CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Verordening jeugdhulp gemeente Alkmaar 2024

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening jeugdhulp gemeente Alkmaar 202421.165 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 7.8 Afstemming met het justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 19

de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet. 2. Het college en de Raad voor Kinderbescherming leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol dit conform artikel 3.1 lid 5 van de wet. In ieder geval wordt de wijze waarop het college en de Raad voor Kinderbescherming overleggen over welke gecertificeerde instelling in het verzoekschrift aan de rechter wordt opgenomen vastgelegd, dit conform artikel 3.1 lid 6 van de wet.

Artikel 7.9 Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang tot de overige en individuele voorzieningen en stelt in regioverband beleid op ten aanzien van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Hoofstuk 8 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. De aard en omvang van de te verrichten taken; b. De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functies; c. Een redelijke toeslag voor overheadskosten; d. Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. Kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 8.2 klachtregeling 1. Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijnen Interne klachtenprocedure van de gemeente Alkmaar. 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een klacht willen indienen tegen gedragingen van een jeugdhulpaanbieder, dan geldt de klachtenbehandeling o.g.v. hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. De jeugdhulpaanbieder heeft zelf een klachtregeling.

Artikel 8.3 Inspraak en medezeggenschap 1. Het college stelt ingezetenen en belanghebbenden van de gemeente Alkmaar, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat de inwoners van de gemeente Alkmaar kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college kan nadere regels maken ter uitvoering van dit artikel.

Hoofstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt tenminste eenmaal per 2 jaar geëvalueerd.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 20

Artikel 9.2 Hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende beleidsregels, leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 9.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2019 wordt ingetrokken. 2. De jeugdige of zijn ouder houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2019, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2019 geschiedt op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Alkmaar 2019, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) worden afgeweken.

Artikel 9.4 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2024.

Annex I – Jeugdhulpkaart regio Alkmaar jeugdhulpkaart regio Alkmaar

De raad van Alkmaar, 30 mei 2024

mw. drs. A.M.C.G. Schouten, burgemeester

mw. mr. V.H. Hornstra, griffier

Toelichting verordening jeugdhulp gemeente Alkmaar

Algemene toelichting In deze toelichting leest u een extra uitleg bij de artikelen in de verordening.

Wat is het doel van de verordening? De raad van de gemeente Alkmaar geeft met deze verordening een opdracht aan het college. De opdracht is om te zorgen voor de juiste jeugdhulp in onze gemeente. In de verordening staan de regels die voor alle inwoners gelden als het gaat om jeugdhulp.

Hoe zit de verordening in elkaar? De verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 en 3 staan de verschillende voorzieningen die er zijn. Hoofdstuk 2 gaat over voorzieningen die er zijn voor jeugdigen en/of hun ouder(s). Hoofdstuk 3 gaat over de toegang tot een individuele voorzieningen die mogelijk zijn binnen de jeugdhulp. De regels voor het proces leest u in hoofdstuk 4 en 5. De verordening sluit af met hoofdstuk 6, 7, 8 en 9. Daarin staan rechten, plichten en algemene regels.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 21

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening . Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’ en ‘jeugdige’. In de verordening worden de begrippen overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt. Indien mogelijk worden ‘jeugdige’ en ‘ouder’ algemeen aangeduid als ‘jeugdige en ouder(s)’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of ’impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’bedoelen we dus: • De jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, • De jeugdige met een of beide ouder(s) (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar, of • De ouder(s) namens de jeugdige bij een jeugdige jonger dan 12 jaar.

Vrij toegankelijke en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen vrij toegankelijke en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouder(s) deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare vrij toegankelijke en individuele voorzieningen uitgewerkt in de artikelen 2.1 en 2.2.

Eigen kracht Eigen kracht’ kan verschillende zaken inhouden, zoals: • Het inzetten van vrijwilligers of mensen uit het sociale netwerk; • Mogelijkheden van de ouder zelf. Ouder(s) moeten gemotiveerd aangeven waarom en waardoor ze vast lopen aan de hand van voorbeelden. • Aanspraak kunnen maken op een Aanvullende verzekering

Nadat de noodzakelijke hulp voor het gezin in kaart is gebracht door het Jeugdteam, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Dit wordt vermeld in het (integraal) onderzoeksplan. Van ouder(s)/verzorgers wordt verwacht dat zij ondersteunen bij de activiteiten die de jeugdige niet kan uitvoeren. Hulp en ondersteuning kan worden ingezet wanneer dit de eigen draagkracht overstijgt.

Eigen kracht van ouder(s) is leidend. Wanneer er problemen zijn in het voldoende kunnen ondersteunen en begeleiden van de jeugdigen, wordt onderzocht of het gezin dit tekort op eigen kracht, dat wil zeggen zonder een (jeugdhulp)voorziening, aan kan. Hiervoor wordt een afwegingskader gehanteerd dat gebaseerd is op de zelfredzaamheid van de jeugdige en de draagkracht en draaglast verhouding bij de ouder(s) eventueel met inzet van personen uit het sociaal netwerk. Bij voldoende eigen kracht wordt geen individuele jeugdhulpvoorziening afgegeven; ook niet in de vorm van een pgb.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 22

Sociaal netwerk Inzet van het sociaal netwerk valt in principe onder eigen kracht. Als iemand uit het sociaal netwerk vanuit de pgb de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie omdat blijkt dat de huidige de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig. De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter, het belang van het kind staat centraal.

Persoon uit sociaal netwerk kan zorgen voor: • zorgcontinuïteit: permanent toezicht; • emotionele binding: er is sprake van een vertrouwd persoon, die een emotionele band met het kind heeft, dat bijdraagt aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp; • efficiëntie: het combineren van taken die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd.

