8.1 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Noorderes - Bijlage - Bestemmingsplan Noorderes.pdf
Tekst van het document
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
15
NL.IMRO.0141.00097-BP31
2.
3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken dient beperkt te blijven tot een ruimte (of ruimten) met een maximum totale bruto-vloeroppervlakte van 25% van de bruto-vloeroppervlakte van de woning en de vrijstaande bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m²; het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken mag niet bestaan uit detailhandel (met uitzondering van kapsalons) en/of horeca en/of kinderopvang en/of prostitutie; er dient een directe relatie te bestaan tussen het aan huis verbonden (en uit te oefenen) beroep of bedrijf en de (hoofd)bewoner(s) van de woning; de uitoefening van het aan huis verbonden beroep of bedrijf mag (naar verwachting) geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren of afbreuk doen aan de beleving van de woonomgeving; de uitoefening van het aan huis verbonden beroep of bedrijf mag er niet toe leiden dat er (naar verwachting) een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte ontstaat; de bebouwingskarakteristiek van de straat en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast; er wordt geen blijvende onevenredige afbreuk gedaan aan de stedenbouwkundige structuur en/of de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied; er mogen geen verkeersonveilige situaties ontstaan.
6.6 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.5 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
16
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 7 Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.
7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen geen gebouwen worden gebouwd. 7.2.2 Overige bouwwerken In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen geen overige bouwwerken worden gebouwd.
7.3 Afwijken van de bouwregels a.
b.
c.
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2 ten aanzien van het bouwen van bouwwerken en toestaan dat op of in deze gronden een bij de andere bestemming toelaatbaar bouwwerk wordt gebouwd, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Een omgevingsvergunning, zoals in lid a bedoeld, is niet vereist, indien: 1. Op basis van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; 2. Het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut; 3. Het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 5000 m² en minder diep steekt dan 0,40 meter. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Verbod a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter en met een oppervlakte groter dan 5000 m², waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het aanleggen van straten, parkeerplaatsen en overige infrastructuur alsmede het (ver)graven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; 2. het verlagen van het waterpeil; 3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; 4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en andere detectieapparatuur) gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
17
NL.IMRO.0141.00097-BP31
b.
De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
7.4.2 Uitzonderingen op het verbod Het verbod, zoals in 7.4.1 bedoeld, is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn; c. de werken en werkzaamheden: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; 3. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
18
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Hoofdstuk 3 Algemene regels
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
19
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
20
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 9 Algemene gebruiksregels Het is verboden: a. opstallen – of delen ervan – en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming; b. voor zover dit niet door de bestemming expliciet is toegestaan, gronden en opstallen te gebruiken ten behoeve van horeca, prostitutie en/of als seksinrichting.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
21
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Algemene ondergeschikte afwijkingen Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straaten bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen voor het bestemmingsplan: a. voor afwijkingen ten aanzien van de in het bestemmingsplan gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. voor het oprichten van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, telefooncellen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, voor zover deze bouwwerken geen grotere hoogte dan 3,5 meter hebben en geen grotere inhoud hebben dan 60 m3; c. het plaatsen van mobiele verkooppunten; d. ten aanzien van ondergeschikte punten met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen in het terrein en aan het beloop van bepaalde gegevenheden, met dien verstande dat de structuur van het bestemmingsplan niet wordt aangetast, dat belangen van derden niet in redelijkheid worden geschaad en de vergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het bestemmingsplan; e.
voor het oprichten van voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van telecommunicatiesignalen, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 meter voor antennes voor privégebruik en maximaal 40 meter voor antennes voor gemeenschappelijk gebruik.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
22
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 11 Algemene procedureregels Bij het stellen van nadere eisen die onderdeel uitmaken van de regels van dit bestemmingsplan worden de navolgende procedureregels in acht genomen: a. b. c. d. e.
het ontwerpbesluit ligt gedurende twee weken ter inzage; burgemeester en wethouders geven van tevoren kennis van de terinzagelegging in een of meer dag- of nieuwsbladen en voorts op de gebruikelijke wijze (publicatie kennisgeving in de Staatscourant en elektronische publicatie kennisgeving); de kennisgeving houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden tot het schriftelijk kenbaar maken van zienswijzen bij burgemeester en wethouders tegen het ontwerpbesluit, gedurende de hiervoor onder a. genoemde termijn; indien tegen het ontwerpbesluit zienswijzen kenbaar zijn gemaakt, wordt het besluit met redenen omkleed; burgemeester en wethouders delen aan hen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt de beslissing daaromtrent mede.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
23
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 12 Overige regels 12.1 Parkeren a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van motorvoertuigen in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de beleidsnota Parkeerbeleidsplan Gemeente Almelo 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018' en 'Beleidsregel Parkeernormen Almelo', zoals door het college vastgesteld op 11 december 2018. Als deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd (herzien, aangevuld of nader uitgewerkt), treedt diens rechtsopvolger hiervoor in de plaats. b. De ruimte voor het parkeren van de motorvoertuigen moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare motorvoertuigen. De afmetingen van de bedoelde parkeerruimte voor personenauto's bedragen: - bij haaks parkeren: minimaal 5 meter lang en minimaal 2,5 meter breed. - bij langs parkeren: minimaal 5,5 meter lang en minimaal 2,0 meter breed.
12.1.1 Laden en lossen Als het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk voldoende wordt voorzien in die behoefte. 12.1.2 Afwijkingsregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12.1: 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. 2. De vergunning als bedoeld in lid 12.1 onder a. kan slechts verleend worden, indien: 1. het woon- en leefklimaat in de directe omgeving niet onevenredig wordt aangetast; en de parkeersituatie in de openbare ruimte niet onevenredig wordt aangetast. 12.1.3 Strijdig gebruik Tot strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken met een parkeerbehoefte dan wel een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien overeenkomstig het gestelde onder de artikelen 12.1 en 12.1.1.
