7.8 Vaststelling Omgevingsplan XL Businesspark 2 - bijlage 3c TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Bijlagen bij de motivering 3-3
Tekst van het document
Bijlage 16 Lichthinderonderzoek
Memo Datum Ons kenmerk Betreft
3 augustus 2024 240719 IV 01 6124 – V1 Lichthinder
Van Aan
Ivo Vonk Gemeente Almelo
Deze memo geeft inzicht in het risico op lichthinder ten gevolge van de ontwikkeling van het Almelo XL Businesspark 2. De memo is als volgt opgebouwd: Allereerst worden de relevante definities rondom lichthinder weergegeven. Vervolgens wordt ingegaan op de situatie van het XL businesspark 2 te Almelo en eventuele potentiële hindereffecten. Ten slotte wordt een beoordeling geven van de effecten.
Definities lichthinder Voor het opstellen van deze notitie is gebruik gemaakt van de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse stichting voor Verlichtingskunde versie maart 2020. In basis wordt de richtlijn lichthinder gevolgd. Op enkele punten stelt deze notitie strengere eisen dan gebruikelijk voor ‘reguliere’ bedrijventerreinen, gezien het duurzame karakter van XL Businesspark2. Onder gehinderden wordt verstaan: Omwonenden Weggebruikers Bestuurders van transportmiddelen Astronomen Natuurliefhebbers Flora en fauna. Lichthinder betreft de visuele effecten ten gevolge van verlichtingsinstallaties en licht uit gebouwen die mogelijk hinder veroorzaken, waaronder:
361˚ Gezond Gebouw, de integrale aanpak van TRAJECT TRAJECT Adviseurs & Managers b.v. Journey Offices Velperplein 23, 6811 AH Arnhem
T +31 (0)88 2044 500 E info@traject.com I www.traject.com
KVK Arnhem 55538991 RSIN 851756736 Pagina 1 van 6
(bron: tabel 5.1 uit richtlijn lichthinder)
Zonering Het gehele XL Businesspark 2 betreft binnen de perceelgrenzen gebiedzone E2 Alle omliggende gebieden inclusief de groene gebiedsranden betreft gebiedszone E2 Conform de NSVV richtlijn worden alle armaturen voor openbare verlichting én alle buitenverlichting van de publieke en private kavels gerealiseerd binnen de gestelde grenswaarden. Dit betreft o.a. grenswaarden op: Maximale verlichtingssterkte (Ev in lx op relevant geveldeel); Maximale lichtsterkte armatuur (l in cd van elk armatuur, bij een Ap in m2); Upward Light Ratio; Uitstralingshoek; Gemiddelde luminantie (lsa en Lgem in cd/m2).
Etmaalindeling Dag: 7:00 uur tot 19:00 uur Avond: 19:00 uur tot 23:00 uur Nacht: 23:00 uur tot 7:00 uur
240716 IV 01 6124 Lichthinder v1 – v1
Pagina 2 van 6
De situatie
Stedenbouwkundig schetsplan Royal Haskoning DHV d.d. 4 juni 2024
Principeprofiel (A-A) Stedenbouwkundig schetsplan Royal Haskoning DHV d.d. 4 juni 2024 Het beoogd gebruik van het gebied sluit activiteit en daarmee het risico op lichthinder gedurende de avond en nacht niet uit. Het plan voor XL Businesspark 2 kent in het kader van lichthinder de volgende aandachtspunten: 1. Verkeer van de toegangsweg (noord en noordwestzijde plangebied) en de brug over Twentekanaal 2. Reclameverlichting in het algemeen 3. Terreinverlichting op de percelen en infrastructuur 4. Manoeuvreren en werkzaamheden op eigen terrein bedrijfskavels 5. Openbare verlichting 6. Fauna binnen en rondom het eigen plangebied
240716 IV 01 6124 Lichthinder v1 – v1
Pagina 3 van 6
Beoordeling plan in het kader van lichthinder: Verkeer Het verkeer op de A35 rijdend in de richting van Enschede, kan hinder ondervinden van licht van terrein, gebouwen en/of openbare verlichting, te meer omdat de A35 ter plaatse niet verlicht is. De specifieke bepalingen ten aanzien van hinder van verkeersdeelnemers dienen derhalve in acht te worden genomen. Een en ander is nader toegelicht in hoofdstuk 8 van de richtlijn Lichthinder. De grenswaarde voor maximaal toegestane luminantie gedurende avondlijke en nachtelijke uren van een reclameobject naar het gezichtsveld van de weggebruiker met een kegelkijkhoek van 2x30 graden van de weggebruiker over een afstand van 250 meter: 100 cd/m2 Ter plaatse van de nieuw te realiseren weg aan de noordwestzijde van het plan, worden hinderwerende maatregelen getroffen in de vorm van een grondwal en/of beplanting. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat verkeer hinderlijk kan worden waargenomen door omwonenden. Ter plaatse van de nieuw te realiseren brug bevinden koplampen zich op een hoger niveau dan aanwezige beplanting en is het verkeer waarneembaar. Het betreffende verkeer bevindt zich vrijwel op dezelfde locatie als de naastgelegen, bestaande, brug van de A35. Tegemoetkomend verkeer van de A35/ nieuwe toegangsweg, kan eveneens voor hinder zorgen van weggebruikers.
Eventuele lichthinder is op te lossen door het plaatsen van lichtwerende anti-zichtschermen zoals groene lamellen of groenvoorzieningen die in de winter bladhoudend zijn. Manoeuvreren en werkzaamheden op eigen terrein zijn niet toegestaan aan de randen van het plangebied. Derhalve zal in deze zones slechts minimaal behoefte zijn aan verlichting, hetgeen het risico op hinder aanvullend verminderd. Manoeuvreren is alleen toegestaan aan de straatzijde. Naast/tussen gebouwen/kavels wordt opslag wel toegestaan en zijn ook Loading Docks toegestaan (zie BKP). Indien op het kavel werkzaamheden in avond of nacht plaatsvinden welke zichtbaar zijn op enige positie in de groenzone rondom het plangebied, zal afscherming van dynamisch licht (koplampen, werklicht heftrucks, etc.) moeten plaatsvinden.
Omwonenden Gezien de afstand tot omwonenden (altijd ruim meer dan 100 meter tot de dichtstbijzijnde bedrijfskavel) en de aanwezigheid van een groenstrook inclusief grondwal, wordt geen overlast verwacht als gevolg van lichtsterkte op gevels van omwonenden. De waarneembaarheid van licht is voor omwonenden wel een risico op hinder. Derhalve zal extra aandacht gevestigd moeten worden op het toetsen van het nakomen van de eisen behorende tot zone E2 overeenkomstig de NSVV lichthinderrichtlijn. Voor toetsing geldt een toetsafstand van 1.000 meter van lichtbron tot gehinderde. Indien de grenswaarden niet worden overschreden, is de kans op hinder voor gehinderden laag tot zeer laag. Aanvullend gelden extra bepalingen voor reclameverlichting en aanstraling. Te weten: Voor alle reclameverlichting gelden de grenswaarden gesteld in paragraaf 7.5 van richtlijn lichthinder. Reclameverlichting aan de buitenrand is op XL Businesspark 2 evenwel niet toegestaan. Dynamische reclameverlichting is niet toegestaan op het XL Businesspark 2. Uitzondering hierop is reclameverlichting in categorie f1 ‘vrijwel statische beelden’. Uitgebreidere definitie is omschreven in paragraaf 7.5.1 van richtlijn lichthinder. Aanstraling van onderaf van gevels, gebouwen en objecten is niet toegestaan.
Lichtuitstraling uit gebouwen valt onder dezelfde eisen als buitenverlichting en dient, bij avond en nachtgebruik, tevens beoordeeld te worden bij het toetsen van lichthinder.
240716 IV 01 6124 Lichthinder v1 – v1
Pagina 4 van 6
Openbare verlichting Voor alle openbare verlichting gelden de grenswaarden gesteld in paragraaf 7.6 van richtlijn lichthinder. In het bijzonder geldt dat met de afscherming rekening gehouden moet worden met de aanwezige flora en fauna en in het bijzonder met vleermuizen. Geadviseerd wordt om, mede in verband met energiebesparing, gebruik te maken van verlichting die in nachtelijke situatie kan dimmen of uitschakelen en zeer terughoudend te zijn met het plaatsen van openbare verlichting. Verlichting van loop- en fietsroutes zal wel worden voorzien, waarbij armaturen zo worden geplaatst dat minimale hinder voor flora en fauna ontstaat.
