Bijlage 8. Bundel zienswijzen anoniem
Tekst van het document
G5
Uitgangspunt bij de aanwezigheid van 50 Hz spoorstroomlopen is dat deze omgebouwd worden van 50 Hz naar 75 Hz spoorstroomlopen.
Op basis van historische casussen is gebleken dat 50 Hz spoorstroomlopen dusdanig gevoelig zijn dat er altijd overschrijdingen van de beoordelingscriteria zijn. De aanpassing is technisch gezien relatief een voudig. Deze mitigerende maatregel daarom in ge val 50 Hz spoorstroomlopen direct meenemen. Daarbij dient wel getoetst te worden aan het 75 Hz criterium BI.
Modellering Hoogspanningsverbinding____________ Bron, achtergrond en toelichting
Nr.
Uitgangspunt____________________________________
Tl
De hoogspanningslijn/-kabel wordt gemodelleerd volgens het werkelijke mastbeeld/werkelijke kabelbed.___________
T2
Bij hoogspanningslijnen dient voor het bepalen van de mag netische velden bij een spoorlijn, rekening gehouden te wor den met de minimale hoogten van de geleiders volgens het ontwerp. De minimale hoogte van de geleiders is gebaseerd op de hoogste geleidertemperatuur, de hoogte van de mas ten en de afstand tussen de masten. Voor de mechanische beïnvloeding dient met breuk in één van de velden in een vak, niet zijnde het kniisende veld, re kening te worden gehouden met een grotere zeeg. Toepas sing van speciale ophangingen (halfverankeringen) of af spanningen aan beide zijden van de kruising kunnen het ex tra doorhangen van de geleiders bij breuk in een ander veld verkleinen. De minimale afstand boven spoorstaven bij breuk dient te voldoen aan NEN-EN 50341-1 ;2001 en NEM EN 50341-2-15 artikel 5.9.4 NL2 & NL3 en 5.9.5 NL3 (BJ. Voor het berekenen van de inductieve beïnvloeding van een hoogspanningslijn wordt de hoogte van de geleiders bere kend door de gemiddelde ophang hoogte van een geleider aan beide zijden van het veld te verminderen met 2/3 deel van de maximale zeeg.
Bij geleiderbreuk wordt de hoogspanningslijn direct (normaliter binnen 100 ms) afgeschakeld. In de praktijk wordt hier voor wat betreft de elektrische be ïnvloeding dan ook geen rekening mee gehouden. Voor mechanische beïnvloeding (minimale afstand boven de spoorstaven en boven het bovenleidingsysteem) moet er echter wel rekening mee worden gehouden.
T3
Bij de berekening van lijnen en kabels dient minimaal reke ning te worden gehouden met:
Onder onderhoud wordt verstaan de situatie dat bij het uitschakelen van een verbinding het totale ver mogen wordt overgenomen door de overblijvende verbinding(en).
I
Richtlijn
V0O4
pag 15/38
' t
Pïo«ail
»
t
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
•
De maximale stroombelasting bij normaal bedrijf per cir cuit (op basis van de ontwerpstroom);
De maximale stroombelasting bij afivijkend bedrijf per . circuit (onderhoud, op basis van de ontwerpstroom); • De maximale één-fase kortsluitstromen;
•
Opmerking: Indien de netbeheerder de stroom / hef korfsluitvermogen laat toenemen boven de bij T3 be paalde waardes, dan dient deze situatie opnieuw ge toetst te worden op basis van RLN00398.
De maximale drie-fase kortsluitstroom, in geval van een blusspoel geaard netwerk. Kortsluitingen in grondkabels ten gevolge van werkzaamhe den worden niet gemodelleerd.
•
Bij de berekening dient voor de stroom in de fasegeleiders rekening te worden gehouden met een aanvullende homo polaire stroom lo die 5% van de maximale normale compo nent van de fasestroom is. De faserichting van de homopo laire stroom dient zo te worden gekozen dat de optelling bij het beïnvloede systeem maximaal is. Deze maximale nor male component is afhankelijk van de bedrijfstoestand. Voor niet-getransponeerde gecombineerde^ hoogspannings lijnen dient 10% van de maximale normale component van de fasestroom te worden gehanteerd.
T4
!,
I.
Ig + h + l. 3
Merk op:
1^
la
*
Jb MO
De bedrijfstoestanden dienen te bevatten: • Nonnaal bedrijf; • Onderhoud.
Bij onderhoud wordt het circuit dat in onderhoud is 2 zijdig geaard. Voor het circuit dat niet in onderhoud is dient de maximale homopolaire stroom genomen te worden. Voor een dubbelcircuit verbinding dient dan in de modellering ge rekend te worden met een homopolaire stroom van 5% van de ontwerpwaarde (10% bij niet-getransponeerde gecombi neerde hoogspanningslijnen). ■ Motnopotaire stroom dient niet te worden meegenomen als deze door de netwerktopologie onmogelijk kan lopen. Een voorbeeld is een zwevend middenspanningsnet waarbij het aannemelijk is dat de homopolaire impedantie groter dan - 10 kXJ it-De netwerkbeheerder dient hiervoor een onderbou wing aan te leveren.
I
J
Voorbeeld modellering homopolaire stromen in nor maal bedrijf (geen combilijn):
Een dubbelcircuit verbinding is ontworpen op een maximale stroom van 4000 A per circuit (en dus per fase); In nonnaal bedrijf loopt er in dit voorbeeld maximaal 50% van deze ontwerpstroom per circuit in verband met N-1, dus 2000 A per cir cuit: Per fase dient 5% van deze stroom opgeteld te worden. Dat is in normaal bedrijf dan 100 A per fase (5% van 2000 A).
h
Ic,
Öp basis van onderbouwingsdocumentatie [14] is vast komen te staan dat gerekend moet worden met 5% homopolaire stroom voor alle verbindingen, be houdens niet-getransponeerde gecombineerde hoogspannings lijnen, daarvoor dient 10% te worden gehanteerd.
- Momenteel wordt aangenomen dat bij meer dere circuits de onderiinge homopolaire stro men in fase zijn. Dit is beschouwd als een conservatieve aanpak. Maar het is niet uit te sluiten dat dit in de praktijk zo uitpakt. Indien project specifiek dan wel generiek een vol doende onderbouwde verscherping wordt aangeleverd. Ook de geaarde retourgeleiders in het bronsysteem, zoals de bliksemdraden en mantels van kabels dienen voor de bereke ning correct te worden meegenomen. De stro men door alle geaarde geleiders inclusief de fasehoeken dienen in de beïnvioedingsberekening meegenomen te worden. Op basis van deze berekende stroomverdeling dient de be ïnvloeding bepaald te worden. - De aarddraden in het TenneT hoogspannings net zijn over de hele lengte van de verbindin gen doorverbonden.
- De inverse component is nul verondersteld. Sommatie homopolaire stroom: Omdat de hoek tussen de normale en homopolaire stroom niet is vast te stellen kan er voor worden ge kozen de invloed van homopolaire stroom en nor male component apart uit te rekenen en de absolute uitkomsten bij elkaar op te tellen. Hetzelfde geld voor meerdere circuits voor de homopolaire stroom en zelfe de normale stroom indien faserelatie niet bekend is.
’ Hoogspanningslijnen met meerdere spanningsniveau’s gecombineerd op één mast; dit worden ook wel combilijnen genoemd. V004
Richtlijn
I
pag. 16/38
I
»
1
Pxoflail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
T5
6.3
6.4
Indien een beveiliging wordt loegepast waarbij een deel van het hoogspanningscircuit vertraagd wordt afgeschakeld (niet binnen 100 ms), zoals mogelijk is bij distantiebeveiliging, dient dit te worden gespecificeerd en indien van toepassing apart te worden gemodelleerd.
Hierbij dient rekening te worden gehouden met de “total clearance" tijd van de vermogensschakelaar.
De kans op falen van de vermogensschakelaar/relais tijdens een kortsluiting wordt voldoende klein ge acht, het falen behoeft dus niet te worden meegeno men.
Faalwijzen HoogspanningsverbindingZ-kabel Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
FT1
Bij kortsluitingen dient rekening te wonJen gehouden met:
De opdrachtgever van de EMC-detailstudie dient te onderbouwen welke vigerende faalwijzen van toe passing zijn. Bij direct geaarde verbindingen hoeft geen rekening te worden gehouden met de driefasen kortsluiting.
•
1 fese kortsluitingen:
•
3 fase kortsluiting indien het een blusspoel geaard net betreft.
Modellering Railinfrastructuur Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
P1
Bovenleidingsysteem geleiderconfiguratie: zie bijlage 1.
Voor de modellering wordt bovenleidingsysteem BI toegepast.
P2
Locaties van onder- en schakelstations dienen conform vige rende OR bladen te worden gemodelleerd.
OR bladen kunnen opgevraagd worden via www.spoordata.nl onder https://www.spoorata.nl/stel-een-vraaq of via tel. 088-2315700.
P3
Locaties van dwarsverbindingen tussen sporen dienen con form vigerende OR bladen te worden gemodelleerd.
