03 Ontwerp bestemmingsplan Recreatiewoningen 't Maatveld.pdf
Tekst van het document
NL.IMRO.0141.00066-BP21
tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt erop neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: • er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: • er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
4.7.2
Beoordeling
Stikstofdepositie Met een stikstofberekening op basis van het nieuwe Aeriusrekenprogramma (zie bijlage 8) kan worden aangetoond dat de activiteiten zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase van de 5 recreatiewoningen een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr veroorzaken. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ca. 11 km afstand is gelegen. Gelet op de aard van het voornemen en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een activiteit die als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. Nader onderzoek naar de stikstofdepositie is niet noodzakelijk. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemming waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, is sprake van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
37
NL.IMRO.0141.00066-BP21
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of een m.e.r-beoordelingsplicht nodig is. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1.
een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2.
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
3.
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit vergeleken met de omvang van ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.8
Flora en fauna
De nieuwe recreatiewoningen worden gebouwd op een bosperceel. Om deze woningen te kunnen bouwen zal het noodzakelijk zijn een aantal bomen te kappen. Daarnaast wordt het perceel door de bouw van de recreatiewoningen intensiever gebruikt dan nu het geval. Volgens de Atlas van Overijssel van de provincie Overijssel liggen er in de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura2000 gebieden. De aan het plangebied grenzende Doorbraak is in de atlas wel aangeduid als natuurterrein (beheertype: N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland). De Doorbraak is tevens onderdeel van de Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de provincie Overijssel. In 2005 heeft EcoGroen Advies uit Zwolle al eens een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen schadelijke gevolgen
38
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
heeft voor natuurgebieden in de omgeving en in het plangebied en directe omgeving voorkomende planten- en dierensoorten. Omdat dit rapport in 2005 is opgesteld is dit onderzoek in 2018 geactualiseerd. In de actualisatie, uitgevoerd door het bureau Gras Advies (bijlage 4), is het volgende geconcludeerd: •
Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op 11 km afstand van het projectgebied en worden hiervan gescheiden door agrarisch gebied en verschillende dorpen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk ligt direct ten oosten, grenzend aan het projectgebied. Gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ingrepen, de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden en het huidig gebruik van de betreffende Natuurnetwerk Nederland percelen hebben deze ingrepen geen direct, nadelig effect op de in deze beschermde gebieden aanwezige beschermde soorten. Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebieden is niet aannemelijk en kan desgewenst nader onderzocht worden middels een AERIUS-berekening.
•
De te kappen houtopstanden in het projectgebied bevinden zich buiten de bebouwde kom en zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming onderdeel Houtopstanden. De te vellen bomen worden gecompenseerd middels de aanplant van een groter aantal bomen in een groene strook naast een maisakker bij het sportveld. Wanneer op deze wijze aan de herplantplicht voldaan wordt, is een ontheffing op de Wet natuurbescherming m.b.t. het onderdeel Houtopstanden niet benodigd.
•
Nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd, tenzij de twee specifiek benoemde bomen gekapt dienen te worden.
•
In het gebied hangen meerdere grote vogelkasten die geschikt zijn voor de jaarrond beschermde vogelsoorten bosuil en kerkuil. Een nader onderzoek naar beschermde vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd, indien eventueel door uilen gebruikte nestkasten tijdig en onder ecologische begeleiding verplaatst worden.
•
Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Maar ook eerdere en latere broedgevallen zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming.
Dit leidt tot de volgende adviezen welke opgevolgd worden: •
Geen verstoring van de aanwezige konijnenburcht.
•
Instandhouding van de grote nestkasten, ook onbewoond, omdat deze een mogelijke functie als habitat voor beschermde soorten kunnen dienen.
•
De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, als mede voor
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
39
NL.IMRO.0141.00066-BP21
hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.”
In het rapport van Gras Advies wordt tevens gemeld dat in de directe omgeving van het projectgebied o.a. een bunzing en een egel zijn waargenomen. Vanaf 1 december 2019 is de beleidsregel Natuur door de provincie Overijssel aangepast. Vanaf die datum moet er een ontheffing aangevraagd worden wanneer activiteiten uitgevoerd worden die de vaste rust- en voortplantingsplaats van deze soorten beschadigen. Daartoe is in december 2020 aanvullend onderzoek verricht (zie bijlage 9). Hierin wordt geconcludeerd: •
Deelgebied 1 heeft een functie als foerageergebied en bevat mogelijk ook rust-, nest- en/of overwinterings- plaatsen voor de egel. De voorgenomen ontwikkeling resulteert in verlies van foerageergebied en mogelijk ook rust-, nest- en/of overwinteringsplaatsen in deelgebied 1. Gelet op de ruime aanwezigheid van alternatief hoogwaardig foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied en gelet op de aanplant van bomen en aanleg van houtstapels en takkenrillen in deelgebied 2, is er per saldo geen sprake van verlies van oppervlakte leef- gebied of rust-, nesten/of overwinteringsplaatsen. Uitgaande van uitvoering van de werkzaamheden buiten de voor egel kwetsbare periodes (15 maart tot 1 september en eind november t/m maart), is van doden of beschadigen van exemplaren geen sprake.
•
Deelgebied 1 heeft een functie als foerageergebied en bevat mogelijk ook rust- en of nestplaatsen voor de bunzing en wezel. Deelgebied 2 wordt door de wezel gebruikt als foerageergebied en mogelijk tevens als verbindingsroute. De aanwezigheid van hermelijn is uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling resulteert in verlies van foerageergebied en mogelijk ook rust- en/of nestplaatsen van de bunzing en wezel in deelgebied 1. Van verlies van functies in deelgebied 2 is geen sprake. Gelet op de ruime aanwezigheid van alternatief hoogwaardig foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied en gelet op de aanplant van bomen en aanleg van houtstapels en takkenrillen in deelgebied 2, is er per saldo geen sprake van verlies van oppervlakte leefgebied of rust- en nestplaatsen. Uitgaande van uitvoering van de werkzaamheden buiten de voor bunzing en wezel kwetsbare periode (15 maart tot 1 september), is van doden of beschadigen van exemplaren geen sprake.
