CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

12.1 Vast te stellen bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek - Bijlage 1 - Vast te stellen bestemmingsplan ‘Bornsestraat 36, Bornerbroek’.pdf

Raad 2 november 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vast te stellen bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek31.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4.3 Woningbouwplanning en programmering 2017 t/m 2026 4.4.3.1 Algemeen De gemeente Almelo heeft in februari 2015 de woningbouwplanning 2015 t/m/ 2024 vastgesteld. Hierbij is de keuze gemaakt om een behoedzamer scenario te kiezen voor de woningbouwplanning en -programmering. Ook is in oktober 2018 besloten om binnen 3 jaar te evalueren over de afgelopen 3 (2015 t/m 2017) jaar en de woningbouwplanning en -programmering op basis hiervan bij te stellen. 4.4.3.2 Vertaling programmering Wat betreft de woningbouwprogrammering is een termijn van 5 jaar met een doorkijk van nog eens 5 jaar gebruikelijk. Een termijn van 10 jaar komt ook overeen met de termijn waarop een bestemmingsplan kan vigeren. De periode 2017 t/m 2026 geldt als basis vanwege de Twentse Woningafspraken (zie paragraaf 4.3.1). Voor de periode 2017 t/m 2026 is de planning in jaarschijven vertaald. De gemiddelde uitbreiding van de woningvoorraad is aangegeven bij netto aantal woningen. Gemiddeld over deze periode circa 160 woningen per jaar. Vanwege de demografische ontwikkelingen en de Twentse Woonafspraken wordt 2/3

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

29

NL.IMRO.0141.00132-BP31

deel van de uitbreiding gepland in de eerste vijf jaar en 1/3 in de vijf jaar daarna. Dit levert het onderstaande beeld op.

4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan het Woonbeleid en de woningbouwprogrammering Uit de 'Analyse woningbouwplanning en - programmering 2017 t/m 2026' van de gemeente Almelo volgt dat voor de kernen Aadorp en Bornerbroek tot 2021 gezamenlijk 10 woningen kunnen worden toegevoegd, na 2021 is er per jaar ruimte voor toevoeging van gezamenlijk 5 woningen. Tot 2021 zijn de woningen reeds toegewezen aan andere woningbouwontwikkelingen in de kernen Aadorp en Bornerbroek. Met onderhavig plan wordt na 2021 een deel van de woningbehoefte tot 2026 ingevuld. Als de raming wordt geprojecteerd op Bornerbroek, dan is zichtbaar dat de projecten die al in uitvoering zijn deze aantallen nagenoeg toevoegen. Echter, in de huidige projecten is er geen aandacht voor de mismatch op de woningmarkt in Bornerbroek. De woningen die toegevoegd gaan worden zijn uit het hogere segment. Daarmee bedienen die projecten een doelgroep met een grotere portemonnee dan de starters. Wanneer opnieuw wordt gekeken naar de programmering van Almelo, dan is een verwachte toevoeging van 1.625 woningen over de gehele gemeente zichtbaar. Dit terwijl de gemeente Almelo maximaal 1.790 woningen kan toevoegen in een periode van 2017-2026. Hiermee heeft de gemeente ruimte voor ongeveer 100 extra woningen.

De verwachting is dat deze extra ruimte gecreëerd is voor onvoorziene uitdagingen op de woningmarkt die extra aandacht vragen. Een uitdaging die extra aandacht behoeft ligt nu in Bornerbroek. Een deel van de ‘vrije’ ruimte van de woningbouwprogrammering kan ingezet worden om de urgente uitdaging in Bornerbroek aan te pakken. Met de realisatie van dit plan wordt er voor de lange termijn een uitdaging aangepakt, die vervolgens door de extra gecreëerde ruimte voor starters over de gehele woningmarkt in Bornerbroek voelbaar zal zijn. Het plan past daarmee in de gemeentelijke ramingen.

4.4.4 Woonvisie Almelo 2020-2030 4.4.4.1 Algemeen De gemeente Almelo beschikt over een nieuwe woonvisie tot 203. Deze woonvisie is vastgesteld in maart 2021. Deze visie vormt voor de komende periode het toetsingskader voor woningbouwontwikkelingen en vormt de opvolger van de huidige woonvisie. In dit geval wordt alvast getoetst aan de concept-woonvisie aangezien dit komende jaren het toetsingkader zal vormen. Almelo wil een sterke centrumgemeente zijn en blijven, met een regionale functie voor Noordwest-Twente. Om dat op woongebied te realiseren, heeft de gemeente drie grote ambities geformuleerd. De gemeente streeft naar een woningvoorraad die: Flexibel is;

