CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

12.1 Vaststelling bestemmingsplan Rumerslanden - Bijlage 1 - Vast te stellen bestemmingsplan Rumerslanden

Raad 26 september 2023, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Rumerslanden32.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wat dat betreft geldt voor Rumerslanden dat niet per se een noodzaak bestaat voor het gebruik van een tweede auto. 4.2.2 Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Almelo is vastgelegd in het parkeerbeleidsplan 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018'. Als basis voor de parkeernormering wordt gebruik gemaakt van de op dat moment geldende CROW-publicatie voor de parkeerkencijfers. Dit betreft momenteel publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ van december 2018. Om de parkeerkencijfers van de CROW ook als parkeernormen vast te leggen, heeft het college van de gemeente Almelo op 11 december 2018 de 'Beleidsregel Parkeernormen Almelo' vastgesteld. Deze beleidsregel is op 1 januari 2019 in werking getreden. Conform dit beleid wordt uitgegaan van een 'matig stedelijk' karakter en in basis het maximale parkeerkencijfer van de bandbreedte. Nadat uit de uitvoeringspraktijk was gebleken dat de tekst van deze beleidsregel onvoldoende duidelijk was, is de 'Herschreven Beleidsregel Parkeernormen Almelo' door het college van burgemeester en wethouders van Almelo op 9 februari 2021 vastgesteld en op 1 maart 2021 in werking getreden. Wanneer in onderstaande tekst wordt verwezen naar de beleidsregel, wordt feitelijk verwezen naar de tekstueel beter leesbare versie en dus de 'Herschreven Beleidsregel Parkeernormen Almelo'.

De gemeente heeft onderzoek gedaan naar de parkeervraag voor de inbreidingslocatie Rumerslanden. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van beschikbare verkeergegevens en is bureau &Morgen gevraagd een verkenning uit te voeren. Opgemerkt wordt dat de kencijfers van het CROW geen normen zijn, maar richtlijnen. De gemeente Almelo kan ook eigen parkeernormen vaststellen in het lokale parkeerbeleid. De invulling van de parkeernormering kan worden vastgelegd in beleidsregels, maar daarvan kan ook weer worden afgeweken (artikel 4:84 Awb). In de beleidsregel is opgenomen dat buiten het centrum in principe voldaan moet worden aan de maximale parkeernorm binnen de bandbreedte vanuit de CROW. Zo niet, dan kan de ruimtelijke

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

24

NL.IMRO.0141.00152-BP31

ontwikkeling in principe niet plaatsvinden. Maatwerk blijft echter wel mogelijk, indien afwijking van de maximale parkeernorm goed onderbouwd kan worden. De gemeente is van mening dat ten behoeve van het inbreidingsplan Rumerslanden maatwerk aan de orde is. Voor het woonprogramma dat wordt voorzien zijn in de nieuwe situatie 231 parkeerplaatsen beschikbaar en dat acht de gemeente voldoende. In het kader van deze ontwikkeling kan gelet op vorenstaande worden gerekend met een lagere parkeernorm dan de maximale parkeernorm. In dit kader is het van belang vast te stellen dat de omgeving van Rumerslanden op grond van het gemeentelijk beleid aan te merken is als 'matig stedelijk', maar dat dit gebied gelet op de typering en dichtheid feitelijk eerder als sterk stedelijk is te omschrijven. In sterk stedelijk gebied wordt een lagere parkeernorm gehanteerd. Zoals eerder aangegeven bevat het beoogde woningbouwprogramma ook een aantal seniorenwoningen. Voor bewoners van dit type woning geldt dat sprake is van een afnemend autobezit, wat een lagere parkeernorm rechtvaardigt. Verder wordt in de maatschappij een aantal brede ontwikkelingen gesignaleerd die een lagere dan maximale parkeernorm legitimeren, zoals de mobiliteit van de toekomst. Wijken worden vaker ontworpen uitgaande van het STOMP-principe.

Bij het STOMP-ontwerpprincipe staat de auto niet langer centraal bij de inrichting van de ruimte, maar gaan we eerst uit van de voetganger (Stappen) en vervolgens de fietser (Trappen), OV en MaaS. Als laatste wordt de privé-auto meegenomen in de inrichting. Het verminderen van verharding, meer ruimte voor groen, recreatie en woningbouw en de deeleconomie (van bezit naar gebruik) horen ook bij deze ontwikkeling. Daarnaast hebben we ook te maken met de stadsopgaven vanuit de Omgevingsvisie Almelo. Om ruimtelijke ontwikkelingen in Almelo bij te laten dragen aan de sociaal-maatschappelijke uitdagingen wordt een goed bereikbare stad met voorrang voor slimme, schone en gezonde mobiliteit als een van de belangrijkste stadsopgaven gezien. De locatie Rumerslanden biedt veel voorzieningen en goede OV-verbindingen. Ook is eerder gesteld dat de buurt is gelegen in de nabijheid van het centrum en is maximaal autobezit per woning geen noodzaak. Veel parkeervoorzieningen stimuleren mogelijk autobezit en dat is ongewenst. Minder auto's leidt tot minder verkeersdrukte en daarmee minder CO2 uitstoot en bevordert het gebruik van fiets en OV. Bureau &Morgen heeft ook de parkeervraag in Rumerslanden in beeld gebracht. &Morgen werkt op het snijvlak van mobiliteit, gedrag en stedenbouw.