Hinder voor vaarweg Het Twentekanaal, gelegen aan de oostzijde van het plan, is een doorgaande vaarweg. Lichthinder voor schippers dient voorkomen te worden, overeenkomstig hetgeen gesteld in paragraaf 8.4 van de richtlijn lichthinder.
Astronomie Het dichtstbijzijnde observatorium is Publiekssterrenwacht Hellendoorn, welke is gelegen in een E0 gebied. De afstand van het bedrijventerrein is groter dan 10 km. Dit vraagt geen aanvullende eisen ten behoeve van de ULR.
Flora en Fauna Op XL Businesspark 2 zullen compensatiemaatregelen plaatsvinden om de (huidig) aanwezige flora en fauna in het gebied te behouden. De richtlijn lichthinder kent geen eisen die specifiek gericht zijn op met name de variëteit aan fauna in het gebied. Ecologisch onderzoek bepaalt de eisen ten aanzien van licht(hinder) voor (toekomstige) fauna(soorten). Op basis van de lijst ‘compenserende maatregelen’ geldt voor vogelsoorten als de vleermuis, mus of (boeren)zwaluw dat voorzieningen als nestkasten buiten de invloedsfeer van verlichting moeten worden gehouden. Dit betekent dat voor met name vleermuizen de omgeving van de nestkasten zo donker mogelijk moeten worden gehouden. Bovendien dienen aanvliegroutes donker te zijn. Directe of indirecte lichtbronnen van invloed op deze voorzieningen zonder enige vorm van afscherming zijn daarmee niet toegestaan. Ook zullen nabij gelegen bronnen zodanig moeten worden geplaatst dat deze de voorzieningen zo min mogelijk hinderen. Onderstaand staan de eisen die volgen uit de compensatielijst opgesomd (bron, Compensatiemaatregelen bedrijfskavels, Ecogroen):
240716 IV 01 6124 Lichthinder v1 – v1
Pagina 5 van 6
Tot slot is assimilatieverlichting is niet toegestaan.
240716 IV 01 6124 Lichthinder v1 – v1
Pagina 6 van 6
Bijlage 17 Windhinderonderzoek
Deskundige oordeel windklimaat XL Businesspark 2 Almelo P47224844e100 2 juli 2024 Revisie 0
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
Project Locatie
XL Businesspark 2 Almelo
Onderwerp Document Revisie Datum Status
QuickScan windklimaat P47224844e100 0 2 juli 2024 Definitief
CFD-expert
SIMSTUDIO International Consultants Baron de Coubertinlaan 6 2719 EL Zoetermeer info@simstudio-ic.com www.simstudio-ic.com
P4722844e100
Page 1 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
Huidige uitgave Revisie Getekend door: Print name:
100 Auteur: Rafael Schaeffers Felix
Datum: Controle: Martin Eimermann
02/07/2024 Reden van uitgifte: Eerste uitgave
Voorgaande uitgaven Revisie
Datum:
Auteur:
Controle:
P4722844e100
Reden van uitgifte
Page 2 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
1
INLEIDING
4
1.1
Masterplan XL Businesspark 2
4
1.2
Onderzoeksdoel
5
1.3
NEN8100 beslismodel
5
1.4
NEN8100 Beoordelingsmethodiek
5
2
ALGEMENE INFORMATIE
6
3
SITUATIE
9
3.1
Ligging
9
3.2
Gebouwhoogten
12
3.3
Winddata
13
4
ANALYSE TE VERWACHTEN WINDKLIMAAT
14
4.1
30m hoge gebouw op de oosthoek
15
4.2
Resterende Bouwplan en overige stegen
15
5
CONCLUSIE
16
5.1
30m hoge gebouw oosthoek
16
5.2
Resterende Bouwplan en overige stegen
16
5.3
Algemeen
16
6
BIJLAGE – WINDKLIMAAT PRINCIPES TOEGELICHT
17
6.1
Wanneer windhinder
17
6.2
Fenomenen
17
6.3
Effect van gebouwen op de wind
18
P4722844e100
Page 3 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
1
Inleiding
1.1
Masterplan XL Businesspark 2
Voor het masterplan XL Businesspark 2 in Almelo is een deskundig oordeel windklimaat uitgevoerd. Het ontwikkelingsgebied ligt ten zuidwesten van de stad en is omgeven door de Rijksweg 35 en het Breesegee aan het Twentekanaal. In het oosten zit het huidige XL Businesspark Twente. Het XL Businesspark 2 bestaat uit een ensemble van gebouwen, namelijk in de hightech, maakindustrie, en logistiek. Het voorgestelde masterplan bestaat uit 8 clusters van gebouwen. Het aantal bouwlagen verschilt per gebouw en bouwblok. Het hoogste gebouw heeft een hoogte van 30m. Verder hebben drie bouwblokken hoogtes van 18m. De rest van de bouwblokken hebben hoogtes van 15m. In de huidige situatie bestaat deze locatie meestal uit weiland. Figuur 1 geeft de locatie en de omgeving weer van het toekomstige bouwplan.
Figuur 1: Impressie van locatie en omgeving XL Businesspark 2, aanzicht zuidwest.
P4722844e100
Page 4 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
1.2
Onderzoeksdoel
Een deskundig oordeel windklimaat is uitgevoerd om inzicht te geven in het te verwachten windklimaat in en rond de gebiedsontwikkeling. Het masterplan wordt beoordeeld op basis van kennis, ervaring en basisprincipes ten aanzien van windklimaat. Op basis van het onderzoek wordt beoordeeld of een Computational Fluid Dynamics (CFD) simulaties in een later stadium benodigd is om het bouwplan te beoordelen.
1.3
NEN8100 beslismodel
De NEN8100 geeft een beslismodel om te bepalen of en wat voor type windklimaatonderzoek noodzakelijk is. In het voorgelegde plan zijn gebouwen opgenomen met een hoogte van 6m en 15m, de NEN8100 zegt hier het volgende over: Voor beschut liggende gebouwen met een hoogte tussen de 15 m en 30 m en voor onbeschut liggende gebouwen tot een hoogte van 30 m is de hulp van een windhinderdeskundige noodzakelijk om te beoordelen of er wel of niet windtunnel- CFD-onderzoek noodzakelijk is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 m is nader onderzoek met CFD- of Windtunnelsimulatie noodzakelijk.
1.4
NEN8100 Beoordelingsmethodiek
In de NEN8100 worden 5 kwaliteitsklassen gegeven waarbij windhinder als goed, matig of slecht wordt geclassificeerd voor een drietal activiteiten. Deze omschrijving staat voor: -
Bij een goed windklimaat ervaart men geen tot weinig overmatige windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. Bij een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder.
Een zo omschreven matig windklimaat past bij de algemene ervaring van het windklimaat in Nederland. De kwaliteitsklasse is afhankelijk van het aantal uren dat de windhinder (overlast) drempelwaarde van 5 m/s naar verwachting wordt overschreden. Deze waardering is weergegeven in Tabel 1 met in groen acceptabele kwaliteitsklasse. De drempelwaarde voor windgevaar is 15 m/s (NEN8100) en wordt gekwalificeerd als aangegeven in Tabel 2. Overschrijdingskans In procenten van het aantal uren per jaar <2.5 2.5 – 5 5 – 10 10 – 20 >20
Kwaliteitsklasse
A B C D E
Doorlopen
Activiteiten Slenteren
Goed Goed Goed Matig Slecht
Goed Goed Matig Slecht Slecht
Langdurig zitten Goed Matig Slecht Slecht Slecht
Tabel 1: Classificatie windklimaat conform NEN8100.
P4722844e100
Page 5 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
Overschrijdingskans In procenten van het aantal uren per jaar 0,05 < 0,30 > 0,30
Kwalificatie
Beperkt risico Gevaarlijk
Tabel 2: Kwalificatie tabel windgevaar conform NEN8100.
