14.3 APV 2021 - Bijlage 3 - Tabel met overzicht van de wijzigingen.pdf
Tekst van het document
Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven; en b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening of de Waterschapsverordening. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
AFDELING 12. BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN
Afdeling 12. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Begripsbepaling
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan: de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.
betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde adressen; 3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Gereserveerd.
Vervallen.
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven
Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32.
Vervallen.
AFDELING 13. VUURWERK
Afdeling 13. Vuurwerk en carbidschieten
Toelichting op de wijzigingen Deze artikelen zijn in december 2020 gewijzigd op advies van de Veiligheidsregio gelet op de destijds
geldende Coronamaatregelen. Het afsteken van vuurwerk was in de jaarwisseling van 2020-2021 in zijn geheel niet toegestaan en carbid was, onder strengere voorwaarden, wel toegestaan. Deze wijzigingen worden, met de wijziging van de APV, weer ongedaan gemaakt en worden in overeenstemming gebracht met hoe de artikelen luidden voor de wijziging van de APV in december 2020. Er zijn een aantal marginale wijzigingen doorgevoerd: bij de definitie van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ wordt vanaf heden verwezen naar de definitie zoals in het Vuurwerkbesluit (voorheen was de uitgebreidere titel van het Vuurwerkbesluit vermeld; artikel 2:71), de betekenis van de begrippen ‘carbidschieten’ en ‘melkbus’ is verplaatst naar artikel 2:73a) en in artikel 2:73b is het eerste lid taal-technisch wat duidelijker opgebouwd (bijvoorbeeld onder a: niet 1 liter, maar één liter). Daarbij is de inhoud hetzelfde gebleven, met uitzondering van de wijziging van 24.00 uur naar 23.59 uur, omdat 24.00 geen bestaand tijdstip is (eerste lid). APV voor Corona Artikel 2:71 Begripsbepalingen
Huidige APV Artikel 2:71 Begripsbepalingen
Nieuwe APV Artikel 2:71 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: consumentenvuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit.
APV voor Corona Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van vuurwerk
Huidige APV Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Nieuwe APV Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.
1. Het is verboden in de uitoefening van een (neven)bedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
APV voor Corona Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Huidige APV Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Nieuwe APV Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op
1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op
1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in
In deze afdeling wordt verstaan onder carbidschieten: a. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbide, CaC2) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. b. bus: een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp.
een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
APV voor Corona Artikel 2:73a Verbod carbidschieten
Huidige APV Artikel 2:73a Begripsbepaling
Nieuwe APV Artikel 2:73a Begripsbepalingen
Carbidschieten in de open lucht is verboden.
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp; b. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen.
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp; b. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of van een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen.
APV voor Corona Artikel 2:73b Vrijstelling verbod
Huidige APV Artikel 2:73b Vrijstelling verbod
Nieuwe APV Artikel 2:73b Verbod en vrijstelling carbidschieten
1. Het verbod gesteld in artikel 2:73a geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur, mits: a. daarbij gebruikt wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 1 liter; b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt het verbod gesteld in
1. Carbidschieten in de open lucht is verboden. 2. Het in het eerste lid gestelde geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 en 16.00 uur buiten de bebouwde kom, mits: a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 30 liter; b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; c. degene die het carbidschieten
1. Het is verboden carbid te schieten. 2. Het verbod om carbid te schieten is niet van toepassing als het carbidschieten plaatsvindt binnen de bebouwde kom en aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 23.59 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur; b. daarbij gebruik wordt gemaakt van bussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang/inhoud van ten hoogste één liter; en c. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat
artikel 2:73a eveneens niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december 10.00 uur en 24.00 uur en op 1 januari 00.00 uur en 02.00 uur buiten de bebouwde kom, mits: a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 50 liter; b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; c. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten; d. de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen: 1. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing; 2. op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg; 3. op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; 4. op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied; e. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; f. het vrijschootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen; g. er geen busdeksels of andere gevaarzettende voorwerpen worden weggeschoten; h.
het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt; i. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal; j. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar
verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten; d. de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen: 1. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing; 2. op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg; 3. op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; 4. op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied; e. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; f. het vrijschootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen; g. er geen busdeksels of andere gevaarzettende voorwerpen worden weggeschoten; h. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt; i. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal; j. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan zes bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden; k.
de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; l. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door
daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving. 3. Het verbod om carbid te schieten is eveneens niet van toepassing als het carbidschieten plaatsvindt buiten de bebouwde kom en aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 23.59 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur; b. daarbij gebruik wordt gemaakt van bussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang/inhoud van ten hoogste 50 liter; c. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; d. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten; e. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen; i. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing; ii. op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; iii. op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; iv. op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied. f.