12.2 Berging, vasthouden en afvoer van water a.
b.
c.
Hemelwater afkomstig van bebouwing en overig verhard oppervlak op een bouwperceel dient op het bij die bebouwing en overig verhard oppervlak behorende onbebouwde en onverharde terrein te worden geborgen of geïnfiltreerd in de bodem. Als voorwaarde geldt hierbij een waterberging van minimaal : 1. 20 mm waterberging per m2 bestaand verhard opervlak; en 2. 40 mm waterberging per m2 nieuw verhard oppervlak. Het bepaalde onder a is niet van toepassing voor bouwpercelen met bestaande bebouwing en terreinverharding, waar op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan reeds op een andere wijze uitvoering wordt gegeven aan het bergen of infiltreren van hemelwater dat van die bestaande bebouwing en terreinverharding afkomstig is. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder b en alsnog het bepaalde onder a geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren indien door gebruikmaking van de daartoe in dit plan opgenomen mogelijkheden het bebouwde en verharde oppervlak wordt vergroot. vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
24
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
25
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
13.2 Afwijking Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 13.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 13.1 met maximaal 10%.
13.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Lid 13.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
13.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 13.4 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
13.6 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in lid 13.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
13.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 13.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
26
NL.IMRO.0141.00097-BP31
Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Noorderes NL.IMRO.0141.00097-BP31 van de gemeente Almelo. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van (datum):
De griffier,
De voorzitter,
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
27
NL.IMRO.0141.00097-BP31
vastgesteld Bestemmingsplan Noorderes
28
B_1 1 980
B_1 1 978
B_1 1 972
B_1 1 970
LEGENDA 56
B_1 1 977
54
B_1 1 985
52
975 1 B_1
B_1 1 971
B_1 1 967
50
983 1 B_1
48
981 1 B_1
46
979 1 B_1
B_12333
44
973 1 B_1
42
B_1 1 969
B_12329
Plangebied
Bouwvlak
B_12337
Plangebiedgrens
bouwvlak
B_12336
Noorderes
B_12335
Bestemmingen
B_12326
13
15
G
17
B_12339
B_9606
B_9603
WR-AVM
B_9602
T B_9604
B_12330
11
9
B_9605
B_ 1 23 32
7
V
Maatvoeringaanduidingen
Groen
maatvoeringsvlak
Tuin
B
maximum bouwhoogte (m)
Verkeer
E
maximum aantal wooneenheden
V W
B_12334
5
B_9607
W 4
G
Ligging plangebied
Wonen
Vriezenveen
3
B_9608
B_12328
Harbrinkhoek
1
B_961 4
B_12338
B_961 2
B_961 1
(sw-bke)
WR-AVM
Waarde Archeologische verwachting middelhoog
Wierden
Functieaanduidingen B_961 0
B_12327
50
52
54
56
58
60
(sw-bke)
specifieke vorm van wonen beeldkwaliteitseisen
Zenderen
A35
T
B_10443 B_10441
Bornerbroek
2
A1
B_9838 25
27
29
31
Ligging plangebied
B_9766
B_9627
B_12324
B_9628
Ruimtelijk plan
B_9839
4d
Mariaparochie
Aadorp
B_961 3
B_12331
Dubbelbestemmingen
B_9609
6
Blad van Blad 1/1
NL.IMRO.0141. 00097-BP31
G em eente
A Im elo
Bestemmingsplan Noorderes Vastgesteld door Gemeenteraad / B&W d.d. Datum
2021-03-25
Modelnaam
A3verb 1-500
Schaal
1:500
Status
VASTGESTELD
Formaat
A3
Getekend
G.J. Seinen
Bestandnaam
G:\ApplData\Roplan3\Plan\8E197BAC-46C5-4654-ADD3-25F16978E177\Dgn\NL.IMRO.0141.00097-BP31.dgn
23
VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740 EN NEN 5707 Locatie aan de Noorderes in Almelo (BOD-2355)
ORTAGEO Noordoost B.V.
ORTAGEO Zuidoost B.V.
ORTAGEO West B.V.
ORTAGEO Asbest B.V.
TITELBLAD
Opdrachtgever:
Gemeente Almelo Postbus 5100 7600 GC Almelo
Rapportnummer:
213264/R01
Status rapport:
Definitief
Datum:
17 september 2020
Projectomschrijving:
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 en NEN 5707 locatie aan de Noorderes in Almelo (BOD-2355)
Rapport opgesteld door:
Ortageo Noordoost B.V. Einsteinstraat 12a 7601 PR Almelo Tel: +31 546 53 20 74 E-mail: info@ortageo.nl
STD_R070_v013_20181207
INHOUDSOPGAVE 1 2
Inleiding ........................................................................................................................................................... 1 Vooronderzoek ................................................................................................................................................ 2 2.1 Bronnen .................................................................................................................................................... 2 2.2 Algemene gegevens................................................................................................................................. 2 2.3 Bodemgebruik .......................................................................................................................................... 3 2.4 Uitgevoerde bodemonderzoeken en sanering .......................................................................................... 4 2.5 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................................. 4 3 Hypothese en onderzoeksstrategie ............................................................................................................... 6 3.1 Hypothese ................................................................................................................................................
6 3.2 Onderzoeksstrategie ................................................................................................................................ 6 4 Veldwerkzaamheden ....................................................................................................................................... 7 4.1 Opzet ........................................................................................................................................................ 7 4.2 Resultaten ................................................................................................................................................ 8 5 Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................................... 10 5.1 Analyseprogramma ................................................................................................................................ 10 5.2 Analyseresultaten ................................................................................................................................... 11 5.2.1 Chemische parameters ......................................................................................................................