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

30

NL.IMRO.0141.00132-BP31

Gevarieerd en evenwichtig is; toekomstbestendig en duurzaam is. 4.4.4.2 Ambities Hierna zijn de ambities verder uitgewerkt. Ambitie 1: Flexibele woningvoorraad 1. De verwachte groei van de gemeente mogelijk maken en alvast voorbereid zijn op de (op termijn) te verwachten krimp. 2. Onderscheidende nieuwbouw realiseren en een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn voor jongeren en jonge gezinnen. 3. Inbreiding verkiezen boven uitbreiding. 4. Een vitale, aantrekkelijke binnenstad creëren. 5. De kernen Aadorp en Bornerbroek de ruimte geven om aan de vraag naar nieuwbouw tegemoet te komen. Ambitie 2: Evenwichtige en gevarieerde woningvoorraad 1. Het aandeel koop- en huurwoningen meer in evenwicht brengen, en de sociale woningbouw beter over onze (en omliggende) gemeente(n) verdelen. 2. De woonvoorzieningen voor kwetsbare groepen beter over Almelo (en omliggende) gemeenten verdelen. Ambitie 3: Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad 1. Zorgen dat (oudere) inwoners een fijne woonomgeving krijgen/behouden, in nabijheid van anderen en met voorzieningen binnen bereik. 2. Bestaande en nieuwe woningen levensloopgeschikt maken. 3. Een betaalbare en duurzame energievoorziening bereikbaar maken voor iedereen en bestaande woningen voor 2050 aardgasvrij maken. In dit geval zijn met name ambitie 1 en 3 relevant. Hierna wordt samengevat op deze ambities ingegaan.

Flexibele woningvoorraad: verwachte groei De verwachting is dat Almelo nog tien tot vijftien jaar groeit. Daarna wijzen de cijfers op een periode van krimp; eerst alleen van de bevolking en daarna ook van het aantal huishoudens. Hier kan de woningvoorraad de komende jaren op voorbereiden waar nodig, met als belangrijke kanttekening: Er wordt ingezet op het zoveel mogelijk voorkomen van krimp. De groei van de komende jaren wil de gemeente faciliteren door herbestemming en door de woningvoorraad uit te breiden met nieuwbouw. Bij de uitbreiding van de woningvoorraad wordt de ruimte in het bestaande bebouwde gebied benut. De groei van Almelo en de huidige druk op de woningmarkt maakt dat snel woningen nodig zijn: 1.400 tot 2030 en dan nog circa 230 tot 2035. De belangrijkste vraag is welke woningen waar worden toegevoegd. De gemeente kijkt heel nauwkeurig wat de precieze woonvraag is, zodat er niet wordt gebouwd voor leegstand (op termijn). Het gaat om het realiseren van onderscheidende nieuwbouw voor jongeren en jonge gezinnen. Hiermee wil de gemeente tegemoet komen aan de wensen. Ook staat de gemeente open voor vernieuwende woonvormen als daar behoefte aan is. Bij alles geldt het credo 'inbreiding voor uitbreiding'. De gemeente blijft flexibel door: 'use it or lose it rights' op te nemen in de privaatrechtelijke overeenkomsten.

Maakt de initiatiefnemer binnen x jaar geen gebruik van het bestemmingsplan, dan kan de gemeente het plan wijzigen zonder planschadeclaim. in het contract op te nemen hoe de gemeente plannen organisch, stedenbouwkundig en landschappelijk af zal ronden, als ze niet meer (geheel) nodig blijken te zijn. op de gewenste woningtypen te sturen met de publiek- en privaatrechtelijke mogelijkheden die de gemeente hiervoor heeft. Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad In het nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat in de gebouwde omgeving geen aardgas meer gebruikt wordt voor verwarming, warm tapwater en koken. Daarom moet de gemeente op zoek naar

