CConstaterende datAlmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ontwerp XL Businesspark 2

Raad 15 oktober 2024, gemeente AlmeloBij agendapunt: raadsbrieven vanuit B&W40.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Het planvoornemen en de verschillende alternatieven dragen niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat de concentratie aan luchtverontreinigende stoffen niet significant toeneemt. Geur In de referentiesituatie treedt geen geurhinder door bedrijventerrein XL Businesspark Twente omdat door milieuzonering de bedrijven die geur kunnen veroorzaken op voldoende afstand van de dichtstbijzijnde woningen zijn geplaatst. Binnen en rond het plangebied zijn agrarische activiteiten aanwezig die geurhinder kunnen veroorzaken. Binnen de gemeente zijn voor zover bekend geen gevallen van ernstige geurhinder binnen en rond het plangebied. Door het realiseren van het planvoornemen verdwijnen vijf veehouderijen. Hiermee verdwijnen ook vijf geurbronnen. Ook verdwijnen er woningen, waardoor geurgevoelige objecten verdwijnen en er dus ook minder geurgehinderden zijn vanwege de bestaande geurbronnen in de omgeving. Weliswaar worden potentiële geurbronnen toegevoegd op het bedrijventerrein, maar door inwaarts zoneren (het plaatsen van geurveroorzakende bedrijven op een zo groot mogelijk afstand van geurgevoelige woningen) en het stellen van geurnormen, wordt nieuwe (gecumuleerde) geurhinder voorkomen.

In het Alternatief zware industrie is het mogelijk dat bedrijven worden gevestigd op bedrijventerrein XL Businesspark 2 die veel geurhinder kunnen veroorzaken. Dientengevolge zal de geurbelasting ten opzichte van de referentiesituatie toenemen. In het Alternatief 100% logistiek worden geen bedrijven gevestigd op bedrijventerrein XL Businesspark 2 die geur veroorzaken. Dit heeft een positief effect op het geurklimaat in en rond het plangebied.

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

45

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

In het Alternatief innovatie en onderzoek worden alleen bedrijven gevestigd op bedrijventerrein XL Businesspark 2 voor zover deze geen geurhinder veroorzaken op het bedrijventerrein zelf. Ten opzichte van de referentiesituatie zal het geurklimaat verbeteren. Omgevingsveiligheid In de referentiesituatie zijn binnen en rond het plangebied een aantal risicobronnen aanwezig. Het betreft aardgasleidingen, een aantal bedrijven op bedrijventerrein XL Businesspark Twente die gevaarlijke stoffen opslaan en de rijksweg A35 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In het planvoornemen is de nieuwvestiging van risicovolle activiteiten uit bijlage VII t/m IX Bkl uitgesloten. Wel is het mogelijk om beperkt kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied van bestaande risicobronnen te realiseren. Dit heeft een (beperkte) toename van het groepsrisico tot gevolg en dientengevolge een licht negatief gevolg voor de omgevingsveiligheid. In het Alternatief zware industrie wordt meer milieuruimte gegeven aan bedrijven. Dit heeft tot gevolg dat ook nieuwe risicovolle activiteiten kunnen plaatsvinden. Zware industrie kent een lagere bevolkingsdichtheid waardoor het groepsrisico slechts beperkt zal toenemen. In het Alternatief 100% logistiek is het mogelijk dat bedrijven gevaarlijke stoffen opslaan en een tankstation wordt gerealiseerd.

Tevens is het in dit scenario mogelijk om beperkt kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied van bestaande en nieuwe risicobronnen te realiseren. Dit heeft een toename van het groepsrisico tot gevolg. In het Alternatief innovatie en onderzoek is de kantoordichtheid op het bedrijventerrein hoger dan bij het planvoornemen en de andere alternatieven. Dit heeft een toename van het groepsrisico tot gevolg en dientengevolge een negatief gevolg voor de omgevingsveiligheid. Lichthinder In de referentiesituatie is heeft het bedrijventerrein XL Businesspark Twente duidelijk zichtbare lichtuitstraling richting de omgeving, waaronder het plangebied. Met name richting de stad Almelo is de lichtemissie hoger. Ten westen en zuiden van het plangebied is verder sprake van lage lichtemissie in de nacht. Als gevolg van het planvoornemen wordt bedrijvigheid met bijbehorende infrastructuur toegevoegd. Hierdoor zal de lichtemissie in het gebied toenemen door verkeer binnen en rond het plangebied en (openbare) verlichting op het bedrijventerrein. Om lichthinder zoveel mogelijk te voorkomen worden diverse maatregelen getroffen, zoals een grondwal, beplanting, een verbod op dynamische reclameverlichting en een verbod op reclameverlichting richting de landschapszone.