(Integraal) onderzoeksplan en uitleg bij verschillende plannen in de Jeugdwet Er zijn verschillende soorten plannen in de Jeugdwet. Wij leggen de belangrijkste plannen kort uit. • (Integraal) onderzoeksplan In dit plan staat wat de hulpvraag is en welke afspraken er zijn gemaakt. Het gaat niet alleen om afspraken over jeugdhulp. Het gaat ook om afspraken over andere dingen die spelen in het gezin. Bijvoorbeeld de hulpvraag van een broertje of zusje of problemen met schulden. Het (integraal)onderzoeksplan is een samenvatting van de gesprekken die zijn gevoerd. Er zijn verschillende personen bij die gesprekken geweest: - de jeugdige en/of de ouder(s) - de professional van het Jeugdteam - eventueel de professional die werkt bij een aanbieder van jeugdhulp - eventueel andere personen uit het sociale netwerk

• Hulpverleningsplan of behandelplan In dit plan staat hoe de professional van de aanbieder gaat werken aan de doelen in het (integraal) onderzoeksplan.

• Familiegroepsplan In dit plan staat wat de jeugdige en de ouder(s) zelf kunnen doen om de hulpvraag te beantwoorden. Eventueel samen met hun sociale netwerk. De jeugdige en/of de ouder(s) maken dit plan zelf. Vaak samen met familie, vrienden en andere personen uit hun sociale netwerk. Vervolgens bespreken ze het plan met het Jeugdteam. Hulpverleners kunnen wel informatie inbrengen voor het familiegroepsplan en voorwaarden voor veiligheid stellen.

Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp Artikel 2.1 Sociale basis voor jeugdigen Binnen de sociale basis in onze gemeente zijn er ook activiteiten voor jeugdigen. De activiteiten vanuit de sociale basis bestaan uit wat inwoners met en voor elkaar doen. Maar ook uit de (sociale) basisvoorzieningen ofwel vrij toegankelijke voorzieningen vanuit organisaties. Sociale basisvoorzieningen ofwel vrij toegankelijke voorzieningen hebben te maken met alle onderdelen van het dagelijks leven: ontmoeting, onderwijs, opvoeding, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur en veiligheid. Deze sociale basis is er voor alle jeugdigen. Toch is het voor sommige jeugdigen moeilijker om mee te komen. Omdat ze weinig beschermende en stimulerende factoren in hun directe omgeving hebben. Zo krijgen ze bijvoorbeeld geen aanmoediging om hun talent te ontwikkelen. Of ze groeien op in een ongezonde omgeving. Vanuit de gemeente hebben wij extra aandacht voor deze doelgroepen: • jonge kinderen (van ongeboren baby tot 2,5 jaar) en hun ouder(s) • risicojongeren • jongeren die zich uitgesloten voelen • kwetsbare jongeren

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 23

• jongeren die bijna 18 jaar worden Met risicojongeren bedoelen we jongeren die meer dan 1 probleem hebben. Die problemen hebben vaak met elkaar te maken en versterken elkaar. Door de problemen is het risico groot dat de jongere niet meer mee kan doen in de samenleving of terechtkomt in de criminaliteit.

Met kwetsbare jongeren bedoelen we jongeren die moeite hebben om zelfstandig te worden. Bijvoorbeeld omdat ze hun opleiding niet hebben afgemaakt. Of omdat ze verkeerde keuzes maken.

Artikel 2.2 Beschikbare vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen Dit artikel regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit betekent dat een jeugdige/ ouder(s) uit de gemeente Alkmaar hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van het jeugdteam of verwijzing van een (huis)arts noodzakelijk is. Soms is het aanbod wel speciaal bedoeld voor een bepaalde doelgroep. De jeugdige of zijn ouder(s) die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen, of na verwijzing door bijv. het Jeugdteam,CJG, school of huisarts, gebruik van maken. Veel jeugdigen en ouder(s) komen met een hulpvraag eerst bij het jeugdteam. Daarom is het belangrijk dat het jeugdteam goed weet wat de vraag precies is. Waar hebben de jeugdige en/of de ouder(s) behoefte aan? Het jeugdteam probeert een duidelijk antwoord te krijgen op deze vraag. Door verschillende vragen te stellen over de hulpvraag.

Als het nodig is, kan het jeugdteam ook advies geven bij de hulpvraag. Het jeugdteam geeft informatie en advies bij o.a. deze onderwerpen: • zorg en ondersteuning • opvoeden en opgroeien • welzijn Er zijn nog meer organisaties die dat doen. Het jeugdteam werkt met deze organisaties samen. Een voorbeeld is het consultatiebureau. Dat is een bureau voor gratis adviezen over gezondheid, vooral voor kinderen van 0 tot 4 jaar.

Alle inwoners kunnen een cliëntondersteuner vragen om gratis hulp. Een cliëntondersteuner kan bijvoorbeeld meegaan naar een gesprek. De cliëntondersteuner helpt de jeugdige en/of de ouder(s) om hulp te organiseren. De cliëntondersteuner geeft ook informatie en advies. Het gaat om hulp bij 1 van deze onderwerpen: zorg en ondersteuning; opvoeden en opgroeien ;onderwijs; welzijn; wonen; werk en inkomen; financiële problemen. Heel belangrijk is dat de cliëntondersteuner onafhankelijk is. Dit betekent dat hij of zij niet bij de gemeente of bij een zorgorganisatie in dienst is.

Artikel 2.3 Individuele jeugdhulpvoorzieningen Soms is de ondersteuning of begeleiding vanuit een algemene voorziening niet genoeg. Dan kan een jeugdige en/of de ouder(s) misschien gebruikmaken van een individuele voorziening. Voor de toegang tot een individuele voorziening is een voorafgaand, diepgaand onderzoek nodig naar behoeften en kenmerken. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in hoofdstuk 3 . Individuele jeugdhulp wordt gezien als aanvullend op het vrij toegankelijke aanbod aan preventie en jeugdhulp zoals omschreven in artikel 2.1. Ook is het mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het Jeugdteam vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een vrij toegankelijke voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het jeugdteam daarnaar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen. Zie dit ook in verband met hoofdstuk 3 van deze verordening.