•
Deelgebied 1 en mogelijk ook deelgebied 2 wordt door de steenmarter gebruikt als foerageergebied. De aanwezigheid van rust- en/of nestplaatsen is, gelet op de afwezigheid van bebouwing, houtstapels, puinhopen of andere geschikte structuren uitgesloten. Gelet op het geringe verlies aan oppervlakte foerageergebied en de ruime aanwezigheid van alternatief, geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het projectgebied, is van een functie al essentieel foerageergebied geen sprake. Verlies van dit niet-essentiële foerageergebied vormt derhalve geen significant negatief effect op de aanwezige steenmarter. Gelet op de het ontbreken van rust- en/of verblijfplaatsen van steenmarter is een negatief effect op rust- en verblijfplaatsen uitgesloten. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet benodigd.
Uitgaande van uitvoering van de werkzaamheden buiten de kwetsbare periodes voor egel (15 maart tot 1 september en eind november t/m maart) en bunzing (15 maart tot 1 september) is een ontheffing op
40
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
de Wet natuurbescherming voor uitvoering van de werkzaamheden niet nodig. Geadviseerd wordt de genoemde uitgangspunten m.b.t. uitvoering van de werkzaamheden buiten de kwetsbare periodes en realisatie van houtstapels en takkenrillen als verplichting vast te leggen voor de uitvoerende partij. Op de locatie zijn twee bomen aangetroffen met holtes, scheuren en een losse barst die groot genoeg en geschikt zijn als vaste rust en/of verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze blijven behouden en daarom wordt afgezien van nader onderzoek. Ook de bomen langs de weg die een lijnvormige structuur vormen, en mogelijk een vliegroute voor vleermuizen, blijven behouden. Voor boombewonende vleermuizen kan verlichting storend zijn voor mogelijke verblijfplaatsen. Dit wordt vermeden door langs de paden geen verlichting aan te brengen en rekening te houden met minimale lichtuitstraling vanuit de huisjes. In het gebied hangen meerdere grote vogelkasten die geschikt zijn voor de jaarrond beschermde vogelsoorten bosuil en kerkuil. Werkzaamheden moeten buiten de nest- en broedperiode uitgevoerd worden. Wordt er wel binnen deze periode gerooid dan moet door een ecoloog worden vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Daarnaast geldt voor alle voorkomende soorten een zorgplicht. Over mogelijk onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag wordt in de uitvoeringsfase besloten.
Uit de vooroverlegreactie van de provincie Overijssel is gebleken dat de conclusie van Gras Advies uit 2018 dat voor de te kappen houtopstanden geen ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig is indien voldaan wordt aan de herplantplicht, onjuist is. Nadat dit bestemmingsplan is vastgesteld en daarmee enige zekerheid is verkregen omtrent de haalbaarheid van dit initiatief, zal een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor de te kappen houtopstanden worden aangevraagd. Gezien het akkoord van de provincie op de boscompensatie in combinatie met de grotere aanplant van bomen als KGO in deelgebied 2 wordt de afhandeling van deze aanvraag door de initiatiefnemer met vertrouwen tegemoet gezien.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Op grond van de Monumentenwet en het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (artikel 3.6.1. lid 1) dient in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten
moeten
een
inventarisatie
maken
van
alle
cultuurhistorische
waarden
in
een
bestemmingsplangebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
41
NL.IMRO.0141.00066-BP21
welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplangebied.
Archeologie De gemeente Almelo wil archeologische waarden zo veel mogelijk beschermen. De gemeente Almelo heeft een eigen archeologiebeleid met een archeologische waardenkaart als onderlegger en in het oorspronkelijke bestemmingsplan buitengebied werd reeds rekening gehouden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. In het voorgaande plan zijn archeologische verwachtingszones opgenomen met een dubbelbestemming en regels. Op de archeologische waardenkaart staat aangegeven welke archeologische waarden aanwezig en te verwachten zijn. Afhankelijk van de archeologische waarden of verwachtingen kan onderzoek nodig zijn indien als gevolg van een plan of een vergunningaanvraag graafwerken zijn te voorzien die tot aantasting van aanwezige of te verwachten archeologische waarden kunnen leiden. Als uit onderzoek blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Aanwezige en te verwachten archeologische waarden Het gebied waarop het onderhavige bestemmingsplan betrekking heeft omvat een deel van het buitengebied van de gemeente Almelo.
Het gebied kenmerkt zich door een overwegend laag liggend dekzandgebied met beekvlaktes en dekzandverhogingen. De vanaf de oostelijke stuwwallen ontspringende beken lopen in westelijke en noordwestelijke richting door het gebied in relatief brede beekvlaktes en wateren af op de Regge. Door de relatief lage ligging zijn grote delen van het buitengebied van nature vrij nat. In het verre en ook nog het nabije verleden waren de wat hoger gelegen dekzandkoppen en -ruggen de aangewezen locaties voor vestiging en landbouw. Bij het opstellen van de archeologische verwachtingskaart zijn met name de reliëfverschillen bepalend geweest voor het aanduiden van zones waar de kans op het aantreffen van archeologische vindplaatsen hoog of middelhoog is. Daardoor zien we in de omgeving van het plangebied een beeld van hoge verwachtingszones op de dekzandruggen. al dan niet omgeven door middelhoge verwachtingszones op de intermediaire zones daaromheen (zoals bij dit plangebied). In zones met een archeologische verwachting is aangegeven wat de kans is dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Het betekent daarmee niet dat er altijd archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Of en welke vindplaatsen er eventueel bij bodemingrepen worden aangetroffen is mede afhankelijk van de aard en omvang van de bodemingrepen.