OR bladen kunnen opgevraagd worden via www spoordata.nl onder https://www spoordata.nl/stel-een-vraag of via tel. 088-2315700.
P4
Afleidweerstand van spoorstaven: beschouwd worden confi guraties met een spoorsfaaf-aarde weerstand van 100,10 en 2,5 Qkm.
Genoemde waarden zijn per spoorstaaf.
P5
Retour van DC baanvakken worden afgesloten met een ka rakteristieke impedantie van:
Ziano> (voor 50 Hz) berekenen uit de som van de pa rallelle impedantie van de spoorstaven en de impe dantie van het retourpad aarde waarbij:
Zafsluit=V(Rafleid X Zlangs)
•
Weerstand spoorstaven: 0,044 Q/km per spoorstaaf
retourpad aarde bij 50 Hz: (0,050 + j 0,330) Q/km Modellering van Zang, mag ook op basis van meet waarden. .
P6
De minimale 50 Hz onderstationsimpedantie (tussen boven leiding en spoorstaven) op het 1500 V DC-baanvak is: (0,007 j0,082) n._______________________________
Zie [2]
P7
Bij het recuperen van een trein (energie terugleveren) kan de gelijkrichter in een onderstation sperren.
Voor 50 Hz stromen gedraagt het onderstation zich als een open verbinding; de 50 Hz spanning tussen bovenleiding en spoor is dan maximaal. Er kan vanuit gegaan worden dat de gelijkrichters in het onderstation uit diodegelijkrichters bestaan.
P8
Richtlijn
Voor de afstand van het kabelbed tot het hart van het buiten ste spoor dient 4,5 m te worden gehanteerd.
V004
pag. 17/38
‘ I
PïOJïail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
P9
6.5
Het kabelbed bij parallelloop bevat: 3 kV 75 Hz kabel (2x16 mm=) met een aardschenn van 16 mm’ De 3 kV kabel is tweezijdig geaard bij de onderstations. De totale DC weerstand van de kabelmantel en twee aardverspreidingsweerstanden is 7,5 Q. IB-kabel (62 x 0.8 mm’ aderig), zwevend uitgevoerd. IT kabel: Gearmeerde PIWY-IT-kabel met een kabelscherm van 30 mirf. zwevend uitgevoerd.
Conform [2], [3]. Voor de modellering wordt de 3 kV kabel geacht te lopen van OS naar OS. Voor de modellering worden de IB en IT kabel ge acht te lopen van RH naar RH.
De totale DC weerstand van de kabelmantel en twee aardverspreidingsweerstanden kan variëren van 5 tot 10 Q. De berekeningen hoeven slechts te worden uitgevoerd met 7,5 Q. Omdat de mantel van de 3 kV kabel verbonden is met de metalen HS kast is deze spanning voor ge neriek publiek toegankelijk.
P10
Voor de diepte van de kabelgeul dient 1,2 m onder BS (0,6 m onder maaiveld) te worden gehanteerd. Hierin liggen de IB en IT kabel. De 3 kV kabel dient hier 0,3 m onder te worden verondersteld (0,9 m onder maaiveld).
De feitelijke diepte van de kabelgeul is: tussen de 0,9 m en de 1,5 m onder BS. Voor de modellering wordt het gemiddelde toegepast. Uitgegaan wordt van een maximale breedte van de geul van 0,6 m.
P11
DM spanning kabels De magnetische beïnvloeding bij drcuitaders in één kabel mag verwaarloosbaar worden verondersteld.
Circuitaders in gescheiden kabels worden buiten be schouwing gelaten.
P12
CM spanning kabels Om de worst case spanning te verkrijgen, dienen in de mo dellering de IB-/IT-kabelcircuifs aan één zijde te worden ge aard.
Indien het scherm of de ader van een kabelcircuit aan één zijde aan aarde ligt, zal de hoogste span ning tussen een ader van de IB- of IT-kabel en aarde komen te staan.
P13
Het model dient rekening te houden met een 50 Hz impe dantie (tussen bovenleiding en spoorstaven) tussen de 0,2 O en 3,8 voor het rijdend materieel.
De minimale impedantie is gebasseerd op de toela tingseisen aan rijdend materieel (Regeling Indienststelling Spoorvoertuigen). De maximale impedantie is op basis van huidig toegelaten rijdend materieel. Het meenemen hiervan geeft extra ruimte ten op zichte van een open klemspanning (situatie zonder deze impedantie). Maximaal 1 stuks rijdend materieel modelleren als ‘lopende' impedantie (voor zowel 0,2 Q als 3,8 Q).
P14
Het te modelleren gebied dient dusdanig te zijn dat op de grenzen van het model de continue EM-beïnvloeding voldoet (normaal en onderhoud rekening houdend met homopolaire stroom) aan de generieke beoordelingscriteria conform H7 en zich geen niet-gemodelleerde parallellopen binnen 5 km van de grens van het gemodelleerde gebied bevinden
Het gebied dat gemodelleerd dient te worden wordt initieel vastgesteld op basis van de ervaring en in zicht van de modelleur. Of dit njim genoeg gekozen is, kan pas na het modelleren worden getoetst. 5 km volgt uit lange lijn vergelijking waarbij erg soe pel is omgegaan met de afleidweerstand. 9 km is karakteristieke lengte bij 100 Qkm
Faatwijzen Railinfrastructuur Opmerking: Daar waar mogelijk dient gebruik gemaakt te worden van een Worst Case benadering. Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
FP1
Er bevindt zich een defecte VLD in de railinfrastructuur. Bij een defect ontstaat hier een verbinding spoorstaaf aarde met een afleidweerstand van 0,25 Q
Bij kruisingen met hoogspanningsverbindingen kan de 50 Hz stroom via aarde lokaal binnentreden. Een aardfout is hierbij maatgevend. Een VLD wordt toegepast bij geëlektrificeerd spoor bij stalen bruggen, gaasramen aan betonnen kunst werken® en pemonkappen en kan bij falen in deze situaties leiden tot een zeer lage afleidweerstand naar aarde. Daarom bij aanwezigheid van een VLD doorrekenen met 0,25 D.
’ Als hef een betonnen kunstwerk rriet gaasramen betreft en door een aardfout kan niet voldaan worden aan de beoordelingscri teria in H7, dan dient in de rapportage expliciet vermeld te worden dat het op de betreffende locatie gaat om een betonnen . kunstwerk.
Richtlijn
V004
pag. 13/38
*
«
ProSail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
6.6
FP2
Er bevindt zich een defecte VLD in een paalspoorstaafverbinding. Bij een defect ontstaat hier een verbinding spoor staaf aarde met een afleidweerstand van 10 D. Gerekend dient te worden met 4 defecte VLD's in paalspoorstaaf-verbindingen behorende bij 4 opeenvolgende bovenleidingpalen, rekenen met een vervangingsweerstand van 2,5 Q.
Bij afwezigheid van een VLD, of een defecte VLD, zullen paalspoorstaafverbindingen maatgevend zijn. Paalspoorstaafverbindingen worden bij elk metalen portaal van een bovenleidingveld toegepast. Deze raken echter af en toe defect en als deze defect gaan betreft het vaak meerdere velden achter el kaar. Daarom wordt uitgegaan van 4 defecte VLD's in paalspoorstaafverbindingen. als FP1 gemodelleerd is als een door het model lo pende fout en hieruit volgt dat voldaan wordt, dan is het FP1 criterium altijd strenger dan FP2 en hoeft FP2 niet te worden berekend. Echter als FP1 niet is berekend omdat er zich geen dergelijke objecten in het modelgebied bevinden, dan dient FP2 doorgere kend te worden.
FP3
Er bevindt zich een tweede defecte VLD (zie FP1) op af stand met een afleidweerstand van 0,25 Q. Deze aardfout dient als lopende aardfout gemodelleerd te worden met in dit model de eerste aardfout op de worst-case locatie.
Bij parallelloop kan een verder gelegen aardfout een hefboom vormen waarmee de spanning omhoog gaat. Ook hier is de VLD maatgevend. Een aardfout op afstand kan in de praktijk altijd voorkomen. Deze 0,25 Q aardfout is aanwezig in de parallel lopende spoorbaan.
FP4
Er bevindt zich een defecte VLD in een onderstation
In onderstations wordt een VLD toegepast om te zorgen dat in eventuele foutsituaties de spanning op de minus kortgesloten wordt naar aarde. Dat is een aarde met een aardverspreidingsweerstand van maximaal 0,25 □.
FP5
Er bevindt zich een aardfout in niet-geëlektrificeerd spoor. Ongeacht of dit niet-geëlektrificeerd spoor is met of zonder treindetectie dient gerekend te worden met een lopende aardfout van 2,5 D
Een aardfout in niet-geëlektrificeerd spoor kan leiden tot verandering van beïnvloeding. Om het niet onno dig complex te maken qua modellering dient voor alle situaties gerekend te worden met een aardfout van 2,5 D. Omdat de aardfout op een willekeurige lo catie kan optreden dient met een lopende aardfout gerekend te worden.
