CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

11.1 Vaststelling bestemmingsplan Welgelegen en Acacialaan - bijlage 1 - Bestemmingsplan Welgelegen Almelo en Acacialaan 1 Aadorp (03-04-24)

Raad 28 mei 2024, gemeente AlmeloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Welgelegen en Acacialaan33.063 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in september en november 2022 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van hun persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 1 van 22

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Welgelegen 6, 8 en 10, binnen de bebouwde kom van Almelo. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 242.640 en y = 488.301. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente Ambt-Almelo, sectie B, nummers 7399 en 10502 (ged.) en sectie M, nummers 286 en 3857 (ged.). De Welgelegen bevindt zich ten westen en de Bolenstein bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. De Ter Kleef loopt centraal over de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is deels bebouwd (voormalige scholen) en verhard. Het terrein rondom de bebouwing is deels verhard met asfalt, tegels en klinkers (schoolplein) en deels onverhard (gras en groenstroken). Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie omvat circa 12000 m². In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, november 2022; - Boorplan verkennend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, november 2022. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein.

Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft momenteel grotendeels een maatschappelijke bestemming en deels infrastructuur en groen. en was tot voor kort in gebruik als bassischool. De gebouwen dateren oorspronkelijk van circa 1973, 1975 en 1985 (BAG-viewer). Voordien was de onderzoekslocatie in gebruik als weiland; - voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; - de onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn; - voor zover bekend is het te onderzoeken terrein in het verleden niet opgehoogd. Volgens de bodematlas zijn er op de onderzoekslocatie mogelijk 4 gedempte sloten aanwezig (deellocaties A, B, C en D); - er zijn aan de buitenzijde van de voormalige basisschool De Telgenborch aan Welgelegen 10 asbesthoudende bronnen aanwezig (asbestinventarisatie van Kruse Milieu BV, Basisschool de Telgenborch Welgelegen 10 te Almelo, d.d. 27 augustus 2012 met rapportnummer 1203589A-Versie 2).

Voor zover bekend bevinden zich verder geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 2 van 22

- volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) valt de bovengrond in de functieklasse Wonen en de ondergrond in de functieklasse AW2000. Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twens beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s; - er heeft eerder een bodemonderzoek deels op het noordoostelijke deel van de huidige onderzoekslocatie plaatsgevonden. Deze wordt hieronder nader toegelicht. Tauw, briefrapportage verkennend (asbest)bodemonderzoek Ter Kleef, d.d. 11 juni 2002 met projectnummer 4229878 De aanleiding van het onderzoek was de aanleg van een riool en graven van greppels in verband met de afkoppeling van hemelwater. Het boorplan is niet ingezien (ontbreekt in aangeleverde rapportage). Uit de analyseresultaten bleek het volgende: In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan arseen, cadmium, chroom en is een matig verhoogd nikkelgehalte aangetoond. Het asfalt is op basis van een indicatieve toetsing niet teerhoudend. Een funderingslaag is niet aangetroffen. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Relevante informatie