Het mag duidelijk zijn dat er bij grote en omvangrijke bodemingrepen meer kans is dat er archeologische vindplaatsen worden geroerd dan bij relatief kleine
42
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
bodemingrepen. Archeologische Waardenkaart In 2015 is de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Almelo na een evaluatie herzien. Op basis van oude topografische kaarten en het nieuwe Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) zijn de verwachtingszones van de voorgaande kaart herzien en aangepast. Bovendien zijn de verwachtingszones genuanceerd; waar voorheen alleen zones met een lage en hoge verwachtingswaarde op de kaart stonden, zijn er nu ook zones met een middelhoge verwachtingswaarde. Verder zijn na aanvullend historisch onderzoek ook alleen de historische erven opgenomen die blijkens bronnen in de Late Middeleeuwen voor het eerst vermeld zijn. De ervaring leert dat alleen in de nabijheid van deze erven vaak resten en sporen van oudere middeleeuwse voorgangers zijn te vinden. In onderhavig bestemmingsplan voor ’t Maatveld is voor deel 1 van het plangebied (bestaand bosgebied waarin recreatiewoningen worden voorzien) als dubbelbestemming een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde opgenomen. Voor plandeel 2, de strook waar boscompensatie zal plaatsvinden, geldt een lage archeologische verwachtingswaarde en is een dubbelbestemming archeologische verwachtingswaarde niet nodig. Verruiming van vrijstellingsregels voor archeologisch onderzoek Bij de vaststelling van de nieuwe AWK is ook het archeologiebeleid aangepast.
Het betreft specifiek een verruiming van de vrijstellingsgrenzen voor onderzoekverplichtingen. Op basis van een inventarisatie van onderzoeksresultaten over 15 jaar in een aantal Twentse gemeenten en vergelijkbare onderzoeken elders in Nederland is gebleken dat de vrijstellingsgrenzen veel te laag zijn. In vrijwel alle gevallen leveren onderzoeken in gebieden met een hoge archeologische verwachting in gebieden kleiner dan 2500 m2 nooit aanwijzingen voor een archeologische vindplaats. Gezien deze conclusies is door de gemeente Almelo besloten om de bestaande vrijstellingsgrens van 250 m2 op te trekken naar 5.000 m2 (met grondwerk niet dieper dan 40 cm) voor gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde. Daarmee wordt het vrijstellingsbeleid ook in de pas gebracht met de vrijstellingsgrenzen die in vrijwel alle andere Overijsselse gemeenten en door de provincie worden gehanteerd. Belangrijk is dat de gemeente burgers en bedrijven, en natuurlijk aan zichzelf, geen onderzoeksverplichtingen en kostenposten oplegt in situaties waarin op voorhand al is te verwachten dat dit vrijwel zeker geen archeologische resten worden aangetroffen.
Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is per 1 januari 2012 aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond (archeologische waarden), maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
43
NL.IMRO.0141.00066-BP21
cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden. Cultuurhistorische waarden omvatten meer dan alleen bouwhistorische objecten en monumenten waarop tot voorheen vaak alleen de aandacht lag in bestemmingsplannen. Door middel van een historischgeografische inventarisatie dienen ook cultuurlandschappellijke structuren en elementen in beeld gebracht moeten worden, zoals oude infrastructuur, verkavelingsstructuren en elementen daarin zoals houtwallen, beeklopen en essen, en moet ook gedacht worden aan het stedenbouwhistorische karakter van wijken en gebieden. Belangrijk is om na te gaan wat het ‘eigene’ van een gebied is en om dat met al zijn elementen en structuren in beeld te brengen. In het buitengebied van Almelo zijn veel waardevolle cultuurhistorische relicten en er zijn nog veel gebieden met een oud cultuurlandschap. Deze dragen zeer sterk bij aan de identiteit en het karakter van het buitengebied. Hiermee dient zorgvuldig omgegaan te worden en bij ontwikkelingen in het buitengebied dient waar mogelijk gestreefd te worden naar behoud of herstel ervan. De gemeente Almelo werkt aan een Cultuurhistorische Waardenkaart (CHWK). De kaart is een informatieve kaart en wordt in dit bestemmingsplan niet vertaald in regels en aanduidingen.
De gemeente Almelo heeft nog geen specifiek beleid dat de aanpassing van de Bro regelt. In dit bestemmingsplan wordt met de inventarisatie van cultuurhistorische waarden echter voorzien in de eisen volgens het Bro. Desondanks vormt de CHWK de eerste gegevensbron en onderlegger bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden bij planontwikkelingen en vergunningaanvragen. Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie blijkt dat de weg Tusveld een historische route betreft die zeker in 1648 aanwezig was. De ontwikkeling die met onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt is niet van invloed op deze route. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
44
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Hoofdstuk 5
Waterparagraaf
Algemeen Op grond van artikel 12 uit het besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd. Via de website www.digitalewatertoets.nl is op 3 augustus 2017 melding gedaan van het project bij het waterschap Vechtstromen (zie bijlage 2). De Watertoets is meer dan 1 jaar oud, maar omdat er geen wezenlijke veranderingen in het plan zijn doorgevoerd, is deze toets niet opnieuw doorlopen. In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen. Bij het opstellen van de waterparagraaf zijn ruimtelijk relevante criteria te onderscheiden in: •
criteria die betrekking hebben op de locatiekeuze;
•
criteria die betrekking hebben op de inrichting van een ruimtelijk plan.