Modellering van de koppelweg Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
K1
De soortelijke weerstand van de grond bedraagt vanaf 30 m en dieper: 70 nm. Indien meetwaarden bekend zijn van de grond tot op indringdiepte, dan kunnen deze meetwaarden worden gehanteerd.
Er wordt met een homogeen bodemmodel gerekend, identiek aan het HSL uitgangspunten document [3]. Naast projectspecifieke meetwaarden worden ook meetwaarden uit het DINOIoket geaccepteerd, als deze in de nabijheid van het te onderzoeken gebied liggen.
K2
De soortelijke weerstand pE van de toplaag kan variëren tussen de 10 flm en 1000 !Jm,
Onder toplaag wordt verstaan de laag vanaf maai veld tot 30 m diepte.
Richtlijn
V004
pag 19/38
PxoJiail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
7
Beoordelingscriteria In onderstaande tabel zijn de verschillende beoordelingscriteria opgenomen. Op basis van deze crite ria dient de mate van de EM-beïnvloeding inzichtelijk te worden gemaakt en te worden gerapporteerd. ProRail toetst de kwaliteit en volledigheid van geleverde rapporten voor EMC-detailstudies op basis van een ingangscontrole, die in Bijlage 4; Checklist tbv RLN00398 EMC-detailstudies’ is weergege ven. Nr.
Beoordelingscriteria
Uitgangspunten, bron, achtergrond en toelichting
BI
CM beoordeling railinfrastructuur (75 Hz spoorstroom lopen: type Enkelbenig zijn bepalend). Beoordelingscriterium voor continue verschijnselen: • Max 20 VoM. • Max 58 Acm
Continue verschijnselen:
Let op: Voor 50 Hz spoorstroomlopen (OVS60111 6,7) geldt een criterium van 1 Vc« / 0.5 Acm. (zie ook uitgangspunt G5)
CM beoordeling railinfrastructuur (75 Hz spoorstroom lopen: type Enkelbenig zijn bepalend). Beoordelingscriterium voor kortsluitverschijnselen: • Max 65 VcM voor verschijnselen >100ms ens500ms; • Max 58 Acm voor verschijnselen > 100 ms en s 500 ms. Indien de beveiliging van de hoogspanningsverbinding is in gesteld op een clearance time si 00 ms dan hoeven kortslui tingen ten behoeve van EB spoorstroomlopen niet te worden beoordeeld.
20 VOVS60111-2 hoofdstuk 5.5 700 m op basis van 2 A criterium met 10 Q aardfout;
58 A OVS60111-3 hoofdstuk 3.3 700 m op basis van 2 A. Zie [4]. Kortere spoorstroomlopen mogen worden beoor deeld' op de immuniteit behorende bij de lengte van de spoorstroomloop conform Bijlage 2 '50 Hz immu niteit enkelbenige spoorstroomlopen”, mits met Pro Rail overeen gekomen is dat dit ook in de toekomst is geborgd en op de OR bladen een parallelloop met een hoogspanningslijn is gemarkeerd.
•
Kortsluitverschijnselen: •
OVS60111-2 hoofdstuk 5.5 op maximale lengte 600 m heeft deze een immuniteit van 65 V. Zie [5];
•
58 A OVS60111 -3 hoofdstuk 3.3 700 m op basis van 2 A criterium, zie [5],
B2
CM beoordeling railinfrastructuur (voor baanvakken met alleen dubbelbenige 75 Hz spoorstroomlopen): • Max 65 VcM voor verschijnselen > 100 ms; • Max 250 Acm voor verschijnselen > 100 ms.
Zie [6] Indien de beveiliging van de hoogspanningsverbin ding is ingesteld op een clearance time s 100 ms dan hoeven kortsluitingen ten behoeve van dubbel benige spoorstroomlopen niet te worden beoordeeld.
B3
CM spanning aders railinfrastructuur apparatuur: • 150V>100ms;
NEN-EN 50124-1 [CJ.
•
i r
•
650 VS 100 ms.
' Deze beoordeling dient uitgevoerd te worden door een erkend IB op het gebied treinbeveiliging (zie: httos:/ menwerkenileyerajTciers/rËgeliriaen/griienriingsregelinfl: lijst erkende ondernemers).__________________ Richtlijn
V004
.prorail.nl/sapag. 20/38
)
»
ProJïail
t
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
B4
Analoge telecomverbindingen kunnen worden beïnvloed door geïnduceerde spanningen. CM spanning die op aderparen worden geïndu ceerd vertalen zich in DM spanning via kleine asymmetrieën in de apparatuur [7], In eerste benadering kan worden aangenomen dat de LCL van de apparatuur -46 dB is. Ook is bij toelating van treinen altijd geëist dat de psometrische stroom onder de 10 Ap ligt. Analoge telecomverbindingen verdwijnen (in voering glasvezelverbindingen) maar deze waarden geven ook een bescherming tegen netresonantie en beïnvloeding van detectielussen. Voor normale verbindingen Is deze eis niet maatgevend; echter wanneer deze verbinding aansluit op een HVDC verbinding of een grootverbruiker met veel vermogenselektro nica, (bijvoorbeeld een aluminium fabriek, hoogovens, e.d.) is deze toetsing van belang.
Psofometrische stoorspanning op modemverbindin gen: •
Maximaal -45 dSmp voor dataverbindingen;
• Maximaal 10 Ap in bovenleiding. Definities conform NEN-EN 50121-3-1, Annex A [H],
BS
50 Hz spanningscomponent in de 1500 V DC tractiespanning: • Maximaal 16 V/40 V (RMS, tijdsduur 1 s) (beschikbaarheid/veiligheid).
beschikbaarheid: continu optredende fenomenen veiligheid: beperkt optredende fenomenen (bijvoor beeld tg. v. sperren onderstation)
Rijdend materieel kan bij een 50 Hz span ningscomponent in de 1500 V DC tractiespanning, problemen in de railinfrastnjctuur veroor zaken. In de RIS Is opgenomen dat rijdend materieel bij een 50 Vsohz spanning onder de vereiste 5.3 Azshz blijft. Voor bestaand materi eel is dit vastgelegd in [3], Voor enkelbenige spoorstroomlopen wordt een grenswaarde van 1.7 /V4.25 A ( T > 1.8 s) (beschikbaarheid/veiligheid) gehanteerd. Wanneer deze lineair worden geschaald (aan name), dan komt men uit op een spanning van 16 V/40 V. 1 s tijd is gebaseerd op aanwezigheid TPR re lais in de schakeling.
B6
Aanraakspanning kabelmantel-aarde en spoorstavenaarde conform NEN-EN 50122-1 [Dj. Foutsituaties met een maximale tijdsduur s 100 ms behoeven niet te worden beschouwd. Foutsituaties met een maximale tijdsduur s 700 ms behoeven niet te worden beschouwd indien aanneme lijk is dat voor de betreffende hoogspanningsverbinding de kans kleiner Is dan 1,5 kortsluiting per 100 km verbinding per jaar.
NEN-EN 50122-3 wordt in het kader van deze berekeningen niet gehanteerd. Volstaan wordt met de waarden genoemd in NEN-EN 501221 [12],
B7
Bij aanwezigheid van spoorse installaties binnen 20 m van de hoogspanningsverbinding, geldt: Magneetvelden conform:
Een risico is dat oudere apparatuur niet getest is. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit een probleem hoeft te zijn, wanneer getoetst wordt aan 10 A/m. (De maximale waarde van 10 A/m ligt een fac tor 10 lager dan de 50 Hz-immuniteitswaarde uit de norm.)
.
NEN-EN 50121-4 [E]
. NEN-EN 50121-5 [F] Het Power Frequency Magnetic Field (PFMFsohz) dient maximaal 10 A/m te zijn. Alleen als alle apparatuur en objecten in het desbe treffende studiegebied aantoonbaar voldoen aan de NEN-EN 50121-4/NEN-EN 50121-5 en/of RLN00007 dan mag getoetst worden aan een maximaal PFMF50H2 van 50 A/m.
B8
Vervallen
B9
Vervallen
Richtlijn
V004
pag 21/38
«
I
PzoJZail
RLN00398
Beleid elektromagnetische bemvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
8
Uitgangspunten tbv modellering mitigerende maatregelen Met onderstaande flowchart wordt duidelijk waar en met welke mitigerende maatregelen minimaal gemodelleerd dient te worden. Dit is alleen van toepassing nadat duidelijk is geworden dat er mitigerende maatregelen nodig blijken uit de uitgevoerde EMC-detailstudie (zonder maatregelen). Het doel van deze flowchart is dat de maatregelen die gemodelleerd dienen te worden ook aansluiten bij de eisen die ProRail stelt aan deze maatregelen. Met de resultaten van de EMC-detailstudie met maatregelen is ProRail vervolgens in staat een afgewogen besluit te nemen over de definitieve set aan mitigerende maatregelen. resultaten studie zonder maatregelen
4-
Nee gebied te klein
ook bij randen gebied (gene rieke criteria)
Ja
voldaan aan alle criteria
Ja
compatibele situatie: geen maatregelen of capacitieve aardingen bij onderstations (rapporteren)
Nee
Z)
/
simulatie met capacitie\e aardingen bij onderstations
Ja
voldaan aan alle criteria
Nee ombouw enkele spoorstroomloop secties ligt lAor de hand m combinatie met capacitieve aarding onderstations
rwe
wordt 60V aanraak spanning bij niet kortsluit situaties overschreden
Nee
worden meer dan 4 spoorstroomloop locaties specifiek beïnvloed
■>
r
1
Ja
Aantal van 4 is een eerste uitgangspunt In afetemming met ProRatI inhoudelijke afweging maken.
simulatie met capacitieve aardingen bij onderstations en enkele dwarsvetbinctir^en (deze moeten zich bevinden op bereikbare locaties en/of bij bestaande ProRail gebouwen)
T
met Prorail \overleg over te nemen
maatregelen
7
Figuur 3: Flowchart ter bepaling welke mitigerende maatregelen te modelleren
!