Door de toename van de lichtemissie ten opzichte van de referentiesituatie (en de daarmee verhoogde kans op lichthinder) is het planvoornemen met betrekking tot lichthinder als licht negatief beoordeeld. Het Alternatief zware industrie heeft in vergelijking met het planvoornemen vergelijkbare effecten op de lichtemissie en wordt met betrekking tot lichthinder als licht negatief beoordeeld. Het Alternatief 100% logistiek heeft meer verkeer tot gevolg en dientengevolge meer lichtemissie. Door het treffen van maatregelen zal de lichtemissie vergelijkbaar zijn met die van het planvoornemen en wordt met betrekking tot lichthinder als licht negatief beoordeeld. In het Alternatief innovatie en onderzoek wordt een hogere bouwhoogte toegestaan. Licht vanaf de gebouwen is in dit alternatief op grotere afstand zichtbaar. Met dezelfde maatregelen als het planvoornemen wordt lichthinder van gebouwen richting de landschapszone voorkomen. Ook dit alternatief wordt met betrekking tot lichthinder als licht negatief beoordeeld. Tijdens de aanlegfase zullen bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Deze zullen over het algemeen tijdens de dagperiode plaatsvinden. Op voorhand is niet uitgesloten dat in de avond of nachtperiode gewerkt wordt. Daarom is kans op een tijdelijk effect op lichthinder.

Natuur Zowel het planvoornemen als alternatieven hebben geen negatieve invloed op NNN-gebieden (Natuurnetwerk Nederland); 1. Doordat de randzone binnen het plangebied landschappelijk wordt ingevuld, is ten opzichte met het huidige gebruik sprake van een hogere natuurwaarde die bovendien bijdraagt aan het behouden en verbeteren van de kernkwaliteiten en huidige natuurwaarden van deelgebied

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

46

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

Eksosche Aa en Doorbraak. 2. Ook is geen sprake van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden. In een aantal Natura 2000-gebieden is zelfs sprake van een netto afname van stikstofdepositie. Als gevolg van het planvoornemen en alternatieven kunnen tijdens de aanleg- en gebruiksfase licht negatieve effecten ontstaan op beschermde en/of Rode lijstsoorten. Indien bij de voorgenomen werkzaamheden blijkt dit het geval is, dan is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig, aan te vragen bij provincie Overijssel. Hiervoor is reeds een activiteitenplan opgesteld. Blijkens dit plan is het mogelijk om voldoende maatregelen te nemen waardoor een vergunning kan worden verleend. Door te nemen mitigerende en compenserende maatregelen blijven negatieve effecten op exemplaren bovendien tot een minimum beperkt. Daarnaast geldt voor alle overige soorten een zorgplicht. Landschap, cultuurhistorie en archeologie De landschappelijke waarden en het open karakter van het gebied worden door de invulling met het planvoornemen en alternatieven aangetast. Dit effect is bij Alternatief innovatie en onderzoek versterkt door de hogere bouwhoogtes. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het terrein met aandacht voor zicht en landschapselementen is daarom belangrijk: 1.

De ruime blauwgroene landschapszone rondom de te verkavelen centrale kern met gebiedseigen beplanting (bomen en struiken) en waterelementen zorgt voor een afscherming van het bedrijventerrein, wat bijdraagt aan de beleving van het landschap vanuit de omgeving. De breedte van de landschapszone is minimaal 40 meter, maar is op verschillende locaties ook breder. De landschapszone komt aan de zijde van De Doorbraak (zuidzijde) en aan de zijde van de gemeente Wierden (westzijde). 2. (Bestaande) landschapselementen zoals hagen, houtwallen, laanbeplanting en bosjes dichter bij woningen en erven, dragen in belangrijke mate bij aan het wegnemen van visuele hinder door XL Businesspark 2. In overleg met bewoners en grondeigenaren kan onderzocht worden of en waar landschapselementen in de omgeving toegevoegd kunnen worden. Bij het bouwrijp maken van het bedrijventerrein kan bodemverstoring beneden maaiveld optreden, waarbij mogelijk aanwezige archeologische waarden worden aangetast of vernietigd. Omdat verstoring (geen behoud in situ) niet op voorhand duidelijk is, is het effect ter plekke van het plangebied voor het planvoornemen en alternatieven worst-case (negatief) beoordeeld. Water Zowel het planvoornemen als de alternatieven dragen bij aan de bergingscapaciteit (opvang (piek)buien)). Het waterhoudend vermogen van het gebied neemt toe.