Mede op basis van dat onderzoek kan de conclusie getrokken worden dat de huidige parkeernorm van de gemeente ruim is in vergelijking met de CROW normen. Almelo hanteert namelijk de maximale norm binnen de bandbreedte zoals deze wordt gesteld door de CROW. Andere vergelijkbare gemeenten hanteren lagere normen wat ook beter zou aansluiten op de ambities op het gebied van mobiliteit zoals omschreven in de Omgevingsvisie van Almelo. Zeker voor Rumerslanden geldt dat een lagere parkeernorm aanvaardbaar is. Ter ondersteuning van deze conclusie is ook aansluiting gezocht bij het te verwachten autobezit. Dit te verwachten autobezit ligt aanmerkelijk lager dan het autobezit waarop de maximale parkeernorm is gericht. Hierbij baseert de gemeente zich onder meer op cijfers die door verkeerskundig bureau Goudappel na onderzoek per buurt en woning beschikbaar zijn gesteld. Voor Rumerslanden betekent dit dat bewoners van een rijwoning gemiddeld 1,1 auto bezitten en bewoners van een tweekapper 1,5 auto. Wanneer de gemiddelde CROW- normen gehanteerd worden dan is dit 1,5 voor rijwoningen en 1,7 voor tweekappers. Dit is evenwel zonder rekening te houden met bezoekersparkeren. Wanneer de maximale norm gehanteerd zou worden, conform het principe uit de Almelose beleidsregel, dan wordt dat 2,3 voor de rijwoning en 2,5 voor de tweekappers.

Gelet op het werkelijk te verwachten autobezit wordt geconcludeerd dat het hanteren van een lagere parkeernorm in Rumerslanden aanvaardbaar is en goed aansluit. Een conclusie die mede wordt ondersteund door de cijfers zoals deze bekend zijn van een vergelijkbare buurt in een vergelijkbare stad als Roosendaal. In het advies van Bureau &Morgen wordt daar naar verwezen. De gemeente is van mening dat maatwerk voor wat betreft de parkeernormering voor de ontwikkeling Rumerslanden wenselijk en aanvaardbaar is. Samenvattend vormen de volgende omstandigheden de onderbouwing daarvan: · Meer aanbod van parkeerplaatsen zorgt voor meer autogebruik en daarmee autobezit. Dit past niet bij de omstandigheden en ontwikkelingen van deze tijd. · Ook de lagere parkeernorm valt nog ruim binnen de bandbreedte van de CROW normen. vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

25

NL.IMRO.0141.00152-BP31

· · · ·

Het werkelijke autobezit ligt lager dan de maximale norm. Zie bijvoorbeeld cijfers onderzoek Goudappel en benchmark Roosendaal. Een groot deel van de woningen is bestemd voor senioren met een afnemend autobezit. De buurt ligt relatief dicht bij het station en OV-voorzieningen en is feitelijk eerder als sterk stedelijk aan te merken dan als matig stedelijk. Zowel met de fiets als met het openbaar vervoer is het station goed bereikbaar in 9 minuten (fiets) of 15/20 minuten (bus). Voorzieningen als supermarkten en ander winkels bevinden zich op korte afstand. Dat geldt ook voor het centrumgebied en andere voorzieningen zoals het zwembad.

Aanvullend op deze aspecten heeft de projectontwikkelaar aangegeven de woningen te willen aanbieden aan kopers die zich ervan bewust zijn dat niet voor iedereen ruimte is om een tweede auto te parkeren en ook wellicht een meer milieubewuste levenstijl hebben. Zij zullen zich eerder aangesproken voelen om een woning te kopen in Rumerslanden als dit plangebied met behoud en opwaardering van het groen en dus autoluwer wordt ingericht. Omdat de voorzieningen en het openbaar vervoer op korte afstand zijn gelegen, zullen deze bewuste kopers vaker slechts 1 auto per woning in bezit hebben. Om toch de nodige flexibilteit te hebben, zullen deze kopers wellicht ook eerder geïnteresseerd zijn in de mogelijkheden van bijvoorbeeld een deelauto. Berekening en beoordeling parkeervraag Voor de berekening van de BASIS-parkeernorm zijn op basis van de gemeentelijke beleidsregels de uitgangspunten 'matig stedelijk' en de ligging van het plangebied in 'rest bebouwde kom' gehanteerd. Met het op de locatie beoogde woningbouwprogramma ontstaat dan een parkeerbehoefte van minimaal 205 en maximaal 308 parkeerplaatsen. Dit is de parkeerbehoefte inclusief 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers. Volgens de gemeentelijke beleidsregel moet in basis voldaan worden aan de maximale parkeernorm, dat wil zeggen de maximale bandbreedte die het CROW voor de diverse categoriëen woningen heeft opgenomen.