1
Gezien de omvang van het conventionele geëlektrificeerde (1500 V DC) spoor in Nederland is deze flowchart van toepassing op met 1500 \Z DC geëlektrificeerde sporen. Niet-geëiektrificeerde sporen vereisen generiek eenvoudiger toepasbare maatregelen.
Richtlijn
V004
pag. 22Z38
4
PxoRa.il
RLN00393
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Nr.
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
M1
Capacitieve aardingen dienen altijd bij bestaande dwarsver bindingen In de retour tussen twee (of meer) sporen te wor den gemodelleerd, met daarbij de volgende prioritering:
Pas als er aantoonbaar geen realistische/werkbare variant te vinden is op basis van bestaande dwars verbindingen in de retour dient in overleg met ProRail te worden bepaald waar de capacilatieve aardingen moeten komen.
• •
Onderstations Bestaande ProRail gebouwen/gronden;
•
Bereikbare plaatsen.
M2
Capacitieve aarding modelleren conform specificaties uit OVS00085.
OVS00085-V010 paragraaf 3.15 en hoofdstuk 13 (bijlage VI) "Specificatie condensatorbank voor aarding DC-spoor”
M3
Aardverspreidingsweerstand van de capacitieve aarding naar aarde dient met 0,25 Q te worden gemodelleerd.
Daar waar de haalbaarheid van 0,25 Q aardversprei dingsweerstand op voorhand al uit te sluiten is dient een realistische waarde te worden voorgesteld. Let op; De redundante aardingen van de C-banken staan in eikaars potentiaaltrechter, daarom dient 0,25 Q als vaste waarde gehanteerd te worden
Richtlijn
V004
pag. 23/38
»
t
!
«
*
r
PioJiail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 1: B1 bovenleidingsysteem geleiderconfiguratie Zie ook OVS00024-5 1 [G], 1500 V DC-sporen
Weerstand [CWtm]
Diameter [cm]
X coördinaat [m]
y coördinaat [m]
spoorstaaf 1 spoor 1
0.044
9.60
-2,72
0.05
spoorstaaf 2 spoor 1
0.044
9.60
-1,28
0.05
draagkabel spoor 1
0.121
1.36
-2
8.50
rijdraad 1 spoor 1
0.183
1.20
-2,02
5.50
rijdraad 2 spoor 1
0.183
1.20
-1,98
5.50
versterkingsgeleider spoor 1
0.121
1.36
-5,22
8.50
spoorstaaf 1 spoor 2
0.044
9.60
2.72
0.05
1,28
0.05
spoorstaaf 2 spoor 2
0.044
9.60
draagkabel spoor 2
0.121
1.36
2
8.50
rijdraad 1 spoor 2
0.183
1.20
2,02
5.50
rijdraad 2 spoor 2
0.183
1.20
1,98
5.50
versterkingsgeleider spoor 2
0.121
1.36
5,22
8.50
Richtlijn
V004
pag. 24/38
(
I
*
ProEail
I
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 2: 50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen
Spoorstroomlopen in ATB gebied mogen worden beoordeeld op de maximale lengte met ATB volgens OVS60111 -2 en OVS60111 -3 mits: •
De daadwerkelijke lengte korter is dan de maximaal toegestane lengte.
Tabel 1: maximale toegestane spoorstroomloop lengtes (m) bij nieuwbouw.
ovs
OVS paragraaf:
60111-2 5.1
60111-2 5.2
60111-2 5.3
60111-3 3.10
60111-3 3.3
60111-3 3.7
60111-2 5.5
60111-2 5.7
Schakeling
76GE0-O
76GE0-1
75GE0-2
7SGE3-0
75GEt-0
75QE2-0 7SGE3-1 .75GE1-1
75GE2-t
V+R zijde 5 300 SISO
Normaal Code V zijde 5 400 5 200
Met ATB
Zonder ATB
Max. sectie lengte (m)
normaal nabij O.S.
norm, sectie 5 620 5 350
ovw. sectie S55 S55
60111-2 5.9
met con densator^ 5 700 S700
R zijde 5 340 5 170
Met condensator Code V R V+R zijde zijde zijde 5 600 S5S0 5 300 5 600 S550 5 300
Kortere spoorstroomlopen mogen worden beoordeeld op de immuniteit behorende bij de daadwerke lijke lengte van de spoorstroomloop mits:
• •
Dit met de beheerder overeen gekomen is zodat dit ook in de toekomst is geborgd en Op de OR bladen een parallelloop met een hoogspanningslijn is gemarkeerd, zie hiervoor ook 5.6.2.
De lengte-afhankelijke immuniteit is voor de common mode stroom gegeven in tabel 2 en voor de spoorstaaf-aarde spanning in tabel 3. Voor kortsluitingen die langer duren dan 100 ms maar korter dan 500 ms mag worden gerekend met de immuniteiten volgens tabel 4 voor de stromen door de spoorstaven en volgens tabel 5 voor de spoorstaaf-aarde spanning.
Richtlijn
V004
pag. 25/38
t
t
»
*
I
PïoJlail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Tabel 2: Berekende 50 Hz stoorstroom immuniteit EB spoorstroomlopen (max. stoorstroom door relais 2A)
ovs
OVS paragr. lehakeling
Lengte (m) 0-25 25-50 50-75 75-100 100-125 125-150 150-175 175-200 200-225 225-250 250-275 275-300 300-325 325-350 350-375 375-400 400-425 425-450 450-475 475-500 500-525 525-550 550-575 575-600 600-625 625-650 650-675 675-700
60111-2 60111-2 5.1 5.2 75GE0-0 i 7SGE0-1
60111-2
60111-3 3.10 5.3 75GE0-2 7SGE3-0 l_max, 50 Hz, door tractiebeen (A) 2113 1006 1839 1405 1057 504 920 661 705 336 613 469 529 253 460 352 423 368 302 353 307 251 303 263 216 265 230 189 235 205 191 212 184 172 193 168 156 177 154 143 163 142 141 152 132 131 142 123 122 133 116 114 101 109 114 95 103 108 90 97 102 86 93 97 82 88 92 78 84 88 75 81 84 72 77 81 69 74 78 66 71 75 64 69 72 62 66 70
Riclitlijn
60111-3
2113 1057 705 529 423 353 303 265 235 212 193 177 163 152 142 133
V004
V
eOtif-S I 6bïfl-2
3.3 3.7 75GE1-0 j 7SGE2-0 1405 703 469 352 282 235 202 176 157 141 129 118 117 108 101 95 89 84 80 76 72 69 66 63 65 63 60 58
60111-2
5.9 75GE3-1
5.S 75GE1-1
1346 673 449 337 270 225 193 169 150 135 123 113
1886 943 629 472 378 315 270 236 210 189 172 158 146 135 126 118 111 105 100 95 90 86 82 79
60111-2 5.7 75GE2-1 1346 673 449 337 270 225 193 169
150 135 123 113 104 97 90 85
80 76 72 68 65 62
pag. 26/38
I I
ProJlail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Tabel 3: Berekende 50 Hz immuniteit EB spoorstroomlopen voor spoorstaaf aarde spanning [V] bij 10 n aardfout en 2,5 Qkm afleidweerstand (bij 2 A stoorstroom door TR relais)
ovs
60111-2 60111-2 60111-3 60111-2 3.10 S.2 5.3 OVS paragr. 6.1 achakellnq 75GE0-O 75GE0-1 75GE0-2 75GE3-0 Lengte (m) V max, 50 Hz, door tractiebeen yj______ 51.4 53.5 58,6 62,1 0-25 51.7 48.1 58.7 54,5 25-50 45.4 50,2 55.7 51,0 50-75 42.8 48,9 53.2 48,0 75-100 40.9 51,0 47.8 100-125 39.1 46.8 49.1 125-150 45.9 37.6 47.5 150-175 36.2 46,0 45.1 175-200 44,4 35.1 44.6 200-225 43,8 34.1 43,4 225-250 33.2 43.2 42.3 -“t 1'250-275 42.7 33.6 41.3 275-300 32.9 42.3 40.4 300-325 41.8 32.2 39.6 325-350 41.4 31.6 38.8 350-375 41.1 31.9 33.4 375-400 31.4 40,7 32.8 400-425 40.4 30.9 32.2 425-450 30.4 40.1 31.7 450-475 30.6 31.2 39.9 475-500 30.2 30.7 39.6 500-525 39.4 29.8 30.3 525-550 29.4 39.2 29.9 550-575 38.9 30,0 29.5 575-600 38.7 29.6 29.1 600-625 38,6 29.3 625-650 28.8 38.4 28.9 28.4 650-675 38.2 28.6 28.1 675-700
