CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

12 Ontwerpbestemmingsplan Dr. Herderscheeschool.pdf

Raad 24 januari 2023, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W29.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het fiets- en wandelpadennetwerk van de regio dient tot een compleet systeem te worden uitgewerkt. Erfgoed langs het informele trage netwerk dient te worden benut om de toeristische aantrekkelijkheid te vergroten. ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

15

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Toetsing van het initiatief aan de 'Gebiedskenmerken' De grond in het plangebied is grotendeels in cultuur gebracht ten behoeve van de agrarisch gebruik. De van oorsprong voorkomende 'natuurlijke laag' is dan ook niet of nauwelijks meer aanwezig. Bij het treffen van de landschapsmaatregelen wordt uitgegaan van de huidige omgevingsfactoren, waarbij rekening wordt gehouden met 'natuurlijke' soorten. In het inrichtingsplan, bijgevoegd als Bijlage 1 PM, is rekening gehouden met de inpassing van streekeigen beplanting. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de gebiedskenmerken. Conclusie Het beoogde plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening. Dit bestemmingsplan voorziet in de nieuwbouw van de Dr. Herderscheeschool en is gelegen in een omgeving met verschillende stedelijke functies. De school voor speciaal onderwijs is geprojecteerd direct naast de bestaande scholen VSO De Veenlanden/SO De Wissel van dezelfde stichting SOTOG en draagt bij aan een clustering van deze functie op deze plek. Het stedenbouwkundig ontwerp is afgestemd op de bestaande omgeving en ook het groen in de openbare ruimte en landschappelijke inpassing wordt mee ontworpen. De herontwikkeling zal zich gaan voegen in de stempel van de bestaande omgeving. Voor de ladderonderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3.

Geconcludeerd wordt dat voorliggende ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040 De 'Omgevingsvisie voor de ideale gemeente Almelo 2020-2040 is op 29 september 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie gaat in op hoe de gemeente Almelo zich tot nu toe heeft gevormd en wat voor toekomst beoogd wordt. Het doel is een omgeving waarin zo goed mogelijk gewoond, gewerkt, gesport en ontspannen kan worden. Het betreft een dynamisch document, die bij de invoering van de Omgevingswet hier een onderdeel van zal vormen. In de omgevingsvisie worden vier verschillende gebieden omschreven, waarvoor ontwikkelingsrichtingen zijn opgenomen. Het betreffen het buitengebied, de bedrijventerreinen, wijken en dorpen en de binnenstad. In dit geval is met name de visie ten aanzien van wijken en dorpen relevant. Hierna wordt op deze visie ingegaan. De dorpen en wijken hebben een belangrijke functie. Dorpen en wijken moeten een fijne woonomgeving bieden. Ieder dorp en wijk heeft haar eigen sfeer, eigen voorzieningen en unieke sociale samenhang. Binnen het thema Wijken & dorpen spelen drie subthema's: <0000> Samen wonen en Samenleven: Bewoners hoeven idealiter hun wijk of dorp niet uit voor hun dagelijkse boodschappen en behoeften. In elk van deze leefgemeenschappen zijn en blijven de voorzieningen zo dichtbij mogelijk. De inwoners en de ondernemers versterken elkaar hierin.

<0000> Werken dichtbij huis: Veel wijken zijn rustig op doordeweekse dagen, wanneer de bewoners naar hun school of werk zijn vertrokken. Daarom wil de gemeente stimuleren op het werken in of dichtbij huis. Ideaal voor zzp’ers en startups, die (nog) geen grote werkruimte nodig hebben. Of die elkaar juist graag opzoeken en een leegstaand pand in de wijk omvormen tot verzamelgebouw. <0000> Via klimaatbestendig naar energieneutraal: Zoals heel Nederland maakt ook de gemeente Almelo de woningen voor 2050 aardgasvrij. Deze wijken worden gerealiseerd in samenwerking met de bewoners. Zoals het plaatsen van zonnepanelen, installeren van een warmtepomp of isoleren van vloer, muren, ramen en dak. Maar ook het vergroenen van daken en ‘ontstenen’ van de tuin, want elke vergroening draagt bij aan de gezamenlijke klimaatbestendigheid en biodiversiteit.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