het carbidschieten vindt plaats in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen en de toeschouwers zich bevinden; g. het vrije schootsveld is minimaal 75 meter en hierin liggen geen verharde openbare wegen of paden; h. er worden geen busdeksels of soortgelijke gevaarzettende voorwerpen gebruikt of weggeschoten; i. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan veroorzaken; j. het terrein van waaraf wordt geschoten
het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden; k. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; l. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; n. het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.
ten minste één persoon van ten minste 18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; n. hiervan ten minste 48 uur voorafgaand aan 31 december van gebruik melding is gedaan aan de burgemeester.
is afgezet met linten of ander vergelijkbaar materiaal; k. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen voor het carbidschieten worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden gehouden; l. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; m. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste zestien jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; n. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste achttien jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of andere psychotrope stoffen; o. het terrein van waaraf wordt geschoten goed is verlicht indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang.
APV voor Corona Artikel 2:73c Bij zich hebben van carbid
Huidige APV Artikel 2:73c Bij zich hebben van carbid
Nieuwe APV Artikel 2:73c Verbod bij zich hebben van carbid
1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 uur en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 en 16.00 uur. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 uur en 23.59 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.
APV voor Corona Artikel 2:73d Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling
Huidige APV Artikel 2:73d Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling
Nieuwe APV Artikel 2:73d Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling
Het bevoegde bestuursorgaan kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer gedeelten van de gemeente of een
De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen
De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming, een of meer gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde plaatsen aanwijzen waar
of meer bepaalde plaatsen aanwijzen waar het gestelde in artikel 2:73b lid 2 niet van toepassing is.
aanwijzen waar het gestelde in artikel 2:73b lid 2 niet van toepassing is.
het gestelde in artikel 2:73b, tweede lid, niet van toepassing is.
APV voor Corona Artikel 2:73e Ontheffing
Huidige APV Artikel 2:73e Ontheffing
Nieuwe APV Artikel 2:73e Ontheffing
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2:73b lid 1 gestelde verbod.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2:73b lid 1 gestelde verbod.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2:73b, eerste lid, gestelde verbod.
APV voor Corona Artikel 2:73f Toepasselijkheid
Huidige APV Artikel 2:73f Toepasselijkheid
Nieuwe APV Artikel 2:73f Toepasselijkheid
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
AFDELING 14. DRUGSOVERLAST
Afdeling 14. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
AFDELING 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen en gebiedsontzegging
Afdeling 15. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en 5:34 groepsgewijs niet naleven.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:50a, 2:73 en 5:34 groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen: a. parkeerterreinen; b. overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen;
1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid, als bedoeld in het eerste lid, eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a. parkeerterreinen; b. overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties vallen;
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste bijvoorbeeld 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uren niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. In het geval de burgemeester een gebiedsontzegging oplegt op vrijdagavond na 18.00 uur kan de burgemeester de gebiedsontzegging laten voortduren tot maandagochtend 06.00 uur. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht
worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen bijvoorbeeld zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Toelichting op de wijziging In het eerste lid van het huidige artikel 2:78 is ooit per abuis ‘bijvoorbeeld 24 uur’ opgenomen als tijdsduur voor een gebiedsontzegging. In de Model APV van de VNG is 24 uur als mogelijkheid opgenomen (vandaar dat er ‘bijvoorbeeld’ voor staat). De burgemeester kan hier zelf een tijdsduur invullen. Gelet op het feit dat 24 uren een relatieve korte duur betreft, is ervoor gekozen om de duur van de gebiedsontzegging te bepalen op ten hoogste 48 uren. Uit ‘ten hoogste’ blijkt dat de burgemeester er ook voor kan kiezen om een gebiedsontzegging op te leggen voor een kortere duur. Daarnaast is in het nieuwe artikel 2:78, eerste lid, laatste volzin, de mogelijkheid opgenomen voor de burgemeester om te bepalen dat een gebiedsontzegging die is opgelegd op vrijdagavond na 18.00 uur te laten voortduren tot maandagochtend 06.00. In het geval personen die op vrijdagavond al overlast veroorzaken binnen de gemeente Almelo een gebiedsontzegging krijgen opgelegd van 48 uren, zou dit betekenen dat de gebiedsontzegging eindigt op zondagavond. Dit is niet wenselijk. Het is juist de bedoeling dat dergelijke personen het gehele weekend geen overlast meer kunnen veroorzaken. Vandaar deze toevoeging. AFDELING 16. WOONOVERLAST EN ONDERMIJNING
Afdeling 16. Woonoverlast
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel 2:80 Sluiting van voor publiek openstaande gebouwen
Artikel 2:80 Sluiting van voor publiek openstaande gebouwen
1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/ of daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.
Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet of in het Preventie- en Handhavingsplan Drank- en Horecawet.
Vervallen (verplaatst naar artikel 2.5).
Toelichting op de wijziging De inhoud van dit artikel is ongewijzigd gebleven. Omdat dit artikel geplaatst stond in de afdeling ‘woonoverlast’ en dit artikel daar eigenlijk geen betrekking op heeft, is dit artikel verplaatst naar het begin van hoofdstuk 2 genaamd ‘openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu’. Afdeling 17. Ondermijning
Afdeling 17. Ondermijning
Artikel 2:81 Begripsomschrijvingen
Artikel 2:81 Begripsbepalingen
1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:81a Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid
Artikel 2:81a Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid
1. In het belang van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat of als er bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de burgemeester een gebied, straat, gebouw of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:81b van toepassing is. Een aanwijzing kan zich tot één of meer bedrijfsactiviteiten beperken 2. De burgemeester wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht geldt en geeft desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht worden verbonden. 3. De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar zijn oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken.
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat of als er bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven een gebied, straat, gebouw of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:81b van toepassing is. Een aanwijzing kan zich tot één of meer bedrijfsactiviteiten beperken. 2. De burgemeester wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht geldt en geeft desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht worden verbonden. 3. De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar zijn oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken.
Artikel 2:81b Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
Artikel 2:81b Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een door de burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester benoemde bedrijfsactiviteiten zoals bedoeld in artikel 2.81a.
Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in een door de burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester benoemde bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.81a.
Artikel 2:81c Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
Artikel 2:81c Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw
1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag kan hij verlangen dat
1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag kan hij verlangen dat
aanvullende gegevens worden overgelegd. 4. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
aanvullende gegevens worden overgelegd. 4. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen één maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2:81d Bijzondere weigeringsgronden
Artikel 2:81d Bijzondere weigeringsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren als: a. naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed of er om andere redenen sprake is van ondermijning door het bedrijf; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; f. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; g. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een gelden ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren als: a. naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed of er om andere redenen sprake is van ondermijning door het bedrijf; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; f. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; of g. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of bij of krachtens de Omgevingswet, of een omgevingsplan.
Artikel 2:81e Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging
Artikel 2:81e Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of h. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of i. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; j. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een gelden ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of h. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; i. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; of j. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een gelden ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een omgevingsplan.
Artikel 2:81f Bestaande bedrijven
Artikel 2:81f Overgangsbepaling bestaande bedrijven
Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:81b in werking treedt.
Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:81b in werking treedt.
Artikel 2:81g Sluiting bedrijf
Artikel 2:81g Sluiting bedrijf
1.Indien een bedrijf in strijd met artikel 2:81b wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:81e, sub a tot en met j, van toepassing is, kan de burgemeester voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten van het bedrijf bevelen. 2. Het is een ieder verboden een gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
1. De burgemeester kan, indien een bedrijf in strijd met artikel 2:81b wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:81e, onder a tot en met j, van toepassing is, het bedrijf voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Het is eenieder verboden een op grond van het eerste lid gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven of te laten verblijven. 3. De sluiting wordt tevens bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het bedrijf. 4. De sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de gronden, die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:82 t/m artikel 2:91 Vervallen.
Artikel 2:82 t/m artikel 2:91 Vervallen.
Hoofdstuk 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
Hoofdstuk 3. Toezicht op seksbedrijven
Afdeling 1. Begripsomschrijvingen en nadere regels
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksuele handeling: in ieder geval een aanraking van de geslachtsorganen welke niet medisch is en lust- of gemoedstoestand opwekkend is; d. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een inrichting voorzien van: een darkroom, een seksclub, een parenclub, een erotisch café, een prostitutiehotel, een privéhuis of een prostitutiebedrijf waaronder een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; e. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; f.
sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; g. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; h. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting, escortbedrijf of sexwinkel; i. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant;
Artikel 3:1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. advertentie: iedere commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een sekswerker onder de aandacht van het publiek brengt; b. beheerder: de natuurlijke persoon die met het feitelijk beheer en het dagelijks toezicht in een seksinrichting is belast of daartoe door de exploitant is aangesteld; c. escortbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig, dan wel in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, aan een sekswerker gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen sekswerker en klant; d. exploitant: de natuurlijke persoon of bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. klant: degene die tegen betaling seksuele diensten afneemt van een sekswerker; f. raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig, dan wel in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten plaatsvindt door een sekswerker die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; g.
seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig, dan wel in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, gelegenheid geven tot: - het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; of - het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling. Onder een seksbedrijf wordt in ieder geval verstaan: een escortbedrijf, seksinrichting, sekstheater, parenclub, seksclub, erotische massagesalon of een combinatie daarvan. h. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke al dan niet besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; i. sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; j. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan Verwijderd.