Blijkens het waterhuishoudkundige plan kan binnen het plangebied een bui van 150 mm opgevangen worden. Mogelijk negatieve effecten op de omgeving door een stijgende grondwaterstand zijn beperkt of worden vermeden. Zowel het planvoornemen als de alternatieven hebben door te nemen maatregelen een positief effect op waterkwaliteit van het af te voeren water richting De Doorbraak. Hiertoe vindt continue en overzichtelijke monitoring plaats (monitoringsplan). Bodem In het planvoornemen ontbreken verdachte locaties op ernstige en spoedeisende verontreinigingen en is vooralsnog geen noodzaak tot sanering van de bodem. De huidige bodemkwaliteit bestaat grotendeels uit schone grond. Ter plaatse van de huidige bebouwing is de bodemkwaliteit niet inzichtelijk. Hiertoe dient onderzoek gedaan te worden. Tijdens de aanlegfase vinden grondwerkzaamheden plaats. Blijkens de grondbalans is maximaal 456.000 m3 zand nodig om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren. De kwaliteit van de aangeleverde grond dient te voldoen aan de regels uit de nota bodembeheer. Hiermee is een significant effect op de bodemkwaliteit uitgesloten. Als binnen een inrichting bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten worden verricht, moet de kans op bodemverontreiniging tot een verwaarloosbaar minimum worden teruggebracht (zorgplicht).

Maatregelen hiertoe kunnen bijvoorbeeld bestaan uit lekbakken, vloeistofdichte vloeren en

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

47

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

vloeistofkerende voorzieningen. Bodemverontreiniging als gevolg van bedrijfsvoering is daarmee voorkomen en beperkt. Tijdens de bouwfase worden geen uitlogende materialen gebruikt. Een negatief effect op de bodemen grondwaterkwaliteit is hiermee uitgesloten. De alternatieven worden qua effecten gelijkgesteld aan het planvoornemen. Klimaatadaptatie, energie en circulariteit Hittestress neemt toe bij de realisatie van bedrijventerrein door de realisatie van gebouwen en verhard oppervlak. Dit kan worden gemitigeerd door een ruime opzet van gebouwen te waarborgen, ruimte te bieden aan (opvang van) water en groen en op gebouwniveau voorwaarden te stellen om oververhitting te voorkomen. Naar verwachting is op het bedrijventerrein sprake van voldoende energiepotentieel om aan de energievraag van de bedrijven te kunnen voldoen wanneer wordt ingezet op een combinatie van zonne-energie, aansluiting op middenspanningsstation De Mosterdpot (planning 2027), een smart grid met energiecollectief en noodopslagcapaciteit en achtervang, totdat het probleem van netcongestie bij Enexis is opgelost. Daarbij is het mogelijk of zelfs waarschijnlijk dat het voorgestelde systeem zelfstandig kan blijven functioneren zonder extra capaciteit van Enexis. Alleen bij een exponentiële groei van de vraag naar elektriciteit lijkt de extra capaciteit nodig.