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

31

NL.IMRO.0141.00132-BP31

warmtealternatieven. De nieuwbouw wordt meteen aardgasvrij en toekomstbestendig gerealiseerd. Hierbij worden de landelijke normen gevolgd. 4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Almelo 2020-2030 In dit geval wordt bijgedragen aan het realiseren van woningen in het bestaande bebouwde gebied, passend bij een concrete behoefte naar betaalbare woningen voor jongeren in Bornerbroek. Er wordt ingespeeld op de ambitie om onderscheidende nieuwbouw voor jongeren te realiseren. Tevens past het initiatief in de beoogde groei van 1.400 woningen tot 2030. Gezien de ligging, op een deels herstructureringslocatie, wordt de locatie logisch geacht. Ruimte voor projecten die uitdagingen op de woningmarkt aanpakken sluit aan bij het woningbouwprogramma van de gemeente Almelo. Daarin stelt de gemeente dat zij producten willen toevoegen die de huidige voorraad maximaal versterken en/of verbeteren. Daarnaast stelt de gemeente Almelo in haar Woonvisie ook open te staan voor innovatieve en vernieuwende woonvormen. Dit shared living concept is een vernieuwend wooninitiatief die ruimte biedt voor jongeren op de woningmarkt. Kortom, het voorgelegde plan in Bornerbroek is een verbetering van de al bestaande voorraad in Bornerbroek. Het segment dat door realisatie van dit plan aangeboden wordt, wordt nog niet aangeboden in Bornerbroek.

Daarnaast biedt het een optie aan jongeren die graag in Bornerbroek willen blijven wonen, maar tot op heden geen geschikt aanbod hebben kunnen vinden door de mismatch in vraag en aanbod. Omdat dit project inspeelt op het nijpende te kort aan wooneenheden voor starters in Bornerbroek en daarmee een kwalitatieve woonvraag in Bornerbroek beantwoordt, is het plan passend. Het plan bestaat voor een deel uit koopappartementen en voor een deel uit huurappartementen en in de Vereniging van Eigenaren wordt vastgelegd dat het plan voor jongeren uit Bornerbroek bestemd is. Zij krijgen voorrang in toewijzing van de woningen. Daarom wordt geen toename verwacht van de sociale woningvoorraad in de gemeente Almelo. Het initiatief vormt dan ook geen belemmering ten aanzien van de ambitie van de gemeente om de sociale woningvoorraad aan te pakken. Het plan past ook binnen de flexibiliteitsprincipes van de gemeente Almelo. Tevens zullen er maatregelen op het gebied van duurzaamheid worden uitgevoerd. Verder wordt voldaan aan de meest recente eisen vanuit het bouwbesluit. Geconcludeerd wordt dat het initiatief daarmee passend is in het gemeentelijk woonbeleid.

4.4.5 Beleidsregels Kamerbewoning, inwoning, woningsplitsing, herbestemmen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en verkleining oppervlaktemaat voor woningen 4.4.5.1 Algemeen De gemeente Almelo beschikt over een beleidsnota ten aanzien van onder andere herbestemming van gebouwen naar woningen. Het doel van deze beleidsregels is dat kamerbewoning, inwoning en logies voor arbeidsmigranten, onder voorwaarden, mogelijk wordt gemaakt. In dit geval zijn de regels omtrent herbestemming van gebouwen relevant. Hierna wordt daar nader op ingegaan. 4.4.5.2 Beleidsregels voor herbestemming gebouwen naar woningen De bestemmingsplansystematiek van Almelo kent ook “gemengde bestemmingen” waar, naast bijvoorbeeld detailhandel, wonen is toegestaan (bijvoorbeeld de systematiek van het bestemmingsplan voor de binnenstad). Omdat het bestemmingsplan de functie “wonen” bij recht al toe staat zijn in het bestemmingsplan “Parapluherziening wonen” regels gesteld ten aanzien van de minimale oppervlaktemaat van een woning. Deze oppervlakte is gesteld op minimaal 75 m2. Deze beleidsregels voorzien in een afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van die maximale oppervlaktemaat. In bestaande gebouwen bestaat de mogelijkheid dat het star vasthouden aan deze oppervlaktemaat beperkend kan zijn ten aanzien van de gewenste transformatie. Ten aanzien van zelfstandige bewoning gelden de volgende voorwaarden: a.

de woningen passen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering; b. het verzoek tot afwijken van het bestemmingsplan planologisch, milieuhygiënisch en stedenbouwkundig aanvaardbaar is;

