CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

12.1.2 Vaststelling bestemmingsplan Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding - Bijlage 1.2 - Archeologisch veldonderzoek.pdf

Raad 8 maart 2022, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding'18.008 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen 110 kV kabeltracé Almelo Mosterdpot - Hengelo Weideweg, deelgebied gemeente Almelo

projectnummer 432422 definitief revisie 01 17 september 2019

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

2

1

Inleiding

4

2

Bureauonderzoek

6

2.1 2.2 2.3 2.4

Begrenzing plangebied Huidig en toekomstig gebruik Landschappelijke situatie Gespecificeerde archeologische verwachting

6 6 7 10

3

Veldonderzoek

12

3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2

Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Bodemopbouw Archeologie

12 12 13 13 18

4

Conclusies en advies

20

4.1 4.2

Conclusies (Selectie)advies

20 21

Literatuur en geraadpleegde bronnen

24

Lijst met afbeeldingen

25

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen

Kaartbijlagen 432422-S1 t/m –S10 432422-GEOM1 t/m –GEOM6

Situatiekaarten met ligging boorpunten Situatiekaarten met boorpunten op de geomorfologische kaart

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem

432422 4642623100 Overijssel Almelo Almelo kabeltracé Almelo-Hengelo

Kaartblad 28G Coördinaten 239699/486150 243461/480613 Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering Projectteam

TenneT TSO B.V. Antea Group oktober 2018/mei 2019 R. Raap (projectleider) P.C. Teekens (senior KNA-prospector)

Vrijgave conform KNA A. Brokke (senior KNA-archeoloog) Bevoegd gezag gemeente Almelo Deskundige Bevoegd gezag Dhr. A. Vissinga, regio-archeoloog Twente Beheer documentatie Antea Group Vondstdepot Provinciaal Depot Bodemvondsten

Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart 1:25.000 met ligging plangebied (noord gericht, maar niet op schaal). Rode lijn = open ontgraving. Zwarte lijn = gestuurde boring (HDD). Paarse lijn = gemeentegrens.

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Samenvatting In oktober/november 2018 heeft Antea Group in opdracht van TenneT een archeologisch onderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen uitgevoerd in de gemeente Almelo. Dit conform BRL 4000 en KNA 4.1. Omdat er binnen het tracédeel Harculo-Hengelo diverse knelpunten zijn gesignaleerd die een risico kunnen vormen voor de elektriciteitsvoorziening worden drie nieuwe ondergrondse kabelverbindingen aangelegd die het hoogspanningsnet rond Hengelo moeten verbeteren.1 Eén van deze kabeltracés zal tussen het 110 kV station Almelo Mosterdpot (AMLM110) en Hengelo Weideweg (HGLW110) worden aangelegd over een afstand van 16.234 m. Hiervan zal 8.217 m door middel van open ontgraving worden aangelegd en 8.017 m door middel van gestuurde boringen. Het kabeltracé als geheel zal door drie afzonderlijke gemeentes lopen, namelijk Almelo, Hof van Twente en Hengelo. Dit rapport heeft alleen betrekking op de gemeente Almelo. Het tracé dat door de gemeente Almelo loopt is circa 10,0 km lang. Daarvan wordt 5,38 km door open ontgravingen aangelegd. Naar verwachting wordt de sleuf 8 m breed (bovenin; onderin 4 m) en zal er tot een diepte van 2,1 m –mv grond worden ontgraven. Het overige gedeelte van het tracé, circa 4,63 km, zal worden aangelegd door middel van gestuurde boringen (HDD).

Het tracé loopt door verschillende zones met een dubbelbestemming waarde – archeologie, wat inhoudt dat voor (delen van) het plangebied archeologisch (voor)onderzoek verplicht is gesteld. Daar waar de kabel wordt aangelegd door middel van gestuurde boringen is, met uitzondering van het in- en uittredepunt, geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. In dit kader heeft Antea Group in de periode juli-augustus 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd.2 Hieruit is gebleken dat voor delen van het plangebied een middelhoge verwachting op resten uit voornamelijk de prehistorie geldt. Resten uit latere periodes kunnen echter ook worden aangetroffen. Voor de gebieden die in open ontgraving worden aangelegd, en die nog niet in eerdere onderzoeken zijn vrijgegeven, is derhalve geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat binnen het gedeelte van het plangebied in de gemeente Almelo plaatselijk sprake is van een (deels met dekzand opgehoogd) beekdal zónder veen. De kans dat zich hier archeologische resten bevinden wordt laag ingeschat. Ter plaatse van boringen 2 en 3 is echter nog wel veen aanwezig.

Hierin kunnen goed geconserveerde resten uit de ijzertijd/Romeinse tijd (of later) aanwezig zijn. Daarnaast is veelal sprake van een (deels) verstoord of verspoeld pakket dekzand (dekzandwelvingen en –ruggen). Over het algemeen is geen sprake van een podzolprofiel of is deze opgenomen in de bouwvoor. De kans dat zich hier nog intacte resten bevinden wordt laag ingeschat. Dit geldt echter niet voor het gebied ter hoogte van boring 58 alwaar een deels intact podzolprofiel (dekzandkopje) is aangetroffen. Hier kunnen wel degelijk archeologische resten (vooral dieper ingegraven sporen) aanwezig zijn. Er zijn echter geen archeologische vondsten aangetroffen. Daarnaast zijn enkele dekzandwelvingen- en ruggen aanwezig, waar mogelijk nog dieper ingegraven sporen aanwezig zouden kunnen zijn. Gezien de mate van bodemverstoring aldaar en de afwezigheid van archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, wordt de kans hierop echter toch laag ingeschat. (Selectie)advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de conclusie dat hier mogelijk archeologische resten aanwezig zijn, wordt aanbevolen om de graafwerkzaamheden vanaf boring 3 tot aan boring 4 alsmede de zone tussen boring 57 en 59 niet in open ontgraving aan te leggen maar deze zones middels een gestuurde boring (HDD) te ontzien.

Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om hier een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. 1

Projectspecificatie veld- en bodemonderzoeken. Aanleg 110 kV kabelverbindingen Nijverdal-Rijssen, Hengelo/OeleHengelo/Weideweg en Hengelo/Weideweg-Almelo/Mosterdpot. 2 Nater en Brokke, 2018a.

Blad 2 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Daarnaast wordt aanbevolen om de rest van het plangebied vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling (de kans wordt laag ingeschat dat zich hier nog archeologische resten bevinden). Voor een visuele weergave van het bovenstaande advies wordt verwezen naar afbeeldingen 8 en 9 (in paragraaf 4.2.). Op 12 augustus 2019 heeft de heer A. Vissinga, regio-archeoloog Twente, laten weten in te kunnen stemmen met de bovenstaande conclusies en aanbevelingen.

Blad 3 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

1

Inleiding In oktober/november 2018 heeft Antea Group in opdracht van TenneT een archeologisch onderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen uitgevoerd in de gemeente Almelo. Dit conform BRL 4000 en KNA 4.1. Omdat er binnen het tracédeel Harculo-Hengelo diverse knelpunten zijn gesignaleerd die een

risico kunnen vormen voor de elektriciteitsvoorziening worden drie nieuwe ondergrondse kabelverbindingen aangelegd die het hoogspanningsnet rond Hengelo moeten verbeteren.3 Eén van deze kabeltracés zal tussen het 110 kV station Almelo Mosterdpot (AMLM110) en Hengelo Weideweg (HGLW110) worden aangelegd over een afstand van 16.234 m. Hiervan zal 8.217 m door middel van open ontgraving worden aangelegd en 8.017 m door middel van gestuurde boringen. Het kabeltracé als geheel zal door drie afzonderlijke gemeentes lopen, namelijk Almelo, Hof van Twente en Hengelo. Dit rapport heeft alleen betrekking op de gemeente Almelo. Het tracé dat door de gemeente Almelo loopt is circa 10,0 km lang. Daarvan wordt 5,38 km door open ontgravingen aangelegd. Naar verwachting wordt de sleuf 8 m breed (bovenin; onderin 4 m) en zal er tot een diepte van 2,1 m –mv grond worden ontgraven. Het overige gedeelte van het tracé, circa 4,63 km, zal worden aangelegd door middel van gestuurde boringen (HDD). Het tracé loopt door verschillende zones met een dubbelbestemming waarde – archeologie, wat inhoudt dat voor (delen van) het plangebied archeologisch (voor)onderzoek verplicht is gesteld. Daar waar de kabel wordt aangelegd door middel van gestuurde boringen is, met uitzondering van het in- en uittredepunt, geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. In dit kader heeft Antea Group in de periode juli-augustus 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd.4 Hieruit is gebleken dat voor delen van het plangebied een middelhoge verwachting op resten uit voornamelijk de prehistorie geldt. Resten uit latere periodes kunnen echter ook worden aangetroffen. Voor de gebieden die in open ontgraving worden aangelegd, en die nog niet in eerdere onderzoeken zijn vrijgegeven, is derhalve geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren. In de onderhavige rapportage worden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd en worden conclusies getrokken en zal een advies worden geformuleerd over hoe om te gaan met eventueel aanwezige kansrijke zones op archeologische waarden binnen dit deel van het plangebied. Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. alsmede het voor aanvang van het veldwerk door Antea Group opgestelde Plan van Aanpak (PvA).5 Voor het KNA-protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

Voor de plaats van het huidige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. Voor de in de tekst genoemde (archeologische) perioden/dateringen wordt verwezen naar bijlage 1. 3

Projectspecificatie veld- en bodemonderzoeken. Aanleg 110 kV kabelverbindingen Nijverdal-Rijssen, Hengelo/OeleHengelo/Weideweg en Hengelo/Weideweg-Almelo/Mosterdpot. 4 Nater en Brokke, 2018a. 5

Teekens, 2018.

Blad 4 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

2

Bureauonderzoek Zoals in de inleiding reeds is aangegeven is er in een eerder stadium al een bureauonderzoek uitgevoerd door Antea Group.6 In het onderstaande volgen enkele noodzakelijke (administratieve) gegevens alsmede het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek. Voor nadere details wordt echter verwezen naar de genoemde rapportage alsmede het PvA.

2.1

Begrenzing plangebied Het plangebied begint ten noorden van de Wierdensestraat in Almelo, en loopt van daar af in zuidwestelijke richting (afbeelding 2). Na een oversteek over het Twentekanaal buigt het tracé af naar het zuiden, en loopt in die richting tot aan de Rijksweg A35. Hierna loopt het plangebied verder in oostelijke richting. Net voor de Pastoor Ossestraat kruist het de A35, waarna het zijn richting vervolgt langs de noordoostkant van Bornerbroek, tot en met de kruising met de A1. Hier ligt de grens van de gemeente Almelo; de rest van het plangebied ligt in andere gemeentes, en wordt in afzonderlijke rapportages besproken. Voor de ligging van het plangebied wordt verwezen naar afbeelding 1 alsmede de boorpuntenkaarten in de kaartbijlage.