2
Algemene informatie
Conform de NEN8100 wordt het windklimaat beoordeeld op basis van de overschrijdingskans van de windsnelheid drempelwaarde van 5 m/s. Daarnaast kan wind als hinderlijk ervaren worden als er fluctuaties in snelheid en richting plaats vinden. In een normaal windklimaat zonder invloed van bebouwing wordt in basis niet gesproken van overmatige windhinder. In de bebouwde omgeving treden windversnellingen en vertragingen op door de obstructie van gebouwen. Denk aan hinder bij windsnelheden boven circa 5 m/s die worden ondervonden aan: het haar verwaait, kleding en paraplu’s worden door de wind bewogen en met toenemende windsnelheid heeft men steeds meer moeite om regelmatig te blijven lopen en het evenwicht te bewaren. Windkracht 3 op de schaal van Beaufort omvat snelheden tussen 3,4 m/s en 5,4 m/s; windkracht 4 tussen 5,5 m/s en 7,9 m/s. Het KNMI geeft hierbij de beschrijving: bladeren en twijgen bewegen voortdurend (3 Beaufort) en kleine takken beginnen te bewegen, stof en papier dwarrelt op (4 Beaufort). Figuur 2 toont de schaal van Beaufort met de benaming, snelheden en uitwerkingen. Voor elke bestemming behoort te worden nagegaan welke activiteit zal overheersen. Een parkeerterrein behoort bijvoorbeeld tot activiteit I: doorlopen. Slenteren doet men bijvoorbeeld in een winkelstraat, onoverdekt winkelcentrum of park en rond een entree.
Bij langdurig zitten valt te denken aan zitten op een bankje in een park. Gebouwen die tussen andere gebouwen staan van ongeveer dezelfde hoogte veroorzaken geen overmatige windhinder. Dit is het geval indien de verhouding tussen de hoogte van het gebouw en de hoogte van ieder ander gebouw in de omgeving kleiner is dan 1,5. Hoge bouwwerken vereisen altijd een windhinderonderzoek. Gebouwen die tweemaal hoger zijn dan de andere gebouwen binnen de invloedsfeer veroorzaken vrijwel altijd een verslechtering van het windklimaat. In de NEN8100 worden bovenstaande condities ondergebracht in de categorieën van beschutte en onbeschutte ligging. Wanneer een bouwplan beschut ligt zal waarschijnlijk geen windhinder optreden. Landelijk gezien zal verreweg het grootste deel van de bouwplannen in deze categorie vallen. Bij een onbeschutte ligging van het bouwplan is de kans op een windklimaat met een lage graad van comfort aanmerkelijk groter. Van de wind die tegen een gebouw aanstroomt gaat circa 2/3 naar beneden, dit komt door de druk van de atmosfeer. Dit deel van de wind stroomt grotendeels op straatniveau om de hoeken van dat gebouw verder in de windrichting. De volumestroom lucht neemt daardoor naast het gebouw toe waardoor de wind relatief harder stroomt dan als het gebouw hier niet zou hebben
P4722844e100
Page 6 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
gestaan. Deze windversnellingen kunnen leiden tot windhinder. Achter het gebouw ontstaat door de relatieve onderdruk een zog, waarbinnen lucht terug naar het gebouw stroomt (in tegengestelde richting van de wind). Figuur 3 toont een aantal basisprincipes. De lengte waarover het gebouw effect heeft op het lokale windklimaat is afhankelijk van de breedte, hoogte en lengte. Als er twee hoge gebouwen naast elkaar staan wordt het effect versterkt. Tussen gebouwen welke op korte afstand van elkaar staan kan ook een luwte ontstaan wanneer de wind er overheen scheert. Hierdoor wordt een beter windklimaat dan in het open veld gerealiseerd.
Figuur 2: Schaal van Beaufort.
P4722844e100
Page 7 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
Figuur 3: Voorbeeld basisprincipes wind om gebouwen.
P4722844e100
Page 8 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
3
Situatie
3.1
Ligging
XL Businesspark 2 is omgeven door de Rijksweg 35 en het Breesegee aan het Twentekanaal zoals aangegeven in Figuur 4. Rondom het plangebied is bebouwing zelden aanwezig. In het oosten van het plangebied zit het huidige XL Businesspark Twente. Het plan bestaat uit 8 clusters van gebouwen. In het plan zijn verschillende pleinen en stegen opgenomen. Het gebied binnen de cluster kan aangemerkt worden als slenter-/verblijfsgebied om de betreffende functie goed tot haar recht te laten komen. De omliggende wegen worden aangemerkt als doorloopgebied.
Figuur 4: Ligging XL Businesspark 2, paars gestippelde lijn, Google Maps.
P4722844e100
Page 9 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
Figuur 5: Indeling ontwikkelingsplan XL Businesspark, stedenbouwkundig schetsplan.
P4722844e100
Page 10 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
Figuur 6: Indeling ontwikkelingsplan XL Businesspark, wegen, fietspaden, en rijbanen
P4722844e100
Page 11 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
3.2
Gebouwhoogten
De hoogte van de verschillende gebouwen waaruit de XL Businesspark 2 bestaat zijn gegeven in Figuur 7. Voor de eerste bouwfase wordt er uitgegaan van de maximale bouwhoogte. Voor de andere gebouwen wordt er rekening gehouden met de ontwerp hoogte. Het gebouw aan de oostelijke kant van het bouwplan is aanzienlijk hoger dan de gemiddelde bebouwing in het plan, namelijk circa 2 keer hoger als de omliggende bebouwing. Verder hebben drie bouwblokken maximale hoogtes van 18m, in het midden en noordoosten van het bouwplan.
Figuur 7: Hoogte gebouwen.
P4722844e100
Page 12 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
3.3
Winddata
Voor de analyse is gebruik gemaakt van winddata van Meteoblue voor Almelo. Figuur 8 toont de windroos met windsnelheden in meter per seconden. De snelheidscategorieën in deze windroos zijn gebaseerd op de schaal van Beaufort (bft). Wind tussen 1 en 5 km/h is gelijk aan 1bft, daarboven per categorie 1bft hoger. De windroos is opgebouwd uit 16 windrichtingen. Zoals de windroos toont komt de wind overwegend uit zuidelijke tot westelijke windrichting. Deze windrichtingen vinden bijna 50% van het jaar plaats en zijn daarmee bepalend voor het te ervaren windklimaat. De gemiddelde windsnelheid is 16,0 km/h (windkracht 3).
Figuur 8: Windroos geconstrueerd door Meteoblue voor Almelo.
P4722844e100
Page 13 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
4
Analyse te verwachten windklimaat
In de NEN8100 wordt gesteld dat gebouwen tot 1,5 keer de hoogte van de omliggende bebouwing naar verwachting geen overmatige windhinder veroorzaken. Bij een grotere verhouding bestaat de kans op windhinder, Het gebouw aan het oostelijk kant van het bouwplan is circa 2 keer hoger dan de naastgelegen gebouwen en heeft daarmee effect op het windklimaat. Figuur 9 toont het plangebied met daaroverheen de windroos geprojecteerd. Zoals beschreven in paragraaf 3.1 komt de wind bijna 50% van het jaar uit zuid- tot westelijke richting. Deze windrichtingen zullen de meeste impact hebben op het windklimaat op straatniveau. Ten zuidwesten van het bouwplan is er alleen weiland. Dit betekent dat de wind relatief vrij kan stromen. Bomen en hagen staan verspreid in en rond het bouwplan. Deze beïnvloeden de windstroom en verminderen plaatselijk de luchtsnelheid.
Figuur 9: Windroos geprojecteerd over plangebied.
P4722844e100
Page 14 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
4.1
30m hoge gebouw op de oosthoek
Het hoogste gebouw ligt aan de oostzijde van het bouwplan. Stroomopwaarts in de richting van de meest voorkomende windrichtingen hebben de gebouwen een hoogte van maximum 15m tot 18m. Daardoor ligt het gebouw van 30m deels beschut achter de overige bebouwing. Verwacht wordt dat het windklimaat langs de west- en zuidzijde van het gebouw klasse B tot D zal hebben, eventueel zou er ook een klein gebied met windhinder kunnen ontstaan. Er dient aandacht besteed te worden aan de plaatsing en uitvoering van de entree. Deze kan bijvoorbeeld voorzien worden van en luifel of de entree kan worden uitgevoerd als een uitbouw.