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

32

NL.IMRO.0141.00132-BP31

c. een woning een gebruiksoppervlakte heeft van minimaal 75 m2, danwel minimaal 55 m2 indien de gemiddelde oppervlakte van de woningen in het gebouw minimaal 75 m2 bedraagt; d. het aanbod sociale huurwoningen toeneemt met 0%; e. er een planschadeovereenkomst is ondertekend door initiatiefnemer; f. er per woning wordt voorzien in buitenruimte -niet meegerekend de ruimte ten behoeve van parkerendanwel in een gezamenlijke buitenruimte; g. de omwonenden actief en aantoonbaar zijn betrokken bij de planvorming. 4.4.5.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsregels voor herbestemming gebouwen naar woningen a. de woningen passen binnen de woningbouwprogrammering, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.4.3; b. het verzoek is planologisch, milieuhygiënisch en stedenbouwkundig aanvaardbaar. Dit blijkt uit de toelichting van dit bestemmingsplan; c. Er moet in dit geval worden gekeken of hiervan kan worden afgeweken en of er maatwerk verleend kan worden voor deze situatie. Uit alle berekeningen die er gemaakt zijn, blijkt dat een plan met een minimaal woonoppervlakte van 75 m2 financieel gezien niet realistisch is voor starters op de woningmarkt. Het is in de huidige markt niet passend om betaalbare starterswoningen met dit oppervlakte te realiseren. Naast de financiële mogelijkheden is ook gekeken naar de woonwensen en - behoeften van de doelgroep.

Daarin komt sterk naar voren dat er behoefte is aan “betaalbare” starterswoningen, die als opstapje binnen de woningmarkt dienen. Bovendien gaat het in dit geval om een pilot project vanuit de provincie, waarmee de krapte op de woningmarkt in Bornerbroek kan worden verminderd. Het project wordt daarnaast ondersteund door de dorpsstichting van Bornerbroek en past in de woonvisie van de gemeente (zie ook voorgaande paragraven). Het afwijken van deze oppervlakte is daarmee acceptabel, omdat daarmee voorzien kan worden in de concrete behoefte. Om deze reden is geen oppervlaktemaat opgenomen in de regels; d. er is in dit geval geen sprake van toename van sociale huur in de gemeente Almelo. Voor een nadere toetsing op dit punt wordt onder andere verwezen naar paragraaf 4.1.2. e. er zal met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst worden ondertekend; f. er wordt per woning voorzien in buitenruimte bestaande uit zowel balkon als een gemeenschappelijke buitenruimte; g. het plan is opgesteld in nauwe samenspraak met dorpsbelang Bornerbroek en de bewoners van Bornerbroek.

4.4.6 Conclusie gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met het gemeentelijk beleid.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

33

NL.IMRO.0141.00132-BP31

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, geur, archeologie & cultuurhistorie, het Besluit milieueffectrapportage en fysieke veiligheid.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

5.1.2 Beoordeling 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai 5.1.2.1.1 Algemeen Op grond van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.

De zone is gelegen aan weerszijden van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- of fietspaden en vluchtstroken worden niet tot de weg gerekend en vallen binnen de zone. De geluidszone langs een weg omvat het gebied waarbinnen extra aandacht moet worden geschonken aan het geluid afkomstig van de betrokken weg. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

5.1.2.1.2 Akoestisch onderzoek De geplande appartementen liggen binnen de wettelijke geluidszone van de Bornsestraat. BJZ.nu heeft in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In de volgende alinea zijn de resultaten hiervan opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt naar Bijlage 2 bij deze toelichting verwezen. De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Bornsestraat bedraagt hoogstens 57 dB

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

34

NL.IMRO.0141.00132-BP31

(inclusief 5 dB aftrek). In het kader hiervan moet een hogere waarde worden aangevraagd. Het treffen van bronmaatregelen en/of overdrachtsmaatregelen is in voorliggend geval niet mogelijk, evenals het vergroten van de afstand tot de geluidsbron. De volgende hogere waarde kan worden aangevraagd: 52 dB voor de westgevel van gebouw 1 (het voorste gebouw); 57 dB voor de zuidgevel van gebouw 1; 51 dB voor de oostgevel van gebouw 1; Er wordt eveneens voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente Almelo voor het toekennen van een hogere waarde tot de geluidsklassen 'zeer onrustig'. Het gaat om de volgende eisen: bij appartementen en seniorenwoningen dient minimaal 1 verblijfsruimte in de woning aan de geluidluwe zijde te worden gesitueerd; bij eengezinswoningen minimaal 3 verblijfsruimten in de woning aan de geluidluwe zijde; de buitenruimtes (tuin of balkon) worden bij voorkeur aan de geluidluwe zijde gesitueerd; wanneer de woning een balkon heeft aan de geluidbelaste zijde moet deze afsluitbaar zijn, zodat men zelf kan kiezen of men zich wil afzonderen van de hoge geluidbelasting of niet. Hier wordt aan voldaan. De appartementen beschikken allen over en geluidluwe zijde. Dit betreft voor de appartementen de noordgevel, waar de slaapkamer is gesitueerd. De buitenruimte is daarnaast aan de geluidluwe zijde gesitueerd.