2.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het tracé loopt voornamelijk door weide- en akkerland, en kruist op aan aantal plaatsen wegen en waterwegen. Consequenties toekomstig gebruik Een deel van het tracé wordt in open ontgraving aangelegd en een deel door middel van gestuurde boringen. De sleufbreedte van de open ontgraving zal 8 m breed zijn (bovenin; onderin 4 m) en er zal tot een diepte van 2,1 m –mv grond worden ontgraven. Het overige gedeelte van het tracé zal worden aangelegd door middel van HDD-boringen. Dit zijn met name de gedeeltes die onder wegen en waterpartijen door gaan. Het gedeelte van het tracé dat onder slootjes door gaat zal door middel van persing worden aangelegd. Voor het in- en uittredepunt van de gestuurde boring zullen putten moeten worden gegraven die naar verwachting 5 bij 5 m groot gaan worden. Daarnaast zullen er verschillende toegangswegen worden gerealiseerd voor het werkverkeer. Naast de sleufbreedte van 8 m wordt een werkstrook van circa 17 m breed aangehouden op plaatsen waar het tracé door weilanden en akkers loopt (hierbij wordt de bouwvoor en de B-laag – tot circa 50 cm – mv – verwijderd). Voor het aanleggen van de 110 kV kabelverbinding wordt dus uitgegaan van een voorlopige werkbreedte van 25 m (afbeelding 2). Langs wegen wordt alleen uitgegaan van alleen de sleufbreedte van 8 m.

De hierboven genoemde geplande werkzaamheden kunnen eventueel archeologische resten in de bodem verstoren.

6

Nater en Brokke, 2018.

Blad 5 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Afbeelding 2. Schematische weergave sleufdoorsnede inclusief ligging/aard werkstrook (werkweg inclusief grondopslag en werkpad) (bron: TenneT).

2.3

Landschappelijke situatie Geomorfologie en AHN Op de geomorfologische kaart (afbeelding 3) is te zien dat het landschap afwisselend bestaat uit dekzandwelvingen en dekzandvlakten. Aan de oostelijke kant van het plangebied bevindt zich een gordeldekzandrug met grondmorenewelvingen. Ten westen van het plangebied ligt een beekdalbodem. De westkant van Almelo bevindt zich in een relatief laag gebied tussen dekzandruggen in (afbeelding 4). Naar het oosten toe, in de richting van Borne en Hengelo, loopt het maaiveld weer omhoog. Wel zit er veel microreliëf in de omgeving; dit is vooral goed te zien ten westen van het Twentekanaal. Op de geomorfologische kaart zijn deze verhogingen herkenbaar als dekzandruggetjes binnen het landschap van de dekzandvlakte. Overigens zijn de boringen geprojecteerd op de geomorfologische kaart; zie hiervoor de betreffende kaartbijlagen achter aan dit rapport (432422-GEOM1 t/m 432422-GEOM6).

Blad 6 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Afbeelding 3. De locatie van het plangebied op de geomorfologische kaart (schaal 1:60.000; bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Rode lijn = open ontgraving. Zwarte lijn = gestuurde boring (HDD). Paarse lijn = gemeentegrens.

Blad 7 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Afbeelding 4. De locatie van het plangebied (rode lijn) op het AHN (schaal 1:80.000; bron: ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer). Duidelijk zichtbaar aan de westzijde is het beekdal. De groene lijn geeft de gemeentegrens aan.

Bodem en grondwater Het merendeel van het plangebied is gelegen op afwisselend beekeerdgronden en veldpodzolgronden (afbeelding 5). Beekeerdgronden komen meestal voor in beekdalen, op plaatsen waar een wisselende grondwaterstand gold. Veldpodzolgronden komen voor op de lager gelegen gronden, waar relatief hoge grondwaterstanden van toepassing waren. Deze grondwaterstanden zijn ook terug te zien in de grondwatertrappenkaart. Een klein deel van het tracé ligt op hoge zwarte enkeerdgronden. Zwarte enkeerdgronden zijn ontstaan door het gebruik van heideplaggen binnen het potstalsysteem. Voor deze gronden geldt vaak een hoge archeologische verwachting.

Blad 8 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Afbeelding 5. De locatie van het plangebied op de bodemkaart (Alterra). Rode lijn = open ontgraving. Zwarte lijn = gestuurde boring (HDD). Paarse lijn = gemeentegrens.

2.4

Gespecificeerde archeologische verwachting Datering Op basis van de onderzoeken die in de omgeving zijn uitgevoerd, kunnen er binnen het plangebied voornamelijk resten worden aangetroffen uit de steentijd en de (late) middeleeuwen/nieuwe tijd. Complextype Uit het paleolithicum tot en met het laat neolithicum kunnen in deze regio resten worden verwacht die samenhangen met de mobiele leefwijze van de mens, zoals kleine kampementen die slechts tijdelijk (en/of periodiek) werden bewoond. Dergelijke vindplaatsen zijn te herkennen aan vuursteenconcentraties en haardkuilen. Vanaf het laat neolithicum tot en met de late middeleeuwen/nieuwe tijd kunnen, op de dekzandruggen of de flanken ervan, resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals perceleringsgreppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Ook off-site materiaal kan worden verwacht. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters.

Blad 9 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Diepteligging Sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen direct in of onder de moderne bouwvoor verwacht worden. Oudere sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Locatie Archeologische resten worden vooral verwacht op do hogere delen van het plangebied: de dekzandwelvingen, -ruggen en esdekken. In de dalvormige laagten en voor de reeds vrijgegeven gebieden geldt een lage verwachting. Uiterlijke kenmerken Paleolithicum tot laat neolithicum: vuursteenverspreiding, indicaties van bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval, productiegereedschap. Indicaties van kortdurende nederzettingen/kampen: haardkuilen, verbrand vuursteen. Indicaties voor jacht/voedselverzameling en –bereiding: werktuigen, spitsen, bijlen, schrabbers, stekers etc. Laat neolithicum tot en met late middeleeuwen: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan. Nederzettingen: paalgaten (huizen, spieker, opstallen, schuren), greppels, waterputten (met of zonder houten beschoeiingen) en afvalkuilen. Tussen het laat neolithicum en de bronstijd/ijzertijd: periodespecifieke wijze van het begraven/cremeren van de doden. Middeleeuwen en nieuwe tijd: nederzetting- en ontginningssporen en resten van agrarische landinrichting. Mogelijke verstoringen Het is mogelijk dat de bodemopbouw deels verstoord is geraakt door reeds aanwezige infrastructuur.