Het bedrijventerrein biedt voldoende ruimte aan fysieke en milieuruimte voor circulaire bedrijvigheid. Bovendien is de kavelindeling voldoende en is sprake van een goede verkeersontsluiting. Een positieve bijdrage van bedrijvigheid aan circulariteit is onzeker, tenzij voorwaarden c.q. voorschriften worden gesteld in bijvoorbeeld en een koopovereenkomst. Voor klimaatadaptatie, energie en circulariteit zijn het planvoornemen en alternatieven niet onderscheidend. Windhinder Gebouwen aan de zuidwestkant van het bouwplan, het gebouw aan de noordzijde van het bouwplan en het gebouw boven de 30 meter aan de oostzijde van het bouwplan van het planvoornemen kunnen windhinder veroorzaken. Lokaal bestaat geen kans op windgevaar. Sprake is van een matig windklimaat. Met terreininrichting kan het windklimaat lokaal verbeterd worden rondom sta/zitplaatsen, openbare ruimten en entrees. Door bijvoorbeeld luifels boven de entree toe te passen of deze uit te voeren als een uitbouw, is de kans op windhinder te reduceren. Ook is het aanbevolen om bij de inrichting lokaal begroeiing en of obstructies te plaatsen om het windklimaat te verbeteren als hier zit/stafuncties worden beoogd. De alternatieven zijn onvoldoende uitgewerkt om deze concreet te kunnen beoordelen. Vooralsnog worden deze (qua effecten) gelijkgesteld aan het planvoornemen.

Gezondheid De gezondheidsbevorderende aspecten die in het planvoornemen en alternatieven met name een rol spelen zijn de groenbeleving en de toegankelijkheid van groen (landschappelijke randzone), de extra mogelijkheden voor wandelen en fietsen en de realisatie van een voedselbos. Een (grootschaliger) bedrijventerrein kan negatieve gevolgen hebben voor de gezondheidsbescherming. Vanwege de plaatselijke geluidstoename en lichthinder is het effect op omwonenden licht negatief voor het planvoornemen en het Alternatief innovatie en onderzoek. Het Alternatief zware industrie heeft een hogere geuremissie dan het planvoornemen en de overige alternatieven. Het Alternatief 100% logistiek heeft lagere geluidemissies dan de overige alternatieven. Effecten kunnen gemitigeerd worden door emissies/hinder van licht, geluid, geur of luchtverontreinigende stoffen zoveel als mogelijk te beperken. 4.2.4.5 Monitoring Monitoringsplan Waterkwaliteit Om de waterkwaliteit van het afstromende water uit het plangebied te beoordelen, wordt een 0-meting

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

48

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

uitgevoerd binnen de watergangen in het gebied. De volgende stoffen worden gemeten: stikstof en fosfaat (maandelijks in het zomerhalfjaar), lood, koper, zink, en PAK10 (eenmalig). Deze stoffen zijn representatief voor stedelijke emissies. Na de aanleg van het bedrijventerrein zal de waterkwaliteit minimaal drie jaar worden gemonitord om een goed beeld te krijgen van de veranderingen. Het monitoringsplan wordt verder afgestemd met het waterschap. Verkeersdoorstroming Kruispunten Voor het voorkeursalternatief worden geen verkeersknelpunten verwacht. Het kritieke kruispunt H.R. Holstlaan - noordelijke aansluiting A35 zal tijdens de realisatie en na ingebruikname worden gemonitord tijdens piekmomenten. Indien nodig, kunnen maatregelen zoals een extra linksafstrook vanaf de noordelijke afrit van de A35 en een extra rijbaan op de H.R. Holstlaan worden genomen om de doorstroming te verbeteren en filevorming te voorkomen.

4.2.5 Conclusie en voorkeursalternatief In het MER wordt geconcludeerd dat het realiseren van een nieuw bedrijventerrein zowel negatieve als positieve effecten op de omgeving heeft: negatieve effecten omvatten geluid, lichthinder, soortenbescherming, landschap en archeologie. Voor deze aspecten zijn maatregelen voorgesteld om de impact te minimaliseren; positieve effecten betreffen de bereikbaarheid voor langzaam verkeer en openbaar vervoer, verkeersveiligheid, waterbeheer, energie, circulariteit en gezondheidsbevordering. Alternatieven: Planvoornemen scoort over het algemeen gelijk of beter dan de andere alternatieven. Het planvoornemen scoort alleen slechter op het gebied van geur en gezondheidsbescherming in vergelijking met het Alternatief 100% logistiek. Zware industrie biedt meer milieuruimte voor bedrijven, maar scoort slechter op geluid, geur en omgevingsveiligheid en heeft vanuit milieuoogpunt niet de voorkeur. 100% logistiek heeft voordelen op het gebied van geur en gezondheidsbescherming, maar leidt tot verkeersknelpunten waarvoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Innovatie en onderzoek scoort beter op geur door strengere normen, maar heeft nadelen door hogere bouwhoogtes, wat de landschappelijke inpassing en omgevingsveiligheid negatief beïnvloedt.