11 5.2.2 Asbest ................................................................................................................................................ 12 5.3 Toetsing aan de gestelde hypothesen .................................................................................................... 12 5.4 Toetsing aan de noodzaak tot nader onderzoek .................................................................................... 12 5.5 Voorlopige veiligheidsklassen ................................................................................................................ 13 6 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen ............................................................................................. 14 Bijlagen: 1) Regionale ligging onderzoekslocatie 2) Situatietekening met onderzoekspunten 3) Bodemprofielbeschrijvingen 4) Analysecertificaten 5) Overschrijdingstabellen 6) Gegevens vooronderzoek 7) Foto's Appendix Kader en verantwoording
213264/R01
1
INLEIDING
In opdracht van gemeente Almelo is door Ortageo Noordoost B.V. een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd op een locatie aan de Noorderes in Almelo. De aanleiding voor het onderzoek is voorgenomen verkoop en ontwikkeling van de locatie. Het onderzoek dient tevens voor bestemmingswijziging en eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw). Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of er door een eventuele bodemverontreiniging consequenties zijn voor de voorgenomen transactie en voor het voorgenomen gebruik (wonen). In dit rapport worden de resultaten van het vooronderzoek weergegeven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 zijn de hypothese en de onderzoekstrategie beschreven. De veldwerkzaamheden zijn in hoofdstuk 4 en het laboratoriumonderzoek is in hoofdstuk 5 beschreven. Het rapport wordt besloten met een samenvatting, de conclusies en de aanbevelingen (hoofdstuk 6). In de appendix zijn de verschillende kaders van het onderzoek beschreven (waaronder wet-/regelgeving en toetsingskader) en is de verantwoording opgenomen.
213264/R01
1/15
2
VOORONDERZOEK
Voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd. Doel van het vooronderzoek is het achterhalen van (potentieel) bodemverontreinigende activiteiten die nu plaatsvinden of in het verleden hebben plaatsgevonden op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
2.1
Bronnen
In onderstaande tabel zijn de in het kader van het vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergeven. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Nr.
Bron
Verwijzing/toelichting
1
Topografische kaart, kadastrale gegevens
Kadaster, opgenomen in bijlage 1
2
Gemeente Almelo
Verwerkt in dit hoofdstuk
Internetbronnen: A. Actuele luchtfoto’s en straatoverzichten
www.google.nl/maps
B. Historische topografische kaarten
www.topotijdreis.nl
C. TNO-NITG (gegevens bodemopbouw / grondwater)
www.dinoloket.nl
D. Bodemloket (dossiervermelding onderzoek / sanering)
www.bodemloket.nl
E. Digitaal gemeentelijk bodeminformatiesysteem
almelo.omgevingsrapportage.nl/
F. Ligging kabels en leidingen
www.klic-online.nl
G. Informatie hoogteligging
www.ahn.nl
H. Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)
bagviewer.kadaster.nl
4
Locatiebezoek, foto's onderzoekslocatie
Gecombineerd met uitvoering veldwerk en verwerkt in dit hoofdstuk
5
Eigen archief Ortageo
Verwerkt in dit hoofdstuk
3
Relevante documenten:
6
2.2
A. Briefrapportage grondwatermonitoring 2004 J&I ten Cate te Almelo
Kenmerk ON-H 20041419 d.d. 2 juli 2004, DHV
B. Evaluatie bodemsanering fase II, perceel D locatie J&I ten Cate Sluiskade ZZ/Winkelsteeg fase II te Almelo
Kenmerk 26241 d.d. 29 september 2004, Lankelma Geotechniek Almelo B.V.
C. Evaluatie bodemsanering locatie J&I ten Cate Sluiskade ZZ/Winkelsteeg fase II, Winkelsteeg 4a (perceel E) te Almelo
Kenmerk PKU/VN-26241E d.d. 22 december 2005, Lankelma Geotechniek Almelo B.V.
Algemene gegevens
De algemene gegevens over de locatie zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2: Algemene locatiegegevens Adres
Noorderes in Almelo
Kadastrale aanduiding
Gemeente Almelo, sectie B, nummer 12.324 (ged.) en 12.332
Eigenaar
Gemeente Almelo
Oppervlakte
Circa 2.500 m²
Algemene omschrijving
Grasveld
Bebouwing
Geen
Terreinverharding
Geen
213264/R01
2/15
De situering van de onderzoekslocatie is globaal weergegeven op afbeelding 1 (zwarte stippellijn).
Afbeelding 1: Situering onderzoekslocatie (bron: ArcGis)
2.3
Bodemgebruik
In onderstaande tabel zijn de beschikbare gegevens weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Tabel 3: Beschrijving bodemgebruik Omschrijving
Gebruik
Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties
Onderzoekslocatie Historisch
Agrarisch, vanaf 1935 bebouwing: J&I Ten Cate (ijzergieterij en machinefabriek)
Huidig
Grasveld
Toekomstig
Woningbouw
Vastgestelde bodemverontreinigingen zijn verwijderd (zie paragraaf 2.4). Alleen in de bovengrond nabij zuidelijk terreingrens (Winkelsteeg) is mogelijk sprake van een matige restverontreiniging met lood, zink en PAK. Geen
Directe omgeving Historisch
Woningbouw en industrie
Tankstation, autogarage
Huidig
Woningbouw en openbaar terrein: • Noordelijk: Noorderes • Zuidelijk: Winkelsteeg
Geen
213264/R01
3/15
2.4
Uitgevoerde bodemonderzoeken en sanering
Op de locatie en in de directe omgeving zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken en saneringen uitgevoerd. Tijdens de bodemonderzoeken is visueel stortmateriaal (o.a. puin, slakken, sintels, vormzand en puin) in de bodem aangetroffen. Analytisch zijn in de grond sterk verhoogde gehalten met zware metalen, minerale olie en PAK aangetoond. Daarnaast is ook asbest in de grond aangetoond (bron: 6B). In 2004 is op de onderzoekslocatie een bodemsanering uitgevoerd waarbij de (sterk) verontreinigde grond tot maximaal 0,7 m -mv is ontgraven en afgevoerd. Na uitvoering van de sanering zijn in de controlemonsters van de putbodem geen verontreinigingen aangetoond. In de zuidelijke ontgravingswand (W3, langs de Winkelsteeg) zijn in de bovengrond wel gehalten aan PAK, lood en zink aangetoond boven de tussenwaarde. Daarnaast is een gewogen asbestgehalte van 3,9 mg/kg d.s. aangetoond. Voor aanvulling van de ontgraving is de wand afgedekt met een scheidingsdoek. De situering van de wand is aangegeven op de tekening opgenomen in bijlage 2. De ontgraving is aangevuld met grond afkomstig: • van de locatie die na een indicatieve keuring voldeed om hergebruikt te worden op de locatie: het betreft grond vanuit depots welke destijds waren aangemerkt als depot D2 en D5.