Overige verstoringen zijn niet bekend binnen het plangebied.

Blad 10 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

3

Veldonderzoek

3.1

Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:  

     

3.2

Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?

Onderzoeksopzet en werkwijze

7

Datum uitvoering

13, 14 20 – 22 november 2018 en mei 2019

Veldteam Weersomstandigheden

P.C. Teekens (senior KNA-archeoloog), J. Kuit en H. Booij (cultuurtechniek/milieu) Half zonnig, circa 12 – 18 graden Celsius

Boortype

7/10 cm Edelmanboor, zuigerboor (5 cm)

Methode conform Leidraad SIKB7 Motivatie methode

N.v.t. (verkennende boringen) Op basis van het bureauonderzoek worden diverse vindplaatstypen verwacht uit de periode (laat) paleolithicum – nieuwe tijd (veelal beginnend direct onder het maaiveld). De verwachtte resten zijn met name te verwachten op de hogere delen in het landschap (dekzandruggen- en/of – welvingen, plaggendekken). Met de gekozen methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit

Tol e.a. 2012

Blad 11 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Aantal boringen Diepte boringen Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap

Wijze inmeten boringen

N.v.t. (de boringen zijn daar waar open ontgravingen gepland zijn op het hart van het tracé met een onderlinge afstand van 50 m gezet. Plaatselijk is de tussenafstand kleiner wanneer op korte tracédelen bij het in- en uittredepunt van een gestuurde boring een boring is gezet TopCon Hiper GPS

Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering

N.v.t.

Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering

Bij akkers: redelijk (indien er geen gewas op aanwezig was) Weilanden: slecht (gras) In het geval van onbegroeide akkers is het terrein tussen de boringen systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren N.v.t.

Afwijkingen t.o.v. PvA

3.3

1 boring om de 50 m op het hart van het kabeltracé, is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en -intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om 1) de bodemopbouw en 2) de bodemkwaliteit (gaafheid) te bepalen. Met deze methode kan ook goed de aan- of afwezigheid van de dekzandruggen- en/of welvingen, plaggendekken (kansrijke zones) of de lagere delen in het landschap (kansarme zones) worden bepaald (zie verder het gespecificeerd verwachtingsmodel) 85 (2 – 51, 53 – 64, 66 - 68, 98 – 111, 55a, 56a, 10A, 210B, 212A en 212B)8 1,2 à 4,0 m - mv

ASB / NEN 5104 Snijden, brokkelen, doorwoelen en visuele inspectie van de boorkernen N.v.t.

Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage.

3.3.1

Bodemopbouw Bodemopbouw De bodem binnen het plangebied wordt, van boven naar beneden, gekenmerkt door de aanwezigheid van een 0,15 à 1,0 m dikke bouwvoor of A-horizont bestaande uit matig fijn, matig

8

Boring 1 is vanwege de locatie afgevallen. Boringen 52, 65, 69 – 97, 112 en 113 konden, vanwege het ontbreken van betredingstoestemming nog niet worden gezet en dienen in een later stadium alsnog uitgevoerd moeten worden. Vanwege een tracéwijziging zijn twee extra boringen gezet; nrs. 55a en 56a. Boringen 43 – 54, 66 – 69, 74 – 77, 80, 82 – 88 en 90 – 97 zijn hierdoor (en gestuurde boringen) niet meer relevant.

Blad 12 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

siltig, zwak tot matig humeus, bruingrijs zand. Hierin zijn plaatselijk de resten van de onderliggende C-horizont aanwezig. Soms gaat het om een (deels) opgehoogd pakket. Bodemtype 1 Over het algemeen is onder de hierboven beschreven bouwvoor of A-horizont direct grijs of geel zand (de C-horizont) aanwezig; boringen 5 – 8, 11 – 14, 16, 18, 20 – 23, 25, 26, 29, 30, 34, 36, 39, 41, 45, 46 – 51, 54 – 57, 55a en 56a, 59, 64, 102, 103, 210A, 210B, 212A en 212B). Bodemtype 2 Soms is echter een verstoorde tussenlaag aanwezig tussen de A- en onderliggende C-horizont; boringen 4, 9, 10, 15, 17, 19, 27, 28, 31, 38, 43, 44, 53, 61 en 63). Deze verstoorde tussenlaag is vaak de duidelijk verploegde bovenkant van de C-horizont. Bodemtype 3 Ter plaatse van boringen 2 en 3 is onder de bouwvoor (en of ophogingspakket) (vanaf respectievelijk 0,5 en 1,5 m – mv) sprake van zwak tot matig plantenhoudend (rest)veen. Ter plaatse van boring 2 gaat het om een circa 1,15 m dik pakket, waarvan de eerste 0,5 m is verstoord. Ter plaatse van boring 3 is sprake van een slechts 0,3 m dikke (rest)veenlaag. Hierboven op ligt overigens een verstoord kleipakket. Onder het veen is opnieuw grijzig of gelig zand aanwezig (de C-horizont). Bodemtype 4 Ter plaatse van boring 24 is onder de 0,3 m dikke bouwvoor een 0,1 m dikke verstoorde zandlaag aanwezig, waarna een 0,2 m dikke zwak zandige kleilaag werd aangetroffen.