•
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de thema's die in de waterparagraaf kunnen worden meegenomen:
•
Veiligheid - Waarborgen veiligheidsniveau
•
Wateroverlast – Voorkomen en/of reduceren van wateroverlast. Vergroten veerkracht watersysteem
•
Verwerking hemelwater - Vasthouden, bergen, afvoeren
•
Riolering – voorkomen van het ontstaan van afvalwater. Afvalwater afvoeren naar de rwzi
•
Watervoorziening - Afstemmen op de toegekende functie
•
Volksgezondheid - Minimaliseren risico op water gerelateerde ziekten en plagen
•
Bodemdaling (veengebieden) - Tegengaan bodemdaling en reductie functiegeschiktheid
•
Grondwateroverlast - Het tegengaan van grondwateroverlast
•
Oppervlaktewaterkwaliteit - Behoud/realisatie goede waterkwaliteit voor mens en natuur en afstemming KRW
•
Grondwaterkwaliteit - Behoud/realisatie goede waterkwaliteit voor mens en natuur
•
Verdroging - Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden
•
Natte natuur - Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur
Voornoemde thema's hebben niet alleen betrekking op het plangebied, maar ook op de omgeving van het plangebied.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
45
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft ernaar om de ingrepen binnen een deelstroomgebied waterneutraal te houden. Wateraspecten die niet ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het proces van de watertoets wel gesignaleerd maar niet geregeld worden. Dit houdt in dat als iets met een specifiek instrument geregeld kan worden, het niet met een ruimtelijk plan geregeld mag worden. Belangrijke regel stellende instrumenten zijn, de Keur van het waterschap, Activiteitenbesluit, peilbesluit, gemeentelijke verordening etc. Uitgangspunten De toegangswegen en parkeergelegenheid worden halfverhard of als verhard bandenspoor uitgevoerd. Het bos blijft zoveel mogelijk behouden, enkele bomen worden verplaatst. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd en de hele ontwikkeling is gebaseerd op duurzaamheid en natuurbeleving. Het plangebied raakt aan een beperkingsgebied van het waterschap Vechtstromen. Daarom geldt de Normale procedure van het watertoetsproces. Hiervoor is contact geweest met de RO-adviseur van het waterschap. Voor dit plan zijn van onderstaande uitgangspunten de onderwerpen grondwater (in relatie tot de aanleghoogte), hemelwater (infiltratie/berging) en afvalwater het meest relevant en meegenomen bij de planuitwerking. •
Bij het stedenbouwkundig plan moet notie worden genomen van het feit dat water van hoog naar laag stroomt. Water is daarmee ordenend voor het plan.
•
Per project moet in het overleg tussen gemeente en waterschap worden bezien of maatwerkoplossingen nodig en/of wenselijk zijn.
•
Afvalwater ú
Het afvalwater (het zwarte afvalwater van toilet, het grijze afvalwater van keuken, wasmachine en douche en het eventuele bedrijfsafvalwater) wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering.
•
Hemelwater ú
De afvoerpiek uit het plangebied door de toename van verhard oppervlak wordt afgevlakt door berging van hemelwater in wadi's of retentievijvers met een gedoseerde afvoer.
ú
De maximale hoeveelheid te lozen water bedraagt 2,4 l/s/ha. bij een maatgevende neerslaghoeveelheid van 40 mm in 75 minuten.
ú
Het hemelwater wordt zo min mogelijk verontreinigd en komt ten goede aan het lokale water- of grondwatersysteem.
ú
Zichtbare oppervlakkige afvoer van hemelwater heeft de voorkeur boven afvoer van hemelwater door buizen, vanwege het grotere risico op ongewenst lozingsgedrag en foutieve aansluitingen bij buizen.
ú
Infiltratie van hemelwater in de bodem via een graspassage is de beste optie, omdat hiermee zuivering, retentie en grondwateraanvulling worden gerealiseerd.
ú
Op kleine schaal kan dit goed door middel van individuele voorzieningen, op grotere schaal verdient de toepassing van wadi's de voorkeur.
ú
46
Afvoer van hemelwater vindt bij voorkeur plaats via de reeks regenpijp - perceelgoot -
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
straatgoot - wadi. ú
Bij het ontwerp van het bouwwerk wordt een zodanig samenspel van dakvlakken, dakgoten, regenpijpen en perceelgoten gekozen dat het water niet in riolen onder de grond hoeft.
ú
Goede
alternatieven
in
geval
van
nauwelijks
verontreinigd
hemelwater
zijn
regenwaterhergebruik op individuele schaal of directe oppervlakkige afvoer naar sloten of vijvers met retentievoorzieningen op grotere schaal. ú
In het geval van bedrijventerreinen met risico op vervuiling verdient hemelwaterafvoer via een verbeterd gescheiden rioolstelsel met retentievijvers de voorkeur.
ú
Het ontwerp van een verbeterd gescheiden stelsel wordt afgestemd op het risico op verontreiniging van het verhard oppervlak en het uitgangspunt dat de afvoer van relatief schoon hemelwater naar de RWZI wordt geminimaliseerd.
•
Grondwater ú
Het grondwater wordt zoveel mogelijk aangevuld met schoon infiltrerend water.
ú
Te hoge grondwaterstanden in natte winterperioden mogen worden beteugeld met drainage in de openbare weg en eventueel op de kavels zelf, mits dit niet leidt tot een permanente grondwaterstandsverlaging in of buiten het plangebied.
ú
De drainage voert af naar een wadi of naar oppervlaktewater; dus niet naar de RWZI.
ú
Vochtoverlast door hoge grondwaterstanden wordt geminimaliseerd door te bouwen zonder kruipruimten en door kelders waterdicht te maken.
•
Oppervlaktewater ú
Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen leidend.
ú
Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefbaar is en goed te beheren.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
47
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Hoofdstuk 6
6.1
Planuitgangspunten
Ruimtelijke ontwikkeling
De initiatiefnemer is voornemens vijf recreatiewoningen of lodges te realiseren op een bosperceel aan de weg Tusveld in Bornerbroek. Voorwaarde voor een ontwikkeling in het buitengebied is een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in het provinciale handboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) uit 2010. De realisatie van de recreatiewoningen is een toevoeging op de dagrecreatieve mogelijkheden én verblijfsrecreatieve aanbod in de omgeving Almelo. Daarnaast krijgt het plan een bijzondere waarde ten aanzien van duurzaamheid en ecologie. In het ontwerp zijn aspecten als daglichttoetreding, het gebruik van natuurlijke materialen en een duurzame bouw leidend. De initiatiefnemer heeft contacten met de eigenaren van omliggende percelen (zie ook bijlage 1). Dit heeft niet geleid tot grote planaanpassingen
Uitgangspunten voor situering van recreatiewoningen.