De hulpverlener vanuit het Jeugdteam kan betrokken blijven bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouder(s). Jeugdhulp wordt in de regel dichtbij geboden, in de directe leefomgeving van de jeugdige en zijn ouder(s), als in: in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf, de school, de locatie van de jeugdhulpaanbieder of op enige andere locatie. Artikel 2.4 Dyslexiezorg Dyslexie is een beperking bij lezen en schrijven. Iemand die dyslexie heeft, wordt daarmee geboren. Als

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 24

een jeugdige dyslexie heeft, wordt hij of zij vaak op school geholpen. Soms is de dyslexie zo ernstig dat er niet genoeg hulp is binnen de school. Dan is de gemeente verantwoordelijk voor dyslexiezorg. Dit geldt voor kinderen vanaf 7 jaar die op een basisschool zitten.

Tot 1 januari 2015 viel dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie onder de Zorgverzekeringswet. Met de komst van de Jeugdwet valt dit onder jeugdhulp. Wij hebben er in 2015 voor gekozen om dyslexiezorg op dezelfde manier te organiseren als daarvoor. Dit houdt in dat we alleen dyslexiezorg vergoeden voor jeugdigen met ernstige dyslexie. In de praktijk gaat het vaak om kinderen van 7 tot 13 jaar.

Lid 2. De behandelaar heeft een contract met ons. Hij of zij werkt volgens de landelijke afspraken voor dyslexiezorg.

Als de jeugdige inderdaad ernstige dyslexie heeft, kan de behandelaar gelijk verder met de behandeling. Er is geen tweede besluit van het college nodig. De behandelaar stelt ernstige dyslexie vast met het ‘Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0’.

De behandelaar werkt volgens landelijke en professionele standaarden voor dyslexiezorg. Dit lid maakt het mogelijk om onderdelen van deze standaard ook vast te leggen in de nadere regels.

Artikel 2.5 Vervoersvoorziening Dit artikel gaat in op de voorwaarden voor een vervoersvoorziening. Het vraagstuk vervoer staat centraal, waarbij er wordt gekeken naar een oplossing die aansluit op de ondersteuningsbehoefte van de aanvrager.

Het jeugdhulpvervoer wordt conform artikel 2.3, tweede lid Jeugdwet gezien als jeugdhulp. Het criterium van medische noodzaak, zoals dit in de AWBZ gold, is hierbij aangevuld met het criterium van (gebrek aan) zelfredzaamheid, nu dit ook één van de criteria is voor het ontvangen van jeugdhulp. Zoals bij iedere vorm van jeugdhulp het geval is, hoeft er geen hulp te worden ingezet als de jeugdige of zijn ouder(s) dit, eventueel met behulp van het sociaal netwerk, zelf kunnen regelen.

Het staat de gemeente vrij om het jeugdhulpvervoer naar eigen inzicht te organiseren, ‘naar het oordeel van het college.’ Vervoer naar een jeugdhulpaanbieder wordt ingezet als dit de beste manier is om de aanvrager te ondersteunen vanwege een beperking in de zelfredzaamheid. In het tweede lid staan twee criteria waaronder het college een vervoersvoorziening toekent. In het tweede lid is geregeld dat bij het bepalen of een vervoersvoorziening nodig is ook wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouder(s) om het vervoer zelf te verzorgen of te laten verzorgen. Daarbij worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid(draaglast) van de ouder(s) en de mogelijkheden en bereidheid van het sociaal netwerk meegewogen (derde lid).

Op basis van geldende rechtspraak mag van ouder(s) in principe worden verwacht dat ze hun kind zelf vervoeren, ook als dergelijk vervoer meer van hen verlangt dan dat er in de regel van ouder(s) verwacht mag worden (boven gebruikelijke hulp). Als de ouder(s) de jeugdige zelf kunnen vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder, is er sprake van eigen kracht. De gemeente hoeft dan geen vervoersvoorziening toe te kennen. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 3 november 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5719) uitgesproken dat de gemeente de financiële draagkracht van de ouder(s) in positieve zin mag meewegen bij het besluit. Dit betekent dat een vervoersvoorziening wel kan worden toegekend als de ouder(s) om financiële redenen de kosten van het vervoer niet kunnen betalen.

In het vijfde lid zijn de verschillende vervoersvoorzieningen opgesomd. Een vervoersvoorziening kan worden gecombineerd met een training ‘zelfstandig leren reizen’ (zesde lid). Het vergroten van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid is een belangrijk uitgangspunt. De noodzaak van een vervoervoorziening wordt opgenomen in het (integraal) onderzoeksplan (negende lid). Uit het onderzoek moet dus wel blijken dat dit voor de jeugdige nodig is om aan de jeugdwetdoelen te

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 25

voldoen (artikel 2.3 Jeugdwet). Ook moeten de ouder(s) en/of jeugdige (afhankelijk van de leeftijd) wel toestemming geven voor het verlenen van deze begeleiding. Artikel 2.6 Zak-en kleedgeld Per 1 januari 2024 is een nieuw artikel 5a.1 in de Regeling Jeugdwet gekomen. Hierin staat de verplichting voor een jeugdhulpaanbieder om een jeugdige die ten minste 1 maand voltijds in een accommodatie verblijft zak- en/of kleedgeld te verstrekken. Deze verplichting geldt alleen als de ouder(s) niet voldoen aan hun onderhoudsplicht. Een jeugdige van 6 tot 12 jaar krijgt alleen zakgeld en een jeugdige van 12 jaar of ouder krijgt zak- en kleedgeld. Op grond van het Burgerlijk Wetboek (art. 1:392) zijn ouder(s) primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kinderen, ook wanneer het kind met een ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel in een residentiële inrichting verblijft. De regeling geldt ook in geval van verlengde jeugdhulp met verblijf, maar is niet van toepassing op pleegzorg In de praktijk komt het voor dat bepaalde kosten voor het levensonderhoud van een kind niet betaald worden door of verhaald kunnen worden op de ouder(s) en ook niet uit een andere regeling vergoed kunnen worden, maar waarbij het wel in het belang van de jeugdige is dat deze kosten gemaakt worden.

Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij ouder(s) al lange tijd uit beeld zijn, of niet in staat zijn om aan de financiële verplichtingen te voldoen. Dit betreft o.a. de volgende situaties: a. wanneer ouder(s) niet meer in beeld zijn; b. wanneer duidelijk is dat het verhalen van de kosten op ouder(s) niet mogelijk is; c. waarin er niet op korte termijn aan de onderhoudsplicht kan worden voldaan.

Bedragen zak- en kleedgeld Bijlage 1a is toegevoegd aan de Regeling Jeugdwet, waarin de bedragen voor zak- en kleedgeld zijn opgenomen. Leeftijd 6-12 jaar 12+ jaar Zakgeld € 12,- p/maand € 30,- p/maand Kleedgeld € 0,- p/maand € 54,- p/maand

Hoofdstuk 3 Toegang tot een individuele voorziening Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij- toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder. De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat meestal nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieder die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur).

Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractrelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen niet verwijzen naar jeugdhulp in pgb; Alleen de gemeente is bevoegd om te oordelen over de inzet van een pgb (artikel 8.1.1 Jeugdwet). Daarnaast is conform de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet jeugdhulp alleen direct toegankelijk als deze verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder wordt gedaan waar het college een subsidie- of contractrelatie mee heeft.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 26

Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via justitieel kader Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (strafrechtelijke beslissing), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening, behoudens het bepaalde in artikel 7.7 en 7.8. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking. Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente, indienen hulpvraag Artikel 2.3 Jeugdwet regelt de toegang via de gemeente.

Het college van burgemeester en wethouder(s) is het bevoegde bestuursorgaan tot het bepalen van jeugdhulp voor de jeugdige of zijn ouder(s). In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar daartoe het Jeugdteam machtigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat ‘het college’, kan het jeugdteam worden gelezen. Het jeugdteam verzorgt namelijk de toegang tot de jeugdhulp via de gemeente. Voor het verkrijgen van een individuele voorziening, geldt de in hoofdstuk 3 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een ingediende hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 3.5, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouder(s) de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een vrij toegankelijke of andere voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.

Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp van de jeugdige of zijn ouder(s) die hun woonplaats hebben in de gemeente. Op 1 januari 2022 is het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet veranderd. Het woonplaatsbeginsel is een hulpmiddel om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulp aan een jeugdige. In de nieuwe definitie ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (de BRP). Deze definitie is van toepassing voor jeugdhulp zonder verblijf. Bij jeugdhulp met verblijf is de woonplaats: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaande aan zijn verblijf zijn woonadres had in de zin van de Wet basisregistratie personen. De gemeente waar de jeugdige vandaan komt, blijft dus verantwoordelijk voor de jeugdige en voor de kosten van de jeugdhulp voor deze jeugdige. Jeugdigen of ouder(s) kunnen een aanvraag jeugdhulp mondeling, schriftelijk of telefonisch indienen. In de Jeugdwet zelf zijn geen termijnen opgenomen voor de periode van onderzoek of het nemen van een besluit op een aanvraag jeugdhulp. Dit betekent dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, daarbij geldt een redelijke termijn (dat wil zeggen: acht weken) voor het nemen van een besluit op een aanvraag.

Deze termijn start bij het eerste contact over de aanvraag. De ervaring leert dat het onderzoek bij jeugd vaak meer tijd vraagt, zeker bij multi-problematiek. Dit wil overigens niet zeggen dat er in die periode geen ondersteuning kan worden geboden aan de jeugdige en/of ouder(s). Als er meer tijd nodig is voor het onderzoek, zal dit in goed overleg met de jeugdige en ouder(s) gebeuren. De beslistermijn kan eenmalig zonder toestemming van de aanvrager met 8 weken verlengd kan worden (artikel 4:14 Awb). De beslistermijn kan langer worden opgeschort als de aanvrager daar schriftelijk mee instemt of in afwachting van ontbrekende stukken (artikel 4:15 Awb) De verdere invulling van het proces voor toegang tot specialistische jeugdhulp staat in de nadere regels. We hebben hiervoor gekozen, omdat het proces zich waarschijnlijk nog ontwikkelt in de komende jaren.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 27

Artikel 3.4 Vooronderzoek bij toegang jeugdhulp via het Jeugdteam van de gemeente Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en hun ouder(s) goed worden geïnformeerd.

lid 2 dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Ook hierdoor is een goede afstemming nodig met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de AVG zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Overigens is het vragen van toestemming niet nodig zodra de verwerking van gegevens ‘binnen één wet blijft’. Een jeugdconsulent heeft de bevoegdheid om in het kader van het jeugdhulponderzoek zonder toestemming van de jeugdige/ouder(s) gegevens te verwerken die in het kader van het jeugdhulponderzoek verkregen zijn. Op basis van de Jeugdwet biedt artikel 7.4.0. Jeugdwet in bepaalde gevallen een wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling.

Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de aanvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.

Derde lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek (eerste lid) kunnen ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouder(s) worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en/of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.

In het vierde lid is bepaald dat het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vaststelt aan de hand van het BSN. Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige is verplicht. Dat staat in artikel 7.2.2. van de wet. Dit moet gebeuren op basis van de BSN-controle. Artikel 7.2 van de wet regelt daarmee meteen dat het BSN gebruikt mag worden.