4.2
Resterende Bouwplan en overige stegen
De gebouwen aan de zuidwestkant van het bouwplan worden het meest beïnvloed door de overheersende windrichting. Deze gebouwen zijn, gericht op de inkomende windrichting, maximaal 15m hoog. Bovendien is de omgeving van deze gebouwen en de gehele ontwikkeling grotendeels weiland. Open weilanden bieden geen beschutting tegen inkomende wind. De steeg van het noordelijke gebouw tot het westerse blok ligt in zuidwestelijke richting. Wind zal hier dus, voor een groot deel van het jaar, merkbaar zijn. De verwachte windklimaat klasse bij de westelijke kant zal iets hoger zijn dan de rest van de omgeving van het gebouw. Ook de steeg aan de zuidkant en westkant van het 30 meter hoge gebouw zou windhinder kunnen ondervinden. Dit komt door de zogenaamde “downwash” van de wind aan het hoge gebouw. Over het algemeen wordt een voldoende windklimaat verwacht. Met terrein inrichting kan lokaal het windklimaat verbeterd worden rondom sta/zit plaatsen, openbare ruimten en entrees.
P4722844e100
Page 15 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
5
Conclusie
Een deskundige oordeel is uitgevoerd voor het ontwikkelingsplan XL Businesspark 2. De ontwikkeling bestaat uit nieuwbouwelementen in een bouwplan. Binnen het plan wordt een slenter-/verblijfsgebied nagestreefd.
5.1
30m hoge gebouw oost hoek
Op de oosthoek van het plan is een gebouw van 30m opgenomen. Dit gebouw heeft een beperkt effect op de te ervaren windhinder langs de west- en zuidzijde van het gebouw. Hierdoor stroomt de wind af tot op straatniveau. Ook is er het mogelijke plan een groenstrook met bomen op te nemen rondom het gebouw. Door het plaatsen van deze groenstrook met bomen wordt het windklimaat verder verbeterd.
5.2
Resterende Bouwplan en overige stegen
De rest van het bouwterrein heeft gebouwen van 15m tot maximaal 18m hoog. Kleine doorgangen die uitkomen op het zuidwesten zullen een lager windklimaat ervaren omwille van de overheersende windrichtingen. Dit is te wijten aan de wind die deels wegstroomt via doorgangen (zie 6.3.5). Er zijn verschillende wegen, open straten en groenstroken langs het bouwplan. Bij open straten of grote groenstroken zijn dan ook hogere windsnelheden te verwachten. Sommige zijn bedekt met vegetatie en bomen. Deze hebben een dempend effect op de wind. Extra vegetatie kan als oplossing dienen voor gebieden met windhinder. Het gebouw aan de noordzijde van het bouwplan kan leiden tot windhinder. Dit komt doordat de wind aan de zijkanten van dit gebouw sneller kan gaan waaien vanwege de overheersende windrichting. Hetzelfde kan gebeuren in en rond de zuidwestelijke gebouwen. Deze inkomende wind zal rond deze gebouwen sneller gaan waaien en de kans op windhinder vergroten.
5.3
Algemeen
In het algemeen wordt er een voldoende windklimaat verwacht. Het is wel aanbevolen om bij de inrichting lokaal begroeiing en of obstructies te plaatsen om het windklimaat te verbeteren als hier zit/sta functies worden beoogd. Voor het 30m hoge gebouw dient aandacht besteed te worden aan de plaatsing en uitvoering van de entree. Deze kan bijvoorbeeld voorzien worden van en luifel of de entree kan worden uitgevoerd als een uitbouw. Een CFD windklimaat onderzoek is ons inziens niet noodzakelijk. Wel kan met een dergelijk onderzoek verder inzicht worden verschaft en specifieke richting worden gegeven aan de inrichting op de openbare ruimten optimaal te kunnen benutten.
P4722844e100
Page 16 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
6
Bijlage – windklimaat principes toegelicht
6.1
Wanneer windhinder
Het windklimaat wordt beoordeeld op basis van de overschrijdingskans van de windsnelheid drempelwaarde van 5 m/s. Daarnaast kan wind als hinderlijk ervaren worden als er fluctuaties in snelheid en richting plaats vinden. In een normaal windklimaat zonder invloed van bebouwing wordt in basis niet gesproken van overmatige windhinder. In de bebouwde omgeving treden windversnellingen en vertragingen op door de obstructie van gebouwen. Wanneer het aantal uren dat de drempelwaarde voor windhinder wordt overschreden kan het windklimaat tot een andere klasse gaan behoren.
6.2
Fenomenen
6.2.1 Wind Wind is een natuurlijke luchtbeweging van de atmosfeer. Deze ontstaat door horizontale luchtdrukverschillen. Hierbij stroomt lucht altijd van een hoogdrukgebied naar een laagdrukgebied (Wikipedia, n.d.). Het heersende windklimaat in het onderste gedeelte van de atmosfeer, waar in wij leven, wordt beïnvloed door de ruwheid (steden, bomen, bergen, etc.) van het aardoppervlak. Ondanks deze ruwheid stroomt de wind altijd van A naar B. Dit betekent dat als er een stad of gebouw staat, de wind tegen of om het gebouw heen stroomt waarna het zich in de heersende windrichting zal vervolgen. De wind stopt dus niet met stromen. Doordat wind altijd een uitweg zoekt om in de heersende windrichting verder te stromen zorgt dat in steden voor plekken met relatief meer wind. Hoe hoger het gebouw des te meer wind op grondniveau. Echter de oorzaak van windhinder is vaak niet eenduidig, maar een combinatie van verschillende oorzaken. Deze oorzaken zijn de reden waarom de wind in een bepaalde manier beweegt. In onderstaande hoofdstukken worden een aantal basisprincipes van wind, het effect van gebouwen op het lokale windklimaat en oplossingen voor het verminderen van slecht windklimaat besproken.
6.2.2 Atmosferische druk Bebouwing heeft effect op het windklimaat in het onderste gedeelte van de atmosfeer. Het bewoonbare gedeelte van de atmosfeer heeft maar een geringe hoogte in vergelijking met de totale atmosfeer. Alle bovengelegen luchtlagen liggen als het ware op de onderste luchtlaag. Dit zorgt voor een grote drukkende kracht op de onderste luchtlaag. Wanneer wind tegen hoogbouw aan stroomt kan de wind daardoor niet (geheel) naar boven weg stromen. De wind wordt daardoor naar beneden geduwd.
6.2.3 Snelheidsprofiel Wind stroomt met een snelheidsprofiel. Dit houdt in dat wind dicht bij het maaiveld minder snel stroomt dan op 60m hoog. Dit snelheidsprofiel is afhankelijk van de ruwheid (bijv. gebouwen) op de grond. Een toename in ruwheid zorgt voor een verlaging van de snelheid op grondniveau. De mate van invloed op het snelheidsprofiel wordt beschreven door de ruwheidlengte (Troen & Petersen, 1991).
P4722844e100
Page 17 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
6.2.4 Zog Bij aanstroming van wind op een object is aan de voorzijde veel wind en aan de achterkant weinig wind (lijzijde). Wind stroomt om het object heen, waarna het de originele windrichting weer aanneemt. Achter het gebouw ontstaat daardoor een gebied met weinig wind (lage druk). Dit heet een zog. Het zog achter het gebouw is afhankelijk van de afmetingen van het gebouw, maar ook afhankelijk van het dak en eventuele doorgangen.