16

NL.IMRO.0141.00147-BP21

3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke Omgevingsvisie Onderhavige ontwikkeling past binnen de thema's en ambities die in de omgevingsvisie voor de Wijken & dorpen zijn vastgelegd. De nieuwbouw van de school voor speciaal onderwijs draagt bij aan een omgeving waarin zo goed mogelijk gewoond, gewerkt, gesport en ontspannen kan worden. Deze functie past bij de voorzieningen die horen bij de stad, het voorziet zelfs in een regionale behoefte. Door nieuwbouw wordt er een duurzamer gebouw gerealiseerd dat voldoet aan de eisen van deze tijd. Door gebruik te maken van de gymvoorziening met behandelruimten van de naastgelegen VSO De Veenlanden/SO De Wissel kunnen deze bestaande faciliteiten optimaal worden benut. De ontwikkeling past binnen de functionele structuur van de omgeving.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

17

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de onder andere de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, het Besluit milieueffectrapportage en fysieke veiligheid.

4.1 Besluit milieueffectrapportage 4.1.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: <0000> Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. <0000> Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). <0000> Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..

Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.1.2 Beoordeling Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde planologische kaders voor het realiseren van een schoolgebouw. In het kader van deze ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening voor de realisatiefase en de gebruiksfase uitgevoerd.

Uit deze berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, deze is als Bijlage 2 opgenomen. Er is dan ook geen sprake van aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

18

NL.IMRO.0141.00147-BP21

te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: <0000> een oppervlakte van 100 hectare of meer, <0000> een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of <0000> een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 4.1.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Uit de opgestelde vormvrije MER-beoordeling blijkt dat er geen significante nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.2 Verkeer en parkeren 4.2.1 Verkeer Het plan voorziet in de realisatie van een schoolgebouw direct naast de bestaande VSO De Veenlanden/SO De Wissel aan de Vriezenveenseweg 229 te Almelo. Omdat het plangebied nu een agrarische bestemming heeft, zal deze ontwikkeling een verkeerstoename als gevolg hebben. Deze verkeerstoename is bepaald op basis van kencijfers van het CROW zoals opgenomen in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen', (2018). Het CROW kent echter geen verkeersgeneratiecijfers voor basis (van het speciaal onderwijs). Deze kunnen eenvoudig bepaald worden aan de hand van de benodigde opstelruimte voor taxibussen (x 4; ’s morgens en ’s middags een heen- en terugrit) en parkeerruimte voor ouders (x 4, idem) en personeel (x 2; ’s morgens een heenrit en ’s middags een terugrit). De verkeersgeneratie voor de Dr. Herderscheeschool bedraagt dan: (22+35) x 4 + 14 x 2 = 256. De verwachting is dat door de toename van het aantal verkeersbewegingen geen knelpunten ontstaan. De extra verkeersbewegingen gaan op in het huidige verkeersbeeld. 4.2.2 Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Almelo is vastgelegd in de ‘Parapluherziening parkeren’ en het parkeerbeleidsplan 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018'.

Als richtlijn voor de parkeernormering wordt gebruik gemaakt van de op dat moment geldende CROW-publicatie voor de parkeerkencijfers. Om de parkeerkencijfers van de CROW ook als parkeernormen vast te leggen, heeft het college van de

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

19

NL.IMRO.0141.00147-BP21

gemeente Almelo op 9 februari 2021 de ’Herschreven beleidsregel parkeernormen Almelo’ vastgesteld. Deze beleidsregel is op 1 maart 2021 in werking getreden. Voor de nieuwbouw van de school is een parkeerbehoefte van ten minste 49 parkeerplaatsen en 22 opstelplaatsen voor taxibussen. Binnen het plangebied worden 14 parkeerplaatsen en 22 opstelplaatsen voor taxibussen op openbaar terrein gerealiseerd. Daarnaast biedt het naastgelegen bestaande parkeerterrein van VSO De Veenlanden/SO De Wissel vrije parkeerruimte voor 35 personenauto’s op momenten dat de school in- en uitgaat. Er worden derhalve voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm. 4.2.3 Conclusie De realisatie van de school heeft een verkeerstoename tot gevolg welke op een goede manier kan worden afgewikkeld op de bestaande wegen. De ontwikkeling leidt ook tot een toename van de parkeerbehoefte, waarin deels op eigen terrein en deels op het naastgelegen parkeerterrein wordt voorzien. Daarnaast zijn er in de nabijheid van het plangebied voldoende duurzame transportmogelijkheden, zoals het openbaar vervoer en de (elektrische) fiets.