Daaronder is licht grijsbruin, matig tot sterk siltig, houtrestenhoudend zand aanwezig. Bodemtype 5 Ter plaatse van boring 32 is onder de 0,2 m dikke bouwvoor sprake van een 0,2 m dikke verstoorde zwak zandige kleilaag. Deze kleilaag ligt erosief op een 0,2 m dikke matig fijne, roestige zandlaag die een verspoelde indruk maakt. Vervolgens is hieronder (tot minimaal 2,5 m – mv) sprake van matig fijn, matig siltig, zwak roesthoudend, grindhoudend, hout- en leemhoudend zand. Bodemtype 6 Ter plaatse van boringen 6, 33, 35, 66 – 68, 98, 99, 100 en 107 – 111 is onder de A-horizont (en tot minimaal 2,5 m – mv) direct sprake van matig fijn, matig siltig, zwak roesthoudend, grindhoudend, hout- en leemhoudend zand. Plaatselijk is echter tussen de bouwvoor en dit intacte zandpakket sprake van een verstoorde tussenlaag van wisselende dikte. Bodemtype 7 Een met bodemtype 6 vergelijkbaar bodemprofiel werd aangetroffen ter plaatse van boringen 37, 40, 42, 60, 62, 101 en 104 – 106; op deze plaatse is onder de A-horizont en bovenop de veelal matig grove, leem- en grindhoudende zandafzettingen , sprake van een één of meerlagig pakket matig fijn, matig siltig zand (de C-horizont). Soms lijkt de top verspoeld te zijn.

Bodemtype 8 Ter plaatse van boring 58 werd onder de 0,4 m dikke bouwvoor een 0,3 m dikke verstoorde zandlaag aangetroffen, waarin duidelijk een bijmenging van de oorspronkelijk aanwezige Ehorizont (de uitspoelingshorizont) is waar te nemen. Hieronder (vanaf 0,7 tot 1,2 m – mv) is een zwakke B-horizont (inspoelingshorizont) aanwezig, bestaande uit matig fijn, matig siltig, matig

Blad 13 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

roesthoudend, lichtbeige zand. Vervolgens is sprake van matig fijn zand dat naar onderen toe grijs wordt aanwezig (de C-horizont). Bodemverstoring De waargenomen bodemverstoring is veelal beperkt gebleven tot de bouwvoor of A-horizont, maar plaatselijk is de bodem (veel) dieper verstoord (zie de onderstaande tabel). Boorpunt 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41

NAP-hoogte (in m) 9,5 9,7 9,7 9,8 9,8 10,1 9,9 10,0 9,6 9,5 9,6 9,5 9,4 9,5 9,8 9,8 9,6 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5

Verstoringsdiepte in m - mv 1,00 1,50 0,90 0,50 0,50 0,40 0,40 1,20 2,00 0,30 0,30 0,30 0,15 0,50 0,30 0,60 0,55 0,55 0,40 0,40 0,60 0,40 0,40 0,30 0,30 0,60 0,60 0,30 0,30 0,40 0,60 0,30 0,40 0,50 0,70 0,30 0,50 0,40 0,30 0,30

Blad 14 van 26

Opmerking Tot in veen Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Boorpunt 42 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 53 54 55 55a 56 56a 57 58 59 60 61 62 63 64 66 67 68 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 210A 210B 212A 212B

NAP-hoogte (in m) 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,5 9,9 10,0 9,8 9,7 9,7 9,7 9,6 9,7 9,7 9,6 9,7 10,2 9,7 10,1 10,1 10,2 10,1 10,4 10,5 10,5 10,3 10,4 10,7 10,7 10,9 9,06 9,31 10,1 10,2

Verstoringsdiepte in m - mv 0,30 0,30 0,80 0,80 0,80 0,60 0,25 0,40 0,40 0,40 0,20 0,50 0,30 0,60 0,60 0,60 0,60 0,70 0,70 0,60 0,50 0,60 0,60 0,55 0,25 0,50 0,60 0,45 0,60 0,50 0,50 0,30 0,40 0,30 0,25 0,30 0,25 0,60 0,40 0,40 0,30 0,40 0,60 0,40 1,10 0,80

Tabel 1. NAP-hoogte en verstoringsdiepte in m – mv per boorpunt.

Blad 15 van 26

Opmerking

Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot op B-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont Tot in C-horizont

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Interpretatie Zoals op basis van het bureauonderzoek werd verwacht bestaat de bodem binnen dit deel van het plangebied uit gordeldekzandruggen, dekzandwelvingen- en ruggen, vlaktes van (ten dele) verspoelde dekzandvlaktes (beide pleistoceen dekzand), dalvormige laagten en beek(dal)overstromingsvlakten (holocene oorsprong) en grondmorenewelvingen. Veelal is sprake van een (al dan niet afgedekt) pleistoceen dekzandpakket (dekzandwelvingen- of vlaktes dan wel –ruggen) en beekafzettingen (al dan niet met (stuif)zand afgedekt). Op basis van de geomorfologische kaart kan de volgende indeling worden gemaakt: Meer specifiek kan per bodemtype de volgende interpretatie worden gepresenteerd (zie tevens kaartbijlagen 332422-GEOM1 t/m –GEOM6): Geomorfologische eenheid L51: Dekzandwelvingen met/zonder oud bouwlanddek 2M53: Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden R23: Dalvormige laagte B35: Dekzandrug met/zonder oud bouwlanddek 2M44: Beek(dal)overstromingsvlakte 3L11H: Grondmorenewelvingen

Boringen 2 – 8, 28 – 31, 48 – 54, 57 – 59 9 – 27, 35 – 40, 43 – 46, 74 - 97 32 – 34, 41, 60 – 73, 98 – 103, 105 113 42 47, 55, 55a, 56, 56a 104

Tabel 2. Geomorfologische situatie vs. boorpunt (op basis van geomorfologische kaart).