60111-3 3.3 7SGE1-0
60111-3 3.7 75GE2-0
60111-2 5.9 75GE3-1
60111-2 5.5 75GE1-1
33.4 31.4 29.6 28,1 26,8 25.7 24.7 23.8 23,0 22,3 21,7 21.7 21,2 20,6 20,2 19.7
44.1 41.5 39.3 37.3 35.7 34.2 33,0 31.8 30.8 29.9 29.1 28.9 28.2 27.6 27.1 26.5 26,0 25.6 25.2 24.8 24.4 24.1 23.8 25.2 24.9 24.6 24,4 24,1
38.3 36.5 35.1 32.6 31.5 30.6 29.8 27.9 27.3 26.7 26.1 25.7 25,2 24.8 24.4 24.1 23.8 23.5 23.2 23,0 22.7 22.5 22.3 22,1 21.9 21.7 21.6 21.4
48.5 45.7 43.4 37.7 36.1 34.6 33.4 28,9 28,0 27.1 26.4 24.1 23.5 23,0 22.5 22,0 21.5 21.1 20.8 20.4 20,1 19.8 19.5 19.2 18.9 18.7 18.5 18.2
Richtlijn
V004
Ril
-
RW 5-1’
60111-2 S.7 7SGE2-1
50.0 47.2 44.8 42.8 41.1 39.5 38.2 36.9 35.9 34.9 34.0 33.2 32.5 31.8 31.2 30.6 29.6 29.6 29.1 28.7
Ki ■
6"
pag. 27/38
I
ProJlail
t
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Tabe/ 4: Berekende 50 Hz stoorstroom immuniteit EB spoorstroomlopen in faalbedrijf (max. stoorstroom door relais 2 A)
>vs
60111-2 60111-3{ 60111-3 60111-2 IVS paraar. 5.2 5.3 3.10 ! 3.3 bchaketina 75GE0-1 7SGE0-2 7SGE3-0 75GE1-0 Lengte (m) Lmax, 50 Hz, door tractiabeen (A) 0-25 2113 1006 1839 1405 25-50 1057 504 920 661 1057 50-75 705 336 613 469 705 75-100 529 253 460 352 529 100-125 423 368 302 423 125-150 353 307 251 353 150-175 303 263 216 303 175-200 265 230 189 265 200-225 235 205 191 235 225-250 212 184 172 212 250-275 193 168 156 193 275-300 177 154 143 177 300-325 163 142 141 163 325-350 152 132 131 152 350-375 142 123 122 142 375-400 133 116 114 133 400-425 101 109 114 425-450 95 103 108 450-475 90 97 102 475-500 86 93 97 500-525 82 88 92 525-550 78 84 88 550-575 75 81 84 575-600 72 77 81 600-625 69 74 78 625-650 66 71 75 650-675 64 69 72 675-700 62 66 70 60111-2 5.1 75GE0-0
i J
Richtlijn
V004
60111-3 3.7 75GE2-0
60111-2 5.9 75GE3-1
'6Ó1ÏÏ-2
1405 703 469 352 282 235 202 176 157 141 129 118 117 108 101 95 89 84 80 76 72 69 66 63 65 63 60 58
1346 673 449 337 270 225 193 169 150 135 123 113
1886 943 629 472 378 315 270 236 210 189 172 158 146 135 126 118 111 105 100 95 90 86 82 79
60111-2
5.5 4—W. 75GE1-1 i 7SGE2-1
'W
1346 673 449 337 270 225 193 169 150 135 123 113 104 97 90 85 80 76 72 68 65 62 r
?•'
■
's-S
pag. 28/38
1
I
PxoRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Tabel 5: Berekende 50 Hz immuniteit EB spoorstroomlopen voor spoorstaaf aarde spanning [V] bij 2,5 Qkm afleidweerstand voor kortsluiting.
ovs
60111-2 60111-3 60111-3 60111-2 60111-2 3.10 3.3 5.2 5.3 OVS paragr. 5.1 75GE0-0 7SGE0-1 7SGE0-2 75GE3-0 75GE1-0 ichakeling Lengte (ml V max, 50 Hz, door tractiebeen (V) 285,5 555.4 430,9 447,8 490,1 0-25 147,1 231,2 230,1 255,3 282.4 25-50 164,7 157,6 101,0 191.4 177,0 50-75 137,9 131,4 118,3 77,9 145,9 75-100 64,1 97.3 114,4 111,5 100-125 54.9 98,2 83.3 98,8 125-150 88,7 73.3 48.3 87,6 150-175 63.3 43.3 79,2 h 81,6 175-200 58,0 39,5 76,0 72.7 |.J „ 200-225 53.7 36.4 71,6 67,5 te# 225-250 50.2 33.9 68,0 250-275 33,0 65,0 48.8 275-300 59,6 Eï' 62,5 46.3 31.1 300-325 44.2 29,5 60.3 54,0 325-350 28.1 58.4 42.3 51.8 J 350-375 26j9 56,7 41.6 44,6 _ 375-400 42.9 r 40,2 55,3 400-425 38.9 41.5 ! 54,0 425-450 37,8 40,2 ! 52.8 450-475 37.7 51.8 475-500 39,0 36.7 50,9 37.9 j 500-525 50,0 35.8 36.9 525-550 35,0 49.2 36.1 1 550-575 35.6 35.2 E 48,5 575-600 34 5 I 34.9 i 47,8 600-625 34,2 47.2 33,8 «^3 625-650 46,7 33.6 33.2 650-675 33,0 46,1 675-700 32.6 ■
i
I
P.....
Richtlijn
V004
60111-3 3.7 7SGE2-0
60111-2 S.9 75GE3-1
369.2 190,7 131.2 101,5 83.7 71.8 63,3 56.9 52,0 48,0 44,8 42,5 40.2 38.3 36,7 35,2 33,9 32,8 31.7 30.8 30,0 29,2 28,6 30,1 29,5 28,9 28,3 27,8
334,2 175,8 123,0 93,7 78,2 67.9 60,6 53,1 48.9 45.6 42.9 40.6 38.6 37,0 35.6 34,3 33.2 32.2 31.3 30.5 29,8 29,2 28.6 28,0 27,5 27,1 26,7 26,3
60111-2 5.5 76GE1-1
60111-2 5.7 7SGE2-1
391,3 203,2 140,5 101,1 83,5 71.7 63.4 52,0 47.5 43.8 40.9 36,4 34,3 32.6 31,1 29,8 28,6 27.6 26.7 25.8 25.1 24,4 j 23.8 23.2 22.7 22,2 21.8 21,3
396,8 206.5 143,1 111.5 92.4 79.8 70,7 63.9 58.6 54.4 50.9 48.1 45.6 43.5 41.7 40.1 38,7 37,5 36.4 35.4
u
pag 29/38
ProJZail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverfoindingen op de hswi
Bijlage 3: Template tbv basisrapportage EMC
Indeling voor basisrapportage EMC studie conform RLN00398 EMC studie conform RLN00398
Dit basistemplate is geschikt voor situaties waarvoor men in de flowchart in H5.2 van de RLN0039a voldoet voordat punt 8) bereikt wordt (dus voldoen aan de eisen in (A) en (B)). Dit template is opgesteld om in deze gevallen ten behoeve van ProRail te komen tot een eenduidige rapportage van een RLN00398 EMC studie. Met dit template hebben deze EMC rapporten voor ProRail een herkenbare inhoud, en worden de meest voorkomende valkuilen en tekortkomingen voorkomen
De hoofdstukken bevatten een vastgestelde indeling, en bevatten voorgestelde tekstfrag menten. Bij voorkeur worden de figuren overeenkomstig de voorbeeldfiguren uitgevoerd. Suggesties, aandachtspunten en toelichting zijn tussen rechte haken [] geplaatst. De template Is gebaseerd op RLN00398 versie 004.
Het is aan de auteur om de documentgegevens aan te passen (titel, versie nr, etc.)
Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Situatieomschnjving 3. RLN00398 quick-scan op basis van de flowchart in hoofdstuk 5.2 Bijlage A: Onderbouwing van punten uit tabel
Richtlijn
V004
pag. 30/38
I
PïOJlail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
1. Inleiding De RLN00398 beoogt ontoelaatbare beïnvloeding vanuit hoogspanningslijnen en hoogspanningska bels op de railinfrastructuur tijdig in beeld te brengen zodat daar indien nodig mitigatie kan plaatsvin den, bijvoorbeeld door middel van maatregelen. De fiowchart in RLN00398-V004 voorziet in een stapsgewijze aanpak om vast te stellen of er sprake kan zijn van ontoelaatbare beïnvloeding. Deze ‘Template tbv basisrapportage EMC' geeft weer welke informatie aangeleverd en gerapporteerd dient te worden voor de stappen (A) en (B), en ook het daarvoor te gebruiken format.