Het inrichtingsplan zoals dat als basis dient voor voorliggend bestemmingsplan gaat uit van de realisatie van 231 parkeerplaatsen. Aantal pp CROW laag 205 Berekening: 77 rijwoningen (waarvan 26 senioren) x 1,5 = 116 pp 52 tweekappers x 1,7 = 89 pp Totaal: 116 + 89 = 205 pp

Aantal pp CROW hoog 308 Berekening: 77 rijwoningen (waarvan 26 senioren) x 2,3 = 178 pp 52 tweekappers x 2,5 = 130 pp Totaal: 178 + 130 = 308 pp

Aantal pp Plan Rumerslanden 231 Berekening: Openbare parkeerkoffers: 89 pp Openbaar langsparkeren: 75 pp Eigen terrein tweekappers: 67 pp* Totaal: 89 + 75 + 67 = 231

* elke tweekapper krijgt 2 pp op eigen terrein. Volgens de beleidsregel telt deze voor max 1.3 mee wat leidt tot een totaal van 52 x 1,3 = 67 pp.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat het parkeren voor het bestaande appartementencomplex aan de Frits ten Brinkstraat tot op heden gefaciliteerd werd in de openbare ruimte. In dit gebouw zijn 11 huurwoningen van Woningstichting Sint Joseph Almelo aanwezig ten behoeve van senioren. De woningstichting behoudt grond in eigendom rond dit complex en is voornemens om hier 15 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Aangezien dit een bestaande situatie betreft, hoeft voor dit complex niet getoetst te worden aan parkeernormen. Wel zorgt de realisatie van deze 15 parkeerplaatsen op eigen terrein voor een afname van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte. 4.2.3 Conclusie De realisatie van de 129 nieuwe woningen op deze inbreidingslocatie heeft een verkeerstoename tot gevolg welke op een goede manier kan worden afgewikkeld op de bestaande wegen. Daarnaast zijn er in de nabijheid van het plangebied voldoende duurzame transportmogelijkheden, zoals het openbaar vervoer en de (elektrische) fiets. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat de huidige parkeernorm van de gemeente ruim is in vergelijking met de bandbreedte van de CROW-kencijfers en niet passend is bij de ambities op het gebied van mobiliteit zoals omschreven in de Omgevingsvisie van Almelo. Daarbij is bovenstaand

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

26

NL.IMRO.0141.00152-BP31

gemotiveerd dat deze inbreidingslocatie in de nabijheid van voorzieningen ligt en er door het woningbouwprogramma, de doelgroepen en inrichting van het plangebied voldoende redenen zijn om een lagere parkeernorm te hanteren dan in de gemeentelijke beleidsregel in basis wordt voorgeschreven. Met de 231 berekende parkeerplaatsen, waarvan 164 in openbaar gebied, is een afwijking van de 'Herschreven Beleidsregel Parkeernormen Almelo' aanvaardbaar. Dit aantal blijft ruimschoots boven de minimale CROW-kencijfers, wat voor het woningbouwprogramma binnen Rumerslanden minimaal 204 parkeerplaatsen noodzakelijk zou maken. Op basis van dit maatwerk en de noodzaak om te voldoen aan de woningbehoefte in de gemeente Almelo, is hiermee de afwijking van de parkeernorm voldoende onderbouwd. Er ontstaat geen onaanvaardbare parkeersituatie voor de planontwikkeling van Rumerslanden en/of in de omgeving. De ontwikkeling leidt tot een toename van de parkeerbehoefte, waarin deels op eigen terrein bij de twee-onder-een-kapwoningen en deels op openbaar terrein binnen het plangebied wordt voorzien. Hierbij zal het college besluiten tot een afwijking van de parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Herschreven Beleidsregel Parkeernormen Almelo'. In voorgaande paragraaf is een uitgebreide motivering gegeven om maatwerk te verlenen voor dit plangebied en zijn omgeving.

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.

4.3 Geluid 4.3.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail-, wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De geplande woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt ingegaan op het aspect wegverkeerslawaai. De aspecten railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn of gezoneerd bedrijventerrein is gelegen. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.4 (bedrijven en milieuzonering).