4.3 Geluid 4.3.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail-, wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De geplande school wordt op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt ingegaan op het aspect wegverkeerslawaai. De aspecten railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn of gezoneerd bedrijventerrein is gelegen. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.4 (bedrijven en milieuzonering).

4.3.2 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 m

250 m

3 of 4 rijstroken

350 m

400 m

5 of meer rijstroken

350 m

600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor wegen die zijn aangeduid als woonerf en/of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). De wegen in de omgeving van het

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

20

NL.IMRO.0141.00147-BP21

plangebied bestaan allen uit 1 of 2 rijstroken in stedelijk gebied, zodat de wettelijke geluidszone 200 m bedraagt. Het ter plaatse optredende geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer is gelegen tussen de 48 en 53 dB(A). Uitgaande van een minimale gevelisolatie van 20 dB(A) zoals ook vereist zullen de binnen niveaus aanvaardbaar zijn en voldoen aan de waarden zoals gesteld in ons gemeentelijke geluidsbeleid.

Figuur: geluidsniveau tgv wegverkeer

4.3.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Om een leefbare woonomgeving te waarborgen worden de ruimtelijk relevante milieu-invloeden van bedrijfsmatige activiteiten, in relatie tot de omgeving, beschreven. Vanuit deze doelstelling ligt in de woongebieden het accent op wonen en worden bedrijfsmatige activiteiten geweerd of ontmoedigd. Andersom ligt het accent in gebieden waar bedrijvigheid is toegestaan op activiteiten en wordt wonen niet direct toegestaan. Functiemenging van detailhandel en wonen, kan gewenst zijn voor zover deze niet leidt tot een onleefbare situatie en deze bedrijvigheid direct is gerelateerd aan de woonomgeving (bv. buurtsuper, schoolgebouw). 4.4.1 Wijze van beoordelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: <0000> ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; <0000> rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen te kunnen maken, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden in de publicatie gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met een milieucategorie verlaagd worden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.4.2 Onderzoek In de beoogde situatie wordt een school gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

In de omgeving van het plangebied staan woningen en zijn diverse maatschappelijke functies aanwezig. De directe omgeving kan worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Het woon en zorggebied ten westen van het plangebied kan worden omschreven als rustig.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

21

NL.IMRO.0141.00147-BP21

De voorgenomen school kan worden ingedeeld als een categorie 2 inrichting met een richtafstand van 30. Aan deze richtafstanden word ruimschoots voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbare activiteit in relatie tot haar omgeving. In en om het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die een negatieve invloed hebben op de te realiseren school of belemmerd zouden kunnen worden in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het gewenste plan in het kader van milieuzonering in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.5 Fysieke veiligheid 4.5.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: <0000> bereikbaarheid; <0000> opkomsttijd; <0000> bluswatervoorziening; <0000> sirenedekking. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden. De Veiligheidsregio Twente heeft in het kader van dit bestemmingsplan advies uitgebracht. De adviezen over bereikbaarheid, opkomsttijd, bluswatervoorziening en sirenedekking zijn bij de betreffende onderwerpen onder beoordeling beschreven. 4.5.2 Bereikbaarheid 4.5.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019. Hierbij wordt beoordeeld of: <0000> de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; <0000> een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; <0000> of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. 4.5.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

22

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Voor het object geldt dat er voldoende mogelijkheden moeten zijn om de brandweervoertuigen op te stellen binnen de daarvoor geldende afstand. Waar de opstelplekken gerealiseerd moeten worden hangt onder andere af van de brandpreventieve voorzieningen aan het gebouw. Daarnaast wordt geadviseerd te borgen dat het schoolgebouw via twee onafhankelijke routes bereikbaar is. Doordat de twee lange doodlopende wegen met elkaar verbonden zijn middels een hulpdienstroute voorziet Veiligheidsregio Twente hierin, op basis van de huidige plannen, geen aanvullende maatregelen. Dit zal bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning worden getoetst. 4.5.3 Opkomsttijd 4.5.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd

Gebruiksfunctie

5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties

Daarnaast is het ‘Dekkingsplan Brandweer Twente’, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 4.5.3.2 Beoordeling opkomsttijd Momenteel wordt er gewerkt aan een handreiking over een landelijk uniforme systematiek voor dekkingsplannen. De Veiligheidsregio Twente oordeelt, vooruitlopend op de definitieve versie, dat aanvullende maatregelen niet noodzakelijk zijn en dat het gehele plangebied binnen de bijbehorende bandbreedte valt. Door bijvoorbeeld wegwerkzaamheden kan de tijd in praktijk afwijken. Daarnaast gaat er vaak enige tijd overheen voordat het plan daadwerkelijk wordt uitgevoerd, ook in die tijd kunnen de situatie wijzigen waardoor de opkomsttijd verschilt. 4.5.4 Bluswatervoorziening 4.5.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: <0000> De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. <0000> De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d.

of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. <0000> De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

23

NL.IMRO.0141.00147-BP21

4.5.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Aan het begin van het terrein, ter hoogte van de parkeerplaatsen, bevindt zich een brandkraan die in theorie 60m3/per uur levert. Deze capaciteit is voldoende voor de realisatie van een schoolgebouw. Het is in deze fase van de ontwikkeling nog niet te bepalen of de afstand voldoet aan de daarvoor geldende eisen. Dit zal, net als de bereikbaarheid, bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning moeten worden getoetst. 4.5.5 Waarschuwings- en alarmeringssysteem De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Het plangebied bevindt zich niet binnen het theoretische dekkingsgebied van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Tijdens het opstellen van dit advies is niet duidelijk of de sirenes in de toekomst behouden blijven. Het plan bevindt zich op de theoretische grens van de sirenedekking. De verwachting is dat de aanwezige personen in praktijk de sirene buiten wel zullen horen. Daarnaast kunnen de aanwezige personen bij een incident op een andere wijze gewaarschuwd worden, bijvoorbeeld door een NL-alert.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: <0000> <0000>

bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid 2014-2018 is vastgesteld in maart 2014. In november 2019 is besloten om dit beleidsplan, inclusief de 16 algemene uitgangspunten, te verlengen tot en met

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

24

NL.IMRO.0141.00147-BP21

2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit veiligheidsbeleid. 4.6.2 Onderzoek Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe cirkel) en omgeving weergegeven.

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart met ter plaatse van de blauwe cirkel het plangebied (bron: risicokaart.nl)

Gasleiding Gasunie Transport Services B.V. Zoals waarneembaar in de afbeelding is er ten noorden van het plangebied een gasleiding aanwezig. Het betreft hier een aardgasleiding (N-531-30) met een diameter van 212 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 95 meter. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. De kortste afstand tot aan de gasleiding is circa 100 meter en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. De ontwikkeling wordt buiten het invloedsgebied gerealiseerd. Desondanks reikt het effectgebied van een incident bij de aardgastransportleiding tot over het plangebied en zijn de aanwezige personen buiten niet veilig. De Veiligheidsregio Twente adviseert dat het handelingsperspectief (schuilen binnen het schoolgebouw) wordt opgenomen in het bedrijfsnoodplan. Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: <0000> zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en RRGS- inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); <0000> zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; <0000> niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen.

4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Kabels en leidingen 4.7.1 Toetsingskader

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

25

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.7.2 Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. 4.7.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van deze maatgevende stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: <0000> een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 ( fijn stof) in de buitenlucht; <0000> een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. 4.8.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een school. Het aantal vervoersbewegingen die aan dit plan zijn gerelateerd zijn beperkt. Zie hiervoor ook het hoofdstuk verkeer. Het plan draagt daarom in niet betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het relevant te beoordelen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied van voldoende kwaliteit is.