Bodemtype 1

Aard

Interpretatie

Opmerking

Geomorfologische kaart

Matig fijn zand (C-horizont)

Pleistoceen dekzand

-

2

Matig fijn zand (C-horizont)

Pleistoceen dekzand

3

Veen

Laagte

Matig grof zand/ leemhoudend fijn zand (Chorizont) Matig fijn zand (Ahorizont/versto

Laagte

Gezien de verstoorde tussenlaag is de C-horizont afgetopt Hollandveen Laagpakket (top soms vergraven) -

Dekzandwelvingen, vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden, dalvormige laagtes, beek(dal)overstromingsvlak ten Dekzandwelvingen, vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden, dalvormige laagtes

4

Pleistoceen dekzand

Blad 16 van 26

Verspoeld

Dalvormige laagtes

Vlakten van ten dele verspoelde dekzanden

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

5/6

7

8

orde tussenlaag) Zwak zandige klei Matig fijn, hout- en grindhoudend zand (Chorizont) Matig fijn zand (A-horizont) Zwak zandige klei Matig fijn zand Matig fijn, grind-, hout- en leemhoudend zand (Chorizont) Matig fijn zand (A- en Chorizont) Matig fijn, grind-, hout- en leemhoudend zand (Chorizont) Matig fijn zand (A- B- en Chorizont)

Beekdal

-

Pleistoceen dekzand

Verspoeld

Pleistoceen dekzand Pleistoceen dekzand Pleistoceen dekzand Pleistoceen dekzand

Stuifzand/verst oord Verspoeld

Pleistoceen dekzand

-

Beekdal

-

Pleistoceen dekzand

Dekzandkopje met podzol

Dalvormige laagten, Dekzandwelvingen, vlakten van ten dele verspoelde dekzanden

Verspoeld Top plaatselijk verspoeld

Vlakten van ten dele verspoelde dekzanden, dekzandruggen, dalvormige laagten en grondmoreneruggen

Dekzandwelvingen

Tabel 3. Interpretatie per bodemtype.

Nergens werden archeologische lagen, vegetatie-horizonten of oude bodems aangetroffen. En op slechts één plek – boring 58 – werd een deels intact podzolprofiel aangetroffen.

3.3.2

Archeologie Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter wel om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats. Echter de kans op de aanwezigheid van resten uit de steentijd wordt, gezien de afwezigheid van een (deels) intact podzolprofiel in het grootste gedeelte van het plangebied laag ingeschat. Ter plaatse van de (mogelijke) dekzandrug ter hoogte van boring 58 kunnen echter nog wel dieper

Blad 17 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

ingegraven sporen aanwezig zijn (die doorgaans niet middels een booronderzoek opgespoord kunnen worden. Verder werden er geen intacte dekzandopduikingen aangetroffen. Archeologische resten uit de ijzertijd/Romeinse tijd kunnen, in de vorm van depositiegiften, worden verwacht in beekafzettingen. Bijna overal is echter sprake van zandige leem/klei of lemig zand, waarin dergelijke resten slecht bewaard blijven. De kans op dergelijke resten wordt dan ook laag ingeschat. Alleen ter plaatse van boringen 2 en 3 is een (dunne) restveenlaag aanwezig waarin dergelijk resten nog intact aanwezig kunnen zijn. Daarnaast werden resten uit de late middeleeuwen – nieuwe tijd verwacht die met name te relateren zijn aan het agrarisch gebruik van het gebied. Hiervoor zijn echter nergens aanwijzingen gevonden.

Blad 18 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

4

Conclusies en advies

4.1

Conclusies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit paragraaf 3.1. als volgt worden beantwoord: 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Over het algemeen is er geen intact bodemprofiel aanwezig. De verstoringsdiepte is veelal beperkt gebleven tot de bouwvoor of de laag daaronder (veelal de pleistocene ondergrond). In een aantal boringen werd een diepere bodemverstoring aangetroffen. Binnen het plangebied is sprake van al dan niet afgetopte/verspoelde of afgedekte dekzandwelvingen- of ruggen, (ten dele) verspoelde dekzandvlakten en beekdalen. Ter plaatse van boringen 2 en 3 is, in een gebied met dekzandwelvingen/beekafzettingen, nog sprake van een pakket (rest)veen en ter plaatse van boring 58 werd een deels intact podzolprofiel aangetroffen. 2.

Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats? Nee, er zijn geen archeologische resten aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een (intacte) vindplaats. Echter, ter plaatse van boringen 2 en 3 is (binnen een beekdal) sprake van een pakket (rest)veen waarin mogelijke (gedeponeerde) vondsten goed geconserveerd in aanwezig kunnen zijn en ter plaatse van boring 58 werd een deels intact podzolprofiel (dekzandkopje) aangetroffen. Ook hier zouden archeologische resten (deels) intact aanwezig kunnen zijn. Daarnaast zijn enkele dekzandwelvingen- en ruggen aanwezig, waar mogelijk nog dieper ingegraven sporen aanwezig zouden kunnen zijn. Gezien de mate van bodemverstoring aldaar en de afwezigheid van archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, wordt de kans hierop echter toch laag ingeschat. 3.

Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Niet van toepassing (er zijn geen archeologische lagen aangetroffen). Wel zijn ter plaatse van boringen 2 en 3 (binnen een beekdal) sprake van een pakket (rest)veen waarin mogelijke (gedeponeerde) vondsten goed geconserveerd in aanwezig kunnen zijn (tussen respectievelijk 0,5 – 1,65 m – mv en 1,50 – 1,80 m – mv) en ter plaatse van boring 58 werd een deels intact podzolprofiel met een AE- en B-horizont (dekzandkopje) aangetroffen (vanaf 0,4 m – mv). 4. Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Niet van toepassing (er zijn geen archeologische lagen aangetroffen), zie verder het antwoord op vraag 3. 5.