4.3.2 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in de onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 m

250 m

3 of 4 rijstroken

350 m

400 m

5 of meer rijstroken

350 m

600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor wegen die zijn aangeduid als woonerf en/of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). De wegen in de omgeving van het plangebied bestaan allen uit 1 of 2 rijstroken in stedelijk gebied, zodat de wettelijke geluidszone 200 m bedraagt. De Ootmarsumsestraat ligt met een afstand van circa 100 tot 150 m tot het plangebied vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

27

NL.IMRO.0141.00152-BP31

binnen de onderzoekszone volgens de Wgh. Tussen deze weg en het plangebied is echter veel andere woningbouw en bijbehorende bebouwing aanwezig. Deze bebouwing is afdoende geluidwerend, zodat de nieuw te realiseren woningen zullen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege wegverkeersgeluid. Onderstaande uitsnede van de geluidscontourkaart laat dit ook zien. Een goed woon- en leefklimaat is te garanderen. 4.3.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Om een leefbare woonomgeving te waarborgen worden de ruimtelijk relevante milieu-invloeden van bedrijfsmatige activiteiten, in relatie tot de omgeving, beschreven. Vanuit deze doelstelling ligt in de woongebieden het accent op wonen en worden bedrijfsmatige activiteiten geweerd of ontmoedigd. Andersom ligt het accent in gebieden waar bedrijvigheid is toegestaan op activiteiten en wordt wonen niet direct toegestaan. Functiemenging van detailhandel en wonen, kan gewenst zijn voor zover deze niet leidt tot een onleefbare situatie en deze bedrijvigheid direct is gerelateerd aan de woonomgeving (bv. buurtsuper, schoolgebouw). 4.4.1 Wijze van beoordelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: · ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; · rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen te kunnen maken, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden in de publicatie gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met een milieucategorie verlaagd worden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.4.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden 129 woningen gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

In de omgeving van het plangebied staan voornamelijk woningen. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Naast de woningen is één andere functie in de omgeving aanwezig, namelijk een (voormalige) school. Door de aanwezigheid van deze school/maatschappelijke bestemming is gebied is toch te kenmerken als 'gemengd gebied'. Kleinschalige activiteiten, zoals detailhandel en kantoor of bedrijven aan huis, leveren geen problemen op en zijn buiten beschouwing gelaten. De volgende activiteit in de omgeving van het plangebied worden nader toegelicht: · Een (voormalige) basisschool, Verzetslaan 6. Scholen- voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs vallen onder milieucategorie 2. Vanwege het aspect geluid geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Het schoolplein is aan de voorzijde van het gebouw gelegen, waardoor dit speelterrein alleen door de Verzetslaan wordt gescheiden van de nieuw te bouwen woningen. De afstand van het schoolplein tot de gevel van de te bouwen dichtstbijzijnde eengezinswoning bedraagt ten minste 18 m. Aan de richtafstand wordt voldaan. Opgemerkt wordt dat het bij de locatie Verzetslaan 6 om een voormalige school gaat.

Gezien de huidige maatschappelijke bestemming is als vervolgfunctie een soortgelijke invulling mogelijk, maar een realistischere verwachting is dat herinvulling met woningbouw zal plaatsvinden. In dat laatste vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

28

NL.IMRO.0141.00152-BP31

geval zijn er geen milieubelastende activiteiten meer in de buurt die qua bedrijfsvoering milieukundige bescherming behoeven, zodat dan kan worden teruggevallen op het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In en om het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die een negatieve invloed hebben op de nieuw te realiseren woningen en hierdoor belemmerd zouden kunnen worden in hun bedrijfsvoering of in hun ontwikkelingsmogelijkheden. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het gewenste plan in het kader van milieuzonering in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

4.5 Fysieke veiligheid 4.5.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: · bereikbaarheid; · opkomsttijd; · bluswatervoorziening; · zelfredzaamheid; · sirenedekking. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande wet- en regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden. 4.5.2 Bereikbaarheid 4.5.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of: · de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; · een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; · of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden. 4.5.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. 4.5.3 Opkomsttijd 4.5.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

29

NL.IMRO.0141.00152-BP31

tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd

Gebruiksfunctie

5 minuten 6 minuten 8 minuten 10 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties

Daarnaast is het ‘Dekkingsplan Brandweer Twente’, dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 4.5.3.2 Beoordeling opkomsttijd De eengezins- en levensloopbestendige woningen vallen in de categorie overige woningen, waarvoor een opkomsttijd van 8 minuten geldt. Uit berekeningen blijkt dat de brandweer in theorie binnen deze norm ter plaatse kan zijn. 4.5.4 Bluswatervoorziening 4.5.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: · De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. · De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken.