Tot slot zullen de balkons aan de geluidbelaste zijde afsluitbaar worden gerealiseerrd, zodat men zich kan afzonderen van de hoge geluidbelasting. Wel dient bij de aanvraag omgevingsvergunning een bouwakoestisch onderzoek worden gevoegd ter motivatie. Nadat het definitieve ontwerp gereed is kunnen de noodzakelijke geluidwerende maatregelen worden vastgesteld. Tevens dient daarbij aangetoond te worden dat het binnenniveau van 33 dB zal worden geborgd. Hiermee is het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd. 5.1.2.1.3 Beoordeling akoestisch onderzoek en aanvraag hogere waarde De Omgevingsdienst Twente heeft het onderzoek beoordeeld en akkoord bevonden. Hierna wordt op de overwegingen ingegaan. Het akoestische onderzoek behandelt het toetsingskader, berekent de geluidbelastingen op de woningen en beoordeelt de mogelijke geluidreducerende maatregelen. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting, na toepassing van de aftrek van 5 dB ex artikel 110g van de Wet geluidhinder, op de te realiseren appartementen als gevolg van het verkeer op de Entersestraat, Lohuisstraat en Pastoor Ossestraat ten hoogste 40 dB bedraagt en voldoet hiermee ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Bornsestraat bedraagt ten hoogste 57 dB. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder en aan de maximaal te verlenen waarde uit het gemeentelijk geluidbeleid. Afwijken van de voorkeursgrenswaarde is mogelijk indien bron- enoverdrachtsmaatreglen niet doelmatig zijn en voldaan kan worden aan de voorwaarden die zijn gesteld in het gemeentelijk geluidbeleid. In het onderzoek is aandacht besteedt aan mogelijke maatregelen en de randvoorwaarden voor het verlenen van een hogere grenswaarde. Hierna wordt ingegaan op de in het rapport genoemde overwegingen. Bronmaatregelen Door de initiatiefnemer kan geen invloed worden uitgevoerd op het reduceren van het geluid van voertuigen. Tevens is geen sprake van invloed op de samenstelling van het verkeer, de verkeersintensiteiten en het snelheidsregime. Het toepassen van een stiller wegdektype kan een

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

35

NL.IMRO.0141.00132-BP31

geluidreductie worden behaald. De reductie zal echter niet genoeg zijn om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Daarnaast zal de wegbeheerder niet instemmen met het stiller maken van een klein wegvlak omdat dit tot onderhoud technische problemen leidt. Overdrachtsmaatregelen Een grotere afstand tussen de gevel en de weg leidt tot een lagere geluidbelasting op de gevel. Deze maatregel kan ik voorliggend geval niet worden toegepast aangezien hiervoor geen ruimte binnen het projectgebied aanwezig is en dit niet past binnen de stedenbouwkundige structuur. Het plaatsen van geluidsschermen langs de weg is eveneens niet wenselijk vanuit stedenbouwkundig en financieel oogpunt. Bovendien zijn de hogere verdiepingen niet af te schermen met geluidsschermen. Gevelmaatregelen Als een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan moet het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd worden. Artikel 110 lid g van de Wgh bepaalt dat de aftrek bij het vaststellen van de noodzakelijk geluidwering 0 dB bedraagt. Er moet dan ook met een geluidbelasting van maximaal 62 dB (uitgaande van 57 dB inclusief aftrek) worden gerekend. De vereiste geluidwering GA;K bedraagt 62 – 33 = 29 dB. Uit bovenstaande blijkt dat het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn. De geluidbelasting van 57 dB voldoet aan de bovengrens uit de Wet geluidhinder en het gebiedsgericht geluidbeleid.

Er is een hogere grenswaarde procedure nodig om de geluidbelasting van 57 dB vast te stellen en een goede geluidwering van de gevels af te dwingen. Om een hogere grenswaarde af te kunnen geven dient daarnaast voldaan te worden aan de ontheffingscriteria en akoestische compensatie maatregelen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Hieronder worden de in het onderzoek genoemde punten weergegeven. Ontheffingscriteria Het gaat in dit geval namelijk om nieuwbouw ter vervanging van bestaande, verouderde gebouwen (2). De ontwikkeling ligt langs een toegangsweg naar het centrum van Bornerbroek en vormt daarmee een markant punt. Door de ontwikkeling wordt de stedenbouwkundige structuur versterkt (6). Tevens wordt een knelpunt opgelost, doordat leegstand op een beeldbepalende locatie wordt vervangen door toekomstbestendige functies (7). Voorwaarden voor het toekennen van een hogere waarde t/m de geluidsk lasse 'Onrustig' 1. het nemen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet haalbaar; 2. het vergroten van de afstand tussen geluidsgevoelige ruimten en de geluidsbron is niet haalbaar. Hier is op het perceel geen ruimte voor; 3. in dit geval ligt achter gebouw 1 een buitenruimte waar wordt voldaan aan de ambitiewaarde. Het betreft een gemeenschappelijke buitenruimte. De maximale geluidbelasting in deze buitenruimte bedraag 33 dB.