Scenario aansluiting Voor de aansluiting van het bedrijventerrein zijn maatregelen nodig vanwege beperkingen in de energieen watervoorziening. Volgens het milieueffectrapport (MER) vormt de huidige netcongestie geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan. Om in de energievraag te voorzien, worden zonne-energie, een aansluiting op een middenspanningsstation, een smart grid, en noodopslag zoals batterijen of generatoren voorgesteld. Deze maatregelen hebben geen significante negatieve effecten op geluid, luchtkwaliteit en stikstof. Echter, sommige vormen van energieopslag kunnen risico's met zich meebrengen voor de omgevingsveiligheid; in dat geval is een aanvullende ruimtelijke procedure en risicobeoordeling nodig. Wat betreft watervoorziening is binnen het plangebied beperkte capaciteit beschikbaar. Vitens kan voldoende drinkwater leveren voor normaal gebruik, maar proceswater is in principe niet beschikbaar. Duurzame oplossingen zoals regenwateropvang of het gebruik van water uit het Twentekanaal worden aanbevolen. Voor de bluswatervoorziening is zowel een aansluiting op het waternet als toegang tot het Twentekanaal nodig om de brandveiligheid te waarborgen. Doelbereik: Het planvoornemen voldoet aan de doelen voor een duurzaam bedrijventerrein met een mix van technologiegedreven maakindustrie en logistiek.

De alternatieven zware industrie en 100% logistiek voldoen minder goed aan deze doelen.

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

49

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

Voorkeursalternatief Uit voorgaande blijkt dat vanuit milieuoverwegen een voorkeursalternatief kan worden beschreven, dat grotendeels overeenkomt met het planvoornemen. Het toelaten van een andere mix van bedrijven heeft geen grote milieuvoordelen en draagt minder bij aan het doelbereik. Het Alternatief 100% logistiek heeft op het gebied van geur en gezondheidsbescherming voordelen, maar draagt niet bij aan het doelbereik. De effecten ten opzichte van de referentiesituatie zijn op aspecten aanvaardbaar. Het planvoornemen dat het voorkeursalternatief is, is uitgebreid beschreven in hoofdstuk 5 en paragraaf 0.3 van het MER. Het voorkeursalternatief wijkt op één punt af van het planvoornemen, namelijk op het gebied van geluid. In het omgevingsplan wordt voor het voorkeursalternatief een regeling opgenomen op het gebied van geluidemissies dat voldoet aan de toetswaarde van 45 dB(A) uit het gemeentelijk geluidbeleid (zie ook paragraaf 4.13 van deze motivering). Mitigerende maatregelen De mitigerende maatregelen bestaan uit de maatregelen uit het 'Activiteitenplan' (zie bijlage 13b in Bijlagen MER XL Businesspark 2 Almelo bijlage 6 van de motivering), om te voldoen aan de referentieopkomsttijd van hulpdiensten, archeologisch onderzoek en regels voor geur- en geluidemissies in het omgevingsplan.

4.3

T rillingen

4.3.1 Wettelijk kader In artikel 5.79 t/m 5.89 van het Besluit leefomgeving (Bkl) zijn regels opgenomen ten aanzien van het aspect trillingen. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. Gemeenten hebben ook de mogelijkheid om regels op te stellen voor trillingen. De gemeente Almelo heeft momenteel geen regels met betrekking tot trillingen. Daarom wordt in onderstaande toetsing getoetst aan de regels van het Bkl.

4.3.2 Onderzoek Met voorliggende ontwikkeling worden bedrijven gerealiseerd in de door technologie gedreven maakindustrie en in de regionaal ondersteunende logistiek. Dit zijn bedrijven die met hun bedrijfsvoering geen trillingen veroorzaken die hoger zijn dan 80 Hz. De bruidsschat voorziet in regels om te borgen dat de omgeving geen trillinghinder ervaart. Hierdoor ondervindt de nabije omgeving geen trillinghinder afkomstig van de toekomstige bedrijven. Bovendien worden in het plangebied, volgens het Bkl, geen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten mogelijk gemaakt. Trillinghinder is daarom uitgesloten.