· De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken. 4.5.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Tijdens de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt beoordeeld of extra brandweerkranen dienen te worden geplaatst. 4.5.5 Zelfredzaamheid 4.5.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid.

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

30

NL.IMRO.0141.00152-BP31

4.5.5.2 Beoordeling zelfredzaamheid De toekomstige bewoners van de nieuwe woningen worden in beginsel aangemerkt als zelfredzaam. De omgeving van het plangebied biedt voldoende mogelijkheden om uit te wijken in geval van calamiteiten. 4.5.6 Waarschuwings- en alarmeringssysteem De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit systeem zal in de komende jaren verdwijnen. Daarna zullen de aanwezige personen in bedreigd gebied worden gewaarschuwd middels NL-Alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die zich in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: · bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; · vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk Externe veiligheidsbeleid 2014-2018 is vastgesteld in maart 2014.

In november 2019 is besloten om dit beleidsplan, inclusief de 16 algemene uitgangspunten, te verlengen tot en met 2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten uit dit veiligheidsbeleid. 4.6.2 Onderzoek Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

31

NL.IMRO.0141.00152-BP31

de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe contour) en omgeving weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn een enkele kwetsbare objecten, zoals onderwijsinstellingen (staande groene driehoekjes) en een woonverblijf (groen driehoekje op de kop) te vinden, maar geen risicovolle inrichtingen. Het tankstation met LPG-afleverinstallatie, -vulpunt en -reservoir langs de Sluitersveldssingel bevindt zich op meer dan 300 m afstand. De risicocontouren voor het plaatsgebonden risico van dit LPG-station blijven beperkt tot de zwart gestippelde cirkel rondom de inrichting. In het zuidwesten van de wijk Sluitersveld bevindt zich een zwembad, waar opslag van chloorbleekloog plaatsvindt. De risico's daarvan blijven beperkt tot de rode contouren rondom het zwembad op Het Sportpark.

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart met ter plaatse van de blauwe contour het globale plangebied (bron: risicokaart.nl) Het plangebied bevindt zich niet binnen de invloedsfeer van transport van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Kabels en leidingen 4.7.1 Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.7.2 Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met de herstructering van de openbare ruimte in de wijk worden de rioolleidingen vervangen door een gescheiden stelsel, waarbij het vuilwater en

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

32

NL.IMRO.0141.00152-BP31

het regenwater wordt gescheiden. De huidige hoofdrioolleiding die gelegen is onder en bij de Bevrijdingslaan komt daarmee te vervallen. Onder verschillende straten komen kleinere rioolleidingen te liggen. Deze zijn planologisch niet relevant. Om deze reden hoeft de dubbelbestemming 'Leiding Riool' onder/bij de Bevrijdingslaan, zoals opgenomnen in het bestemmingsplan 'Sluitersveld', niet meer te worden opgenomen in dit bestemmingsplan. 4.7.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van deze maatgevende stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Stof

Toetsing van

Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie

Fijn stof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

Grenswaarde 40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: · ·

een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 ( fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.edrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid.

4.8.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 129 woningen. Het plan draagt daarom in niet betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

33

NL.IMRO.0141.00152-BP31

hoort. De dichtstbijzijnde meetpunten liggen aan de Sluitersveldssingel ten noordwesten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat aan de Sluitersveldssingel in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide maximaal 15,3 µg/m³, fijn stof PM10 16,2 µg/m³ (met 6 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 8,8 µg/m³ bedroegen. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9 Bodemkwaliteit 4.9.1 Toetsingskader Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient een bodemonderzoek te worden verricht. Greenhouse Advies heeft ter plaatse een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek is in de volgende subparagraaf opgenomen. Voor een nadere toelichting op de resultaten wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek, opgenomen in de bijlagen van deze toelichting. 4.9.2 Onderzoek De belangrijkste resultaten en conclusies van het door Greenhouse Advies uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek op een terrein ter grootte van circa 3,1 ha ter plaatse van de herontwikkelingslocatie Rumerslanden te Almelo zijn als volgt: Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen die hebben geleid tot aanpassing van de oorspronkelijke onderzoeksopzet. In aansluiting op dit resultaat is gekozen voor de de hypothese Onverdachte locatie gehanteerd van de strategie Grootschalig Onverdacht (ONV-GR) conform de NEN 5740 (strategie voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek) ter plaatse van voormalige bouwblokken.