Dit rapport geeft invulling aan [korte beschrijving van het project]. 2. Situatieomschrijving [Geef hier een korte omschrijving van het project en van de situatie ter plaatse. Beschrijf de aard van de werkzaamheden (nieuwe aanleg / inlussing / verzwaring etc.) Geef hierbij aan of er ook nieuwe moffen en/of aardpunten gemaakt gaan worden en/of komen te vervallen]
[Voorbeeld] Figuur 4 geeft een overzicht van het projectgebied. Een meer gedetailleerde kaart is te vinden in Bijlage 1.
k
79.0
■
■
.
•t'!
1.0 - OLsn W-82331
.
“ i
3,0 - «3,031 •
4,0 = 94,031
-----
■
Spooras I teccomcccr punten OS locaties
A
SoutétocaUes
* Q3
RH tocaöes
5,0 = 05,031
Karakteristieke afsiuWng locatie Hooöspanniog station
-06,031
HooQspanmig kabel (onderyonds) -----iSOkV
50 kV
[Voorbeeld] Figuur 4: Overzicht projectgebied. De geplande werkzaamheden vinden plaats nabij Spoonweg <....>, Geocode <....>, Spoor km <....>
[Voeg ook een verwijzing toe naarde bijlage(n) met de relevante project- en/of boortekening(en). Geef op de tekening aan: (1) afstand hart buitenste spoor tot het tracé en (2) afstand hart buitenste spoor tot nieuwe aardpunten of moffen.] Richtlijn
V004
pag. 31/38
PïoJlail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
3. RLN00398 quick-scan op basis van de flowchart in hoofdstuk 5.2 In dit hoofdstuk is het resultaat van de flowchart in hoofdstuk 5.2 van de RLN00398-V0CI4 vastgelegd. Voor een hoogspanningsverbinding dienen de bijbehorende vragen van de flowchart in paragraaf 5.2 van de RLN00398-V004 te worden beantwoord. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande Ta bel 1.
Tabel 1: Onderbouwing flowchart aspecten [indien uitgebreidere toelichting nodig is, dat in bijlage A doen met een verwijzing vanuit de tabel] "1 Eis ProRail Voldaan Korte toelichting en/of ver A
(J/N/n.v.t.)
1
(Lijn-)circuit in driehoek bij kabel: driehoek gebundeld of multicore, bij lijn: in driehoek configuratie opgehangen.
2
Geen pad voor homopoiaire stroom (enkel geaard sterpunt).
wijzing naar bijlage
[specificatie/tekening]
[aantonen G3. in ieder geval met single-line van de verbinding, waarop de netaarding inzichtelijk is] 3 Kans op 1 fase sluiting met aarde nabij spoor vol [tekening met moffen, aardpunten en/of mastfundaties in de maatvoering doende klein. t.o v het buitenste spoor] Indien aan alle drie bovenstaande aspecten wordt voldaan kan ontoelaatbare beïnvloeding van de ProRail infrastructuur worden uitgesloten en behoeven de stappen hieronder niet te worden doorlopen. B 4 loopt midden/hoogspanning verbinding: [tracétekening met parallelloop in de maatvoering t o v het spoor] > 24 kV buiten 700 m zone S 24 kV buiten 11 m zone
5
of is er binnen deze zones geen parallelloop en wordt voldaan aan (5) en (6).
kruist de verbinding het spoor ongeveer haaks (80 tot 100 graden).
[tracétekening in de maatvoering (kruisingshoek) to.v. het spoor]
6
bevindt de verbinding zich op een afstand >20 m vanaf een dichtstbijzijnde technische ruimte (gebouw, geen kast).____________________
[tracétekening in de maatvoering t a v spoorse gebouwen]
7
Wordt een eerste orde lijnfout binnen 100 ms af geschakeld.
[onderbouwing beveiligingsconcept en/of risicobeschouwing en onderbou wing van faalfrequentie] Indien op basis van bovenstaande aspecten nog niet de conclusie is bereikt dat de situatie voldoet, dan is deze template niet meer voldoende en dient de template voor een EMC-detailstudie gebruikt te worden.________________________
!
[De gebruiker dient de juiste tekst te kiezen uit onderstaande twee opties J [of] Uit punt 1 t/m 7 van de flowchart in hoofdstuk 5.2 in de RLN00398-V004 (hierboven als tabel weerge geven) volgt dat er geen sprake is van ontoelaatbare beïnvloeding, en is de onderbouwing daarvoor aanwezig. Hierdoor kan een ontoelaatbare beïnvloeding op de ProRail railinfrastructuur worden uitge sloten. Verdere beschouwing volgens de flowchart in hoofdstuk 5.2 is niet noodzakelijk, fof? it punt 1 t/m 7 van de flowchart in hoofdstuk 5.2 van de RLN00398-V004 (hierboven als tabel weerge geven) volgt dat er sprake kan zijn van ontoelaatbare beïnvloeding. Hierdoor kan een ontoelaatbare beïnvloeding op de ProRail railinfrastructuur niet worden uitgesloten. De flowchart in hoofdstuk 5.2 dient verder gevolgd te worden om in meer detail te bepalen of er wel of geen ontoelaatbare b^nvloeding van de ProRail infrastructuur kan zijn. Daarvoor dient een unity study te worden uitgevoerd en, indien nodig, een EMC-detailstudie te worden uitgevoerd. Richtlijn
V004
pag. 32/38
ProJïail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage A Onderbouwing van punten uit tabel
W*
W2
(B)4
(B)5
(B)6
B) 7
Richtlijn
l
V004
pag. 33/38
I
Pro«ail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 4: Checklist tbv RLN00398 EMC-detailstudies Inleiding
In EMC-detailstudies die de elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op ProRail-spoorwegen beschouwen, wordt de ProRail-richtlijn RLN00398 ter toetsing gehanteerd. Een groot deel van deze EMC-detailstudies wordt in opdracht van Netbeheerders of ProRail door in genieurs- en adviesbureaus (IB's) uitgevoerd. Met deze EMC-detailstudies dient aangetoond te wor den dat:
1) ofwel de hoogspanningsverbinding of -installatie de correcte en veilige werking van de spoor weginfrastructuur niet verstoort; dit wordt getoetst aan de criteria in de RLN00398; 2) ofwel, indien het initiële ontwerp niet aan deze criteria voldoet, een technische oplossing haal baar is die de verbinding of installatie alsnog aan deze criteria laat voldoen. Dit kan nieuwbouw betreffen, maar ook wijzigingen in een bestaande situatie, zoals aangegeven in paragraaf 5.1. ProRail beoordeelt deze EMC-detailstudies. Indien ProRail van oordeel is dat een studie aantoont dat geen sprake is van potentiële normoverschrijdende elektromagnetische beïnvloeding, wordt voor die situatie een “verklaring van geen bezwaar” (op het onderdeel EMC) afgegeven. Indien van toepassing onder bepaalde voorwaarden, zoals het realiseren van mitigerende maatregelen. Deze bijlage geeft als “ingangscontrole/checklist” een overzicht van de elementen die een rapport van een EMC-detailstudie dient te bevatten. Op basis daarvan kan ProRail een review en evaluatie uitvoe ren. Hierbij richt deze checklist zich specifiek op parallelloopstudies, die de elektromagnetische beïn vloeding bij de parallelloop van een hoogspanningssysteem (of -systemen) met de spoorse infra be schouwen.
Indien TenneT de opdrachtgever van de studie is, dan kan de template “Rapport indeling voor EMCdetailstudie conform RLN00398” worden gebruikt als template voor de rapportage. Deze wordt be schikbaar gesteld door TenneT.
Voor de overige rapportages, die geen EMC-detailstudie behoeven, dient Bijlage 3; 'Template tbv ba sisrapportage EMC’ toegepast te worden. Checklist rapportage EMC-studie RLN00398
Om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen, is het noodzakelijk dat een rapportage van een EMC studie: a) Volledig is in de te toetsen RLN00398-criteria b) Voldoende inzicht biedt in de uitgangspunten en modelleerwijze c) Inzicht geeft in positie-afhankelijke variatie van de te toetsen parameters.
Richtlijn
s
V004
1
pag. 34/38
Proflail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
A) Uitgangspunten: model, algemeen Nr.
Betreft
Check
Paragraaf
Opmerkingen
§
1
Afbeelding overzicht parallelloopsituatie, Inclusief indicatie over dwarsafstanden Overzicht van gemodelleerde hoogspanningsverbindingen
2A 2B
Check adhv GIS-systemen van TenneT/RNB's
Steekproefsgewijs: nagaan of alle verbindingen ook zijn meegenomen, is het overzicht 2A compleet? Indicatie model/ProRail-kilometre-
3
ring________________________ Toegepast model bodemresistiviteit [O m]
4
B) Uitgangspunten: Beschrijving gemodelleerd hoogspanningssysteem: Stations Nr.