4.3.3 Conclusie Het aspect trillingen staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

50

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

4.4

Klimaatadaptatie & groen

4.4.1 Wettelijk kader Vanuit het Rijk gelden geen instructieregels voor de thema's klimaatadaptatie & groen. Provincies en gemeenten zijn vrij om zelf inhoud te geven aan dit thema door het opstellen van beleid. Wel is er Rijksbeleid opgesteld, zoals het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), met als doel om wateroverlast, droogte, hittestress en de gevolgen van overstroming te beperken. Het uiteindelijk doel is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. In de provinciale Verordening Overijssel, de Omgevingsvisie Overijssel en de klimaatadaptatie-strategie Almelo 2021-2025, staat samen kansen benutten en in het bomenstructuurplan staat het beleid beschreven ten aanzien van klimaatadaptatie en groen. Het hoofddoel van al deze beleidsstukken is om ervoor te zorgen dat nieuwbouwplannen klimaatbestendig (en groen) worden ingericht en om nieuwe onwenselijke situaties te voorkomen. Hiervoor zijn regels in het omgevingsplan opgenomen.

4.4.2 Onderzoek In de milieueffectenrapportage, zie bijlage 5, staat beschreven hoe inhoud wordt gegeven aan deze twee thema's. In hoofdstuk 17 'Klimaatadaptatie, Energie en Duurzaamheid' van het MER staat beschreven welke maatregelen worden getroffen om klimaatadaptatie goed te borgen in het plan. In het MER wordt geconcludeerd dat het plan voldoende klimaatadaptief is. In het planvoornemen is aandacht voor het realiseren van een groen-blauwzone. Op het bedrijventerrein komt aan de west- en de zuidkant een groene buffer van minimaal 40 meter breed, onder andere voorzien van bos met mantelvegetatie, houtwallen en waterelementen (de landschappelijke randzone (zie paragraaf 2.2.3 en bijlage 3). De aanleg van groen en water in het plangebied draagt bij aan het tegengaan van hittestress. Daarnaast wordt in het plan rekening gehouden met de bomenstructuurplan, zoals nader is toegelicht in paragraaf 3.5.8 Bomenstructuurplan. Langs de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein wordt in het stedenbouwkundige schetsplan ruimschoots voorzien in de aanleg van bomen en beplanting (zie paragraaf 2.2.3 en bijlage 3). Planregels In de planregels is bepaald dat bedrijven die zich willen vestigen, verplicht zijn om waterberging te realiseren. Deze verplichting houdt in dat de waterberging voltooid moet zijn voordat de gronden in gebruik worden genomen.

Daarnaast is vastgelegd dat de landschapszone zodanig moet worden ingericht dat er voldoende ruimte is voor groen. Dit is geregeld door een minimum breedte van 40 meter voor de groenzone te eisen, waarbij bestaande bomen zoveel mogelijk behouden moeten blijven. Verder moet de zone ruimte bieden voor voorzieningen ten behoeve van waterberging, maatregelen voor natuurcompensatie en natuurontwikkeling en extensieve recreatie in de vorm van een (onverhard) wandelpad.

4.4.3 Conclusie Door de beoogde ontwikkeling zal het percentage groen afnemen, terwijl het percentage blauw zal toenemen. Aangezien het plangebied momenteel voornamelijk uit weilanden bestaat, is het onvermijdelijk dat de verharding zal toenemen. Desondanks is bij de inrichting voldoende rekening gehouden met het versterken van de groen-blauwstructuur, waardoor het plangebied klimaatadaptief zoveel mogelijk is ingericht.

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

51

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

4.5

Landschappelijke inpassing en stedenbouw

4.5.1 Wettelijk kader Met nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. De instructieregels van het Rijk regelen enkel een aantal specifieke nationale belangen. De provincies en gemeenten hebben de mogelijkheid om het beleid en de borging van stedenbouwkundige kwaliteit zelf in te vullen. De provincie Overijssel heeft instructieregels opgesteld over de ruimtelijke kwaliteit. Omgevingsplannen dienen op grond van de provinciale verordening een onderbouwing te bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. De toetsing moet voldoen aan de volgende uitgangspunten volgens artikel 4.7 van de Omgevingsverordening Overijssel 2024 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van het van toepassing zijnde ontwikkelingsperspectief als: er sprake is van sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied.