Ter plaatse van voormalige achterpaden tussen de voormalige bouwblokken is de toplaag aangemerkt als asbestverdacht, aangezien uit de historische informatie aanwijzingen zijn dat deze achterpaden destijds bestonden uit een half-verharding. Veldonderzoek De bodemopbouw bestaat uit zand tot de einddiepte van de uitgevoerde boringen. Incidenteel is een tussenlaag met klei aangetroffen. In diverse bodemlagen zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De mate en de aard hiervan zijn geen reden geweest om op voorhand de gekozen onderzoeksstrategie daarop aan te passen. Chemisch onderzoek Uit de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ● In de bovengrond is een overschrijding van de achtergrondwaarden aangetoond voor de parameters zink, lood en PAK-10 VROM; ● In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarden; ● Het freatisch grondwater is plaatse licht verhoogd ten opzichte van de streefwaarden voor de parameters barium en koper; ● De bovengrond van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is indicatief getoetst en beoordeeld als kwaliteitsklasse wonen of beter. De ondergrond is indicatief beoordeeld als kwaliteitsklasse achtergrondwaarde. Op basis van het aantreffen van verontreinigingen in de bovengrond en het grondwater dient de hypothese ‘locatie is onverdacht’ formeel verworpen te worden.

Op grond van de milieuhygiënische kwaliteit is het terrein geschikt voor het voorgenomen gebruik.

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

34

NL.IMRO.0141.00152-BP31

Infiltratie Uit de twee infiltratiemetingen op de locatie is gebleken dat de doorlatendheid van de onverzadigde zandbodem varieert van 1,9 tot 2,8 meter per dag en biedt het zandpakket mogelijkheden voor het infiltreren van hemelwater. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.9.3 Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.10 Flora en fauna 4.10.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: · · ·

alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

35

NL.IMRO.0141.00152-BP31

· · ·

soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt, waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.10.2 Onderzoek Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek Bevrijdingslaan (ong.) - Almelo uitgevoerd. Dit rapport is bijgevoegd als bijlage. Daarnaast heeft BJZ.nu in oktober 2022 een Aerius-berekening uitgevoerd voor dit plangebied. De rapportage en de berekening is ook bijgevoegd. Het plangebied is op 5 oktober 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder worden deze resultaten samengevat weergegeven. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten uitsluitend benut als foerageergebied. Er nestelen geen vogels in het plangebied en amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten er geen vaste (winter)rust- of verblijfplaats. Het plangebied is tevens geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

36

NL.IMRO.0141.00152-BP31

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze functie is voor de voorkomende soorten niet beschermd en leidt niet tot wettelijke consequenties. Stikstofdepositie In aansluiting op de Quickscan heeft BJZ.nu een Aerius-berekening uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de effecten van mogelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het projectgebied bevindt zich op circa 8,2 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Engbertsdijksvenen’. Uit de rekenresultaten blijkt dat er met betrekking tot de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. In de bijgevoegde rapportage in zijn de uitgangspunten en de onderdelen van de berekening weergegeven. Geconcludeerd wordt dat er hiermee geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden met betrekking tot stikstofdepositie. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig.

Opgemerkt wordt dat deze Aerius-berekening op 11 oktober 2022 is uitgevoerd voor alleen de gebruiksfase. Omdat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 8,2 kilometer afstand ligt worden negatieve effecten c.q. depositie op Natura 2000-gebieden niet verwacht. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen wordt een stikstofberekening meegeleverd. Op dat moment is ook meer duidelijkheid over het te realiseren plan en het daarbij in te zetten materieel. Evenwel is op voorhand duidelijk dat geen depositie in de stikstofgevoelige natuurgebieden als gevolg van de bouw verwacht wordt. 4.10.3 Conclusie Voor de uitvoerbaarheid van het plan vormt het onderdeel soortenbescherming van de Wnb geen belemmering. Het plan is in het kader van de Wnb, voor het onderdeel soortenbescherming, voldoende geborgd. Mits er geen bezette vogelnesten beschadigd, vernield of verstoord worden. De bomen in het plangebied vormen potentiële broedplaatsen voor vogels. Volgens artikel 3.1 van de wet Natuurbescherming zijn bezette vogelnesten beschermd en mogen niet beschadigd, vernield of verstoord worden. De bomen blijven behouden. Indien er toch een boom gekapt wordt moet dit buiten de nest en broedperiode vanvogels uitgevoerd worden, deze is globaal van 15 maart tot en met 15 augustus.

Indien de werkzaamheden binnen deze periode worden uitgevoerd moet er door een ecoloog worden vastgesteld dat er geen in gebruik zijnde vogelnesten aanwezig zijn. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De zorgplicht artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming is altijd van toepassing en voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Er is zowel bij de gebruiksfase als in de realisatiefase van het plangebied Rumerslanden geen sprake van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden met betrekking tot stikstofdepositie. Geconcludeerd wordt dat het aspect flora en fauna de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

37

NL.IMRO.0141.00152-BP31

Regelgeving en beleid Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Het plangebied valt buiten de 'Historische kern van Almelo'. Op de archeologische waardenkaart is het plangebied gelegen binnen een gedeelte wat is afgegraven of grootschalig is geroerd, zoals met de groene kleur weergegeven op deze kaart. Zie hiervoor de uitsnede op onderstaande figuur 4.3. Deze vergravingen hebben plaatsgevonden tijdens de planmatige ontwikkeling van de woningen in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw.