6.3
Effect van gebouwen op de wind
6.3.1 Downwash Van Downwash wordt gesproken wanneer wind tegen bijv. hoogbouw aanstroomt en een gedeelte van de wind, door de atmosferische druk, naar beneden wordt gedrukt. Bij hoogbouw stroomt de wind tot 2/3 van de hoogte (H) naar beneden. Alle wind daarboven stroomt over het gebouw heen. Als de downwash bij de grond aankomt wordt het omgezet in een rollende golf. Deze golf stroomt dan langs de gevel in de richting van de hoeken van het gebouw. Hierna stroomt de wind weer in de originele windrichting. Alle wind die van boven komt stroom weg langs de hoeken van het gebouw. Hierdoor is er op deze locatie een toename van wind. Naast dat de hoeveelheid lucht toeneemt, neemt ook de snelheid van de lucht toe bij een downwash. Dit wordt veroorzaakt doordat wind van een hogere hoogte naar beneden stroomt. Wind op straatniveau heeft hierdoor een grotere kans om de 5 m/s te overschrijven.
6.3.2 Afstand gebouwen in windrichting Het windklimaat tussen twee of meerdere gebouwen in is afhankelijk van de afstand tussen de gebouwen. Bij een grote afstand tussen de gebouwen (15 tot 20 keer de gebouwhoogte (H)), is het zog achter het gebouw als het ware opgelost. Wind van een hogere luchtlaag reikt hierbij weer tot de grond. Ook heeft het daarmee effect op het volgende gebouw. Bij een afstand van 5H tot 15H mengen het zog en de hogere luchtlagen zich in het tussengelegen gebied. De ongestoorde lucht heeft maar deels effect op het volgende gebouw. Wanneer de afstand tussen de twee gebouwen kleiner is dan 5H stroomt de wind over de gebouwen heen. Hierbij hebben hogere luchtlagen weinig tot geen effect op het windklimaat tussen de gebouwen. In deze situatie wordt er gesproken van een stedelijk dek. Bij een tussenliggende afstand die kleiner is dan 2H ontstaat er, aerodynamisch gezien, een aaneengesloten gebouw.
6.3.3 Hoogte naastgelegen bebouwing De hoogte van naastgelegen gebouwen heeft effect op het heersende windklimaat. Gebouwen die tussen andere gebouwen staan van ongeveer dezelfde hoogte veroorzaken geen overmatige windhinder. Dit is het geval indien de verhouding tussen de hoogte van het gebouw en de hoogte van ieder ander gebouw in de omgeving kleiner is dan 1,5. Gebouwen die tweemaal hoger zijn dan de andere gebouwen binnen de invloedsfeer veroorzaken vrijwel altijd een verslechtering van het windklimaat. Onderzocht dient te worden of dit ook hinderlijk is.
P4722844e100
Page 18 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
6.3.4 Lengte van gevel Ongestoorde wind heeft de mogelijkheid om te versnellen. In stedelijk gebied heeft dit voornamelijk effect op lange opeenvolgende gevels. De snelheid langs deze gevels neemt daarmee toe.
6.3.5 Doorgangen naast hoogbouw Kleine doorgangen of straten die gelegen zijn naast hoogbouw hebben vaak een verslechterd windklimaat. Doordat hier meer wind op straatniveau is door een downwash, stroomt de wind deels weg via doorgangen. Kleine doorstroom oppervlaktes zorgen dan voor hogere snelheden.
6.3.6 Onderdoorgangen Onderdoorgangen kunnen positieve of negatieve werking hebben op het windklimaat. Wanneer een lange gevel is uitgerust met één doorgang dan wordt heel veel wind door deze doorgang geduwd. Rond de hoeken treden windversnellingen op en dit levert een slecht windklimaat op. Bij meerdere doorgangen in één gevel wordt de wind verdeeld over verschillende doorgangen. Wind stroomt dan niet alleen meer om de hoeken van het gebouw. Hiermee kan het windklimaat verbeterd worden. Bouwtechnisch is dit wel een grote ingreep.
6.3.7 Open straten/groenstroken Ongestoorde wind heeft de mogelijkheid om te versnellen. Bij open straten of grote groenstroken zijn dan ook hogere windsnelheden te verwachten. In vergelijking met minder brede straten kan dit een windklimaatklasse verschillen.
6.3.8 Vegetatie Bomen en struiken hebben een dempende werking op de wind. Het plaatsen van vegetatie heeft daarom vaak een positieve werking op het windklimaat. Extra vegetatie kan als oplossing dienen voor gebieden met windhinder. Bij het optreden van (veel) windgevaar is vegetatie echter geen gewenste oplossing, dan wordt aangeraden om naar bouwkundige oplossingen te zoeken.
6.3.9 Pleinen en parkeerplaatsen Pleinen die omgeven zijn met dichte bouwstroken hebben over het algemeen een rustig windklimaat. Door het grote doorstroom oppervlakte zijn er geen grote snelheidsverschillen. Wanneer straten met (veel) hoogbouw uitkomen op een plein kan men wel hogere snelheden verwachten.
6.3.10 Trechtervorming Bij taps toelopende doorgangen zijn hogere snelheden te verwachten. Het doorstroom oppervlakte van dit soort doorgangen neemt af en de snelheid neemt daarmee toe. Dit komt doordat de massastroom gelijk blijft over de doorgang. Trechtervorming verslechtert het windklimaat t.o.v. een normale doorgang.
6.3.11 Beschut Volgens de NEN8100 wordt gesteld dat beschutting van een gebouw afhangt van de volgende twee punten: -
Het oppervlak dat obstakels als bomen en gebouwen beslaat bedraagt 20% of meer van het totale oppervlak binnen een straal van 300m.
P4722844e100
Page 19 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
-
Het bouwwerk steekt niet meer dan 50% uit boven de gemiddelde hoogte (h) van de obstakels binnen een straal van 300m.
Ondanks de grote reikwijdte die de NEN8100 stelt wordt er extra gekeken naar de naastgelegen gebouwen in de meest voorkomende windrichtingen. Deze kunnen ondanks het gemiddelde van 300m een groot effect hebben op het heersende windklimaat. In Nederland houdt dit in dat het overgrote gedeelte van de gebouwen in steden beschut ligt.
6.3.12 Onbeschut Van een onbeschut gebouw wordt gesproken wanneer het niet voldoet aan de eisen van beschutte bebouwing, zoals besproken in paragraaf 6.3.11. Langs de kust en bij open water kan het beduidend harder waaien. Daardoor vragen deze bouwplannen een nadere toetsing.
6.3.13 Luifel of podium Door een downwash kan er op grondniveau een duidelijke verandering in het windklimaat ontstaan. Een luifel heeft de werking om een entreegebied of wandelpad te beschermen tegen een downwash. De downwash stroomt dan op de luifel en niet tot de grond. Hiermee wordt de downwash niet geheel voorkomen, maar wordt eerder verplaatst. Bij deze verplaatsing is het niet gewenst dat de downwash dan alsnog op een wandelpad of fietspad uitkomt. Door de diepte van de luifel aan te passen kan de downwash ver genoeg verplaatst worden. Daarmee zijn de afmetingen van een luifel erg afhankelijk van de situatie. Richtlijnen voor de diepte zijn tussen de 5m en 10m. Een podium is de vergrotende trap van de luifel. Wanneer de gebouwhoogte ervoor zorgt dat er een zeer grote kans op windgevaar is wordt het aangeraden om een podium te plaatsen. Net als de luifel zijn de afmetingen erg afhankelijk van de situatie. Richtlijnen voor de diepte van een podium liggen tussen de 5m en 15m.
6.3.14 Terrasvormige gevel Wanneer een gevel is opgebouwd uit verschillende niveaus kan de wind die tegen de hoogste gevel aanstroomt niet tot de grond reiken. Hierbij heeft deze wind geen effect op het windklimaat op straatniveau. Deze toepassing heeft het beste effect als de gevels met een oriëntatie in de richting van de meest voorkomende windrichtingen worden uitgevoerd.
6.3.15 Het verspringen van gevels Lange straten met opeenvolgende (en vlakke) gevels zorgen ervoor dat de wind gemakkelijk kan versnellen. Door meer ruwheid in de doorsnede van de straat toe te voegen neemt het versnellen van de wind af. Hierin wordt aangeraden om gevels naar achter te leggen i.p.v. naar voren. Het is namelijk niet te bedoeling dat de doorsnede van de straat kleiner wordt. Hierdoor versnelt de wind alleen maar meer.