4.5.2 Onderzoek In paragraaf 3.2 Toetsing provinciaal beleid/provinciale verordening is de ontwikkeling getoetst aan het relevante provinciale beleid. In paragraaf 3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel is beschreven hoe het plan - zover mogelijk - voldoet aan het uitvoeringsmodel van de provincie Overijssel. Een deel van de landschappelijke kwaliteiten zullen verdwijnen door het nieuwe bedrijventerrein. Volgens het provinciaal beleid is het alleen toegestaan om landschappelijke kwaliteit te laten verdwijnen als er sprake is van een zwaarwegend economisch belang. In de locatieonderbouwing van het MER , zie bijlage 5, en in paragraaf 4.6 Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgebreid beschreven wat de economische noodzaak is om XL Businesspark 2 op deze locatie te realiseren. Hiermee is gemotiveerd afgeweken van het provinciaal beleid. Om ervoor te zorgen dat het bedrijventerrein een passende uitstraling krijgt, is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de ontwikkeling. Het beeldkwaliteitsplan is verankerd in de regels.

4.5.3 Conclusie Het plan is in lijn met het provinciaal beleid ten aanzien van landschappelijke inpassing.

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

52

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

4.6

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.6.1 Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder vereist is. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is'. Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. In de omgevingsverordening Overijssel 2024 zijn respectievelijk artikelen 4.3, 4.4 en 4.5 van toepassing die ingaan op de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking. De provincie heeft hierin haar aanvullende eisen opgenomen ten aanzien van de ladder. Artikel 4.3 (oogmerk Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking) Deze afdeling stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Artikel 4.4. (principe van concentratie) 1.

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. 2. Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat de lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid. 3. In gebieden die deel uitmaken van een stedelijk netwerk kan het omgevingsplan voorzien in een bovenregionale behoefte aan ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen. Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

53

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

4.6.2 Onderzoek Met voorliggende ontwikkeling is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied. Derhalve wordt in deze paragraaf de behoefte onderbouwd en de locatiekeuze, aangezien XL Businesspark 2 buiten het bestaand stedelijk gebied is gelegen. Behoefteonderbouwing Stec Groep heeft onderzoek gedaan naar de behoefte aan nieuw bedrijventerrein in de regio en dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Op basis van deze studie zijn in april 2023 afspraken gemaakt over de programmering, zie bijlage 9. Om een beter inzicht te krijgen in de vraag en om de profilering verder te onderbouwen, is Buck Consultants International (BCI) gevraagd om een verdiepende studie uit te voeren (BCI, juni 2024), zie bijlage 10. Omdat voor de ontwikkelingen meerdere behoeftestudies zijn uitgevoerd, staan de uitkomsten hieronder beknopt beschreven. Voor XL Businesspark 2 wordt in de Onderbouwing economisch profiel uitgegaan van een ruimteverdeling over twee hoofddoelgroepen: door technologiegedreven maakindustrie en regionaal ondersteunende logistiek. De technologiegedreven maakindustrie neemt minimaal 75% van de ruimte in beslag (ongeveer 56 hectare), terwijl maximaal 25% (ongeveer 19 hectare) is gereserveerd voor regionaal ondersteunende logistiek. Voor beide doelgroepen is er een bandbreedte in de verwachte ruimtevraag.

De behoefte aan logistieke ruimte kan volledig worden onderbouwd op basis van de autonome uitbreidingsvraag vanuit de regio Twente zelf (zie Behoefteraming bedrijventerreinen Overijssel). Voor de technologiegedreven maakindustrie ligt de autonome, beleidsarme vraag vanuit de regio lager dan het beschikbare aanbod. De prognose voor de grootschalige ruimtevraag varieert tussen 16 en 31 hectare. Deze bandbreedte valt volledig binnen XL Businesspark 2, aangezien er in Twente geen alternatieve locaties zijn voor grootschalige bedrijven. Door snelle veranderingen in economie, technologie en maatschappij wordt in Twente een additionele ruimtevraag verwacht die niet kan worden vastgelegd in de prognose van autonome groei. Naast de autonome groei wordt verwacht dat er bedrijven in Twente zijn die optimaal zullen profiteren van mondiale ontwikkelingen en de opkomst van nieuwe waardeketens. Dit betreft Twentse bedrijven binnen de technologie gedreven maakindustrie, die als gevolg van explosieve groei in omzet en toegevoegde waarde een extra ruimtevraag zullen hebben. Deze additionele vraag wordt geschat op ongeveer 10 tot 15 hectare, zoals te lezen is in de Onderbouwing economisch profiel. Daarnaast is het aannemelijk dat er in de periode tot 2040 ten minste drie bedrijven van buiten de regio een plek zullen vinden op XL Businesspark 2 volgens het onderzoek Profilering XL Businesspark 2.