Bij de sloop van deze woningen in Rumerslanden in de periode 2009 tot en met 2013 zal de bodem nog meer verstoord zijn. Archeologisch onderzoek is voor deze locatie dan ook niet vereist. Om die reden kan de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting middelhoog’ die in het bestemmingsplan 'Sluitersveld' nog voor een deel van het plangebied was opgenomen, komen te vervallen.

Figuur 4.3: Uitsnede van de gemeentelijke Archeologische Verwachtingskaart met het plangebied rood omlijnd. 4.11.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is per 1 januari 2012 aan artikel 3.1.6 van het Besluit vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

38

NL.IMRO.0141.00152-BP31

ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Onderzoek Volgens historisch kaartmateriaal is het gebied in de tweede helft van de 19e eeuw ontgonnen, waarbij de Ootmarsumsestraat van oudsher de verbinding geweest tussen Almelo en de dorpen die ten noordoosten van Almelo gelegen zijn, zoals Geesteren, Tubbergen, Albergen en Ootmarsum. Langs deze ontsluitingsweg is gaandeweg meer bebouwing ontstaan, waarbij de bebouwing van Rumerslanden pas in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw is gerealiseerd. Deze wijk is reeds gesloopt. Er zijn dan ook geen waardevolle cultuurhistorische objecten en/of monumenten aanwezig binnen het plangebied. 4.11.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

39

NL.IMRO.0141.00152-BP31

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Almelo, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Uitgangspunt is dat bij een bouwplan moet worden voorkomen dat er grond- of oppervlaktewateroverlast ontstaat en de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed.

5.2 Vigerend beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: ·

Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal: · · · ·

Nationaal Waterplan (NW); Waterbeleid voor de 21e eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet.

Provinciaal: ·

Partiële herziening omgevingsvisie voor kaderrichtlijn water en richtlijn overstromingsrisico's

Gemeentelijk: · ·

Almelose Klimaat Adaptatiestrategie (AKAS); Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026).

5.2.1 Beleid Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in een Watervisie en een waterbeheerprogramma. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan het gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie.

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

40

NL.IMRO.0141.00152-BP31

5.2.2 Waterbeleid gemeente Almelo 5.2.2.1 Almelose Klimaatadaptatie Strategie (AKAS) Sinds 2018 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie van kracht. Hierin hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten met elkaar afgesproken dat ons land van af 2050 klimaatrobuust en waterbestendig is ingericht. De verschillende overheden werken hiervoor met elkaar samen in zogenaamde werkregio’s. Voor de gemeente Almelo is dit Twents waternet (TWN). Het Deltaprogramma werkt volgens een aantal stappen: · WETEN: we brengen de effecten en kwetsbaarheden in beeld · WILLEN: we gaan met de stad in gesprek om de gezamenlijke ambitie te bepalen · WERKEN: we stellen een agenda op met concrete acties die Almelo klimaatrobuust maken De stappen zijn vertaald in 7 ambities: 1.Kwetsbaarheden in beeld brengen 2.Risicodialoog voeren en strategie opstellen 3.Uitvoeringsagenda opstellen 4.Meekoppelkansen benutten 5.Stimuleren en faciliteren 6.Reguleren en borgen 7.Handelen bij calamiteiten In het AKAS zijn de ambities gekoppeld aan de klimaattrends en zoveel mogelijk uitgewerkt in kwalitatieve en getalsmatige uitgangspunten voor nieuwbouw, openbare ruimte en privaat terrein. Het AKAS beperkt zich tot de klimaattrends wateroverlast (inclusief overstromen van beken en kanalen), hitte en droogte.