P4722844e100
Page 20 of 21
Deskundige oordeel Windklimaat XL Businesspark 2, Almelo
6.3.16 Straten opdelen met doorgangen Naast het laten verspringen van gevels is het ook aan te raden om lange straten op te delen met tussenliggende doorgangen. Zo worden de gevels onderbroken en kan de wind via de doorgang ‘ontsnappen’.
6.3.17 Draaien van een gebouw De oorzaak van een verslechterd windklimaat komt vaak doordat hoge gevels loodrecht staan op de meest voorkomende windrichting. Door het gebouw te draaien ligt niet de gevel, maar de punt van het gebouw in de meest voorkomende windrichting. De wind stroomt dan niet naar beneden, maar langs de twee gevels van het gebouw. Echter dit is een zeer grote ingreep die ook effect heeft op andere aspecten van een gebouw.
P4722844e100
Page 21 of 21
NL.IMRO.0141.TAM00002-BP31
Bijlage 7 Programmeringsafspraken bedrijventerreinen Twente
vastgesteld bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a XL Businesspark 2
1687
1
Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio Twente 2023 t/m 2026
DEFINITIEF 1 april 2023
2
1 Inleiding Programmeringsafspraken: voortzetting bestaande samenwerking en werkwijze Voor u liggen de programmeringsafspraken bedrijventerreinen voor de regio Twente voor de periode 2023 tot en met 2026. Deze afspraken bouwen voort op de bestaande samenwerking van de Twentse gemeenten en de provincie in het Bestuurlijk Overleg Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Twente. In dit overleg hebben de deelnemers zich bij het opstellen van de eerste regionale programmeringsafspraken in 2017 tot doel gesteld om te streven naar een balans in vraag en aanbod van bedrijventerreinen (bestaand en nieuw) en te voorzien in de (boven)regionale en de lokale vraag naar ruimte voor nieuwvestiging en/of uitbreiding. Daarmee dragen we namelijk bij aan waarde behoud van bedrijventerreinen en een zuinig en zorgvuldig gebruik van de kostbare ruimte in onze regio. Omdat dit bij uitstek om een gezamenlijke inspanning vraagt – de economische dynamiek gaat immers over gemeentegrenzen heen – maken de gemeenten en de provincie periodiek regionale programmeringsafspraken over de ontwikkeling van bedrijventerreinen en de kaders die daarbij gelden. Ten tijde van de eerste programmeringsafspraken in 2017 stonden het voorkomen van overaanbod aan nieuwe plannen en de wettelijke vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking centraal.
Op hoofdlijnen houdt de Ladder in dat de gemeenten de vraag voor nieuwe bedrijventerreinontwikkelingen volgens een vast stramien moeten onderbouwen, en dat aangetoond moet worden dat deze vraag niet gefaciliteerd kan worden binnen bestaande plannen elders in de regio. De afgelopen jaren is gebleken dat de regionale programmeringsafspraken het opstellen van deze onderbouwing sterk vergemakkelijken en dat op die manier snel en adequaat kan worden ingespeeld op de actuele vraag vanuit de markt. Door snel en sterk veranderde marktomstandigheden – o.a. economische groei, toenemende vraag naar grotere kavels en schaarste in het midden en westen van het land – is de situatie gekanteld. Er zijn nu juist zorgen over de beschikbaarheid van bedrijventerreinen in alle segmenten: klein- en grootschalig, lokaal en regionaal. We zien dat economische groei en de ontwikkeling van een lineaire economie naar een circulaire economie leidt tot een nieuwe ruimtevraag, nieuwe businessmodellen en andere locatiekeuzes en -eisen van bedrijven. Tegelijkertijd staan we voor grote maatschappelijke opgaven die hun weerslag hebben op de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, zoals de klimaatopgave en de opgaven rondom bodem en water. Daarnaast zijn er meer functies die ruimte vragen – o.a.
woningbouw, energie, landbouw en natuur – en dat dwingt ons steeds vaker om keuzes te maken en slimmer om te gaan met de ruimte die er is. Al deze ontwikkelingen vragen om regionale programmeringsafspraken met een vernieuwde insteek: adaptief, flexibel en ambitieus. We hebben behoefte aan een regionale lijn om antwoord te geven op de grotere vraagstukken, maar moeten ruimte hebben voor lokaal maatwerk en afwegingen en ook snel in kunnen springen op veranderende wet- en regelgeving. Deze nieuwe regionale programmeringsafspraken voorzien daarin. Behoud van een gezonde balans tussen vraag en aanbod als basis voor een krachtige regionale en lokale economie is nog steeds een uitgangspunt, maar daarnaast ligt de nadruk op de ambitie van de gemeenten om toekomstbestendige bedrijventerreinen te ontwikkelen en ondernemers te kunnen bedienen. Programmeringsafspraken: resultaat van een gezamenlijk proces Deze programmeringsafspraken zijn het resultaat van een gezamenlijk proces van de Twentse gemeenten en de provincie Overijssel, onder begeleiding van Stec Groep. Aan de basis van de afspraken liggen het analyserapport ‘Behoefteraming bedrijventerreinen Overijssel’, een advies van de Stichting Building for Good, en het Fundament van de Provinciale Omgevingsvisie.
De programmeringsafspraken zijn in de periode van september 2022 t/m februari 2023 uitgewerkt tijdens diverse regionale ambtelijke en bestuurlijke overleggen en meerdere themawerksessies en een marktpanel (bedrijfsleven, HMO en Saxion).
3
Samen aan de slag met een regionale ruimtelijk-economische visie Gedurende het opstellen van deze regionale programmeringsafspraken zijn we tot de constatering gekomen dat een ruimtelijk-economisch toekomstbeeld van de regio ontbreekt: hoe geven we ruimtelijk invulling aan onze economische ambities, welke bedrijven willen we wel en niet kunnen huisvesten en onder welke voorwaarden, en wat zijn dan in onze regio de beste ontwikkellocaties voor deze bedrijven? In deze programmeringsafspraken zijn we al een richting ingeslagen voor de beantwoording van deze vragen, maar een uitgewerkt antwoord hierop geeft ons de handvatten om de afspraken de komende jaren verder in te kleuren. Daarom spreken we als eerste af om met de gemeenten en provincie gezamenlijk een ruimtelijk-economische visie voor de regio op te stellen. Wanneer deze ruimtelijk-economische visie vervolgens aanleiding geeft om de inhoud van deze regionale programmeringsafspraken te herzien, doen we dit.
4
2
Context Fundament van de Provinciale Omgevingsvisie De grote opgaven voor verstedelijking, mobiliteit, landbouw, natuur, klimaat en de energietransitie leiden tot nieuwe beleidsinzichten bij zowel het Rijk, provincies als gemeenten. Deze onderwerpen komen terug in de omgevingsvisies van gemeenten, verstedelijkingsstrategieën, de NOVI en NOVEX, en ook in de nieuwe Provinciale Omgevingsvisie1. De provincie Overijssel heeft de uitgangspunten en beleidsprincipes voor de grote opgaven vastgelegd in het Fundament van de Provinciale Omgevingsvisie, dat als voorgenomen beleid is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Voor de (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen zijn hierin de volgende principes opgenomen:
-
Maximaal benutten van bestaande locaties (inbreiding); Sturen op het verbeteren van het bodem- en watersysteem; Sturen op duurzaamheid en een gezonde leefomgeving; Sturen op het clusteren van grootschalige bedrijvigheid op goed bereikbare, multimodale locaties.