Bron

Specificatie

Opdrachtgever

Huidig en historisch gebruik van de locatie

Ja

Gemeente Almelo

Bodeminformatie en vergunningen

Ja

Archief Kruse Milieu BV

Eerdere bodemonderzoeken

Ja

Omgevingsrapportage

https://overijssel.omgevingsrapportage.nl/

Ja

Google Maps

https://www.google.nl/maps

Ja

Topotijdreis

https://www.topotijdreis.nl/

Ja

BAG-viewer

https://bagviewer.kadaster.nl/

Ja

Perceelloep

https://perceelloep.nl/

Ja

Ruimtelijke plannen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/

Ja

Grondwatertools

https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/

Ja

DINOloket

https://www.dinoloket.nl/

Ja

AHN-viewer

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

Ja

Bodemkwaliteitskaart

Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw BV, d.d. 28 mei 2020

Ja

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 3 van 22

Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 11 meter boven NAP; - de onderzoekslocatie bevindt zich op de westflank van de begraven stuwwal AlbergenTubbergen; - de deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket; - tot circa 32 meter diepte is zand aanwezig van de formaties Boxtel, Drente en Oosterhout. Het doorlatend vermogen bedraagt circa 100 - 250 m²/dag; - met daaronder de ondoorlatende basis van klei van de formaties Breda, Rupel en Van Dongen; - de grondwaterspiegel bevindt zich circa 2.0 meter onder het maaiveld. Het ondiepe grondwater stroomt overwegend in westelijke richting; - op circa 700 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie stroomt de Hollandergraven en op circa 1.3 kilometer ten noordoosten stroomt het Lateraalkanaal; - de onderzoekslocatie ligt op circa 4 kilometer ten zuidoosten van de grondwaterbeschermingsgebieden Hoge Hexel en Wierden; - de invloed van de genoemde watergangen en de grondwaterbeschermingsgebieden op het freatische grondwater zijn bij ons bureau niet bekend.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 4 van 22

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De opdrachtgever is akkoord met de gekozen onderzoeksstrategie en het boorplan. In de norm NEN5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten.

Gehele terrein (circa 12000 m2) Op basis van het oppervlakte van circa 12000 m² kan op basis van norm NEN5740, strategie onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL), worden afgeleid dat er 22 boringen dienen te worden verricht, waarvan 15 tot 0.5 meter en 5 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Er worden 2 boringen overeenkomstig NEN5766 afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het meten van het grondwaterpeil en het nemen van een grondwatermonster. Deellocaties A, B, C en D Mogelijk gedempte sloten Ter plekke van de mogelijk gedempte sloten worden afhankelijk van de lengte van de demping per demping 2 of 3 raaien van 3 boringen verricht tot 2.0 meter. In totaal worden er 26 boringen verricht. De boringen worden gecodeerd als boring A1 tot en met A6, B1 tot en met B9, C1 tot en met C9 en D1 tot en met D6. Indien ter plekke van de mogelijke slootdempingen zintuiglijk geen waarnemingen worden gedaan die duiden op een slootdemping worden geen aanvullende analyses verricht. Uit het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is met betrekking tot asbest. Derhalve is geen asbestonderzoek op de locatie noodzakelijk. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem.

Als tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden puinhoudende boringen tot 0.5 m-mv conform NEN5707 vervangen door inspectiegaten. Omdat puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Tevens dient te worden vermeld dat in overleg met de opdrachtgever is besloten geen inpandige boringen te verrichten. Inpandig zijn geen potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten uitgevoerd en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de inpandige bodemkwaliteit afwijkt van de uitpandige bodemkwaliteit. Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 5 van 22

Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan.

Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek van deze omvang 5 grond(meng)-monsters samengesteld en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 6 van 22

Tabel 2: Analysepakket per (meng)monster Monster

Analysepakket Gehele terrein

Bovengrond (3x) Ondergrond (2x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof

Grondwater (2x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.

Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 7 van 22

De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van de eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de 20 juli 2021 (aangepaste) door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.

Toetsing asbestanalyses De resultaten van eventuele asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.

Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 8 van 22

4

Resultaten Algemeen

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 4.3 en 4.4. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in september 2022 uitgevoerd door de heren J. Hartman, N. Pepping en B. Dierink. Deze veldwerker is conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09). Gehele terrein (circa 12000 m2) Op 9 september 2022 zijn er in totaal 22 boringen met behulp van een Edelmanboor verricht, waarvan er 7 zijn doorgezet tot 2.0 m-mv. Met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor zijn er 2 diepe boringen doorgezet tot 3.80 m-mv en 4.00 m-mv afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB 2). Deellocaties A, B, C en D: mogelijk slootdempingen Op 9, 15, 16, 23 en 26 september 2022 zijn er in totaal 10 raaien van elk 3 boringen tot 2.0 m-mv verricht. Ter plekke van deellocatie B is in boring B5 van 0.2 - 0.5 m-mv asfalt en een teergeur waargenomen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op slootdempingen. Met uitzondering van de raai met boring B5, wordt het uitvoeren van analyses niet noodzakelijk geacht. Boring C3 is op 1.50 meter diepte gestaakt op een harde laag.