Artikel 7.2.3 2a van de wet regelt dat als een eerdere medewerker in de keten de identiteit al heeft vastgesteld, de volgende het in principe niet nog een keer hoeft te doen.

Artikel 7.2.3 2b van de wet regelt dat de identiteit kan worden gecontroleerd door de BSN in de BRP te controleren.

In het vijfde lid is bepaald dat het jeugdteam de jeugdige en zijn ouder(s) wijst op de mogelijkheid om een cliëntondersteuner te vragen om gratis hulp.

Het zesde lid Jeugdigen en hun ouder(s) krijgen de kans om een familiegroepsplan te maken. Dit is geregeld in de Jeugdwet. De aanbieder van jeugdhulp moet jeugdigen en hun ouder(s) deze kans geven (artikel 4.1.2 van de Jeugdwet). Wij kiezen ervoor om jeugdigen en hun ouder(s) al eerder hierover te informeren. Dat biedt namelijk de kans om de informatie op te nemen in het (integraal) onderzoeksplan. Vaak maken jeugdigen en hun ouder(s) het familiegroepsplan samen met familie, vrienden en andere personen uit hun sociale netwerk. In het familiegroepsplan staat wat elke partij zelf kan doen om de situatie te verbeteren. Het is dus niet zo dat op basis van het familiegroepsplan alleen besloten wordt tot de inzet van specialistische jeugdhulp.

In sommige situaties kan iemand anders beoordelen of specialistische jeugdhulp nodig is: a. Tijdens een crisis mag direct specialistische jeugdhulp worden ingezet. Er is dan geen tijd om eerst te spreken met het jeugdteam. Ook is er dan geen tijd om een (integraal) onderzoeksplan te maken.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 28

b. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouder(s) , en de jeugdige of zijn ouder(s) geven toestemming om dit dossier te gebruiken dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) kan afzien van een gesprek. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) van het gesprek worden afgezien. c. De huisarts, jeugdarts en medisch specialist mogen zelf toegang geven tot specialistische jeugdhulp. Dat staat in de Jeugdwet. Zij hoeven niet met het jeugdteam te overleggen.

Artikel 3.5 Het gesprek en onderzoek voor een beoordeling We hebben er bewust voor gekozen om niet vast te leggen hoe het gesprek gevoerd wordt. Dat zou de jeugdige, de ouder(s) én de professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat de onderwerpen van gesprek moeten zijn. Uiteraard gelden bij de gesprekken de eisen van de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Ook voeren de professionals de gesprekken volgens de professionele standaarden. Die heeft de beroepsgroep zelf opgesteld.

Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een stappenplan opgesteld om te borgen dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd:

1. stel allereerst vast wat de eigenlijke hulpvraag is, 2. stel vervolgens vast welke problemen er zijn en breng deze in kaart, 3. stel daarna vast welke hulp nodig is en in welke mate die nodig is, 4. stel tot slot vast welk aandeel de ouder(s) of het sociale netwerk in de hulp kunnen hebben.

Dit vierde punt gaat over de ‘de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen’ van jeugdigen en ouder(s) (zie artikel 2.3 Jeugdwet). Kort gezegd: eigen kracht. Als vastgesteld is dat de ouder(s) of het sociale netwerk niet zelf de hulp kunnen bieden, moet de gemeente een daarbij passende voorziening voor jeugdhulp toekennen. de beorrdeling van ‘eigen kracht’staat verder uitgewerkt in artikel 4.2.

De CRvB geeft helaas geen concrete aanwijzingen over hoe gemeenten de beoordeling van eigen kracht moeten doen. Wel zegt de CRvB dat het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp onderdeel uitmaakt van de beoordeling van eigen kracht. Hoe en aan de hand waarvan de gemeente dit in een individuele situatie beoordeelt moet inzichtelijk zijn voor de hulpvrager. Dit kan verder in de Nadere regels worden uitgewerkt.

Lid 2 omvat de onderdelen a. tot en met e. welke de onderwerpen zijn die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouder(s) al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouder(s) voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouder(s) en hun situatie te krijgen.

Procesregie Als een inwoner een vraag of probleem heeft, kan hij of zij op verschillende plekken hulp krijgen. Het risico daarvan is dat hulpverleners dan niet goed van elkaar weten wat ze doen. Daarom kiezen we in onze gemeente voor integrale hulp en ondersteuning. Dit betekent bijvoorbeeld dat er 1 plan komt voor iemand met meer dan 1 probleem. In het plan kijken we dan hoe de hulp voor de verschillende problemen bij elkaar kan passen. Ons uitgangspunt is: 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. Het jeugdteam voert

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 29

deze taak samen met verschillende medewerkers vanuit het sociaal domein uit om de problemen aan te pakken.

Deskundig advies Soms zijn de hulpvraag of problemen ingewikkeld. Het kan dan handig zijn om 1 of meer externe deskundigen in te schakelen. Wanneer dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de jeugdige of ouder(s) en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

Lid 3 stelt dat uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouder(s) en de hulpverlener naar voren kan komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan jeugdteam ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen.

Lid 4 en lid 5. Van het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en een professional van het Jeugdteam over de jeugdhulpvraag wordt een onderzoeksplan gemaakt.

De verdere inhoud van het onderzoeksplan staat in de verordening niet tot in detail beschreven. De gemeente en de aanbieders maken samen afspraken over de vorm en de inhoud van het onderzoeksplan.

Het college heeft de ruimte nadere regels te maken over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.

Artikel 3.6 (integraal) Onderzoeksplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De inhoud van het (integraal) onderzoeksplan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek altijd in het (integraal) onderzoeksplan vastgelegd worden. Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn gesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht worden. Ook de onderzoeksvragen moeten terugkomen in het onderzoeksplan. Het besluit over specialistische jeugdhulp volgt uit het onderzoeksplan.