Hierbij staat voorop dat er ruimte is voor economische ontwikkeling op duurzame en toekomstbestendige werklocaties als basis voor een optimaal economisch vestigingsklimaat. Meer specifiek zijn in het Fundament van de Provinciale Omgevingsvisie de volgende beleidskeuzes opgenomen die richtinggevend zijn voor deze nieuwe programmeringsafspraken: -
We werken mee aan grootschalige nieuwe bedrijventerreinen voor kavelgrootte > 5 ha als de sociaaleconomische regionale meerwaarde is aangetoond (ja, mits); We werken niet mee aan nieuwe bedrijventerreinen voor datacentra > 5 ha, tenzij de sociaaleconomische regionale meerwaarde is aangetoond (nee, tenzij); We hanteren ‘clustering’ als uitgangspunt voor nieuwe terreinen voor grootschalige kavels >5 ha op de regionale (multimodaal bereikbare) bedrijventerreinen in stedelijk gebied gelegen aan de corridors A1/A35 en A28; We werken mee aan nieuwe bedrijventerreinen voor regionale en lokale ruimtevraag voor kavelgrootte < 5 ha als de actuele marktvraag is aangetoond en herontwikkeling van bestaande locaties is uitgesloten; We maken regionale afspraken over de kwaliteitseisen aan de fysiek-ruimtelijke inpassing om en op nieuwe bedrijventerreinen zodat de ruimtelijke impact zo klein mogelijk is; We maken regionale afspraken over vergelijkbare ontwikkel- en uitgiftevoorwaarden op het vlak van energie, klimaat, groen, circulariteit, duurzame brandstof, voorzieningen (o.a. parkeren, huisvesting arbeidsmigranten), verplicht lidmaatschap parkmanagement en koppeling tussen oude en nieuwe locaties.
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking2 is een motiveringsvereiste voor ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. De Ladder is er om het risico op overaanbod te beperken en onnodig ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan. De motivering van de Ladder moet worden opgenomen in het bestemmings- of omgevingsplan. In de huidige wetgeving is de Ladder opgenomen in artikel 3.1.6. lid 2 Bro en luidt als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
1 https://www.overijssel.nl/onderwerpen/omgeving/omgevingsvisie-overijssel/op-weg-naar-een-nieuwe-omgevingsvisie/ 2 https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/gebiedsontwikkeling/ladder-duurzame/handreiking-ladder/
5
De Ladder is van toepassing op vrijwel ieder plan voor een nieuw bedrijventerrein. Dat betekent dat de behoefte aan dit plan gemotiveerd moet worden volgens de gebruikelijke richtlijnen en jurisprudentie. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een uitgebreidere motivering vereist waarin wordt ingegaan op de vraag waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Didam-arrest In november 2021 heeft de Hoge Raad het zogenaamde Didam-arrest gewezen. Dit arrest bepaalt dat overheidsorganen ook bij het uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, in acht dienen te nemen. Uit dit gelijkheidsbeginsel volgt dat een overheid bij de uitgifte van een onroerende zaak, waaronder bouwkavels voor bedrijven, alle (potentiële) gegadigden een gelijke kans moet bieden. Dat betekent dat een voornemen tot bijvoorbeeld de verkoop van bouwkavels voor bedrijven tijdig openbaar bekend moet worden gemaakt en dat er vooraf objectieve, redelijke en toetsbare criteria worden geformuleerd op basis waarvan, bij meerdere gegadigden voor dezelfde bouwkavel, een keuze wordt gemaakt wie de eerste optie tot koop (of huur of erfpacht) krijgt. Voor de exacte reikwijdte en uitzonderingsregels verwijzen we naar het advies van de landsadvocaat 3.
3 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/01/10/factsheet-didam-arrest---advies-van-landsadvocaat 3 https://vng.nl/nieuws/handreiking-over-gronduitgifte-na-didam-arrest
6
3
Afspraken
Werkwijze voor adaptief programmeren 1.
De programmering4 is opgebouwd uit plannen waarvan we vinden dat deze de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio5 op een goede manier invullen. Ofwel, dat het gaat om ontwikkelingen die toekomstbestendig zijn en die bijdragen aan het realiseren van de regionale economische ambities. Deze programmering bestaat uit een overzicht van plannen die een verschillende (kleuren)status hebben: -
-
-
Groen: het plan heeft kwantitatief en kwalitatief bestuurlijke instemming verkregen conform de programmeringsafspraken, de betreffende gemeente voldoet daarmee aan het onderdeel programmering binnen de ruimtelijk en juridisch planologische procedures; Geel: het plan heeft (eventueel onder voorwaarden) kwantitatief bestuurlijke instemming verkregen conform de programmeringsafspraken, maar de invulling van de kwalitatieve afspraken moeten nog bestuurlijk regionaal afgestemd worden; Oranje: het plan is nog niet akkoord en moet zowel kwantitatief als kwalitatief nog regionaal afgestemd worden.
De programmering wordt ieder half jaar geactualiseerd en vastgesteld in het regionale bestuurlijke overleg. Op die manier hebben we een doorlopend en actueel overzicht van plannen die in de pijplijn zitten. De gemeenten zijn hierbij gezamenlijk verantwoordelijk voor het op groen, geel en oranje zetten van nieuwe plannen. Het is aan het regionaal bestuurlijk overleg om daar, aan de hand van deze afspraken, een gedeeld oordeel over te vormen. 2.
We zetten in op het zoveel mogelijk faseren van ontwikkelingen, zodat er ruimte blijft in de programmering en er flexibel ingespeeld kan worden op veranderende marktomstandigheden, acute principeverzoeken en nieuwe initiatieven. Op die manier wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte in de regio en wordt voorkomen dat Ladder voor duurzame verstedelijking een obstakel gaat vormen doordat er overaanbod ontstaat. Als richtlijn voor fasering gaan we uit van een maximale omvang van 10 hectare netto per ontwikkelfase, maar daarvoor kan per individueel plan gemotiveerd van worden afgeweken.
3.
Een plan met een totale netto omvang ≥ 3 hectare wordt afgestemd in het regionaal bestuurlijk overleg, zodat daar een besluit kan worden genomen over of deze ontwikkeling op ‘geel’ en vervolgens ‘groen’ komt te staan in de regionale programmering.
4.
Voor een plan met een totale netto omvang < 3 hectare hoeft enkel een melding te worden gemaakt in het regionaal bestuurlijk overleg, zodat deze opgenomen kan worden in de programmering. Op die manier kunnen we bij kleinere plannen sneller schakelen. Daarbij mogen gemeenten op elkaar vertrouwen dat een dergelijk plan wel aan alle afspraken over kwaliteit uit deze programmeringsafspraken (afspraak 6 t/m 8) voldoet.
5.
Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op ‘geel’ of ‘groen’ gezet te worden, wordt geaccordeerd als geen van de gemeenten een tegenstem heeft uitgebracht. Indien één of meerdere gemeenten tegen een verzoek stemt om een plan op ‘geel’ of ‘groen’ te zetten, bepaalt de provincie of het plan wordt aangehouden of dat het alsnog op ‘geel’ of ‘groen’ komt te staan.
4 Deze programmering is, als halfjaarlijks te actualiseren overzicht, opgenomen in hoofdstuk 4 van deze afspraken. 5 Zie hiervoor het overzicht in de bijlagen van deze afspraken.
7
Afspraken over kwaliteitsambities 6.
We streven naar toekomstbestendige bedrijventerreinen, met een kwaliteitsniveau dat aansluit bij de landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid en daaruit volgende wet- en regelgeving. Daarmee dragen we bij aan een goed vestigingsklimaat voor de bedrijven in onze regio. Deze stip op de horizon hebben we geoperationaliseerd in een overzicht van ambities voor nieuwe bedrijventerreinontwikkelingen, zie bijlage C. Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op ‘groen’ gezet te worden, wordt voorzien van een toelichting op hoofdlijnen over hoe op deze ambities zal worden gestuurd. Wanneer een ambitie om welke reden dan ook als niet geheel haalbaar is voor het betreffende plan, motiveert de betreffende gemeente waarom dat het geval is.
7.
Het bodem- en watersysteem is sturend voor de locatie en ruimtelijke invulling van plannen. Hierbij staan vier principes centraal. De toepassing van deze principes vraagt om maatwerk per plan en de afweging hiervoor wordt op zijn minst gemaakt op het schaalniveau van de gemeente die het plan opstelt. Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op ‘groen’ gezet te worden, wordt voorzien van een toelichting op hoofdlijnen over hoe aan deze principes zal worden voldaan: -
8.
Problemen omtrent het bodem- en watersysteem worden bij ontwikkelingen niet afgewenteld in ruimte, tijd en geld, maar opgelost in de gebiedsontwikkeling zelf; Functies volgen het bodem- en watersysteem, zodat wordt voorkomen dat situaties op lange termijn niet houdbaar of aanpasbaar zijn; Er wordt gekozen voor een aanpasbare inrichting, waarin rekening wordt gehouden met de (klimaat)omstandigheden in het gebied voor langere termijn; Kansen voor herstel van de natuurlijke situatie worden benut, zodat bodemdaling, uitputting van ecosystemen en kwaliteitsverslechtering van de natuur wordt tegengegaan; Verstoor de bodem zo min mogelijk en verwerk grond zoveel mogelijk lokaal en hoogwaardig.