Dit kan beoordeeld worden door middel van de monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Bekend is dat in de Gemeente Almelo geen locaties aanwezig zijn waar de achtergrondconcentratie de normen zoals gesteld in het besluit Luchtkwaliteit overschrijden. Er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

26

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Figuur: luchtkwaliteit Nox 1

4.8.3 Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in. Binnen deze onderzoekszones is een luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Onderzoek is noodzakelijk bij ontwikkelingen gelegen binnen een zone van 50 meter van de weg. De ontwikkellocatie is gelegen op circa 150 meter van de provinciale weg. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Daarnaast is via de monitoringstool aangetoond dat de achtergrond concentraties aanvaardbaar zijn. 4.8.4 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9 Bodemkwaliteit 4.9.1 Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek te worden verricht. Kruse Milieu BV heeft ter plaatse een verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in de volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting op de resultaten wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek en de beoordeling van het onderzoek, opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. 4.9.2 Onderzoek Resultaten veldwerk In totaal zijn er 17 boringen verricht, waarvan er 5 zijn verdiept. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis. Ten behoeve van de K-waarde bepaling zijn er 2 boringen verricht. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot matig fijn, matig siltig, zwak humeus zand met sporen plantenresten en boomwortels. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Het freatische grondwater is gemiddeld aangetroffen op 1.15 m-mv.

Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG - PFAS) is niet verontreinigd met PFAS; - de ondergrond (OG - PFAS) is niet verontreinigd met PFAS;

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

27

NL.IMRO.0141.00147-BP21

- het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium. Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er een overschrijding van de streefwaarde is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) is een licht verhoogde concentratie aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de boven- en ondergrond (BG I, BG II, OG I en OG II) zijn geen verhoogde concentraties gemeten. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Indicatieve toetsing Besluit Bodemkwaliteit De bovengrond (BG I, BG II en BG - PFAS) en de ondergrond (OG I, OG II en OG - PFAS) vallen in de functieklasse “Altijd toepasbaar”. Doorlatendheid De gemiddelde doorlatendheid van de bodem ter plekke van de toekomstige wadi is: Meetpunt KW1: 0.7 m/dag; Meetpunt KW2: 0.55 m/dag. Geconcludeerd kan worden dat de bodem ter plekke van de onderzoekslocatie niet geschikt is voor infiltratie. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico voor de volksgezondheid oplevert. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (school). 4.9.3 Conclusie In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond.

In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond met barium. Er is geen aanleiding om de aanwezigheid van een sterke bodemverontreiniging te vermoeden. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingplan besloten ontwikkeling.

4.10 Flora en fauna 4.10.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

28

NL.IMRO.0141.00147-BP21

natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: <0000> alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; <0000> het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard, en <0000> de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: <0000> soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; <0000> soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; <0000> overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt, waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.10.2 Onderzoek Eco Groen heeft een Quickscan Flora en Fauna voor de nieuwbouw van de Dr. Herderscheeschool uitgevoerd. Dit rapport is bijgevoegd als Bijlage 5 en de conclusies zijn hieronder beschreven. Gebiedbescherming Het plangebied ligt op ongeveer 6,8 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen. Vanwege deze afstand worden mogelijke negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

29

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Figuur : natura2000 gebieden in de directe omgeving

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en wel op ongeveer 6 kilometer afstand. Gezien de afstand en de aanwezigheid van tussenliggende bebouwing, infrastructuur en groenstructuren veroorzaakt het plan geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. De aanwezige bomen in het plangebied zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden. Het plangebied ligt namelijk binnen de bebouwde kom Wet natuurbescherming. Er is geen melding, herplantplicht, ontheffing en/of compensatie nodig. Wel kunnen gemeentelijke kapregels van toepassing zijn. Het plangebied maakt geen deel uit van overige beschermde natuurgebieden (zoals weidevogelgebieden) waar de provincie ook regels voor heeft opgenomen. Soortenbescherming In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Daarnaast treedt er door de werkzaamheden geen effecten op essentiële vliegroutes of foerageergebieden op. Er zijn geen jaarrond beschermde nestlocaties van vogels met jaarrond beschermde nesten in het plangebied aanwezig. Wel zijn in de bomen binnen en buiten het plangebied enkele algemeen voorkomende broedvogels te verwachten zoals roodborst, houtduif, Turkse tortel, merel en boomkruiper.