Het belangrijkste uitgangspunt voor het ontsluiten en bouwen van de recreatiewoningen is het in standhouden van het bosperceel als geheel, verbeteren van de huidige kwaliteit en het kappen van waardevolle bomen zo veel mogelijk te voorkomen. Te kappen bomen worden ruim gecompenseerd binnen de twee plangebieden. Een afzonderlijk inrichtingsplan met nieuwe landschapselementen is als voorwaardelijke verplichting opgenomen (zie bijlage 7). De recreatiewoningen of lodges worden gerealiseerd in een zone die in noord-zuid richting door het plangebied loopt. De lodges krijgen geen tuin met verharding, maar een natuurlijk ingericht terras. Aan de zuid-west zijde en de noord-oost zijde van het perceel wordt een groenbuffer gecreëerd met
48
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
intensievere begroeiing. De recreatiewoningen worden zo vanaf de straat aan het oog onttrokken, wat privacy biedt voor de bestaande woningen. Aan de zuid-oost zijde is zicht op de Doorbraak een belangrijk uitgangspunt. Hier wordt geen nieuwe beplanting aangebracht, maar is het zicht op de Doorbraak, langs de bestaande bomen, juist een belangrijke kwaliteit van de recreatiewoningen. Voor de plaatsing van de nieuwe recreatiewoningen en de ontsluiting daarvan zijn de posities van de bestaande bomen in het bosperceel leidend (zie bomeninventarisatie, bijlage 5). In de zone voor bebouwing
staan
vooral
de
minder
wenselijke
Amerikaanse
eiken.
De
bouwzone
(5
bestemmingsvlakkken op de Verbeelding) biedt beperkte vrijheden voor een juiste positionering; de inhoud en bouwhoogtes van een woning zijn gelimiteerd. Het bestaande bos vormt de belangrijkste kwaliteit van het plangebied. Door de recreatiewoningen zo te plaatsen dat zo veel mogelijk bomen gehandhaafd kunnen worden, blijft deze kwaliteit in stand. De bomen die gekapt moeten worden, worden in de extra groenbuffers aan de zuid-west zijde en noord-oost zijde gecompenseerd.
Inrichtingsplan voor ‘t Maatveld met ingemeten bomen.
Als nadere onderbouwing van de bestemmingsplanherziening is een Ruimtelijk Kwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 6 van de toelichting en bijlage 1 van de regels), volgens afspraak tussen initiatiefnemer en de gemeente Almelo. Hierin staat ook uitleg over het innovatieve karakter, de kleinschaligheid en de doelen van de initiatiefnemer ten aanzien van architectuur en inrichting van de buitenruimte. Dit moet een bijzondere doelgroep aanspreken die op zoek zijn naar rust en natuur. Daarnaast is een beplantingsplan opgenomen (bijlage 7 van de toelichting en bijlage 2 van de regels). In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter borging dat het Ruimtelijk Kwaliteitsplan en het Beplantingsplan daadwerkelijk worden geëffectueerd. Met de provincie Overijssel zijn al in december 2016 afspraken gemaakt over de compensatie van bosgrond die wordt 'weggenomen' ten gevolge van de ontwikkeling van de vijf recreatiewoningen.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
49
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Ter compensatie van bosgrond die wordt 'weggenomen' ten gevolge van de ontwikkeling van vijf recreatiewoningen in het Bosperceel aan het Tusveld, wordt 1.250 m2 bos gecompenseerd, dat is 250 m2 per woning inclusief toegangspaden, zoals door de provincie aangegeven. Dit in het kader van de toenmalige Boswet, waarvan de regelgeving is overgegaan in de huidige Wet Natuurbescherming. Als extra investering van de ruimtelijke kwaliteit in het kader van het provinciaal beleidsplan 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' (KGO) wordt het resterende deel extra bos aangeplant, zodat een bosstrook kan worden gerealiseerd van 10 meter breed (deelgebied 2, 1.885 m2). Dit naast de overige investering in het KGO in het plangebied zelf (deelgebied 1); het aanplanten van onderbegroeiing, het kappen van slechte bomen en vervangen voor nieuwe en een opwaardering van het bosperceel an sich. De nieuwe strook waar ‘bos’ is bestemd (deelgebied 2) kent een relatief hoge grondwaterstand. De grondwaterstand wordt niet verlaagd en de naastgelegen sloot blijft gehandhaafd; de aanwezige waterhuishouding wordt niet verstoord. Bij de keuze van de aan te planten bomen en bij de inrichting van deze strook is hier rekening mee gehouden. Wellicht slaat de zomereik hier minder goed aan. Daarom wordt deze gecombineerd met de zwarte els en zachte berk.
De Doorbraak aan het Tusveld.
6.2
Verkeer en parkeren
Verkeer Ten opzichte van de huidige functie van het plangebied heeft de nieuwe functie een grotere verkeersaantrekkende werking. Een deel van de recreanten zal met de auto komen om hun intrek in de recreatiewoningen te nemen. Deze mensen zullen tijdens hun verblijf al dan niet met de auto één keer per dag vertrekken en aankomen. Langdurig parkeren (met oplaadmogelijkheden voor elektrische auto’s) geschiedt op het parkeerterrein van het restaurant. Gezien de ligging van het plangebied langs (lange afstands)wandelroutes en het fietsknooppuntennetwerk van Twente zal een deel van de recreanten lopend of met de fiets komen om voor een korte periode hun intrek te nemen in een recreatiewoning.
50
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Informatiebord voor wandelaars langs De Doorbraak bij het Tusveld.
Voor de huidige infrastructuur, met name de weg Tusveld, zal het extra verkeer geen problemen opleveren. De toegangen tot de planlocatie worden halfverhard of ten minste als verhard bandenspoor uitgevoerd als verbinding tussen de weg Tusveld en de recreatiewoning. Voor de hoofdinrit vanaf Maatveld is een meldingsplicht van toepassing. Bij aankomst en vertrek kan men kort bij het huisje parkeren of voor het afzetten en ophalen van minder mobiele bezoekers. Voor hulpdiensten bij calamiteiten en een schoonmaakservice is een vlotte toegang gewaarborgd. Parkeren Voor de locatie vigeert het Bestemmingsplan “Parapluherziening parkeren”, vastgesteld op 5 juni 2018 en onherroepelijk geworden op 1 augustus 2018. De locatie valt binnen de zone ‘overige gebieden’ en dient aan de maximale parkeernorm te worden voldaan. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of het wijzigen van de functie wordt slechts verleend indien wordt aangetoond dat in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van motorvoertuigen. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de vastgestelde beleidsnota Parkeerbeleidsplan Gemeente Almelo 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd treedt diens rechtsopvolger hiervoor in de plaats.