Het betreft bedrijven met een urgente huisvestingsbehoefte die willen verplaatsen naar een toekomstbestendige vestigingslocatie. Locatieonderbouwing Stec Groep heeft een eerste locatieonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Hieruit komt de locatie XL Businesspark 2 Almelo, vooral vanuit markttechnisch oogpunt, als beste locatie in de regio naar voren. Daarnaast heeft Rho Adviseurs een locatieafweging gemaakt op basis van milieuaspecten, door middel van een GIS-studie (fase 1 locatiestudie) en een locatie-vergelijking (fase 2 locatiestudie, zie bijlage 11). Mede naar aanleiding van opmerking van de Commissie mer is in een aanvullende notitie ingegaan op de locatieafweging (zie het bijlagenboek bij het MER in bijlage 6). De resultaten daarvan zijn verwerkt in het MER (zie bijlage 5).

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

54

NL.IMRO.0141.TAM00002Mot-BP21

Geconcludeerd wordt dat de locatie geschikt is onder andere vanwege de ligging dicht in de buurt van de snelweg A35 De ligging van de A35 is bevorderlijk om het toekomstige verkeer goed te kunnen ontsluiten. Bovendien blijkt zowel uit het onderzoek van STEC, als uit de locatiestudie dat binnen het bestaand stedelijk gebied geen ruimte is om de behoefte op te vangen. De voorliggende locatie is een logische uitbreiding naast het bestaande XL Businesspark Twente. Toekomstbestendigheid In artikel 4.6 van de provinciale verordening is vastgelegd dat een ontwikkeling toekomstbestendig dient te zijn. Het plan wordt niet gerealiseerd in een beschermd gebied, zoals een waterwingebied, waardoor wordt gewaarborgd dat toekomstige generaties niet worden benadeeld in hun mogelijkheden om in hun behoeften te voorzien. De ontwikkeling maakt de realisatie van een bedrijventerrein mogelijk, wat bijdraagt aan extra werkgelegenheid en de economische welvaart van toekomstige werknemers versterkt. Bovendien omvat dit plan geen winning van grondstoffen of delfstoffen, waardoor de natuurlijke voorraden intact blijven. Het bedrijventerrein zal voor onbepaalde tijd in gebruik blijven, wat betekent dat de ontwikkeling op lange termijn toegevoegde waarde biedt.

4.6.3 Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Ladder van duurzame verstedelijking en met de instructieregels van de provincie Overijssel.

4.7

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

4.7.1 Wettelijk kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Almelo heeft haar parkeerbeleid opgesteld in de 'Herschreven beleidsregel parkeernormen Almelo' met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De parkeernormennota is geborgd in de 'Parapluherziening parkeren'. Dit parapluplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Almelo (zie paragraaf 2.1.1). Hierdoor is het aspect parkeren juridisch geborgd.

4.7.2 Onderzoek In hoofdstuk 7 van de milieueffectrapportage, zie bijlage 5, wordt uitgebreid beschreven hoe het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en (fiets)parkeren voldoende is geborgd in het planvoornemen. Het plan zorgt niet voor parkeeroverlast in de omgeving. Daarnaast wordt de infrastructuur binnen het plangebied aangepast, wat resulteert in een goede verkeersafwikkeling, zowel binnen het plangebied als op de omliggende wegen. De hoofdstructuur wordt door middel van een zone in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan geborgd. De nadere inrichting is in het beeldkwaliteitsplan verder uitgewerkt.

ontw erp bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a XL Businesspark 2_Motivering

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Almelo&id=9a08eab6-8693-4d5d-870e-774765cc91ee