In het plangebied zijn geen beschermde groeiplaatsen van planten of verblijfplaatsen van amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zonder provinciale vrijstelling aangetroffen of te verwachten. 4.10.3 Stikstof Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. De nieuwe school wordt gasloos gebouwd waardoor er geen gebouwemissies zijn. Dat betekent dat het plan enkel stikstofemissies veroorzaakt als gevolg van de verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie is zodanig gering dat er sprake is van een niet significante stikstofbijdrage (kleiner dan 0,02 mol/ha/jr) op natura2000 gebieden. 4.10.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. In het kader van de Wet natuurbescherming zijn geen vervolgstappen zoals nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag nodig. De Wet natuurbescherming staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader Regelgeving en beleid

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

30

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.11.2 Onderzoek Op de archeologische waardenkaart heeft het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde.

figuur: Archeologische waardenkaart

4.11.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is.

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

31

NL.IMRO.0141.00147-BP21

Hoofdstuk 5 Water 5.1 Beleidskader onderdeel water Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Almelo, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Uitgangspunt is dat bij een bouwplan moet worden voorkomen dat er grond- of oppervlaktewateroverlast ontstaat en de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed.

5.2 Vigerend beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Europees- en Rijksbeleid Klimaatadaptatie Overheden, private partijen en maatschappelijke organisaties werken aan klimaatadaptatie, met de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) als kader. Het doel is Nederland waterrobuust en klimaatbestendig in te richten. De klimaatadaptatieopgave krijgt voor een belangrijk deel invulling via het Deltaprogramma. Alle overheden werken met het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie – onderdeel van het Deltaprogramma – stap voor stap toe naar maatregelen. Eind 2019 hadden vrijwel alle gemeenten, waterschappen en provincies stresstesten uitgevoerd die de risico’s van wateroverlast, droogte, hitte en de gevolgen van overstromingen in beeld brengen. Ook het Rijk heeft voor de rijkswegen en het spoor (op onderdelen) stresstesten uitgevoerd. Veel gemeenten, waterschappen en provincies hebben een risicodialoog gevoerd of zijn bezig met de voorbereidingen ervan en sommige hebben uitvoeringsprogramma’s opgesteld. Deltaplan Zoetwater De uitvoering van het Deltaplan Zoetwater fase 1 (2015-2021) loopt grotendeels volgens schema.

Bijna alle maatregelen zullen in 2021 klaar zijn. In april 2019 is besloten tot en met 2021 7 miljoen euro te besteden aan maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte, urgente projecten op de Hoge Zandgronden en het verbeteren van de kennisbasis. Inmiddels zijn ook kansrijke strategieën en maatregelen voor de tweede fase van het Deltaplan Zoetwater in beeld gebracht. In 2019 is de geactualiseerde knelpuntenanalyse beschikbaar gekomen. Hieruit, en uit de deltascenario’s, blijkt dat in de toekomst vaker watertekorten kunnen optreden door klimaatverandering, verzilting en sociaaleconomische ontwikkelingen. Impuls met de Delta-aanpak Waterkwaliteit Met de Delta-aanpak Waterkwaliteit geeft Nederland een impuls aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Dat is nodig om in 2027 de geplande maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) af te kunnen ronden en aan de doelen van de richtlijn te voldoen. In 2019 zijn voor de prioritaire onderwerpen drie bestuurlijke versnellingstafels ingericht: de landbouwtafel (meststoffen en gewasbescherming), de stoffentafel (opkomende stoffen en medicijnresten) en de brede tafel (onder meer Kaderrichtlijn Water, kennisimpuls en communicatie). In 2019 is gestart met de Nationale analyse waterkwaliteit.

Deze brengt in beeld welke effecten de voorgestelde maatregelen op de waterkwaliteit in 2027 hebben, op basis van regionale en nationale analyses. De waterbeheerders gebruiken deze resultaten om de stroomgebiedbeheerplannen van de Kaderrichtlijn Water voor de periode 2022-2027 in te vullen met nieuwe maatregelen. Dit loopt parallel met het opstellen van waterplannen door het Rijk, de provincies en de waterschappen. Omgevingswet

ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

32

NL.IMRO.0141.00147-BP21

De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De regelgeving uit de Waterwet voor waterveiligheid – met de nieuwe normen voor waterkeringen die sinds 2017 van kracht zijn – worden ingevoegd in de Omgevingswet. Nationale Omgevingsvisie en Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Op 20 juni 2019 bood de minister van BZK de Ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) aan de Tweede Kamer aan. Onderdeel is de beleidskeuze dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is (prioriteit 1). Voor de hele NOVI is water als een van de ordenende principes gehanteerd. De NOVI wordt vastgesteld bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De ontwerp-NOVI geeft de strategische hoofdlijnen van het waterbeleid. Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 geeft daar nadere uitwerking en uitvoering aan. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van: <0000> Klimaatadaptatie; <0000> Waterveiligheid; <0000> Zoetwater en waterverdeling; <0000> Waterkwaliteit en natuur; <0000> Scheepvaart en; <0000> De functies van de rijkswateren. 5.2.2 Provinciaal beleid De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor het overleg en de plannen voor waterbeheer in de regio.

In de Omgevingsverordening (2017) wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities voor water zijn: <0000> Watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn. <0000> Voorbereid zijn op de lange termijn gevolgen van klimaatverandering (veiligheid en droogte). <0000> Optimale watercondities (kwaliteit en kwantiteit) voor landbouw, wonen, natuur en landschap. <0000> Betrouwbare drinkwatervoorziening (kwaliteit en kwantiteit). <0000> Zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid. <0000> Zorgvuldig gebruik van de ondergrond (energie, zoutwinning, opslag, zandwinning, WKO, hoofdtransportleidingen, voorraadvorming grondwater). 5.2.3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Vechtstromen In het Waterbeheerprogamma is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022 tot 2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen uitgewerkt voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: <0000> Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken in het beheergebied en de boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.

<0000> Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is dan schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving, de Kaderrichtlijn Water (KRW), maken onderdeel uit van het plan. <0000> Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap haalt niet alleen schadelijke stoffen uit het afvalwater, maar wil daarmee ook nuttige producten maken en ze probeert nieuwe toepassingen te zoeken. Ook de kosten en financiering zijn weergegeven. Het waterbeheerplan is afgestemd met de plannen van het Rijk, de provincies en de gemeenten. 5.2.4 Gemeentelijk beleid Waterplan Almelo De gidsprincipes voor het waterplan Almelo en de visie zijn gebaseerd op principes uit de Vierde Nota waterhuishouding en de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21-ste eeuw, waarbij aanpak van de bron prevaleert boven ‘end-of-pipe’-maatregelen en de afwenteling van lokale problemen op (boven)regionale systemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het vasthouden van water verdient de ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

33

NL.IMRO.0141.00147-BP21

voorkeur. Wanneer dit niet meer mogelijk is, wordt zoveel mogelijk water geborgen. Daarbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol. Water van verschillende kwaliteit wordt zoveel mogelijk gescheiden. Wanneer ook berging niet meer mogelijk is, wordt het water ten slotte afgevoerd. In stedelijke in- of uitbreidingsgebieden dient zoveel mogelijk verhard oppervlak niet aangesloten te worden op de riolering. Een duurzame inrichting van het terrein moet zorgen voor het bewaken van de kwaliteit. Kortom, problemen met waterkwaliteit en –kwantiteit mogen niet worden afgewenteld en de ontwikkelingen mogen geen negatieve beïnvloeding van waterkwaliteit en –kwantiteit met zich meebrengen. Bij nieuwbouw dient grondwaterneutraal gebouwd te worden. Almelose Klimaatadaptatie Strategie (AKAS) Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio’s. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN).

Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: <0000> WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld <0000> WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen <0000> WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1. Kwetsbaarheden in beeld brengen 2. Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3. Uitvoeringsagenda opstellen 4. Meekoppelkansen benutten 5. Stimuleren en faciliteren 6. Reguleren en borgen 7. Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte. Wateroverlast Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld.

<0000> Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70mm (hoofdwegen) en 45mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70mm of 45mm in één uur. <0000> Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)). De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente.

<0000> Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Voor de riolering kan eventueel worden uitgegaan van een afvoercapaciteit van 20 mm per uur; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd. Eigenaren van bestaande percelen worden gestimuleerd af te koppelen en hun tuin te ontstenen / vergroenen. <0000> Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de ontwerp Bestemmingsplan Dr Herderscheeschool

34

NL.IMRO.0141.00147-BP21

gemeente maatregelen indien dat doelmatig is. Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater. Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. <0000> Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. <0000> Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=3f581786-ea83-40f1-af29-e45776105ea3