In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? De voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden kunnen een eventuele vindplaatsen ter plaatse van boringen 2 – 3/4 en 58 (57 – 59) verstoren dan wel vernietigen.

Blad 19 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

6. Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Als de kabel binnen de onder antwoord 5 aangegeven zones niet in open ontgraving maar middels een gestuurde boring (HDD) wordt aangelegd, zal de bodemverstoring minimaal zijn. 7.

In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Op basis van het bureauonderzoek werd rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden uit diverse perioden vanaf de steentijd (op de hogere delen van het gebied; de dekzandwelvingen, -ruggen en esdekken). Voor de lagere delen van het landschap, afgezien van de zones met veen, geldt een lage verwachting. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat binnen het gedeelte van het plangebied in de gemeente Almelo plaatselijk sprake is van een (deels met dekzand opgehoogd) beekdal zónder veen. De kans dat zich hier archeologische resten bevinden wordt laag ingeschat. Ter plaatse van boringen 2 en 3 is echter nog wel veen aanwezig. Hierin kunnen goed geconserveerde resten uit de ijzertijd/Romeinse tijd (of later) aanwezig zijn. Daarnaast is veelal sprake van een (deels) verstoord of verspoeld pakket dekzand (dekzandwelvingen en –ruggen). Over het algemeen is geen sprake van een podzolprofiel of is deze opgenomen in de bouwvoor. De kans dat zich hier nog intacte resten bevinden wordt laag ingeschat. Dit geldt echter niet voor het gebied ter hoogte van boring 58 alwaar een deels intact podzolprofiel (dekzandkopje) is aangetroffen. Hier kunnen wel degelijk archeologische resten (vooral dieper ingegraven sporen) aanwezig zijn.

Er zijn echter geen archeologische vondsten aangetroffen. Daarnaast zijn enkele dekzandwelvingenen ruggen aanwezig, waar mogelijk nog dieper ingegraven sporen aanwezig zouden kunnen zijn. Gezien de mate van bodemverstoring aldaar en de afwezigheid van archeologische vindplaatsen in de directe omgeving, wordt de kans hierop echter toch laag ingeschat. 8.

Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie hiervoor paragraaf 4.2.

4.2

(Selectie)advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de conclusie dat hier mogelijk archeologische resten aanwezig zijn, wordt aanbevolen om de graafwerkzaamheden vanaf boring 3 tot aan boring 4 alsmede de zone tussen boring 57 en 59 niet in open ontgraving aan te leggen maar deze zones middels een gestuurde boring (HDD) te ontzien. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om hier een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Daarnaast wordt aanbevolen om de rest van het plangebied vrij te geven ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling (de kans wordt laag ingeschat dat zich hier nog archeologische resten bevinden). Voor een visuele weergave van het bovenstaande advies wordt verwezen naar de onderstaande afbeeldingen.

Blad 20 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Afbeelding 6. Aanbevelingszone (rood kader) tussen boringen 3 en 4. Ontzien middels HDD en anders proefsleuvenonderzoek.

Blad 21 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Afbeelding 7. Aanbevelingszone (rood kader) tussen boringen 57 en 59. Ontzien middels HDD en anders proefsleuvenonderzoek.

De implementatie van de bovenstaande aanbeveling is afhankelijk van het oordeel van de bevoegde overheid, in dezen de gemeente Almelo. Deze dient een selectiebesluit te nemen. Op 12 augustus 2019 heeft de heer A. Vissinga, regio-archeoloog Twente, laten weten in te kunnen stemmen met de bovenstaande conclusies en aanbevelingen. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Antea Group Heerveen, september 2019

Blad 22 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Literatuur en geraadpleegde bronnen Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB. Nater, C.I. en A.J. Brokke, 2018a: Bureauonderzoek. 110 kV kabeltracé Almelo-Hengelo, deelgebied Almelo. Antea Group Archeologie 2018/121. Antea Group, Heerenveen/Oosterhout. Teekens, P.C., 2018: Plan van Aanpak. Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. 110 kV kabeltracé Almelo-Hengelo; deelgebied gemeente Almelo. Antea Group, Heerenveen. Kaarten  Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl)

Blad 23 van 26

Antea Group Archeologie 2019/2 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01

Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart 1:25.000 met ligging plangebied (noord gericht, maar niet op schaal). Rode lijn = open ontgraving. Zwarte lijn = gestuurde boring (HDD). Paarse lijn = gemeentegrens. 1 Afbeelding 2. Schematische weergave sleufdoorsnede inclusief ligging/aard werkstrook (werkweg inclusief grondopslag en werkpad) (bron: TenneT). 6 Afbeelding 3. De locatie van het plangebied (rode lijn) op de geomorfologische kaart (schaal 1:60.000; bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Rode lijn = open ontgraving. Zwarte lijn = gestuurde boring (HDD). Paarse lijn = gemeentegrens. 7 Afbeelding 4. De locatie van het plangebied (rode lijn) op het AHN (schaal 1:80.000; bron: ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer). Duidelijk zichtbaar aan de westzijde is het beekdal. De groene lijn geeft de gemeentegrens aan. 8 Afbeelding 5. De locatie van het plangebied op de bodemkaart (Alterra). Rode lijn = open ontgraving. Zwarte lijn = gestuurde boring (HDD). Paarse lijn = gemeentegrens. 9 Afbeelding 6. Aanbevelingszone (rood kader) tussen boringen 3 en 4. Ontzien middels HDD en anders proefsleuvenonderzoek. 21 Afbeelding 7. Aanbevelingszone (rood kader) tussen boringen 57 en 59. Ontzien middels HDD en anders proefsleuvenonderzoek. 22

Blad 24 van 26

Bijlage 1: Archeologische perioden

Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.

Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.

Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.

Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.

Bijlage 2: Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)

Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.

Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)

Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.

Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.