De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen staan in bijlage II. De bodemopbouw van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit uiterst fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig zand met in de ondergrond een sterk tot matig zandige leemlaag. In de bovenen ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Door de veldwerker zijn plaatselijk bodemvreemde materialen en is in boring B5 is asfalt aangetroffen, deze zijn in tabel 3 weergegeven. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Boring

Diepte (m-mv) Waarneming Gehele terrein

1

0.15 - 0.8

Zwak puinhoudend

3

0.45 - 0.85

Sporen puin

4

0.75 - 1.2

Sporen puin

11

0.1 - 0.7

Sporen puin

14

0 - 0.3

Sporen plastic

17

0.5 - 1.0 1.0 - 1.3

Sporen puin en glas Sporen puin

18

0.15 - 0.55

Sporen puin

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 9 van 22

Vervolg tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen. Boring

Diepte (m-mv) Waarneming Gehele terrein

20

0.3 - 0.8

Sporen puin Deellocatie B: Mogelijk gedempte sloot

B1

0 - 0.9

Sporen puin

B3

0 - 1.0

Sporen puin

B4

0.2 - 1.2

Sporen puin

B5

0.2 - 0.5 0.5 - 1.2

Sporen puin en asfalt (sterke teergeur) Sporen puin

B6

0.5 - 1.2

Sporen puin

B7

0 - 0.7

Sporen puin

B8

0 - 0.9

Sporen puin

B9

0 - 1.0

Sporen puin Deellocatie C: Mogelijk gedempte sloot

C1

0.5 - 1.0

Sporen puin

C7

0.2 - 0.6

Zwak puinhoudend Deellocatie D: Mogelijk gedempte sloot

D1

0 - 0.3 0.3 - 0.6

Sporen puin en glas Matig puinhoudend

D2

0 - 0.4

Sterk puinhoudend

D3

0 - 0.35

Sterk puinhoudend

Op basis van zintuiglijke waarnemingen, de bodemsamenstelling en/of de geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 4 staat omschreven. De asfalthoudende bovengrond van boring B5 (0.2 - 0.5 m-mv) en de puinhoudende ondergrond van deellocatie B zijn aanvullend bemonsterd. Tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster

Boringnummer

Traject (diepte in m -mv)

Analyse

Gehele terrein

BG I (zwak/sporen puin)

1 3 4 11 18 20

0.15 - 0.65 0.45 - 0.85 0.75 - 2.0 0.1 - 0.6 0.15 - 0.55 0.3 - 0.8

NEN5740-standaardpakket

BG II (zintuiglijk schoon)

5, 7, 9, 10, 16, 17 en 22

0 - 0.5

NEN5740-standaardpakket

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 10 van 22

Vervolg tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster

Boringnummer

Traject (diepte in m -mv)

Analyse

Gehele terrein

BG III (zintuiglijk schoon)

2 8 12 13 19 21

0.3 - 0.8 0.35 - 0.5 0.25 - 0.6 0.22 - 0.5 0.17 - 0.5 0.4 - 0.6

NEN5740-standaardpakket

OG I (zintuiglijk schoon)

2 2 5 6 7

1.2 - 1.5 1.5 - 1.7 1.25 - 1.7 1.0 - 1.5 1.3 - 1.8

NEN5740-standaardpakket

OG II (zintuiglijk schoon)

1 3 3 4 4 6 7

1.0 - 1.5 0.85 - 1.25 1.25 - 1.75 1.2 - 1.7 1.7 - 2.0 1.5 - 2.0 1.0 - 1.3

NEN5740-standaardpakket

Deellocatie B: Mogelijk gedempte sloot Boring B5 (0.2 - 0.5)

B5

0.2 - 0.5

NEN5740-standaardpakket

OG Boring B4-B5-B6

B4 B5 en B6

0.9 - 1.2 0.5 - 1.0

NEN5740-standaardpakket

De boringen 1 en 2 zijn doorgezet tot circa 4.0 m-mv en 3.8 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filter-kous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 23 september 2022 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

pH (-)

PB 1

3.00 - 4.00

2.09

6.02

5.77

0.1

Goed

PB 2

2.80 - 3.80

2.20

6.12

503

0.1

Goed

Kruse Milieu BV

EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU)

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 11 van 22

De waarden voor de pH (tussen 5.5 en 7.5), de EC (tussen 100 en 1000 μS/cm) en de troebelheid (NTU-waarde <10) worden als normaal beschouwd. Resultaten en toetsing van de chemische analyses In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. De conserveringstermijn van de grondmonsters B5 (0.2 - 0.5 m-mv) en OG Boring B4-B5-B6 is voor de analyses op droge stof, minerale olie en extractie PCB/PAK overschreden. De negatieve invloed op de resultaten van het grondonderzoek wordt, als gevolg van deze overschrijding van de conserveringstermijn gering geacht, aangezien de monsters op het laboratorium geconditioneerd zijn bewaard.