Van de onderzochte stoffen is alleen in partij D2 asbest (16 mg/kg d.s.) aangetoond; • van elders, die geschikt is bevonden voor toepassing op de locatie. De herkomstverklaringen van de grond zijn op te vragen bij de gemeente (zie toelichting in bijlage 6). Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie aan de Sluiskade Zuidzijde is een sterke verontreiniging met vluchtige aromaten en minerale olie aangetoond (circa 75 meter ten noorden van onderzoekslocatie). In de periode tussen 2000 en 2001 is er in verband met nieuwbouw een bemaling toegepast. Deze bemaling heeft waarschijnlijk een sanerende werking gehad op de grondwaterverontreiniging. Uit later uitgevoerde grondwatermonitoringen blijkt dat de verontreiniging niet meer aanwezig is (bron: 6A).
2.5
Bodemopbouw en geohydrologie
De regionale geo(hydro)logische bodemopbouw is weergegeven in de volgende figuur. Figuur 1: Geohydrologisch model gebaseerd op REGIS II.1 (bron 3c) Diepte (m -mv) Lithologie Geologische formatie
Geohydrologische eenheid
0-3,3
Zandige eenheid1
Boxtel
Deklaag
3,3-10,4
Zandige eenheid 3 2
Drente
1ste watervoerend pakket
10,4-12
Zandige eenheid 43
Peize en waalre
1ste scheidende laag
12->
Zandige eenheid 24
Oosterhout
2de scheidende laag
1
hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
2
hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
3
hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
4
hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand en schelpen, met weinig kleiig zand en grof zand en een spoor klei, glauconietzand, grind en kalksteen
213264/R01
4/15
De grondwaterstand van het eerste watervoerende pakket bedraagt regionaal gezien 1,0 à 2,0 m –mv. Regionaal gezien is de stromingsrichting van het freatisch grondwater westelijk. De locatie ligt voor zover bekend niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning of een grondwaterbeschermingsgebied.
213264/R01
5/15
3
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
3.1
Hypothese
Chemische parameters (NEN 5740) Op basis van het historische gebruik van de locatie en de resultaten van in 2004 uitgevoerde sanering is de locatie ‘verdacht’ voor een grondverontreiniging: er worden (met name) in de bovengrond licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK verwacht. Daarnaast bevat het grondwater mogelijk van nature licht verhoogde concentraties aan zware metalen. Asbest (NEN 5707) Op basis van de resultaten van de in 2004 uitgevoerde sanering is een groot deel van de locatie niet verdacht voor (een geval van ernstige) bodemverontreiniging met asbest. Na uitvoering van de sanering is immers grond toegepast met maximaal 16 mg/kg d.s. aan asbest. Een gering deel binnen de onderzoekslocatie is gesitueerd buiten de destijds gesaneerde locatie: het betreft een strook langs de westelijke en zuidelijke locatiegrens. Dit deel van de locatie met een oppervlakte van circa 500 m2 is op basis van het voorkomen van puinresten nog wel als ‘verdacht’ aangemerkt ten aanzien van verontreiniging met asbest in de bodem. Een verontreiniging met asbest is mogelijk diffuus en heterogeen verspreid aanwezig in de puinhoudende (boven)grond.
3.2
Onderzoeksstrategie
Chemische parameters (NEN 5740) Op basis van de hypothese is de locatie conform NEN 5740 onderzocht volgens de strategie voor een ’diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL). Bij de positionering van de boringen is rekening gehouden met de resultaten van de sanering: er zijn boringen verricht ter plaatse van de ontgravingswand (W3) waar destijds matig verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK zijn aangetoond. Om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond is voor de ondergrond deze strategie gecombineerd met de strategie voor een ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL). Dat betekent dat één of meerdere boringen dieper zijn doorgezet en de ondergrond analytisch is onderzocht. Om hierin voldoende representatief inzicht te krijgen zijn alle boringen verricht tot een diepte van minimaal 1,0 m -mv. Omdat de gemeente Almelo inzicht wil verkrijgen in de aanwezigheid van PFAS en omdat eventueel te verzetten of toe te passen grond moet voldoen aan de eisen die het Ministerie stelt aan PFAS, is het laboratoriumonderzoek uitgebreid met PFAS.
Asbest (NEN 5707) Op basis van de hypothese is: • in overeenstemming met de gemeente geen onderzoek naar asbest uitgevoerd ter plaatse van het gesaneerde deel van de locatie; • de strook langs de westelijke en zuidelijke locatiegrens conform NEN 5707 onderzocht volgens de strategie voor een ’verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’. Het onderzoek naar asbest en chemische parameters is gecombineerd uitgevoerd.
213264/R01
6/15
4
VELDWERKZAAMHEDEN
4.1
Opzet
Algemeen In onderstaande tabel zijn de uitvoeringsdata en de verantwoordelijke monsternemers aangegeven voor de verschillende uitvoeringsfasen van het veldonderzoek. De locaties van de onderzoekspunten zijn weergegeven op de tekening in bijlage 2. Tabel 4: Uitvoeringsgegevens Datum
11-08-2020 en 18-08-2020
25-08-2020
Werkzaamheden
Beoordelingsrichtlijn/ protocol
Uitvoeren handboringen, plaatsen peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen grondmonsters en inmeten
2000/2001
Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem
2000/2018
Nemen van grondwatermonsters
2000/2002
Erkende organisatie
Verantwoordelijk medewerker
Ortageo Metingen en Controle B.V.