De bevoegde overheid kan van het selectieadvies afwijken indien zij dat nodig acht. Veldkartering Bij een veldkartering wordt het plangebied systematisch belopen om archeologische oppervlaktevondsten te verzamelen.

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10

Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters

Zand, uiterst siltig

geroerd monster

overige toevoegingen

ongeroerd monster

zwak humeus volumering

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

overig bijzonder bestanddeel

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

IVO Almelo-Hengelo

Projectnr.432422ARO

Boring:

002

Boring:

003

Datum:

14-11-2018

Datum:

14-11-2018

Boormeester:

P.C.Teekens

Boormeester:

P.C.Teekens

X-coördinaat:

239675,60

X-coördinaat:

239674,13

Y-coördinaat:

486022,41

Y-coördinaat:

485997,75

Maaiveldhoogte: NAP9,501

m

Maaiveldhoogte: NAP9,701 950

950

(50)

900

900

(50)

850

850

(65)

800

m

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, brokken zand, bruingrijs, Edelmanboor, scherp, B-horizont, bouwvoor Veen, matig zandig, zwak plantenhoudend, matig plastichoudend, donkerbruin, Edelmanboor, slootdemping, scherp, omgewerkte grond, Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laag Veen, matig plantenhoudend, donkerbruin, Edelmanboor, scherp, rietveen, Matig veraard

950

weiland

(25)

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, Edelmanboor, scherp, A-horizont, bouwvoor

945 (45)

900

900

Zand, matig fijn, matig siltig, licht grijsbeige, Edelmanboor, scherp, Opgebracht, (sub-)recent

(80)

Klei, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, Edelmanboor, omgewerkte grond

850 820

785

(30)

Zand, matig grof, zwak siltig, grijs, Edelmanboor, beekafzetting, C-horizont, moedermateriaal

750

970

800

790

Veen, zwak plantenhoudend, donkerbruin, Edelmanboor, scherp Zand, matig fijn, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor

(70)

750 720

700 (235)

650

600

550

Boring:

004

Boring:

005

Datum:

14-11-2018

Datum:

14-11-2018

Boormeester:

P.C.Teekens

Boormeester:

P.C.Teekens

X-coördinaat:

239661,83

X-coördinaat:

239665,78

Y-coördinaat:

485942,98

Y-coördinaat:

485884,21

Maaiveldhoogte: NAP9,744

m

Maaiveldhoogte: NAP9,8 974 (20) 954

950 (70)

900

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, Edelmanboor, scherp, A-horizont, bouwvoor

854

980

(50)

950

Zand, matig fijn, sterk siltig, lichtbruin, Edelmanboor, scherp, omgewerkte grond

930

(50)

900

884 (30)

m

880

Zand, matig fijn, matig siltig, licht grijsgeel, Edelmanboor, C-horizont, moedermateriaal, dekzand 850

(100)

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, Edelmanboor, scherp, A-horizont, bouwvoor, dekzand Zand, matig fijn, matig siltig, licht grijsbruin, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand Zand, matig fijn, matig siltig, licht grijsgeel, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

800 780

Zand, matig fijn, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

750

700 (200)

650

600 580

Schaal:1: 50

getekend volgens NEN 5104

IVO Almelo-Hengelo

Projectnr.432422ARO

Boring:

006

Boring:

007

Datum:

14-11-2018

Datum:

14-11-2018

Boormeester:

P.C.Teekens

Boormeester:

P.C.Teekens

X-coördinaat:

239651,04

X-coördinaat:

239677,79

Y-coördinaat:

485831,79

Y-coördinaat:

485779,46

Maaiveldhoogte: NAP9,777

m

Maaiveldhoogte: NAP10,063 m 978

(50)

950 928

(50)

900 878

(50)

850 828

800 (100)

weiland

1006

Zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, Edelmanboor, scherp, A-horizont, omgewerkte grond, dekzand

1000

Zand, matig fijn, matig siltig, matig roesthoudend, licht grijsbruin, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

950

Zand, matig fijn, matig siltig, licht grijsgeel, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

900

(40) 966 (20) 946 (30) 916 (30) 886

Zand, matig fijn, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, Edelmanboor, scherp, A-horizont, omgewerkte grond, dekzand Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, matig roesthoudend, brokken veen, lichtbruin, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand Zand, matig fijn, matig siltig, matig roesthoudend, licht geelbeige, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand Zand, matig fijn, matig siltig, lichtgeel, Edelmanboor, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

750 728

Boring:

008

Boring:

009

Datum:

14-11-2018

Datum:

14-11-2018

Boormeester:

P.C.Teekens

Boormeester:

P.C.Teekens

X-coördinaat:

239701,97

X-coördinaat:

239572,59

Y-coördinaat:

485731,77

Y-coördinaat:

485662,06

Maaiveldhoogte: NAP9,962

m

Maaiveldhoogte: NAP10,031 m 996 (40)

950

956 (20) 936

(60)

900 876

weiland Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, Edelmanboor, vermengd met c, scherp, A-horizont, omgewerkte grond, dekzand

1000

1003

weiland

(30)

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, bruingrijs, Edelmanboor, vermengd met c, scherp, A-horizont, omgewerkte grond, dekzand

973

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, brokken zand, lichtbruin, Edelmanboor, geleidelijk, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

950

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak roesthoudend, lichtgeel, Edelmanboor, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

900

(90)

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, brokken zand, licht geelbruin, Edelmanboor, verstoorde c, geleidelijk, C-horizont, omgewerkte grond, dekzand

883

850

(80)

Zand, matig fijn, matig siltig, zwak roesthoudend, licht grijsgeel, Edelmanboor, C-horizont, moedermateriaal, dekzand

803

800

Zand, matig fijn, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor (100)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=30b2f00a-2364-4247-9ea9-aa213563876e