Dit is te herleiden uit de toetspunten die gelegen zijn op de noordgevel van gebouw 1; 4. het stedenbouwkundig ontwerp is zodanig vormgegeven dat het achterliggende gebied (de buitenruimte en gebouw 2) volledig worden afgeschermd; 5. bij de aanvraag omgevingsvergunning zal een bouwakoestisch onderzoek worden gevoegd; Voorwaarden voor het toekennen van een hogere waarde t/m de geluidsklasse ‘Zeer onrustig’: 1. de appartementen beschikken allen over een geluidluwe zijde. Dit betreft voor alle appartementen de noordgevel, waar de slaapkamer aan is gesitueerd. 2. de buitenruimte is aan de geluidluwe zijde gerealiseerd; 3. de balkons aan de geluidbelaste zijde zullen afsluitbaar worden gerealiseerd, zodat men zich kan afzonderen van de hoge geluidbelasting. Er wordt voldaan aan de ontheffingscriteria uit het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast wordt voldaan

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

36

NL.IMRO.0141.00132-BP31

aan veel van de genoemde compensatiemaatregelen, met uitzondering van het nemen van bron- en overdrachtsmaatregelen en het vergroten van de afstand tussen de weg en de geluidsgevoelige ruimten. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen dient, overeenkomstig voorwaarde 5, een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de maximale binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit. Gesteld kan worden dat bij uitvoering van bovenstaande punten een voldoende goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Op een afstand van meer dan 3 kilometer tot het plangebied ligt de spoorlijn Deventer-Hengelo. Gezien deze grote afstand vormt het aspect 'railverkeerslawaai' dan ook geen belemmering. 5.1.2.3 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen of nabij een geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en 5705 (inclusief asbest). In voorliggend geval is er een verkennend bodemonderzoek door Agri Terra uitgevoerd. Deze is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. De resultaten en conclusies worden hierna besproken.

5.2.2 Beoordeling 5.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek In het bovengrondmengmonster BM1 en ondergrondmengmonster (OM1 opvangput) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen barium en minerale olie aangetroffen. In het ondergrondmengmonster OM2 is een matige verhoging zink aangetroffen. Naar aanleiding van de matige verhoging in het ondergrondmengmonster OM2 zijn de separate deelmonsters geanalyseerd op zink. In het deelmonster 4-2 is een sterk verhoogde concentratie zink aangetroffen. In de overige deelmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. Formeel geeft de verhoging in deelmonster 4-2 aanleiding voor nader onderzoek. Op basis van resultaten uit onderhavig onderzoek kan gesteld worden dat de verhoging zink waarschijnlijk een "puntverontreiniging" is. De omvang zal zich waarschijnlijk beperken tot enkele kuubs verontreinigde grond met zink. Derhalve wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.2.2.2 Verkennend onderzoek asbest in de bodem Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van deze deellocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

37

NL.IMRO.0141.00132-BP31

Het mengmonster MM1 en het monster van inspectiegat 6a in de puinlaag zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

5.2.3 Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingplan besloten ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2 Beoordeling In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met categorieën van gevallen, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de woonfunctie niet aan te merken is als gevoelige bestemming zoals opgenomen in het Besluit gevoelige bestemmingen.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

38

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2 Beoordeling Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met zwarte cirkel aangegeven.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

39

NL.IMRO.0141.00132-BP31

Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas leefomgeving) Gasleiding Gasunie Transport Services B.V. Zoals waarneembaar in afbeelding 5.1 is er ten zuiden van het plangebied een gasleiding aanwezig. Het betreft hier een aardgasleiding (N-557-49) met een diameter van 8,62 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 100 meter. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Het plangebied ligt op circa 260 meter afstand van de gasleiding af en valt daarmee ruimschoots buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en RRGS- inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen is binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

5.4.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

40

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.5

M ilieuzonering

5.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.1.1 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving wordt gestreefd naar functiemenging of functiescheiding. Binnen de functiescheiding worden twee gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Gezien de ligging, nabij het centrum van Bornerbroek, met een menging van verschillende functies (horeca, wonen, maatschappelijk) kan het gebied aangemerkt worden als een 'gemengd gebied'. Dit betekent dat de richtafstand (m.u.v. het aspect gevaar) met één stap mag worden teruggebracht.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

41

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.5.2 Beoordeling 5.5.2.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval worden negen woningen toegestaan. Ten aanzien van de functie 'wonen' wordt opgemerkt dat een dergelijke functie niet wordt beschouwd als een milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarom geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied liggen een aantal milieubelastende functies.