Betreft
Paragraaf
Check
Opmerkingen
§
1
Beschrijving rol van stations in mo del (aardingslocatie? Bronlocatie?) Toegepaste aardverspreidingsweerstanden
2
In de context van dit memo, betref fende modellering van inductieve beïnvloeding, wordt weerstandsbeinvloeding door onderstations (potentiaaltrechters) niet beschouwd, maar de weerstanden spelen wel een rol in de stroomverdeling door de geleiders.
C) Uitgangspunten: Beschrijving gemodelleerd hoogspanningssysteem: Lijnen Nr.
Betreft
Check
Paragraaf
Opmerkingen
§
1
7 3 4
Richtlijn
Mastbeelden Beschrijving verbindingen / cir cuits Aantallen bliksem-Zretourgeleiders Aardverspreidingsweerstanden masten
In de context van dit memo, betref fende modellering van inductieve beïnvloeding, wordt weerstandsbeinvloeding door masten (potentiaaltrechters) niet beschouwd, maar de weerstanden spelen een rol in de stroomverdeling door de geleiders.
V004
pag 35/38
I
PïOJiail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
D) Uitgangspunten: Beschrijving gemodelleerd hoogspanningssysteem: Kabels Nr.
Betreft
1 2
Kabeltype, doorsnede
Check
Paragraaf
Opmerkingen
§
Ligging van de fases (driehoek of plat vlak; bij plat vlak: afstand tus sen fases) en, indien van toepas sing, aardgeleiders. Diepte
3
7
Aardingssituatie: eenzijdig ge aard? Tweezijdig geaard? Aparte aardgeleider? Geaarde moffen? E) Uitgangspunten: Beschrijving belastingsituaties hoogspanningssysteem
Nr.
1
2
Betreft
Check
Paragraaf
Opmerkingen
§
Beschrijving van belasting langdurig:
•
Normaal bedrijf, rekenstro men, toegepast %-homopolaire onbalans (0/5/10%)
•
Indien van toepassing: onderhoudsscenario’s
Beschrijving van kortsluitstromen:
Stroom enkelfasige kort sluiting Stroom driefasige kort sluiting Afschakeltijd
Nr.
n 2
3 4
5
Richtlijn
Check
Paragraaf §
Opmerkingen
Spoor algemeen: hoogte, indien significant (bijvoorbeeld fly-overs) Beschrijving geëlektrificeerd / nietgeëlektrificeerd Bovenleiding: overzicht (incl. locaties) onder- en schakelstations Bovenleiding: geen specificatie no dig__________________________
N.B.: Niet onderscheidend, altijd B1 hanteren cfm RLN00398.
Retour: beschrijving retoursituatie, enkel-Zdubbelbenig, waar relevant dwarskoppelingen
V004
pag 36/38
t
(
Pxoflail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Retour: beschrijving condensatorbanken voor capacitieve aarding1’ indien aanwezig Spoor: beschrijving aardpennen (indien aanwezig; bijvoorbeeld bij niet-geëlektrificeerd spoor) Retour: toegepaste spoorstaafaarde-(afleid-)weerstanden. De waardes 2,5 Q km, 10 Q km en 100 Q km dienen hiervoor toege past te worden. Retour: beschrijving! berekening afsluitimpedanties. Treinbeveiliging: beschrijving treindetectiesystemen: enkel- / dubbelbenig, assentellers, PSSSL, Jade, etc. Retour / Treinbeveiliging: waar re levant: beschrijving ES-lassen Beschrijving modellering kabels ProRail
6
7
8
9
10
11 12
G) Uitgangspunten: Beschrijving situaties spoorsysteem
Nr.
Betreft
1
Trein (kleinsignaalimpedantie)
Check
Paragraaf
opmerkingen
§
7 J
Toepassing sperren onderstations Toepassing aardfouten Toepassing overige faalwijzen (bij voorbeeld van aanwezige condensatorbanken) Overbrugging ES-lassen (indien re levant; bijvoorbeeld: bij overgang geëlektrificeerd / niet-geëlektrificeerd spoor, of wanneer hiermee detectielussen in het spoor ver lengd kunnen worden)
4
5
H) Rapportage Nr.
Betreft
Check
Paragraaf
Opmerkingen
§
1
I Uitgangspunten
8 Conform OVS00085-V009 paragraaf 3.15 en hoofdstuk 13 (bijlage VI) “Specificatie condensatorbank voor aarding DC-spoor” Richtlijn
V004
pag. 37/38
ProJlail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
2 3 4 5
6
7 ÏÏ 9 10
Richtlijn
Tabellen met simulatieresultaten voor de getoetste parameters Grafieken van baanprofielen van getoetste parameters Worst-case waarden van alle pa rameters, inclusief locaties. Toetsing: tegen beoordelingscrite ria RLN00398-V004 Hoofdstuk 7 Toetsing: specifiek waar van toe passing: extra aandacht voor immuniteitscriteria enkelbenige spoorstroomlopen
betreft de lengte en type afhanke lijkheid
Conclusie en aanbevelingen
Voorstel mitigerende maatregelen
kVanneer van toepassing
Doelmatigheid mitigerende maat regelen Bronvermelding
Wanneer van toepassing
V004
pag 38/38
LTO noord landVAN
LEEGHWATER
LTO, afdeling Land van Leeghwater
Alkmaar, 9 september 2025
Aan het College van Burgemeester en Wethouders
Tav Projectteam Omgevingsvisie Gemeente Alkmaar
Postbus 53 1800 BC Alkmaar Betreft: Reactie op concept-omgevingsvisle Alkmaar 2040 - Ruimtelijke ontwikkeling en Betreft:-----landbouwbelangen in het buitengebied
Geacht college. Namens LTO. afdeling Land van Leeghwater. willen wij graag enkele aandachtspunten meegeven ten aanzien van het concept van de omgevingsvisie 2040 van de gemeente Alkmaar. Als belangenbehartiger van agrarische ondernemers in deze regio hechten wi| wayde aan een toekomstbestendig buitengebied, waarin ruimte is voor agrarische bedrijvigheid, duurzame ontwikkeling én leefbaarheid van het platteland. Waarbij de droogmakerijen en het zodanige manier kunnen blijven beheren, dat de kernwaarden hienzan natuurgebied op een worden behouden.
Woningbouw in dorpskernen wï ,ér,en VOO, maaLerk als he, gaa, om woningbouw in be, buitengebied. Geef dorpen de ruimte om op klelnsohallge wijze uit te breiden - bijvoorbeeld met een straatje erb,, - in plaats van het realiseren van grootschalige nieuwbouwwijken in het open polderlandschap. Tevens I om in vrijkomende agrarische bebouwing kleinschalige bepleiten wij de mogelijkheid om «ongem;en;;h7p°p;n te ontwikkelen, mits deze passen binnen de landschappelijke structuur
en et rekening wordt gehouden met omliggende agrarische activiteiten (voortzetting regeling plattelandswoningen). Ontwikkeling van agrarische erven Wij verzoeken u het bouwvlak van agrarische erven te verruimen naar 2 hectare, conform het provinciaal beleid. Deze ruimte is noodzakelijk, niet alleen in het kader van schaalvergroting, maar ook om duurzame of maatschappelijke opgaven mogelijk te maken, zoals uHn^Innnlandbouw. kringlooplandbouw, verbrede verbrede landbouw, landbouw dierenwelzijn of natuur- en energie-initiatieven. Veenweidegebied
vïor de (vervangende) nieuwbouw van duurzame bedrijfsgebouwen voor veehouderij en opslag.
zodat bedrijven kunnen blijven voldoen aan milieueisen en economische continuïteit.
LTO
noord LAND VAN LEEGHWATER
Recreatie en waterbeheer ,a. .^.1 nieuwe recreatieve routes vragen wij om landbouw- en natuurpercelen te Bij de aanleg van i . Routes over akker- en graslanden vergroten het risico op de insleep van ziektes en mijden.----------plagen en zorgen voor verstoring van flora en fauna. Verder Is er In het veenweidegebied behoefte aan een effectief baggerbeheer voor de
instandhouding van de waterrecreatie én de iandbouwfunctie. Daarnaast is hetvan belang om ook nu alte anticiperen op de toekomstige beschikbaarheid van Daarnaast is het van zoetwater, onder andere door het stimuleren van innovaties zoals verticale drainage.