G.M. Visschedijk en A.H. Vrugteman
Ortageo Metingen en Controle B.V.
P.G.H. Bruggink
Ten behoeve van het onderzoek naar het voorkomen van asbest is een maaiveldinspectie uitgevoerd waarbij het maaiveld van de gehele onderzoekslocatie systematisch is afgezocht op asbestverdacht (plaat)materiaal. De inspectie-efficiëntie is geschat op 70%-90%. De monstername voor onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform specifieke eisen volgens veldwerk-protocol “bemonstering PFAS-verbindingen in grond- en grondwater” vastgesteld door expertisecentrum PFAS (juli 2019). In het veld is de vrijgekomen grond laagsgewijs beoordeeld en beschreven (textuur, kleur, humusgehalte). Daarnaast is gelet op het voorkomen van puin, slakken, kolengruis en dergelijke evenals op kleurafwijkingen, die kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Ook het maaiveld is visueel geïnspecteerd op indicaties die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Ten slotte is visueel specifiek aandacht besteed aan het voorkomen van asbest in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen die tot een aanpassing van het veldwerkprogramma heeft geleid. In de volgende tabel is een overzicht van het uitgevoerde veldwerkprogramma weergegeven. Tabel 5: Overzicht veldwerkprogramma Onderdeel Boringen Boring met peilbuis 1
Proefgaten met boringen 1
Aantal
Diepte (m –mv)
Nummers
10
1,0
01, 02, 05, 07, 08, 10, 11, 12, 13, 14
1
2,0
04
1
2,3 – 3,3
09
5
1,0 à 1,4
03, 06, 15, 16, 17
proefgaten zijn vanaf circa 0,5 m –mv dieper doorgeboord
Op 18 augustus 2020 was de grondwatermonstername gepland. Omdat de peilbuis niet meer aanwezig bleek is deze destijds opnieuw geplaatst en de grondwatermonstername alsnog op 25 augustus 2020 uitgevoerd. Afwijkingen ten opzichte van BRL SIKB 2000 Er is bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden niet afgeweken van de BRL SIKB 2000.
213264/R01
7/15
4.2
Resultaten
In bijlage 3 zijn de uitgetekende bodemprofielen weergegeven. Bodemopbouw In de volgende tabel is weergegeven hoe de bodem tot de maximaal onderzochte diepte is opgebouwd. Opgemerkt wordt dat deze classificatie conform de NEN 5104 voor milieukundig onderzoek is beschreven. Het betreft geen classificatie voor civieltechnische hergebruiksmogelijkheden; hiervoor dienen de boorbeschrijvingen op de juiste wijze geïnterpreteerd te worden en kan (aanvullend) civieltechnisch onderzoek nodig zijn. Tabel 6: Gemiddelde bodemopbouw Diepte (m -mv)
Hoofdbestanddeel
Nadere omschrijving
0,0 – 1,1 à 1,4
Zand
Matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin
1,1 à 1,4 – 3,3
Zand
Matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs
Visueel waargenomen bijzonderheden In de volgende tabel zijn de visueel waargenomen bijzonderheden weergegeven. Tabel 7: Visueel waargenomen bijzonderheden in grond Onderzoekspunt
Einddiepte (m -mv)
Diepte (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
Grondsoort
03
1,0
0,0 - 0,5
Zwak puin- en kolengruishoudend
Zand
04
2,0
0,5 - 1,0
Zwak glashoudend
Zand
05
1,0
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend
Zand
06
1,0
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend
Zand
07
1,0
0,5 - 1,0
Sporen puin
Zand
08
1,0
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend
Zand
0,5 - 1,0
Zwak glashoudend, sporen puin
Zand
10
1,0
0,5 - 1,0
Sporen puin
Zand
11
1,0
0,5 - 1,0
Sporen puin
Zand
12
1,0
0,5 - 1,0
Sporen puin, zwak kolengruishoudend
Zand
13
1,0
0,5 - 1,0
Sporen puin
Zand
14
1,0
0,5 - 1,0
Sporen puin
Zand
15
1,4
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend
Zand
16
1,3
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend
Zand
17
1,3
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend
Zand
In de grond is tot maximaal 1,0 m -mv een lichte tot zwakke bijmenging met puin waargenomen. In de bovengrond zijn deze bijmengingen met name aanwezig buiten de saneringslocatie. Op het deel waar in 2004 de sanering is uitgevoerd zijn de bijmengingen met name in de ondergrond aanwezig: een lichte tot zwakke bijmenging met puin, glas en/of kolengruis. Er zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen op het maaiveld en/of in de bodem.