In het verlengde van voorgaande afspraak, vermijden we voor nieuwe plannen zoveel als mogelijk locaties die buitendijks, in het laagste punt van een polder en in de beekdalen liggen.
Afspraken over uitgifte 9.
We hanteren een marktconforme grondprijs voor onze bedrijventerreinen.
10. We bespreken met ondernemers met een nieuwbouwvraag actief in hoeverre de beoogde plannen ook gerealiseerd kunnen worden door middel van het toekomstbestendig maken en/of beter benutten van de bestaande kavel van het betreffende bedrijf, en faciliteren hen hier zoveel als mogelijk in. Daarmee houden we de kwaliteit van de bestaande bedrijventerreinen op peil. 11. Het Didam-arrest vraagt ons om bij de verkoop van nieuwe kavels een transparant proces in te richten, waarbij we, in het geval er meerdere geïnteresseerden zijn voor dezelfde kavel, aan de voorkant op basis van heldere toetsingscriteria duidelijk moeten maken hoe we kiezen welke potentiële koper de eerste optie tot koop (of huur of erfpacht) krijgt. We vinden het verstandig om daarvoor als gemeenten gezamenlijk in de basis dezelfde lijst criteria te hanteren. Door uniform te werken maken we het gronduitgifteproces voor de bedrijven in onze regio duidelijk en minder complex. Daarom hebben we richtlijnen voor dergelijke toetsingscriteria uiteengezet in bijlage D. Het is aan iedere gemeente waarin de ontwikkeling wordt gerealiseerd om deze richtlijnen nader uit te werken en een plek te geven in het gronduitgiftebeleid en -proces.
8
Afspraken over kwantiteit 12. Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op ‘geel’ of ‘groen’ gezet te worden, moet zijn voorzien van een goede onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking6, met inachtneming van de nadere invulling die hieraan wordt gegeven in de provinciale omgevingsverordening. 13. De cijfers uit de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen (en uiteengezet in bijlagen A en B van deze programmeringsafspraken) vormen in beginsel de kaders voor de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Aanvullend kan op basis van een gedegen lokaal of regionaal onderzoek een nader gespecificeerde uitbreidingsvraag, vervangingsvraag of additionele vraag onderbouwd worden. Van een dergelijk onderzoek wordt verwacht dat deze dezelfde rekenmethode hanteert als de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen, en dat expliciet wordt gemaakt hoe de resultaten zich verhouden tot de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen. 14. In een onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking worden altijd expliciet de Ladder-risico’s voor andere gemeenten afgewogen. Wanneer de nieuwe ontwikkeling enkel bedrijven met een individuele kavelomvang van < 3 hectare netto faciliteert, hoeven enkel de Ladder-risico’s voor de aangrenzende gemeenten te worden afgewogen.
Wanneer de nieuwe ontwikkeling bedrijven met een individuele kavelomvang van ≥ 3 hectare netto faciliteert, dienen de Ladder-risico’s voor de regio als geheel te worden afgewogen7. Overige afspraken 15. We spreken af om halfjaarlijks het overzicht van transformatieplannen te actualiseren en vast te stellen in het regionale ambtelijke en bestuurlijke overleg, zodat er doorlopend een actueel overzicht beschikbaar is van de potentieel te programmeren vervangingsvraag. 16. Binnen een jaar na ondertekening van deze programmeringsafspraken starten de gemeenten en de provincie Overijssel gezamenlijk een onderzoek naar de mogelijkheden tot intensivering en beter benutten van het bestaande bedrijventerreinenareaal, teneinde meer zicht te krijgen op de mogelijkheden hiertoe, de termijn waarbinnen dit welk resultaat op kan leveren, en welk instrumentarium kan worden ingezet om ook daadwerkelijk resultaat te boeken. De mogelijkheden die voortkomen uit het hiervoor genoemde onderzoek worden door de gemeenten in het vervolg altijd afgewogen in de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking voor nieuwe plannen. 17. In het regionaal ambtelijk en bestuurlijk overleg (en eventueel in aanvullende bijeenkomsten) worden actief kennis en ervaringen uitgewisseld rondom het toekomstbestendig maken, intensiveren en beter benutten van bedrijventerreinen.
Op die manier wordt voorkomen dat iedere gemeente zelf het wiel moet uitvinden en profiteren we van de onderlinge samenwerking. De provincie organiseert en faciliteert deze bijeenkomsten. Om het goede inhoudelijke gesprek met elkaar te kunnen voeren en het hiervoor genoemde leerdoel te bereiken, leggen we plannen met een netto omvang ≥ 3 hectare voor aan een Commissie van Expertise en Advies (CEA). Het exacte moment van voorleggen is aan de gemeente, maar gebeurt in ieder geval voordat instemming wordt gevraagd om een plan op ‘groen’ te zetten. De CEA geeft een eenmalig, niet-bindend advies over de wijze waarop in het plan invulling is gegeven aan de in deze regionale programmeringsafspraken geformuleerde kwaliteitsambities, en doet eventueel aanbevelingen voor de nadere uitwerking hiervan bij het opstellen van het definitieve plan dat aan de regio wordt voorgelegd om de status ‘groen’ te krijgen. Het advies van de CEA wordt in het regionaal ambtelijk en bestuurlijk overleg met de andere gemeenten gedeeld.
6
https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/gebiedsontwikkeling/ladder-duurzame/handreiking-ladder/
7 Voor zeer grootschalige ontwikkelingen – die een doelgroep van bedrijven met een omvang ≥ 5 hectare netto faciliteren – gelden aanvullend de
landelijke en provincie richtlijnen die mogelijk nog volgen uit het landelijke traject ‘Grip op grootschalige bedrijfsvestigingen’, waarin interprovinciale afspraken worden gemaakt over de wijze waarop grootschalige ruimtevraag de komende jaren wordt gefaciliteerd in Nederland.
9
Op dit moment is de samenstelling van deze Commissie van Expertise en Advies nog niet bekend. De gemeenten en provincie spreken af binnen een half jaar na ondertekening van deze afspraken een commissie van ten minste drie personen te hebben ingesteld. Tot het moment dat deze Commissie van Expertise en Advies is ingesteld, worden de programmeringsafspraken getoetst door het regionaal bestuurlijk overleg zelf. 18. Binnen een jaar na ondertekening van deze programmeringsafspraken starten de gemeenten, de provincie gezamenlijk een onderzoek naar de wenselijkheid, mogelijke opzet, inhoud en governance van een regionaal fonds ten behoeve van het toekomstbestendig maken, intensiveren en beter benutten van het bestaande bedrijventerreinareaal. 19. Binnen een half jaar na ondertekening van deze programmeringsafspraken stellen de gemeenten en de provincie gezamenlijk een sjabloon/format op, dat voor de regionale ambtelijke en bestuurlijke overleggen wordt gebruikt voor de onderbouwing van de kwantitatieve afspraken en beschrijving van de wijze waarop de gemeenten invulling geven aan de kwaliteitsambities.
10
4
Programmering
Hieronder is de programmering van nieuwe plannen opgenomen voor de komende jaren. Dit is een dynamisch overzicht, dat halfjaarlijks bij het regionaal bestuurlijk overleg wordt geactualiseerd. Op die manier hebben we een doorlopend overzicht van plannen die in de pijplijn zitten. Het overzicht bevat alle plannen die op ‘geel’ en ‘oranje’ staan. Plannen die op ‘groen’ staan komen ook in onderstaande tabel voor, wanneer het bestemmings-/omgevingsplan voor deze ontwikkeling nog niet onherroepelijk is. Op het moment dat het bestemmings-/omgevingsplan voor deze ontwikkeling onherroepelijk is, worden een ‘groen’ plan overgeheveld naar de lijst van harde plannen (bijlage A, tabel 4). Tabel 1: Overzicht regionale programmering van nieuwe plannen Gemeente