Daarnaast is de beleidsnota Parkeerbeleidsplan Gemeente Almelo 'Parkeren Optimaliseren 2013-2018' aangepast naar de “Beleidsregel parkeernormen Almelo” en met ingang van 1 januari 2019 in werking
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
51
NL.IMRO.0141.00066-BP21
getreden. Volgens deze beleidsregel geldt voor een ‘bungalowpark (huisjescomplex)’ in het Buitengebied, in een niet stedelijke omgeving, een parkeerkencijfer van 2,0 tot 2,2 auto’s per bungalow. (De verkeersgeneratie is 2,6 tot 2,8 autobewegingen per bungalow.) Er is voldoende ruimte voor de recreanten, die met de auto komen, deze te parkeren op de grote parkeerplaats tussen het plangebied en het restaurant ’t Maatveld. De woningen kunnen eenvoudig te voet bereikt worden. Een quickscan flora en fauna (zie bijlage 4) toont aan dat daarnaast incidentele, enkele auto’s bij de recreatiewoningen (bv voor het laden en lossen) niet een te grote inbreuk maken op de ecologische waarden van het plangebied. Dit geldt ook voor hulpdiensten. Gezien het beperkte aantal recreatiewoningen en de overmaat aan ruimte kan het parkeren geen probleem opleveren.
Informatiepaneel naast het plangebied ‘t Maatveld.
52
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Hoofdstuk 7
7.1
Juridische bestuurlijke aspecten
Inleiding
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels van plan "Buitengebied Almelo" én de aanpassingen van de “Correctieve herziening” uit 2017 zijn grotendeels overeenkomstig van toepassing op dit bestemmingsplan. Uitsluitend daar waar noodzakelijk om het planvoornemen mogelijk te maken, zijn bepalingen toegevoegd danwel aangepast.
7.2
Opzet van de regels
In dit plan wordt uitgegaan van positieve bestemmingen, waarbij de ontwikkeling van nieuwbouw of verbouw mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend wanneer het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook moet het gebruik van het gebouw of de gronden mogelijk zijn volgens de planregels en de verbeelding. Planregels De planregels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken: •
Inleidende regels: bevat een aantal bepalingen die van belang zijn voor een juiste interpretatie en toepassing van de planregels in de overige hoofdstukken
•
Bestemmingsregels: bevat de regels omtrent de diverse bestemmingen waarin bouw- en gebruiks(on)mogelijkheden zijn opgenomen
•
Algemene regels: bevat algemeen geldende regels met betrekking tot gebruik en afwijkingen
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
53
NL.IMRO.0141.00066-BP21
•
Overgangs- en slotregels: bevat overgangsregels en de titel van het plan.
De hoofdstukindeling van de regels ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: "Inleidende regels", bevat de volgende artikelen: •
Begrippen;
•
Wijze van meten.
Hoofdstuk 2: "Bestemmingsregels", bevat de bestemmingen, die per artikel (indien van toepassing) het volgende stramien hebben: •
Bestemmingsomschrijving;
•
Bouwregels;
•
Afwijken van de bouwregels;
•
Specifieke gebruiksregels;
•
Afwijken van de gebruiksregels;
•
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
•
Wijzigingsbevoegdheid.
Hoofdstuk 3: "Algemene regels", bevat de volgende artikelen: •
Antidubbeltelregel;
•
Algemene bouwregels;
•
Algemene gebruiksregels;
•
Algemene afwijkingsregels;
•
Algemene wijzigingsregels;
•
Algemene procedureregels;
•
Overige regels.
Hoofdstuk 4: "Overgangs- en slotregels", bevat de volgende artikelen: •
Overgangsrecht;
•
Slotregel.
De
bestemmingsomschrijving
is
de
centrale
bepaling
van
elke
bestemming.
In
deze
bestemmingsomschrijving worden limitatief de functies genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van de grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De afwijkingsregels en nadere
54
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
eisen geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden bij een omgevingsvergunning af te wijken van een specifieke regel.
Verbeelding Op de verbeelding (twee plandelen) hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming zijn nadere aanduidingen aangegeven. Een aantal elementen op de verbeelding heeft juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de analoge verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die verbeelding, zoals kadastrale lijnen, topografische symbolen en huisnummers.
Flexibiliteit binnen het bestemmingsplan Binnen het bestemmingsplan zijn de volgende instrumenten aanwezig ten behoeve van de benodigde flexibiliteit: •
een omgevingsvergunning om af te wijken van specifieke regels. Het gaat hier om geringe afwijkingen van het bestemmingsplan. Deze afwijkingsmogelijkheid biedt voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid een afweging te maken van de noodzaak ten opzichte van het stedenbouwkundig en/of milieuhygiënische belang;
•
nadere eisen: ten aanzien van enkele in de regels genoemde bouwmogelijkheden zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het stellen van nadere eisen inzake de situering van gebouwen, de profilering van wegen, het aantal parkeerplaatsen en afstanden van gebouwen ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte.
Of en onder welke voorwaarden van deze mogelijkheden gebruik kan worden gemaakt, staat in de regels omschreven.
7.3
Verantwoording van de regels
7.3.1
Bestemmingsregels
Het bestemmingsplan kent verschillende bestemmingen, te weten: Bos, Recreatie - verblijfsrecreatie en Waarde - Archeologische verwachting middelhoog. Hierna volgt een korte beschrijving van deze bestemmingen.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
55
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Bos Gronden met de bestemming Bos zijn bestemd voor bos, bebossing, houtproductie, de bescherming van natuurwaarden en extensieve dagrecreatie. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. De regeling spitst zich vooral toe op overige bouwwerken. Voor gronden binnen deze bestemming is een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Dit ter bescherming van de binnen de bestemming voorkomende waarden. Onder andere het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen is gebonden aan een vergunningenstelsel. Recreatie - verblijfsrecreatie De gronden voor de vijf recreatiewoningen hebben de bestemming ‘Recreatie – verblijfsrecreatie’ gekregen. Dezelfde gronden hebben de aanduiding ‘recreatiewoning’. Hiermee is het mogelijk, alleen op deze locatie en onder voorwaarden, vijf vrijstaande recreatiewoningen te bouwen. De vijf bouwvlakken bieden beperkte vrijheden voor de exacte positionering van de woningen, afhankelijk van het type woning en de aanwezige bomen. De goot- en bouwhoogte voor woningen bedragen respectievelijk maximaal 5 en 7 meter. De maximale inhoudsmaat is 300 m3. Het innovatieve zit in de materialisering met duurzaamheid en circulair/CO2-neutraal hoog in het vaandel en de kwaliteitsafwerking/luxe uitstraling.