De dichtstbijzijnde functies betreffen de maatschappelijke functies ten noorden en oosten van het plangebied en een bakkerijwinkel ten zuiden van het plangebied. De bakkerijwinkel kan het beste vergeleken worden met de functie 'detailhandel brood en banket met bakken voor eigen winkel'. De maatschappelijke functies betreffen in dit geval ouderenwoningen, die het beste vergeleken kunnen worden met de functie 'verpleeghuizen'. Ook is nabij het plangebied een apotheek gevestigd. Voor de bakkerijwinkel (milieucategorie 1) geldt in dit geval een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect 'gevaar'. Voor de overige aspecten geld vanwege de ligging in het gemengde gebied geen richtafstand. Voor verpleeghuizen (milieucategorie 2) geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Voor de apotheek (milieucategorie 1) geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect gevaar. De afstand van de bakkerijwinkel tot het bouwvlak in het plangebied is meer dan 10 meter. Deze functie vormt dan ook geen belemmering en wordt omgekeerd niet beperkt in haar werkzaamheden. De maatschappelijke functies grenzen direct aan het plangebied. De richtafstand van 10 meter wordt niet gehaald. Het gaat in dit geval echter om ouderenwoningen en een apotheek. Functies in milieucategorie 1 en 2 zijn zodanig weinig milieubelastend dat deze goed passen in een woonomgeving.

De ouderenwoningen zijn qua milieubelasting gelijk te trekken met reguliere woningen. Ook de apotheek is weinig milieubelastend. De richtafstand van 10 meter voor het aspect 'gevaar' vormt geen belemmering, gezien er geen sprake is van de opslag van gevaarlijke stoffen of andere risicovolle functies in het kader van externe veiligheid/gevaar. Van een daadwerkelijke milieubelasting zal dan ook

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

42

NL.IMRO.0141.00132-BP31

geen sprake zijn. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omgekeerd de omliggende functies niet in hun gebruik beperkt worden.

5.5.3 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

5.6.2 Activiteitenbesluit milieubeheer Vanaf 1 juni 2017 is het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

5.6.3 Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf ligt op ruim 250 meter afstand. Het betreft het agrarisch bouwvlak aan de Lohuisstraat 17. Daarnaast ligt er op circa 300 meter afstand een agrarisch bouwvlak aan de Bornsestraat 22. Het betreffen beide grondgebonden veehouderijen waarvoor een vaste afstand geldt van 100 meter op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Deze wordt in beide gevallen ruimschoots gehaald. Gelet op de grote afstand tot aan de voornoemde veehouderijen is te verwachten dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de veehouderijen door de voorgenomen ontwikkeling niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

43

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.6.4 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

5.7

Ecologie

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

5.7.1 Gebiedsbescherming 5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Wierdense Veld, is op ongeveer 9,7 kilometer afstand gelegen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Er is dan ook een Aeriusberekening uitgevoerd om de stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden te bepalen. Deze berekening is als Bijlage 4 bijgevoegd. In de volgende alinea worden de belangrijkste conclusies uiteengezet. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig 5.7.1.2 Nederlands Natuurnetwerk Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.

In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet in het NNN, maar is op een afstand van 600 meter afstand gelegen. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling binnen het plangebied worden geen negatieve effecten verwacht. Er zal geen sprake zijn van aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Een verdere toetsing aan het NNN is niet aan de orde. 5.7.1.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7.2 Soortenbescherming 5.7.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Er is in het onderzoeksgebied door Natuurbank Overijssel gekeken naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord worden. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

44

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.7.2.2 Situatie plangebied 5.7.2.2.1 Resultaten quickscan De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rusten voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 5.7.2.3 Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7.3 Conclusie Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op het NNN. Ten aanzien van omliggende Natura-2000 gebieden zijn significant negatieve effecten uitgesloten, aangezien er geen sprake is van stikstofdepositie. Wat betreft de soortenbescherming dient er een nader onderzoek naar de egel plaats te vinden. Dit onderzoeken wordt uitgevoerd en indien nodig wordt er een ontheffing verkregen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld.