Het is belangrijk dat de aanbieder van jeugdhulp weet wat de gezinssituatie is. Ook moet de aanbieder weten van de afspraken en de gestelde doelen die in het onderzoeksplan staan. De jeugdige en/of de ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk dat de aanbieder deze informatie krijgt. Het jeugdteam kan dit ook doen als dat nodig is. Hoofdstuk 4 Behandeling aanvraag individuele jeugdhulpvoorziening Artikel 4.1 Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Belangrijk is dat eerst de problematiek in kaart wordt gebracht en is vastgesteld welke hulp gelet op deze problematiek passend is om aan de jeugdwetdoelen te voldoen. Het uitgangspunt is dat we kijken wat de jeugdige en/of de ouder(s) zelf kunnen doen. Samen met hun sociale netwerk. Daarna kijken we welke algemene voorzieningen er zijn waar ze gebruik van kunnen maken. Is er daarmee niet genoeg om de hulpvraag te beantwoorden? Dan kijken we naar een individuele voorziening.

Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun omgeving (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet).

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 30

De jeugdige en/of de ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk om zich op tijd bij de gemeente te melden. Doen zij dat later? Dan kan het college toch een individuele voorziening toekennen. Daar gelden een aantal voorwaarden bij: a. De jeugdige en/of de ouder(s) moeten nog doelgroep van de Jeugdwet zijn. Dit is zo als de problemen er nog steeds zijn op het moment van het gesprek met het jeugdteam. b. Het college moet kunnen beoordelen of de ingeschakelde hulp nodig en passend is. Blijkt bijvoorbeeld dat andere hulp beter was geweest? Dan hoeft het college geen individuele voorziening toe te kennen. c. Als de jeugdige en/of de ouder(s) zich bij heel laat bij ons melden, is dat hun eigen verantwoordelijkheid. Een periode van 3 maanden lijkt ons redelijk.

In het vijfde lid is bepaald dat de individuele voorziening in de vorm van zorg in natura of een pgb kan worden verstrekt.

Artikel 4.2 Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht Dit artikel geeft uitleg van wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijker (afwegings)kader voor het jeugdteam om afwegingen te maken voor de benodigde jeugdhulp. De begrippen "draagkracht" en "draaglast" sluiten beter aan bij de geest van de Jeugdwet en benadrukken het uitgangspunt van normaliseren. Het geeft een kader voor vragen als: wat kan er van opvoeders zelf verwacht worden en wanneer overstijgt dit de “normale” opvoeding? Het jeugdteam onderzoekt en beoordeeld wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp en wanneer van bovengebruikelijke hulp. Maar ook in welke situaties er toch sprake is van onvoldoende eigen kracht, ook al er is er in principe sprake van gebruikelijke hulp (dat is het geval als draagkracht en draaglast niet in balans zijn). Ook kan juist de omgekeerde situatie aan de orde zijn dat er in principe sprake is van bovengebruikelijke hulp, maar doordat de draagkracht en draaglast in balans zijn, er toch voldoende eigen kracht is. De draagkracht en draaglast is dus een onderdeel bij het bepalen van de eigen kracht. Deze begrippen en het afwegingskader worden in de nadere regels nader ingevuld.

Artikel 4.3 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de Jeugdige of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De jeugdige of zijn ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouder(s) goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Artikel 4.4 Verlenging en her indicering Soms krijgt een jeugdige voor een lange tijd specialistische jeugdhulp. Bijvoorbeeld als hij of zij een ernstige beperking heeft. Het jeugdteam beoordeelt dan namens het college of de specialistische jeugdhulp door moet gaan. Die beoordeling vindt regelmatig plaats. Om tijdige voortzetting van de hulpverlening na afloop van een indicatie te kunnen waarborgen dient minimaal acht weken voor afloop van die indicatie een verzoek tot verlenging te worden ingediend.

Na ontvangst van het verzoek tot verlenging, met een evaluatierapport of –verslag over de voorliggende periode, zal een herbeoordeling van de hulpverlening plaatsvinden, waarna een besluit zal worden genomen over voortzetting dan wel wijziging van de individuele voorziening, alsmede het volume en de duur van de herindicatie. Hoofdstuk 5 Individuele jeugdhulpvoorziening via PGB Artikel 5.1 Aanvullende criteria pgb Lid 2 Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking wil komen voor een pgb, wordt om een pgb- budgetplan gevraagd. Het budgetplan pgb Jeugd vervangt het (integraal) onderzoeksplan niet. Het is een extra bijlage bij het (integraal) onderzoeksplan. In het (integraal) onderzoeksplan staat wat de hulpvraag en gewenste resultaten zijn. In het budgetplan staat waarom de jeugdige en/of de ouder(s) een pgb willen. Ook staan er details in over de kosten. Met het pgb-budgetplan laat de jeugdige of

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 31

zijn ouder(s) zien dat is nagedacht over de manier waarop het budget zal worden besteed. Maar belangrijker nog: het dwingt de jeugdige of zijn ouder(s) ook om na te denken over de besteding van het budget dat zij aanvragen. Het pgb-budgetplan is dus ook een hulpmiddel voor de jeugdige of zijn ouder(s).

In de bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat pgb- budgetplan om te kunnen beoordelen of aan 1 of meerdere voorwaarden voor het verstrekken van een pgb is voldaan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet.

Als het college vindt dat de hulp die de betreffende hulpverlener biedt geen passende oplossing is voor de problematiek van de jeugdige of ouder, kan ze het pgb om die reden afwijzen. Let wel: de jeugdige of ouder komt nog steeds in aanmerking voor de benodigde hulp! Alleen niet bij de hulpverlener die hij of zij zelf voor ogen had.

Lid 3 De bekwaamheid voor het hebben van een persoonsgebonden budget wordt in samenspraak met de Aanvrager getoetst, maar het oordeel van het college is hierin leidend.