Daarnaast is de goot- en nokhoogte wat hoger dan regulier toegestaan (3 resp. 4 m), zodat met een bijzondere architectuur gewerkt kan worden. In de specifieke gebruiksregels van deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van de gebouwen en landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het Ruimtelijk Kwaliteitsplan (Bijlagen 1 en 2 van de regels). Waarde - Archeologische verwachting middelhoog Ter plaatse van de gronden met de middelhoge archeologische verwachtingswaarde (plandeel 1) is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog' opgenomen. De middelhoge archeologische verwachtingswaarde komt voort uit de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Almelo. Deze bestemming is, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Bij bodemingrepen vanaf 5.000 m2 én dieper dan 0,40 meter geldt een onderzoeksplicht.
56
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
7.3.2
Overige regels
Begrippen Dit artikel bevat de definities van begrippen die in dit bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. De begripsbepalingen zijn op alfabetische volgorde weergegeven. Wijze van meten In dit artikel is geregeld op welke manier moet worden gemeten. Anti-dubbeltelregel Door middel van dit artikel wordt voorkomen dat grond, die betrokken is geweest bij het toestaan van een bouwplan, bij de beoordeling van een later bouwplan wederom betrokken is. Algemene bouwregels In dit artikel is geregeld hoe om te gaan met afwijkende bestaande maatvoering. Algemene gebruiksregels Voor de redactie van de gebruiksregel is een algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de doeleindenomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal voorwaarden opgenomen die het mogelijk maken het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Dit evenwel met het voorbehoud dat de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. Ook kleine afwijkingen (tot 10%) van de in de regels opgenomen maten kunnen op grond van dit artikel mogelijk worden gemaakt.
Tevens kunnen krachtens dit artikel kleine bouwwerken ten dienste van nutsbedrijven worden toegestaan. Algemene procedureregels Hierin zijn de procedurebepalingen opgenomen ten aanzien van het stellen van nadere eisen. Overige regels In dit artikel zijn een voorwaarden opgenomen voor het parkeren, laden en lossen.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
57
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Overgangsrecht In dit artikel wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden behouden of gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomt met de regels die in het bestemmingsplan van kracht zijn. Slotregel Dit wordt ook wel de citeerbepaling genoemd. Hierin wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan genoemd is.
58
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe wordt een planschade-overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
59
NL.IMRO.0141.00066-BP21
Hoofdstuk 9
9.1
Vooroverleg, Omgevingsdialoog en Zienswijzen
Vooroverleg
Het plan is overeenkomstig het bepaalde in bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aan de Provincie en het Waterschap toegezonden. De ontvangen adviezen in het kader van het vooroverleg en de gemeentelijke reactie daarop worden indien nodig opgenomen als bijlagen.
9.2
Omgevingsdialoog
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij dit plan is afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan. De omwonenden van het plangebied zijn door de initiatiefnemers persoonlijk geïnformeerd over de plannen. Het voorliggende Ruimtelijk Kwaliteitsplan, inclusief concept-verbeelding, is in de loop van 2019 besproken met de drie direct omwonenden. Overige omwonenden zijn schriftelijk op de hoogte gebracht. Dit heeft niet geleid tot planaanpassingen (zie bijlage 1).
9.3
Zienswijzen
Deze
paragraaf
of
een
separate
zienswijzennota
wordt
na
terinzagelegging
ontwerpbestemmingsplan ingevuld.
60
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
van
het
NL.IMRO.0141.00066-BP21
BIJLAGEN VAN TOELICHTING Bijlage 1
Verslag omgevingsdialoog; december 2019, Wispels.
Bijlage 2
Watertoets; 3 augustus 2017.
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek Het Maatveld; 27 augustus 2018, Greenhouse Advies.
Bijlage 4
Quickscan Flora & Fauna Wet natuurbescherming; 8 oktober 2018, Gras advies.
Bijlage 5
Bomeninventarisatie; juli 2015, Buro Hoogstraat.
Bijlage 6
Ruimtelijk Kwaliteitsplan ‘t Maatveld; 10 juni 2021, Buro Hoogstraat.
Bijlage 7
Almelo ‘t Maatveld, Beplantingsplan 1:1500; 20 november 2019, Dagnl.
Bijlage 8
Rapportage AERIUS-berekening ’t Maatveld Almelo; 27 januari 2021, Gras advies.
Bijlage 9
Rapportage aanvullend soortenonderzoek, Wet natuurbescherming ’t Maatveld 18 december 2020, Gras advies.
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
61
NL.IMRO.0141.00066-BP21
BIJLAGE 1
62
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
Verslag Omgevingsdialoog, contactmomenten met omwonenden plangebied ‘t Maatveld.
De heer Wispels is eigenaar van restaurant ’t Maatveld en initiatiefnemer van de ontwikkeling van de recreatiewoningen op het bosperceel aan het Tusveld in Tusveld, gemeente Almelo. Hij is al sinds het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw bezig om recreatiewoningen naast het restaurant te realiseren. De meeste omwonenden moeten al sinds deze periode op de hoogte zijn van de plannen. De heer Wispels heeft omwonenden van het plangebied recent opnieuw geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkelingen. De directe omwonenden zijn in de periode tussen het laatste overleg met de gemeente Almelo van 2 april 2019 en het begin van deze zomer afzonderlijk geïnformeerd. De direct omwonenden zijn de adressen: • Tusveld 19 in Tusveld • Tusveld 21 in Tusveld • Tusveld 29 in Tusveld De heer Wispels heeft aan de hand van het inrichtingsplan en de concept-verbeelding van het bestemmingsplan de plannen met de omwonenden besproken. Omwonenden hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen ontwikkelingen. Daarnaast zijn omwonenden die verder van het plangebied wonen, schriftelijk geïnformeerd. Van deze omwonenden zijn geen reacties ontvangen.