Er wordt geen significante invloed op de analyseresultaten van deze grondmengmonsters verwacht als gevolg van de overschrijdingen van de conserveringstermijnen. In de bovengrond (BG I), boring B5 (0.2 - 0.5 m-mv), de ondergrond (OG Boring B4-B5-B6) en in het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn licht verhoogde gehalten gemeten, deze zijn opgenomen in tabel 6. In de bovengrond (BG II en BG III), de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen gemeten. Tabel 6: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster

Component

Gemeten Concentratie

GSSD

Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde

Interventiewaarde

Gehele terrein BG I

Kwik

0.12

0.17 *

0.15

36

Peilbuis 1

Barium

180

180 *

50

625

Peilbuis 2

Barium Molybdeen

170 12

170 * 12 *

50 5.0

625 300

Deellocatie B: Mogelijk gedempte sloot Boring B5 (0.2 - 0.5)

Kwik Minerale olie PAK

OG Boring B4-B5-B6 PAK 1

0.13 94 12

0.182 * 247 * 12.4 *

0.15 190 1.5

36 5000 40

3.5

3.53 *

1.5

40

AW2000

In de vierde kolom van tabel 6 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner dan of gelijk aan of S; * concentratie groter dan of S en kleiner dan of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner dan of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 12 van 22

Bespreking resultaten chemische analyses Zoals in de vorige paragraaf is beschreven, zijn er enkele lichte verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Gehele terrein Bovengrond - BG I - Kwik Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing. Oorzaak voor het zeer licht verhoogde kwikgehalte wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin). Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - PB 1 en PB 2 - Barium en molybdeen Het licht verhoogde bariumgehalte is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. Het licht verhoogde molybdeengehalte is niet direct verklaarbaar. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van nader onderzoek niet nodig.

Deellocatie B: Mogelijk gedempte sloot Bovengrond - Boring B5 (0.2 - 0.5 m-mv) - Kwik, minerale olie en PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met metalen en PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing. Het gemeten minerale oliegehalte is lager dan de vastgestelde maximale waarde (100 mg/kg d.s.) voor minerale olie in het “twents beleid veur oale groond” en valt derhalve binnen de Twentse gemeenten onder de functieklasse “Altijd toepasbaar”. Oorzaak voor de (zeer) licht verhoogde gehalten wordt deels gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin en asfalt). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Ondergrond - OG Boring B4-B5-B6 - PAK Een mogelijke oorzaak voor het licht verhoogde PAK-gehalte wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin). Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 13 van 22

5

Resultaten verkennend asbestbodemonderzoek Algemeen

Vanwege het aantreffen van puin in de bovengrond is het terrein aanvullend onderzocht op asbest. Binnen de onderzoekslocatie worden 4 deellocaties aanvullend onderzocht op asbest conform NEN5707+C2 (strategie VED-HE-NL: verdachte locatie met diffuse bodembelasting met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging). De deellocaties zijn weergegeven op het boorplan in bijlage I en zijn gecodeerd als deellocatie 1, 2, 3 en 4. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen en de samenstelling van de mengmonsters worden beschreven in paragraaf 5.2. De resultaten van de analyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 5.3 en 5.4. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn op 18 november 2022 uitgevoerd door de heren J. Hartman en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09). De veldwerkers zijn geassisteerd door de heren L. Haverkort en M. Kuipers. Voorafgaand van de monstername heeft een maaiveldinspectie plaatsgevonden. Het maaiveld was grotendeels vrij van obstakels en begroeiing en was goed te inspecteren (inspectieefficiëntie: 90-100%). De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag).