Hier worden de criteria genoemd aan de hand waarvan wordt beoordeeld of budgethouder/beheerder in staat is om de aan het beheer van een persoonsgebonden budget voortvloeiende taken te kunnen uitvoeren. Deze zijn afgeleid van de 10 punten uit de 'Kader pgb-vaardigheid' noemen, ontwikkeld door de VNG en VWS.

a. het doorlopen van het aanvraagtraject: hiervoor moet een budgethouder of budgetbeheerder kennis hebben van het pgb in het sociaal domein. Een budgethouder of budgetbeheerder moet bijvoorbeeld een (her-) indicatie kunnen aanvragen en een (budget-)plan kunnen opstellen; b. inkopen zorg: Hiervoor moet een budgethouder zijn eigen zorgbehoefte kunnen uitdrukken en kennis hebben van het jeugdhulpaanbod. Een budgethouder of budgetbeheerder moet namelijk zelf jeugdhulpbieders zoeken en contracteren; c. goed werkgeverschap: de budgethouder of budgetbeheerder moet kennis hebben van zijn of haar rechten en plichten als werkgever. Activiteiten die vallen onder deze taak zijn onder andere het inwerken van jeugdhulpaanbieders, plannen/roosteren en monitoren of de doelstellingen uit het opgestelde onderzoeksplan behaald worden; d. coördinatie formele of informele jeugdhulpaanbieders: een belangrijke activiteit die onder deze taak valt is het voeren van afstemmingsgesprekken met betrokkenen. Hiervoor is het belangrijk dat de budgethouder of budgetbeheerder communicatief vaardig is; e. administratie voeren: een belangrijk onderdeel van het beheren van een pgb is de administratie. Hiervoor moet een budgethouder of budgetbeheerder financiële vaardigheden hebben zodat deze de facturen kan controleren en het budget kan monitoren.

Verantwoording: Om aan deze taak te kunnen voldoen is het nodig dat een budgethouder of budgetbeheerder kennis heeft van de wetgeving op dat terrein.

Lid 4. Recent heeft de CRvB uitspraak gedaan over de dubbelrol: CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761. Het gaat hier om een uitspraak in het kader van de Wmo, waarvan wij uitgaan dat dit ook voor jeugd geldt. De CRvB bepaalt in deze uitspraak dat het college zich op het standpunt mag stellen dat een beoogde zorgverlener niet het pgb van de cliënt kan beheren, omdat hij niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken kan vervullen. NB: Een ouder die het pgb beheert en de andere ouder die de hulp verleent, mag op grond van deze uitspraak niet geweigerd worden. Artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel a Jeugdwet maakt deze constructie mogelijk. Een pgb dat beheerd wordt door een ander dan degene die de hulp gaat is toegestaan, dus dat geldt ook als zij een persoonlijke relatie hebben.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 32

Artikel 5.2 Aanvullende criteria Formele hulp We maken verschil tussen formele en informele hulp. Op basis daarvan bepalen we de hoogte van het pgb.

Wordt de hulp gegeven vanuit een organisatie of een beroep? Dan gaat het om formele hulp. Uit dit lid blijkt hoe we dat vaststellen. Overigens kunnen niet alle professionals binnen de jeugdhulp een SKJ-registratie krijgen. Een voorbeeld zijn therapeuten die zelfstandig werken.

Familieleden geven altijd informele hulp. De reden is dat zij vooral een persoonlijke relatie hebben met de jeugdige en/of de ouder(s). Dat bepaalt het tarief voor het pgb.

Artikel 5.3 Aanvullende criteria Informele hulp Artikel 8.1.1., derde lid, Jeugdwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit wordt ook wel informeel pgb genoemd. De gemeente heeft dus beleidsruimte. Het is echter niet mogelijk de inzet van het pgb voor iemand uit het sociale netwerk helemaal uit te sluiten in de verordening. De beleidsruimte beperkt zich tot het vastleggen in welke situaties en onder welke voorwaarden een pgb voor het sociale netwerk kan worden ingezet. In het eerste lid zijn de criteria opgenomen wanneer iemand voor een pgb in aanmerking komt bij het betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk. Deze criteria zijn aanvullend op de criteria die genoemd zijn in artikel 5.1. Een van de in het eerste lid genoemde voorwaarden is dat geen pgb wordt verstrekt als dat tot overbelasting leidt van de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen.

In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener dient ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria te voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben.

De Jeugdwet verbiedt echter niet om bepaalde vormen van jeugdhulp uit te sluiten en, zeker bij vormen van jeugdhulp waarbij de inzet van professionals nodig is, ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat de hulp ook door iemand uit het sociale netwerk kan worden geboden. Een uitsluiting in de verordening is feitelijk niet nodig omdat in het onderzoek naar jeugdhulp bij het onderdeel ‘aard en omvang van de benodigde jeugdhulp’ al bepaald is dat de hiervoor genoemde hulp door een professional moet worden geboden. Voor de duidelijkheid is echter in het eerste lid onder d opgenomen dat een pgb informeel niet kan worden toegekend voor ggz-zorg, omdat in dat geval niet aan de kwaliteit kan worden voldaan (dus dan is niet aan de voorwaarden voldaan). Dit geldt bij ggz-zorg altijd en is dus niet casus afhankelijk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.

In het tweede lid zijn extra voorwaarden gesteld aan een pgb voor logeren. Dit moet leiden tot ontlasting van de verzorgende ouder(s) en in belangrijke mate bijdragen aan het vergroten van de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouder(s). Tevens moet hiermee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp worden voorkomen of verminderd. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen om te voorkomen dat het logeren bij bijv. opa en oma, wat niet ongebruikelijk is, wordt verstrekt met een

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 33

pgb. Een pgb is dan alleen mogelijk als daarmee daadwerkelijk aan de doelen van jeugdhulp wordt gewerkt.