213264/R01
8/15
Grondwater Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn visueel waarnemingen gedaan en metingen verricht. De resultaten daarvan zijn weergegeven in onderstaande tabel. De zuurgraad en het geleidingsvermogen zijn als normaal te beschouwen voor de onderzochte locatie. Ondanks het lage afpompdebiet overschrijdt de troebelheid de maximaal gewenste waarde van 10 NTU. Als dit consequenties heeft voor de conclusie van het onderzoek, is dit in paragraaf 5.4 beschreven. Tabel 8: Bijzonderheden en resultaten veldmetingen grondwater Peilbuis
Monstercode
Filterstelling (m –mv)
09
2,3 - 3,3
09-1-1
213264/R01
Waargenomen bijzonderheden Geen
Grondwaterstand (m -mv)
Zuurgraad (pH)
Geleidingsvermogen (µs/cm)
Troebelheid (NTU)
1,8
6,6
415
19,3
9/15
5
LABORATORIUMONDERZOEK
5.1
Analyseprogramma
Chemische parameters (NEN 5740) Op basis van de visuele waarnemingen (grondsoort, kleur, aard en hoeveelheid bodemvreemde bijmengingen e.d.) en de ruimtelijke verdeling van de onderzoekspunten zijn grond(meng)monsters samengesteld. In de volgende tabel is een overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters en het uitgevoerde analyseprogramma weergegeven. Opgemerkt wordt dat mengmonster MM03 bestaat uit de bovengrond nabij de zuidelijke ontgravingswand waar tijdens de sanering in 2004 matig verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK zijn geconstateerd. Tabel 9: Samenstelling (meng)monsters en analyseprogramma NEN 5740 Onderdeel
Bovengrond
Ondergrond
Grondwater
Monstercode
Traject (m -mv)
Deelmonsters
Waargenomen bijzonderheden
Analysepakket
MM01
0,0 - 0,5
03-1, 05-1, 08-1
Zwak puin- en kolengruishoudend
Standaardpakket grond1
MM03
0,0 - 0,5
15-1, 16-1, 17-1
Zwak puinhoudend,
Standaardpakket grond + PFAS2
MM04
0,0 - 0,5
01-1, 04-1, 07-1, 10-1, 12-1
Geen
Standaardpakket grond + PFAS
MM02
0,5 - 1,0
07-2, 10-2, 13-2, 14-2
Sporen puin
Standaardpakket grond
MM05
0,5 - 1,0
01-2, 02-2, 06-2, 09-2, 17-2
Geen
Standaardpakket grond + PFAS
12-2
0,5 - 1,0
12-2
Sporen puin, zwak kolengruishoudend
Standaardpakket grond
09-1-1
2,3 - 3,3
09-1-1
Geen
Standaardpakket grondwater3
1
Metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn), PCB, PAK, minerale olie, lutum, organische stof en droge stofgehalte
2
PFAS-verbindingen conform Bodemplus advieslijst d.d. 12 juli 2019: PFBA, PFPeA, PFHxA, PFHpA, PFOA, PFOA-vertakt, PFNA, PFDA, PFUnDA, PFDoA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFOS, PFOSvertakt, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, N-MeFOSAA, N-EtFOSAA, PFOSA, N-MeFOSA en 8:2 diPAP
3
Metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN en styreen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl en VC) en minerale olie
Asbest (NEN 5707) Op basis van de visuele waarnemingen en de ruimtelijke verdeling zijn in het veld ter hoogte van het niet gesaneerde deel grond(meng)monsters samengesteld. In de volgende tabel is het analyseprogramma voor asbest weergegeven. Tabel 10: Samenstelling (meng)monsters en analyseprogramma NEN 5707 Monstercode
Onderzoekspunten
Traject (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
Analysepakket
AS01
15, 16, 17
0,0 – 0,5
Zwak puinhoudend
Asbest in grond (NEN 5898)
AS02
03, 06
0,0 – 0,5
Zwak puin- en kolengruishoudend
Asbest in grond (NEN 5898)
213264/R01
10/15
5.2
Analyseresultaten
De analysecertificaten van het laboratoriumonderzoek zijn opgenomen in bijlage 4.
5.2.1 Chemische parameters Grond De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 5. In deze tabellen zijn de gemeten gehalten in de grond aan de hand van de analytisch vastgestelde percentages lutum en organische stof omgerekend naar de 'standaard bodem' (25% lutum en 10% organische stof). Dit zijn de gestandaardiseerde gemeten gehalten (GSSD). In deze paragraaf zijn de resultaten samengevat. In de tabellen is tussen haakjes een index opgenomen (zie 'kader'). De index geeft inzicht in de verhouding tussen het gestandaardiseerde gemeten gehalte en de achtergrondwaarde respectievelijk de interventiewaarde (voor grond) en tussen de gemeten concentratie en de streefwaarde respectievelijk de interventiewaarde (voor grondwater). Een index van 0,5 komt overeen met de tussenwaarde. Hoe dichter de index in de buurt van de 1 komt, hoe dichter de interventiewaarde wordt benaderd. Een index boven 1 geeft aan met welke factor de interventiewaarde wordt overschreden. Opgemerkt wordt dat voor PFAS-verbindingen sprake is van tijdelijke landelijke achtergrondwaarden en (nog) geen interventiewaarden (en derhalve ook geen tussenwaarden) zijn vastgesteld. Wel zijn in het tijdelijke handelingskader (en de aanpassing daarop) voor hergebruik van PFAS-houdende grond voorlopige toepassingsnormen vastgesteld.
De toetsingsresultaten van de grondanalyses zijn in onderstaande tabel samengevat weergegeven waarbij ook de eventuele bodemvreemde bijmengingen in het (meng)monster zijn weergegeven. Opgemerkt wordt dat voor PFAS geen sprake is van een overschrijding van de (vigerende) tijdelijke landelijke achtergrondwaarden: de aanwezigheid van PFAS heeft derhalve geen consequenties op onderstaande beoordeling. Tabel 11: Overschrijdingstabel analyseresultaten grond Overschrijding van de Monstercode
Traject (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
achtergrondwaarde (index1 < 0,5)
tussenwaarde (index1 >0,5)
interventiewaarde (index1 >1)
Indicatief oordeel Bbk2
0,0 - 0,5
Zwak puin- en kolengruishoudend
Kwik (-), lood (0,03), PAK (0,07)
-
-
Wonen
MM03
0,0 - 0,5
Zwak puinhoudend,
PCB (-), PAK (0,06), minerale olie (0,01), zink (0,02), lood (0,08)
-
-
Wonen3
MM04
0,0 - 0,5
Geen
PAK (0,02)
-
-
Altijd toepasbaar
MM02
0,5 - 1,0
Sporen puin
PCB (0,12), minerale olie (0,02) PAK (0,1)
-
-
Industrie (op basis van PCB)
MM05
0,5 - 1,0
Geen
PCB (0,02), lood (0,02), PAK (0,01)
-
-
Industrie (op basis van PCB)
12-2
0,5 - 1,0
Sporen puin, zwak kolengruishoudend
PCB (0,14), PAK (0,01)
-
-
Industrie (op basis van PCB)
Bovengrond MM01
Ondergrond
-
= geen parameters in gehalten/concentraties boven de betreffende toetsingswaarden aangetoond
1
Index = (gestandaardiseerde meetwaarde- achtergrondwaarde) / (interventiewaarde – achtergrondwaarde)
2
Bbk = Besluit bodemkwaliteit. Voor PFAS is het oordeel gebaseerd op de aanpassing van het tijdelijke handelingskader voor PFAShoudende grond waarin de toepassingsnormen zijn vastgelegd. De tijdelijke landelijke achtergrondwaarde is voor PFOA 1,9 µg/kg d.s. en voor alle overige PFAS-verbindingen 1,4 µg/kg d.s. Voor de klasse wonen en industrie gelden (voor het toepassen van grond boven grondwaterniveau) voorlopig de volgende toepassingsnormen: 7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor PFOS en overige PFAS.