Netcongestie De huidrge netcongestie op het elektriciteitsnet vormt een belemmering voor zowel agrarische bedrijven als voor duurzaamheidsinitiatieven. Verruiming van de mogelijkheden voor decentrale opwekking en opslag van duurzame energie is noodzakelijk
Wij zijn graag bereid om onze inbreng in een persoonlijk gesprek verder toe te lichten. Met vriendelijke groet,
LTO Noord, afdeling Land van Leeghwater
Namens het bestuur. Annie Kregel Voorzitter —— E-mail; kregelkalverboer@gmail.com Telefoon: 0681419354
b?CUMEL CUMELA Brancheorganisatie voor groen, grond en infra
Gemeente Alkmaar Het college van Burgemeester en Wethouders T.a.v. het Projectteam Omgevingsvisie Postbus 53 1800 BC Alkmaar
Datum Betreft
Cumela Nederland Nijverheidsstraat 13 3861 RJ Nijkerk Postbus 1156 3860 BD Nijkerk
T (033) 247 49 00 E info@cumela.nl I vi/ww.cumela.nl
IBAN NL08 RABO 0364 2084 30
KvK 40477842 BTW NL0026.10.590.B01
: 2 september 2025 : Zienswijze Ontwerp Omgevingsvisie Alkmaar 2040
Per post Per aangetekende post
Geachte college, De afgelopen periode is de ontwerp Omgevingsvisie van de gemeente Alkmaar 2040 opgesteld. Dit ontwerp doorloopt momenteel een zienswijze- en overlegprocedure voor de periode van zes weken. Namens de cumelabedrijven (leden) van Cumela Nederland die in de gemeente Alkmaar zijn gevestigd en werkzaam zijn, wordt een zienswijze ingediend in relatie tot de Omgevingsvisie. In deze zienswijze worden naast de motivatie als belanghebbende, de activiteiten van de cumelasector en diens maatschappelijke uitdagingen nader toegelicht. Tot slot wordt ingegaan op enkele inhoudelijke thema's. Belanghebbende Cumela Nederland is de brancheorganisatie van de ondernemers die met mensen en materieel als specialisten in de groen-, grond- en infrasector werken. Dat doen zij als dienstverlener voor belangrijke opdrachtgevers als agrariërs, gemeenten, waterschappen, provincies. Rijkswaterstaat, bedrijven en natuurschappen. De werkzaamheden van cumelabedrijven bestaan onder andere uit (agrarisch) loonwerk, grondwerkzaamheden, cultuurtechnische werkzaamheden, mestaanwending, infrastructurele projecten, be- en verwerking van meststoffen, compostering en onderhoud van (openbare)groenvoorzieningen, natuurgebieden en oppervlaktewater.
Eén van de kerntaken van Cumela Nederland is het behartigen van de belangen van de bedrijven in deze sector in de breedste zin van het woord. Namens onze leden die in de gemeente Alkmaar zijn gevestigd wordt deze zienswijze ingediend.
Binnen de gemeente Alkmaar zijn deze bedrijven nagenoeg allemaal in het buitengebied en/of landelijk gebied van uw gemeente gevestigd. Deze bedrijven bieden een stabiele werkgelegenheid en dragen bij aan een sterk markteconomisch aandeel van het landelijk gebied. Deze ondernemingen 'bewerken' op enigerlei wijze, als cumelabedrijf in de vorm van verhuur of (onder)aanneming, op basis van inschatting 80 - 85% van de gronden (landbouw, watergangen, natuur, infrastructuur, groen blauwe sector, stedelijk gebied etc.) binnen de gemeente.
I
C? CUMEL A Cumela Nederland kan derhalve worden aangemerkt als belanghebbende. Om de belangen van en omgevingswaarden voor deze bedrijven in het buitengebied te beschermen is deze zienswijze ingediend. Maatschappelijke uitdagingen en verantwoordelijkheden van de cumelasector De cumelasector speelt met haar dienstverlening een belangrijke rol bij veel maatschappelijke uitdagingen in het algemeen alsmede bij 'uitdagingen' welke u als gemeente ook grotendeels benoemd in onderhavige visie, waarvan de meeste direct of indirect een positieve bijdrage leveren aan: De verbetering van lucht- en water- en bodemkwaliteit; De verbetering van waterveiligheid; Ecologisch verantwoord beheer van de groene ruimte; Bestendigen van duurzame landbouw en voedselproductie; Het creëren van korte circulaire stromen waarbij minder afval ontstaat; Het verbeteren van de verkeersveiligheid; Het versnellen van de energietransitie; Het versterken van het landschap en natuur; Het behouden en versterken van werkgelegenheid en participatie in plattelandsgemeenten.
Hoe dragen cumelabedrijven bij aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen en wat hebben ze daarvoor nodig Cumelabedrijven dragen bij aan deze maatschappelijke opgaven vanuit hun technologische kennis, hun natuurlijke drang om te innoveren en hun mentaliteit om altijd hard te willen werken en probleemoplossend bezig te zijn. Hieronder zijn de belangrijkste pijlers voor cumelabedrijven weergegeven.
1. Vakbekwaam en goed opgeleid personeel De basis voor ieder cumelabedrijf is gemotiveerd, goed opgeleid en getraind personeel. Maatschappelijke ontwikkelingen verlangen een steeds bredere en diepere vakkennis van de ondernemer en diens medewerkers. Ze moeten niet alleen kunnen uitleggen wat ze doen, maar ook waarom ze dit doen. Ondernemers doen dit door hun vakkrachten voortdurend op te leiden, te trainen en bij te scholen. Naast persoonlijke opleidingen en trainingen maakt ook procescertificering op bedrijfsniveau hier onderdeel van uit. Bovendien hebben cumelabedrijven door hun jarenlange ervaring zeer nuttige regio-specifieke gebiedskennis waardoor zij hun werkzaamheden effectief en rendabel realiseren.
Kennis van cumelabedrijven door opleiding of certificering bestaat o.a. uit: Veiligheid Keuring en onderhoud machines Green Deal 'Het nieuwe draaien' (efficiënt & zuinig machines bedienen) Bodemkunde Bemesting & teelt (precisielandbouw) (Water-)bodemverbetering Voedselveiligheid
I
o CUMELA 2. Innovatief machinepark & dito werkwijze Naast vakbekwame mensen is het moderne machinepark de tweede belangrijke pijler voor een cumela-ondernemer. Cumela-ondernemers onderhouden hun machines zorgvuldig, maken optimaal gebruik van technologische mogelijkheden en innovaties en staan regelmatig zelf aan de wieg van nieuwe ontwikkelingen. Oplossingen die zij voorde maatschappelijke uitdagingen bedenken zijn zeer uiteenlopend en divers. Concrete voorbeelden zijn: Precisielandbouw met gebruik van o GPS-technologie o Drone-technologie o Drukwzisselsystemen / lage bandendruk Natuurbeheer met gebruik van bovengenoemde systemen Gebruik van een jong machinepark, vervanging iedere 6-10 jaar Uitrusting nieuwe machines met o Roetfilter en scr.-katalysator o Hybride technologie o Retrofit nabehandelingssystemen Gebruik schonere biobrandstoffen Ontwikkeling en aanschaf van emissievrije aandrijvingen o Elektrisch o Waterstof o Mierenzuur
3. Moderne bedrijfslocaties, lokaal in het landelijk werkgebied Cumela-ondernemers onderzoeken bij bestaande en nieuwe bedrijfslocaties steeds de mogelijkheden om de impact op de omgeving te minimaliseren en hun bedrijfsprocessen optimaal in te richten. Keuzes op het gebied van bovengenoemde maatschappelijke doelen worden weloverwogen gemaakt. Bij cumelabedrijven c.q. loonbedrijven heeft er de laatste jaren inherent aan de ontwikkelingen van het buitengebied in brede zin, een herverdeling van werkvelden plaatsgevonden. Niet enkel de agrariërs zijn beheerder van het buitengebied of opdrachtgever voor het uitvoeren van werken.
r
Cumelasector: De bedrijven in de cumelasector zijn uniek in hun soort. De sector bestaat uit circa 3.000 bedrijven met een gemiddelde bedrijfsomvang van circa 15 FTE per bedrijf. De gemiddelde bedrijfsoppervlakte bedraagt ongeveer 1,25 hectare. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat de cumelasector de grootste werkgever is voor personeel in (en uit) het landelijk gebied met een totale jaarlijkse bruto omzet van vier miljard euro. Circa 90% - 95% van de bedrijven in de cumelasector zijn gevestigd in het buitengebied.
Definitie cumelabedrijf: bedrijf dat geheel afin overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten in het landelijk gebied, aan agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en overheden, waaronder begrepen dienstverlening ten behoeve van landbouw, grondverzet, groenbeheer, natuur, bosbouw, cultuurtechniek en infra, waarbij gebruik wordt gemaakt van (landbouw-)voertuigen, motorrijtuigen met beperkte snelheid, werktuigen (graafmachines / shovels) en transportmaterieel, met inbegrip van een strategische werkvoorraad aan hulp-, bouw-, grond- of reststoffen (circulariteit).
O CUMEL« De feitelijke activiteiten en de aard van de cumelabedrijven op de bedrijfslocatie, zijn de afgelopen jaren beperkt gewijzigd. De ruimte van het bedrijfsterrein van een cumelabedrijf wordt hoofdzakelijk gebruikt voor: Stalling van landbouwmachines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, werktuigen en overige hulpmiddelen. Onderhoud en reparatie aan eigen materieel. Ruimte t.b.v. een strategische werkvoorraad van grond- en circulaire stoffen, welke primair vrijkomen bij eigen werkzaamheden en weer lokaal toegepast kunnen worden (hoofdzakelijk groen en grond). Voldoende ranggeerruimte om veilig te kunnen werken.