Op het maaiveld zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen Deellocatie 1: ter plekke van boring 1, 11 en C7 (circa 900 m2) Er zijn handmatig met een schop 6 inspectiegaten gegraven. De inspectiegaten zijn gecodeerd als gat G11 tot en met G16. Ter plekke van de boringen 1, 11 en C7 zijn de gaten G14, G11 en G16 gegraven. Deellocatie 2: ter plekke van boring 3, 4, 17, 18 en 20 (circa 1300 m2) Er zijn handmatig met een schop 8 inspectiegaten gegraven. De inspectiegaten zijn gecodeerd als gat G21 tot en met G28. Ter plekke van de boringen 3, 4, 17, 18 en 20 zijn de gaten G25, G22, G28, G26 en G23 gegraven. Deellocatie 3: ter plekke van boring B1 en B3 (circa 90 m2) Er zijn handmatig met een schop 3 inspectiegaten gegraven. De inspectiegaten zijn gecodeerd als gat G31 tot en met G33. Ter plekke van de boringen B1 en B3 zijn de gaten G31 en G33 gegraven. Deellocatie 4: ter plekke van boring D1, D2 en D3 (circa 65 m2) Er zijn handmatig met een schop 3 inspectiegaten gegraven. De inspectiegaten zijn gecodeerd als gat G41 tot en met G43. Ter plekke van de boringen D1, D2 en D3 zijn de gaten G41, G42 en G43 gegraven. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen.

De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II.

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 14 van 22

De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal uiterst fijn tot matig grof, zwak siltig zand. In de bovengrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn in tabel 7 weergegeven. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem. Tabel 7: Weergave bodemvreemde materialen. Gat

Diepte (m-mv) Waarneming

G11

0.2 - 0.75

Sporen puin

G12

0.4 - 0.6

Sporen puin

G14

0.2 - 0.6

Sporen puin

G15

0 - 0.3

Sporen puin

G16

0 - 0.6

Sporen puin en sporen plastic

G23

0.2 - 0.5

Sporen puin (dakpanscherf)

G24

0.3 - 0.5

Sporen puin (baksteen)

G25

0.15 - 0.95

Sporen puin

G26

0 - 0.3

Sporen puin en sporen plastic

G27

0.45 - 0.9

Sporen puin en sporen kolengruis

G28

0 - 1.0

Sporen puin

G41

0 - 0.5

Zwak puinhoudend

G42

0 - 0.5

Zwak puinhoudend

G43

0 - 0.5

Zwak puinhoudend

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 8 staat omschreven. Tabel 8: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster

Boringnummer

Traject (diepte in m-mv)

Analyse

MM FF - 01

G11 G12 G14 G15 G16

0.2 - 0.7 0.4 - 0.6 0.2 - 0.4 0 - 0.3 0 - 0.5

Asbest

MM FF - 02

G41, G42 en G43

0 - 0.5

Asbest

MM FF - 03

G31, G32 en G33

0 - 0.5

Asbest

MM FF - 04

G25 G26 G27 G28

0.15 - 0.5 0 - 0.3 0.45 - 0.6 0 - 0.5

Asbest

MM FF - 05

G23 G24

0.2 - 0.5 0.3 - 0.5

Asbest

Deellocatie 4 - BG

G41, G42 en G43

0 - 0.5

NEN5740standaardpakket

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 15 van 22

Resultaten van de asbestanalyses In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is in tabel 9 weergegeven. Tabel 9: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component

Gewogen asbestconcentratie

Toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek

MM FF - 01

Asbest

n.a.

50

MM FF - 02

Asbest

4.7

50

MM FF - 03

Asbest

n.a.

50

MM FF - 04

Asbest

n.a.

50

MM FF - 05

Asbest

n.a.

50

Monster

In de derde kolom van tabel 9 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Bespreking resultaten asbestanalyses Zoals in paragraaf 5.3 is weergegeven, is er in het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de overige monsters is geen asbest aangetoond. Resultaten chemische analyse De analyseresultaten en de toetsingstabel zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van het grondmonster zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. In het mengmonster zijn enkele van de onderzochte stoffen in licht verhoogde concentraties aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 10. Tabel 10: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof). Monster

Component

Deellocatie 4 - BG Kwik Lood PAK 1

Gemeten concentratie

GSSD

Achtergrondwaarde1

Interventiewaarde

0.30 57 3.3

0.425 * 88.3 * 3.26 *

0.15 50 1.5

36 530 40

AW2000

Kruse Milieu BV

Project: BOD-2400 (22049615)

Pagina 16 van 22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=7f7bd54a-fc67-4849-832f-690fd39a465b