3
Binnen bodemkwaliteitskaart “Twents beleid veur oale groond” is voor minerale olie een uitzondering gemaakt. In de grond mag een gemeten gehalte van 100 mg/kg d.s. aanwezig zijn om als schoon te worden aangemerkt. In mengmonster MM03 is gehalte aan minerale olie van 66 mg/kg d.s. gemeten. Voor minerale olie valt de grond in klasse altijd toepasbaar.
213264/R01
11/15
In de boven- en ondergrond is sprake van licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PCB, minerale olie en/of PAK. De verhoogde gehalten zijn te relateren aan het voorkomen van de bodemvreemde bijmengingen welke niet altijd visueel waarneembaar zijn. De in 2004 vastgestelde matig verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK zijn in dit onderzoek niet bevestigd. Grondwater De toetsingsresultaten van de grondwateranalyse zijn in de volgende tabel samengevat weergegeven. Tabel 12: Overschrijdingstabel analyseresultaten grondwater Monstercode
Traject (m -mv)
Waargenomen bijzonderheden
09-1-1
2,3 – 3,3
Geen
Overschrijding van de streefwaarde (index1 < 0,5)
tussenwaarde (index1 >0,5)
interventiewaarde (index1 >1)
Koper (0,1), zink (0,2), cadmium (0,01), barium (0,01)
-
= geen parameters in gehalten/concentraties boven de betreffende toetsingswaarden aangetoond
1
Index = (gestandaardiseerde meetwaarde - streefwaarde) / (interventiewaarde - streefwaarde)
De licht verhoogde concentraties aan zware metalen in het grondwater kunnen worden gerelateerd aan het historische gebruik van (de omgeving van) de locatie maar hebben waarschijnlijk (grotendeels) een natuurlijke oorsprong.
5.2.2 Asbest In beide onderzochte (puinhoudende) bovengrondmonsters is geen asbest aangetoond.
5.3
Toetsing aan de gestelde hypothesen
Chemische parameters (NEN 5740) De hypothese ‘verdachte locatie’ is een correcte hypothese omdat er verontreinigende parameters zijn aangetoond in gehalten boven de betreffende achtergrondwaarde en in concentraties boven de betreffende streefwaarde. Asbest (NEN 5707) De hypothese ‘onverdachte locatie’ voor het deel binnen de saneringslocatie blijft van kracht omdat tijdens het onderzoek geen bijzonderheden zijn geconstateerd die aanleiding geven tot aanpassing van de hypothese. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor het deel buiten de saneringslocatie is niet correct en wordt verworpen omdat geen asbest is aangetoond in de bodem. Ook dit deel van de locatie kan op basis van dit onderzoek als ‘onverdacht’ worden beschouwd.
5.4
Toetsing aan de noodzaak tot nader onderzoek
Chemische parameters (NEN 5740) Er zijn geen parameters aangetoond in gehalten/concentraties boven de tussenwaarde. Dit houdt in dat er op basis van de Wet bodembescherming geen aanleiding is voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen. Asbest (NEN 5707) Omdat geen asbest is aangetoond in de bodem, is er geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of sanerende maatregelen.
213264/R01
12/15
5.5
Voorlopige veiligheidsklassen
Voor het bepalen van de maatregelen en voorzieningen om veilig te kunnen werken in verontreinigde grond, wordt vanuit de RAW-systematiek gebruik gemaakt van CROW-publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem'. Daarbij worden op basis van de analyseresultaten van de grond voorlopige veiligheidsklassen vastgesteld. De veiligheidsklasse bepaalt niet automatisch welke maatregelen moeten worden getroffen, maar vormt een indicatie voor de veiligheidskundige om te bepalen welke maatregelen(niveaus) passend zijn. De afweging welke beheersmaatregelen nodig zijn, wordt gemaakt en onderbouwd door een veiligheidskundige. Omdat uitsluitend sprake is van licht verhoogde gehalten is de basishygiëne van toepassing. De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige te worden vastgesteld.
213264/R01
13/15
6
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In opdracht van gemeente Almelo is door Ortageo Noordoost B.V. in de periode augustus – september 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een locatie aan de Noorderes in Almelo. Het betreft (een gedeelte van) de kadastrale percelen Almelo, sectie B, nummer 12324 en 12332. In 2004 is op een groot deel van de onderzoekslocatie een bodemsanering uitgevoerd waarbij de (sterk) verontreinigde grond tot maximaal 0,7 m -mv is ontgraven en afgevoerd. Aanleiding en doel De aanleiding voor het onderzoek is voorgenomen verkoop en ontwikkeling van de locatie. Het onderzoek dient tevens voor bestemmingswijziging en eventuele aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw). Het doel van het onderzoek is om door het bepalen van de actuele bodemkwaliteit vast te stellen of er door een eventuele bodemverontreiniging consequenties zijn voor de voorgenomen transactie en voor het voorgenomen gebruik (wonen). Wettelijk kader Het onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende NEN-normen en voldoet aan de geldende wet- en regelgeving betreffende de kwaliteit van de uitvoering van milieuhygiënisch bodemonderzoek. Strategie De locatie is onderzocht conform: • NEN 5740 volgens de strategie voor een ’diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL).
