook regels stellen over houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap, als het andere doelen dient dan de doelen uit de Omgevingswet. Bijvoorbeeld ten behoeve van behoud van cultureel erfgoed of veiligheid of als er geen rijksregels over zijn, zoals het aanplanten van houtopstanden zonder dat daarvoor een houtopstand is geveld.

5.5.2

Resultaten

Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen 15 km van de projectlocatie bevinden zich verschillende Natura 2000-gebieden, dit is weergegeven op afbeelding 5.1.

28 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Afbeelding 5.1 Natura 2000-gebieden nabij projectlocatie

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn: - Engbertsdijksvenen, op 7,1 km afstand van de projectlocatie; - Wierdense Veld, op 8,8 km afstand van de projectlocatie; - Springendal & Dal van de Mosbeek, op 12,3 km afstand van de projectlocatie; - Sallandse Heuvelrug, op 14,0 km afstand van de projectlocatie; - Borkeld, op 14,1 km afstand van de projectlocatie; - Lemselermaten, op 14,1 km afstand van de projectlocatie; - Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, op 14,6 km afstand van de projectlocatie. Omdat de Natura 2000-gebieden op relatief grote afstand van de projectlocatie liggen is van fysieke effecten als oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Ook negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verstoring door licht (’s avonds en ’s nachts werken), geluid en trillingen zijn uitgesloten op basis van de relatief grote tussenliggende afstand. Van negatieve indirecte effecten door de werkzaamheden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is eveneens geen sprake. Vanwege de afstand en de aard van het initiatief worden negatieve gevolgen op Natura 2000-gebied(en) op voorhand uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de direct nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen percelen behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de provincie Overijssel.

Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 4,6 km afstand van de projectlocatie, dit is weergegeven op Afbeelding 5.2. Omdat de projectlocatie geen overlap heeft met NNN, is aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang van het NNN op voorhand uitgesloten.

29 | 50

Witteveen+Bos | 148655_26-000.756 | Concept 01

Afbeelding 5.2 NNN nabij projectlocatie

Stikstofdepositie PM Voorliggende GoFlo maakt onderdeel uit van de conceptvergunningaanvraag in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Een onderzoek naar stikstofdepositie (AERIUS-berekening) wordt uitgevoerd. Het plan gaat voldoen aan de wettelijke eisen en normen die worden gesteld. Soortenbescherming Quickscan Sweco heeft in opdracht van de gemeente Almelo een quickscan flora en fauna uitgevoerd, het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage I van voorliggend rapport. Het onderzoek heeft in kaart gebracht welke planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling. Uit de quickscan is gebleken dat aanvullend onderzoek naar de steenuil en kerkuil noodzakelijk is op basis van de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend onderzoek steenuil en kerkuil Een aanvullend onderzoek naar de steenuil en kerkuil is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan. Het volledige aanvullende onderzoek is opgenomen in bijlage II van voorliggend rapport. Uit het verrichte onderzoek is gebleken dat er geen steenuilen en kerkuilen aanwezig zijn op de projectlocatie en in de directe omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=1699b362-df47-47a8-820d-2c5837a6c279