5.8

Archeologie & cultuurhistorie

In deze paragraaf wordt aan de hand van inventarisaties ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplangebied.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

45

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.8.1 Archeologische waarden 5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling De gemeente Almelo beschikt over een eigen archeologische verwachtingskaart. Hierop ligt het plangebied in een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde (zie rode cirkel afbeelding 5.2). Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in deze gebieden enkel noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld en met een oppervlakte groter dan 10.000 m2. De bodemingrepen blijven ruimschoots onder de onderzoeksgrenzen waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Bovendien zijn de gronden reeds grotendeels verstoord door de bestaande bebouwing.

Afbeelding 5.2: Archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Almelo)

5.8.2 Cultuurhistorie 5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een ruimtelijk plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

46

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, binnen het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In de nabije omgeving staat de Stephanuskerk, dit is een rijksmonument. Het plangebied ligt echter op relatieve grote afstand (circa 50 meter) tot deze kerk. Bovendien worden de nieuwe gebouwen in het plangebied dusdanig vormgegeven dat deze passend zijn in de cultuurhistorische en stedenbouwkundige structuur. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan.

5.8.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Fysieke veiligheid

5.9.1 Inleiding Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Om de effecten van een incident zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat hulpverleningsdiensten op kunnen treden en dat burgers zich in veiligheid kunnen brengen. Het bestemmingsplan is op fysieke veiligheidsaspecten getoetst aan landelijke, regionale en gemeentelijke richtlijnen en/of regelgeving. Dit betreft de onderdelen: bereikbaarheid; opkomsttijd; bluswatervoorziening; zelfredzaamheid; sirenedekking; samenhang veiligheidsketen. De hoofdtaken van de brandweer zijn onderverdeeld in schakels uit de veiligheidsketen. De schakels zijn: Pro-actie; de schakel pro-actie gaat onder andere over de bluswatervoorziening, de bereikbaarheid en de sirenedekking. Preventie; voor het aspect preventie geldt dat rekening moet worden gehouden met de bestaande weten regelgeving. Preparatie; voor hulpdienstrelevante objecten is het wenselijk om deze op te nemen in de planvorming van de brandweer, zoals een bereikbaarheidskaart of een aanvalsplan. Repressie; vanuit de repressieve dienst wordt ter plaatse bepaald hoe er wordt ingezet. Nazorg; de taak nazorg heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden.

5.9.2 Bereikbaarheid 5.9.2.1 Bereikbaarheid algemeen Bij het bepalen of er een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied getoetst aan de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of: De wegen voldoen aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen; Een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is; Of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

47

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.9.2.2 Beoordeling bereikbaarheid Het plangebied is vanuit verschillende richtingen goed te bereiken. Er wordt op dit punt dan ook voldaan aan de handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid.

5.9.3 Opkomsttijd 5.9.3.1 Opkomsttijd algemeen De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar het plaats incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd en staan in onderstaande tabel beschreven. Normtijd Gebruiksfunctie 5 minuten

Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel 6 minuten Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen 8 minuten Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies 10 minuten Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties Daarnaast is het 'Dekkingsplan Brandweer Twente', dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld. 5.9.3.2 Beoordeling opkomsttijd Voor 'overige woningen' geldt een opkomsttijd van 8 minuten. Uit berekeningen blijkt dat de brandweer in theorie binnen deze norm ter plaatse kan zijn.

5.9.4 Bluswatervoorziening 5.9.4.1 Bluswatervoorziening algemeen Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn: De primaire bluswatervoorziening Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet. De secundaire bluswatervoorziening De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken. De tertiaire bluswatervoorziening Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2.500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken.

vastgesteld bestemmingsplan Bornsestraat 36, Bornerbroek

48

NL.IMRO.0141.00132-BP31

5.9.4.2 Beoordeling bluswatervoorziening Tijdens de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt beoordeeld of een brandweerkraan dient te worden geplaatst.

5.9.5 Zelfredzaamheid 5.9.5.1 Zelfredzaamheid algemeen Voor de bestrijdbaarheid van een incident zijn onder andere de bereikbaarheid voor hulpdiensten, opkomsttijd en bluswatervoorziening van belang. Daarnaast speelt de zelfredzaamheid van burgers een rol. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan hoofdzakelijk uit schuilen en vluchten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De ruimtelijke inrichting van het gebied kan op verschillende manieren inspelen op de zelfredzaamheid. 5.9.5.2 Beoordeling zelfredzaamheid Dit plan voorziet in realisatie van 18 appartementen. De aanwezige personen zijn zelfredzaam. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het plangebied in verschillende richtingen te ontvluchten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=fa3e3732-c504-46d4-82ac-4c813d0c8fef