Om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond is voor de ondergrond deze strategie gecombineerd met de strategie voor een ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’ (ONV-NL). Bovendien zijn om deze reden alle boringen verricht tot minimaal 1,0 m -mv. Het laboratoriumonderzoek is uitgebreid met PFAS; • NEN 5707 volgens de strategie voor een ’verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’. Dit geldt alleen voor het deel van de locatie waar in 2004 geen bodemsanering is uitgevoerd: een strook langs de westelijke en zuidelijke locatiegrens. Van de grond van het overige deel van de locatie c.q. de saneringslocatie is op basis van de saneringsresultaten reeds bekend dat deze geen asbest bevat in gewogen gehalten boven de interventiewaarde. Dat deel is daarom niet in het onderzoek naar asbest betrokken. Resultaten Uit de resultaten blijkt het volgende: • de grond bevat visueel tot maximaal 1,0 m -mv een lichte tot zwakke bijmenging met puin. In de bovengrond zijn deze bijmengingen met name aanwezig buiten de saneringslocatie. Op het deel waar in 2004 de sanering is uitgevoerd zijn de bijmengingen met name in de ondergrond aanwezig: een lichte tot zwakke bijmenging met puin, glas en/of kolengruis. Er zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen op het maaiveld en/of in de bodem.
• analytisch zijn in de boven- en ondergrond licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. De verhoogde gehalten zijn te relateren aan het voorkomen van de bodemvreemde bijmengingen welke niet altijd visueel waarneembaar zijn. De bovengrond is op basis van de indicatieve beoordeling van het Besluit bodemkwaliteit beoordeeld als klasse ‘Altijd toepasbaar’ of ‘Wonen’. De ondergrond is indicatief beoordeeld als klasse ‘Industrie’ (door PCB). Omdat de gehalten aan PFAS lager zijn dan de (vigerende) tijdelijke landelijke achtergrondwaarden, hebben deze geen invloed op het indicatieve oordeel. Omdat uitsluitend sprake is van licht verhoogde gehalten is bij toekomstige graafwerkzaamheden de basishygiëne van toepassing. De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige te worden vastgesteld; • het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan cadmium, barium en nikkel. Deze kunnen worden gerelateerd aan het historische gebruik van (de omgeving van) de locatie maar hebben waarschijnlijk (grotendeels) een natuurlijke oorsprong. Conclusies Er zijn geen chemische verontreinigingen aangetoond in gehalten/concentraties boven de tussenwaarde. Daarnaast is geen asbest aangetoond. Het uitvoeren van een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
213264/R01
14/15
Op basis van de indicatieve beoordeling van het Besluit bodemkwaliteit valt de ondergrond vanwege de verhoogde gehalten aan PCB in de klasse ‘Industrie’; dit komt niet overeen met het beoogde gebruik ‘wonen’. Mogelijk heeft dit consequenties voor het beoogde gebruik. Aanbevelingen De aangetoonde (lichte) bodemverontreiniging kan (op termijn) consequenties hebben voor de geplande eigendomsoverdracht en het gebruik (woningen met tuin) vanwege mogelijke verwerkingskosten conform het Besluit bodemkwaliteit bij de afvoer van de grond naar elders. Wij adviseren om hier aandacht aan te besteden. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. In het kader van kostenefficiëntie adviseren wij om vrijkomende grond zoveel mogelijk binnen de onderzoekslocatie te hergebruiken. Conform art. 28 van de Wet bodembescherming moet bij het bevoegd gezag melding worden gedaan van de voorgenomen werkzaamheden.
Deze melding hoeft niet als geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en: • de betreffende hoeveelheid te ontgraven grond niet meer bedraagt dan 50 m 3 en/of de hoeveelheid verontreinigd grondwater niet meer bedraagt dan 1.000 m3; • de grond slechts tijdelijk wordt verplaatst en na verplaatsing in zijn geheel wordt teruggebracht.
213264/R01
15/15
BIJLAGE 1 Regionale ligging onderzoekslocatie
213264
2 4 1 0 0 0
2 4 1 5 0 0
2 4 2 0 0 0
2 4 2 5 0 0
2 4 3 0 0 0
2 4 3 5 0 0
4 8 8 0 0 0
4 8 7 5 0 0
4 8 7 0 0 0
4 8 6 5 0 0
4 8 6 0 0 0
4 8 5 5 0 0
±
4 8 5 0 0 0
L e g e n d a o n d e rzo e k slo ca tie
0
7 5 1 5 0
3 0 0
4 5 0
6 0 0 M e te r
T ite l:
R e g io n a lelig g in go n d e rz o e k s lo c a tie N o o rd e re sA lm e lo(B O D -2 3 5 5 ) O p d ra c h tg e v e r:
G e m e e n teA lm e lo S c h a a l:
G e te k e n d :
D a tu m v e ld w e rk :
1 :1 5 ,0 0 0
j.w e s te rin k
-
P ro je c tn u m m e r:
B ijla g e :F o rm a a t: D a tu m te k e n in g :
2 1 3 2 6 4
1
A 4
1 4 -0 8 -2 0 2 0
P a ra a f:
W :\A lm e lo \P ro je c te n \2 1 3 2 6 4 \2 1 3 2 6 4 _ V 1 .0 .a p rx
BIJLAGE 2 Situatietekening met onderzoekspunten
213264