December 2019
NL.IMRO.0141.00066-BP21
BIJLAGE 2
Bestemmingsplan Recreatiewoningen t Maatveld (ontwerp)
63
Watertoetsproces waterschap Vechstromen Op grond van artikel 12 uit het besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd. Waterparagraaf: In de waterparagraaf dienen de keuzes in ruimtelijke plannen ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd worden beschreven. Het wateradvies van het waterschap moet daarin zijn meegenomen. Bij het opstellen van de waterparagraaf zijn ruimtelijk relevante criteria te onderscheiden in: • criteria die betrekking hebben op de locatiekeuze; • criteria die betrekking hebben op de inrichting van een ruimtelijk plan. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de thema's die in de waterparagraaf kunnen worden meegenomen: • Veiligheid - Waarborgen veiligheidsniveau • Wateroverlast – Voorkomen en/of reduceren van wateroverlast.
Vergroten veerkracht watersysteem • Verwerking hemelwater - Vasthouden, bergen, afvoeren • Riolering – voorkomen van het ontstaan van afvalwater. Afvalwater afvoeren naar de rwzi • Watervoorziening - Afstemmen op de toegekende functie • Volksgezondheid - Minimaliseren risico op water gerelateerde ziekten en plagen • Bodemdaling (veengebieden) - Tegengaan bodemdaling en reductie functiegeschiktheid • Grondwateroverlast - Het tegengaan van grondwateroverlast • Oppervlaktewaterkwaliteit - Behoud/realisatie goede waterkwaliteit voor mens en natuur en afstemming KRW • Grondwaterkwaliteit - Behoud/realisatie goede waterkwaliteit voor mens en natuur • Verdroging - Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden • Natte natuur - Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur Voornoemde thema's hebben niet alleen betrekking op het plangebied, maar ook op de omgeving van het plangebied. Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft er naar om de ingrepen binnen een deelstroomgebied waterneutraal te houden. Wateraspecten die niet ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het proces van de watertoets wel gesignaleerd maar niet geregeld worden.
Dit houdt in dat als iets met een specifiek instrument geregeld kan worden, het niet met een ruimtelijk plan geregeld mag worden. Belangrijke regel stellende instrumenten zijn, de Keur van het waterschap, Activiteitenbesluit, peilbesluit, gemeentelijke verordening etc. Uitgangspunten waterschap Vechtstromen. Voor alle inbreidingen en uitbreidingen gelden in principe onderstaande beleidsregels. Algemeen Bij de keuze voor de locatie van het plangebied wordt rekening gehouden met de wateropgave en de eigenschappen van het watersysteem. • Bij het stedenbouwkundig plan moet notie worden genomen van het feit dat water van hoog naar laag stroomt. Water is daarmee ordenend voor het plan. • Per project moet in het overleg tussen gemeente en waterschap worden bezien of maatwerkoplossingen nodig en/of wenselijk zijn.
1
Afvalwater • Het afvalwater (het zwarte afvalwater van toilet, het grijze afvalwater van keuken, wasmachine en douche en het eventuele bedrijfsafvalwater) wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering. Hemelwater • De afvoerpiek uit het plangebied door de toename van verhard oppervlak wordt afgevlakt door berging van hemelwater in wadi's of retentievijvers met een gedoseerde afvoer. • De maximale hoeveelheid te lozen water bedraagt 2,4 l/s/ha. bij een maatgevende neerslaghoeveelheid van 40 mm in 75 minuten. • Het hemelwater wordt zo min mogelijk verontreinigd en komt ten goede aan het lokale water- of grondwatersysteem. • Zichtbare oppervlakkige afvoer van hemelwater heeft de voorkeur boven afvoer van hemelwater door buizen, vanwege het grotere risico op ongewenst lozingsgedrag en foutieve aansluitingen bij buizen. • Infiltratie van hemelwater in de bodem via een graspassage is de beste optie, omdat hiermee zuivering, retentie en grondwateraanvulling worden gerealiseerd. • Op kleine schaal kan dit goed door middel van individuele voorzieningen, op grotere schaal verdient de toepassing van wadi's de voorkeur. • Afvoer van hemelwater vindt bij voorkeur plaats via de reeks regenpijp - perceelgoot straatgoot - wadi.
• Bij het ontwerp van het bouwwerk wordt een zodanig samenspel van dakvlakken, dakgoten, regenpijpen en perceelgoten gekozen dat het water niet in riolen onder de grond hoeft. • Goede alternatieven in geval van nauwelijks verontreinigd hemelwater zijn regenwaterhergebruik op individuele schaal of directe oppervlakkige afvoer naar sloten of vijvers met retentievoorzieningen op grotere schaal. • In het geval van bedrijventerreinen met risico op vervuiling verdient hemelwaterafvoer via een verbeterd gescheiden rioolstelsel met retentievijvers de voorkeur. • Het ontwerp van een verbeterd gescheiden stelsel wordt afgestemd op het risico op verontreiniging van het verhard oppervlak en het uitgangspunt dat de afvoer van relatief schoon hemelwater naar de RWZI wordt geminimaliseerd. Grondwater • Het grondwater wordt zoveel mogelijk aangevuld met schoon infiltrerend water. • Te hoge grondwaterstanden in natte winterperioden mogen worden beteugeld met drainage in de openbare weg en eventueel op de kavels zelf, mits dit niet leidt tot een permanente grondwaterstandsverlaging in of buiten het plangebied. • De drainage voert af naar een wadi of naar oppervlaktewater; dus niet naar de RWZI. • Vochtoverlast door hoge grondwaterstanden wordt geminimaliseerd door te bouwen zonder kruipruimten en door kelders waterdicht te maken.