Artikel 3:4 Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf 1. Het is verboden een seksinrichting respectievelijk escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de burgemeester respectievelijk het college. 2. De burgemeester kan voor de exploitatie van maximaal drie seksinrichtingen vergunning verlenen, met dien verstande dat uitsluitend vergunning verleend kan worden voor de exploitatie van een seksinrichting die is gevestigd: a. aan de Markstraat aan de zijde van de oneven nummers, met een maximum van één seksinrichting; b. aan de Bornerbroeksestraat (zuidzijde) van de huisnummers 14 tot en met 28, met een maximum van één seksinrichting; c. in het gebied aan de Dollegoorweg zoals aangewezen in de bij deze verordening onder bijlage I opgenomen tekening, met een maximum van één seksinrichting gevestigd in maximaal drie woonschepen. 3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld, dan wel bij de aanvraag wordt in ieder geval gevoegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; d. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf; e. een plattegrond van de inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk het aantal werkruimten is aangegeven; f.
de plaatselijke en kadastrale ligging van de
Artikel 3:2 Vergunningplicht seksbedrijven
Dit artikel heeft een nieuwe inhoud gekregen, zie de tabel hieronder (rechterkolom)
Het is verboden een seksbedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Artikel 3:3 Maximumstelsel 1. De burgemeester kan voor maximaal drie seksbedrijven een vergunning verlenen, met dien verstande dat per seksinrichting maximaal één seksbedrijf is toegestaan. 2. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.
Artikel 3:5 Aanvraag en procedure vergunning 1. Bij de aanvraag van een vergunning voor een seksbedrijf wordt vermeld voor welke activiteit een vergunning wordt gevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. een geldig legitimatiebewijs van de exploitant; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; e. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
inrichting door middel van een situatietekening met f. het adres van de onder het seksbedrijf vallende een schaal van tenminste 1:1000; seksinrichting; g. ieder telefoonnummer dat in advertenties voor g. een lijst met telefoonnummers en/of websites waarmee cq. waarop de exploitatie zal plaatsvinden; het seksbedrijf zal worden gebruikt; h. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant h. het aantal werkzame prostituees; gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd i. een bedrijfsplan, waarin in ieder geval beschreven voor de uitoefening van het seksbedrijf; de maatregelen die waarborgen dat tegen de i. een indicatie van de omvang van het bedrijf; en prostituees geen enkele dwang wordt uitgeoefend j. een bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3:15. en die tevens de veiligheid van de prostituees 2. Indien een beheerder is aangesteld, is het eerste waarborgen. Het bedrijfsplan beschrijft tevens de lid, onder a, b, c en d, van overeenkomstige geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied toepassing op de beheerder. van beroepsgerelateerde ziektes ten behoeve van bij 3. De burgemeester kan aanvullende gegevens of het bedrijf werkzame prostituees; bescheiden verlangen. j. in geval van een seksinrichting, de door het college 4. De burgemeester stelt nadere regels vast ten afgegeven geschiktheidsverklaring; behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor k.
indien van toepassing een kopie van de Drank- en een vergunning in aanmerking te komen, waarbij in Horecavergunning; ieder geval regels worden gesteld betreffende: l. indien van toepassing de statuten van de a. de inhoud en de wijze van indiening van een betreffende rechtspersoon; aanvraag van een vergunning; m. indien van toepassing een bewijs van inschrijving b. de verdelings- en toekenningsprocedure bij de belastingdienst ten aanzien van loon-, van een vergunning. inkomsten- en/of omzetbelastingen, met bijbehorende BTW-nummer(s). 4. Het college kan aan het aantal te verlenen vergunningen voor een escortbedrijf een maximum verbinden. Toelichting op de wijziging Aan artikel 3:5 is een nieuw lid toegevoegd (vierde lid). Vanwege het in artikel 3:2, eerste lid, opgenomen maximumstelsel zijn de vergunningen voor een seksbedrijf zogenaamde ‘schaarse vergunningen’. Dit betekent dat het aantal (potentiële) aanvragers bij het vrijkomen van één van deze vergunningen groter kan zijn dan het aantal voor verlening beschikbare vergunningen. Artikel 3:4 Vergunning seksbedrijven 1. De vergunning wordt voor maximaal vijf jaar verleend. 2. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is locatie gebonden. Toelichting op de wijziging In het nieuwe artikel 3:4 is bepaald dat de vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor maximaal vijf jaar.