Artikel 5.4 Vaststelling hoogte PGB Dit artikel berust op artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2019:467) volgt dat de vaststelling van de hoogte van het pgb en de wijze van tarifering behoren tot de essentialia van het voorzieningenpakket. Dat betekent dat de gemeenteraad deze zaken in de verordening moet regelen. In de eerste plaats wordt gekeken naar een adequate jeugdhulpvoorziening en in tweede instantie zijn de kosten leidend in de keuze die gemaakt wordt. Op die manier wordt gestreefd naar passende zorg voor alle kinderen, die dat nodig hebben.

Het pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura (eerste lid). Uit jurisprudentie volgt dat daar sprake van is als de jeugdhulp met het vastgestelde tarief bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. De tarieven voor professionele jeugdhulp zijn afgeleid van de naturatarieven. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten tarieven: het formeel tarief en informeel tarief. Recent nieuwe rechtspraak over het pgb-tarief voor informele hulp. Het tarief moet altijd toereikend zijn om daadwerkelijk de hulp te kunnen inkopen en het moet een reële vergoeding zijn. Dat is het geval als het is gebaseerd op de lonen uit de desbetreffende CAO. Dit is bepaald in rechtspraak van de CRvB in Wmo-zaken (CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Inmiddels is er ook een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 30 november 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979) dat dit ook voor pgb’s uit de Jeugdwet geldt. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd conform het indexeringspercentage van de Nederlands zorgautoriteit (NZA). De geïndexeerde bedragen gelden dan voor beschikking die worden afgegeven na de indexeringsdatum.

Er vindt in principe geen indexatie plaats van het tarief voor de inzet van het sociaal netwerk en is gebaseerd op de ontwikkeling van de inflatie en/ of de stijging van het minimumloon. Artikel 5.5 Besteding pgb Trekkingsrecht

Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en zijn ouder(s) uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen; het college stelt een bedrag ter besteding beschikbaar. Het college verricht, via de Sociale Verzekeringsbank (SVB), betalingen als de door de jeugdige en zijn ouder(s) zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden. Voor dit trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk tegen te gaan. De constructie zorgt ervoor dat het budget alleen wordt besteed om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt betrokkene de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die de jeugdige of zijn ouder(s) nodig hebben (TK 2012-2013, 33 684, nr. 4 pagina 11).

In de Regeling Jeugdwet (paragraaf 8) zijn de bepalingen omtrent de pgb nader uitgewerkt. Zo is te lezen dat de persoon aan wie een pgb is verstrekt, de budgethouder, een schriftelijke overeenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst voor vervoer sluit met iedere derde die hij ten laste van zijn pgb jeugdhulp laat verlenen. Deze overeenkomsten moeten voldoen aan door de SVB vastgestelde modelovereenkomsten. De overeenkomsten moeten ook door het college worden goedgekeurd. Deze goedkeuring is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

De budgethouder kan het budget gebruiken om met een aanbieder van hulp de benodigde hulp in te kopen. De aanbieder, zal na verlening van de hulp, een factuur sturen die dan door de budgethouder moet worden geaccordeerd en doorgezonden aan de SVB. Die zal vervolgens de betaling aan de aanbieder voor hulp verrichten.

Verordening jeugdhulp Alkmaar 2024 34

Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgaanbieder in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgaanbieder vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Dergelijke afspraken zijn niet wenselijk, omdat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt. Het is belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn.

In het vijfde lid is opgenomen welke kosten voor vergoeding uitgesloten zijn vanuit een pgb. Tevens staat opgenomen dat het college geen vrij besteedbaar bedrag oftewel een verantwoordingsvrij bedrag toekent.

Hoofdstuk 6 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Artikel 6.1 Herziening ,intrekken, wijzigen en beëindigen De jeugdige of de ouder(s) moeten bij een pgb alle relevante informatie geven aan het college. Dat staat in artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet. Wij passen deze informatieplicht niet alleen toe bij het pgb, maar ook bij zorg in natura. Het pgb is namelijk ook een individuele voorziening. Ook bij een individuele voorziening in natura is het logisch dat jeugdigen en hun ouder(s) voldoende en juiste informatie geven. Alleen dan kan het college beoordelen of ze terecht gebruik willen maken van de voorziening.

In lid 2 staat in welke situaties het college een besluit mag herzien, wijzigen, intrekken of beëindigen:

- herzien: het college verandert het besluit, omdat het recht op de voorziening anders was in het verleden.

- wijzigen: het college verandert het besluit, omdat het recht op de voorziening anders is voor de toekomst.

- intrekken: het college stopt de voorziening vanaf een datum in het verleden.

- beëindigen: het college stopt de voorziening vanaf een datum in de toekomst.

Het college is niet verplicht om gebruik te maken van deze bevoegdheid.

In de Jeugdwet staan regels voor het herzien en intrekken van pgb’s (artikel 8.1.4). Uit de toelichting bij de wet blijkt dat het ook om wijzigen en beëindigen gaat. Wij noemen dit expliciet zo in de verordening. Ook passen we deze regels toe voor de zorg in natura.

Lid 3. Deze bepaling is nodig voor een goede juridische basis. In dit lid regelen we de terugvordering. Dit staat namelijk niet in de Jeugdwet. Het is wel belangrijk, omdat de terugvordering nodig is om een bedrag te mogen invorderen. Bij terugvorderen eisen we het bedrag terug. Bij invorderen nemen we maatregelen om het bedrag echt terug te krijgen.

Lid 4. We verwachten van de jeugdige en/of de ouder(s) dat zij kort na het besluit in actie komen. Het pgb voor de individuele voorziening helpt hen namelijk om de gewenste resultaten te bereiken. Hebben zij het pgb in de 6 maanden na het besluit nog niet gebruikt? Dan gaan wij ervan uit dat zij het pgb niet meer gaan gebruiken. Het college kan het besluit dan intrekken.

Artikel 6.2 Fraudepreventie en controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13927410/2