Wateroverlast: Uitgangspunt bij wateroverlast is dat bij extreme regenval hoofd- en gebiedsontsluitingswegen toegankelijk voor hulpdiensten blijven. Ter voorkoming van overlast bij extreme regenval zijn uitgangspunten voor te nemen maatregelen opgesteld. · Voor nieuw aan te leggen hoofd- en gebiedsontsluitingswegen geldt dat de waterdiepte (waterplassen op straat) gemiddeld over de breedte van de weg niet groter mag zijn dan 10 cm bij een bui van respectievelijk 70mm (hoofdwegen) en 45mm (gebiedsontsluitingswegen) in één uur. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen (inclusief tunnels) met kans op een waterdiepte van meer dan 25 cm bij een bui is het uitgangspunt dat deze voor 2030 worden aangepakt. Voor bestaande hoofd- en gebiedsontsluitingswegen met minder dan 25 cm maar meer dan 10 cm waterdiepte geldt dat de gemeente bij herinrichting streeft de duur van water op straat bij een bui van 45 mm in één uur te beperken tot maximaal 2 uur, voor private wegen geldt een waterdiepte van meer dan 10 cm bij een bui van 70mm of 45mm in één uur. · Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen en nutsvoorzieningen geldt dat het vloerpeil minimaal 30 cm boven het wegpeil dient te liggen. Voor stedelijke in- en uitbreidingen geldt bovendien dat water binnen het plangebied op doelmatige wijze geborgen moet worden (40 mm (uitbreidingslocaties) of 20 mm (inbreidingslocaties)).

De wijze waarop is ter goedkeuring door de gemeente. · Bij de herinrichting van de openbare ruimte streeft de gemeente ernaar dat een bui van 70 mm in één uur, door een gebied/wijk verwerkt kan worden zonder dat er nieuwe onacceptabele situaties ontstaan. De gemeente hanteert hierbij de volgorde: water vasthouden op locatie, berging in het gebied en indien nodig afvoeren. Voor de riolering kan eventueel worden uitgegaan van een afvoercapaciteit van 20 mm per uur; de overige waterberging moet in het gebied worden gecreëerd. Eigenaren van bestaande percelen worden gestimuleerd af te koppelen en hun tuin te ontstenen / vergroenen. · Om overlast van grondwater bij nieuwbouw tegen te gaan geldt een vloerhoogte van minimaal 100 cm en straatpeil van 80 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Voor gebieden in de openbare ruimte waar structureel sprake is van grondwateroverlast neemt de gemeente maatregelen indien dat doelmatig is. Voor bestaande bouw geldt een vloerhoogte van minimaal 90 cm en straatpeil van 70 cm ten opzichte van de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand). Eigenaren van privaat terrein zijn zelf verantwoordelijk voor het voorkomen of beperken van schade door grondwater.

vastgesteld Bestemmingsplan Rumerslanden

41

NL.IMRO.0141.00152-BP31

Hitte en droogte Ten aanzien van hitte en droogte heeft de gemeente de ambitie uitgesproken dat de hitte impact in 2050 niet erger is dan in 2020 en droogte niet mag leiden tot onomkeerbare schade aan openbaar groen en natuur. · Om die reden wordt bij nieuwbouwontwikkeling en herinrichting gestreefd naar een zodanige inrichting van het gebied dat er voldoende koelteplekken en schaduw is. Bij het beheer en onderhoud van wegen wordt onderzocht op welke manier de opwarming van verharding kan worden teruggedrongen. Inwoners, bedrijven en instellingen zijn zelf verantwoordelijk maatregelen te treffen om schade en gezondheidsimpact van hitte in gebouwen en op privaat terrein te beperken, door het toevoegen van groen, warmte werend of verkoelend dak, schaduw en koele plekken. · Ter voorkoming van droogte wordt bij nieuwbouw het gebied neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water uit het plangebied worden voorzien. Oppervlaktewater wordt zo ingericht dat droogval zoveel als mogelijk voorkomen kan worden en circulatie mogelijk is. Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken.

Op privaat terrein zijn eigenaren zelf verantwoordelijk voor het droogtebestendig maken van hun groen of voor het beperken van de gevolgen. 5.2.2.2 Programma Water en Riolering - De verbindende kracht van water (2022-2026) Met de invoering van de Omgevingswet vervalt de verplichting van het opstellen van een (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan(vGRP). In plaats daarvan kunnen gemeenten een (vrijwillig) Programma opstellen. Met dit Programma Water en Riolering sorteren we voor op komst van de Omgevingswet. In het Programma Water en Riolering –De verbindende kracht van water (2022-2026) worden de ambities en doelstellingen zoals verwoord in de Almelose Omgevingsvisie en de Klimaatadaptatiestrategie(AKAS) uitgewerkt tot maatregelen. Met het programma wordt voorgesorteerd op een meer integrale aanpak en maken we gerichter keuzes om nog doelmatiger en efficiënter te kunnen werken. Hiermee houden we ons watersysteem ondanks extra kosten en de uitdagingen die klimaatverandering met zich meebrengt haalbaar en betaalbaar.Met ons watersysteem streven we daarom naar het integreren van de vier waterstromen: · stedelijk afvalwater · hemelwater (regenwater) · grondwater · oppervlaktewater Deze watertaken corresponderen met de drie zorgplichten van de gemeente. Oppervlaktewater zien we als integraal onderdeel van het stedelijk water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=13d3f19b-57d3-460b-b33a-a80c4531de73