Bijlage 4. Toelichting
Tekst van het document
De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 57 dB na aftrek. De geluidbelasting door wegverkeer op de Rhijnvis Feithlaan bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 54 dB na aftrek. De geluidbelasting door wegverkeer op de Bilderdijkstraat bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 51 dB na aftrek. Hieronder zijn maatregelen beschreven om zo mogelijk de geluidbelasting ten gevolge van de A9/N9 tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen. - Maatregelen aan de bron: stil asfalt De A9 is reeds voorzien van een stil wegdek ui 1-laags ZOAB, de N9 is voorzien van een stil wegdek bestaande uit een dunne deklagen A. Daarmee is deze maatregel voor de A9 en de N9 reeds getroffen. De Smaragdweg, Vondelstraat, Arcadialaan en de Rhijnvis Feithlaan zijn voorzien van het referentiewegdek (DAB). Bij het toepassen van een stil wegdek (dunne deklaag B) zal de geluidbelasting met ca. 4 dB afnemen. Dit is financieel en/of stedenbouwkundig niet haalbaar. - Vergroten van de afstand tot de bron Het vergroten van de afstand tussen het nieuwegebouw en de A9/N9 is mogelijk, maar niet wenselijk wegens de afbraak van de parkeergelegenheid en de openbare ruimte.
- Afschermen van de bron: geluidscherm Het afschermen van de woningen met geluidschermen is stedenbouwkundig niet mogelijk gezien de grote hoogte van de woongebouwen. - Maatregelen aan de bron: verlagen van de maxmimumsnelheid De maximumsnelheid op de Smaragdweg en de Vondelstraat bedraagt 50 km/uur. Het verder terugbrengen van de verkeerssnelheid ligt niet voor de hand gezien het karakter van de wegen. De maximumsnelheid op de niet gezoneerde wegen bedraagt 30 km/uur. Verder verlagen van de verkeerssnelheid is niet mogelijk.
28
- Dove gevels De geluidbelasting ligt voor de rijkswegen op een deel van het VTC gebouw boven de maximaal te verlenen hogere waarde van 53 dB. Bij het zuidelijke VTC gebouw dienen de zuidgevels en de westgevels daarom te worden uitgevoerd als dove gevel. Voor dove gevels hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de Smaragdweg en de Vondelstraat. De benodigde dove gevels zijn juridisch geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. In het project zou de zuid- en westgevels van het VTC gebouw uitgevoerd moeten worden zonder te openen delen. Dat betekend dat in de dove gevels de kozijnen met beglazing allemaal moeten worden uitgevoerd als vaste beglazing en dat de ventilatie moet plaatsvinden middels gebalanceerde ventilatie. Conclusie De zuid- en westgevels van het zuidelijke VTC gebouw dienen te worden uitgevoerd als dove gevel. Voor deze gevels hoeven geen hogere waarden te worden aangevraagd. Voor de noordgevel en de oostgevel dient een hogere waarde te worden verleend conform tabel III.4 voor de A9/N9, III.5 voor de Smaragdweg, III.6 voor de Vondelstraat. Hiernaast zal voor het zuidelijke woongebouw geluidswerendevoorzieningen worden aangebracht en gebruik worden gemaakt van gesloten loggia's en balkons waardoor het voldoet aan het geluidsbeleid van de gemeente Alkmaar. Voor het noordelijke gebouw aan de Arcardialaan kan volstaan worden met hogere waarden.
Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal invulling worden gegeven aan een verdere invulling van maatregelen en voorzieningen waarmee het woon- en leefklimaat verder verbeterd wordt in lijn met de ambities uit het hogere waarden beleid van de gemeente Alkmaar. In dit stadium van het planproces zijn nog geen concrete maatregelen geformuleerd.
4.3 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient normaliter aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In de huidige situatie heeft het plangebied een kantoorbestemming. De voorgenomen ontwikkeling betreft een wijziging naar een strenger bodemgebruik. In het kader van een omgevingsvergunning is het evenwel nodig om een bodemonderzoek uit te voeren. Dat houdt verband met het feit dat de gezondheid en veiligheid gegarandeerd moet worden van personen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Uit raadpleging van het bodemloket blijkt dat de locatie niet verdacht is voor wat betreft bodemvervuiling.
De gronden zijn nog in eigendom van de gemeente Alkmaar. In het kader van de grondoverdracht naar initiatiefnemer zal nader bodemonderzoek plaatsvinden. Bij het nog uit te voeren onderzoek zal er aandacht moeten zijn voor de in het plangebied aanwezige gedempte sloten. Door ODNHN is archief onderzoek gedaan naar de planlocatie hieruit blijkt dat voor het noordelijke gedeelte van de planlocatie (de huidige parkeerplaats) op basis van de beschikbare informatiede locatie geschikt is voor het beoogd gebruik. Er zijn derhalve geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Ook wordt de beschikbare (bodem)informatie in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning bouwen toereikend geacht. Voor het zuidelijke deel is gebleken dat er op basis van de beschikbare informatie geen betrouwbare uitspraak gedaan kan worden of de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. Tot op heden is niet
29
bekend of er een belemmering aanwezig is voor de voorgenomen bestemmingswijziging. De beschikbare (bodem)informatie wordt in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning bouwen niet toereikend geacht, waardoor het uitvoeren van een bodemonderzoek vooruitlopend op de beoogde nieuwbouw vereist is.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek Met de voorgenomen herontwikkeling worden 79 appartementen gerealiseerd. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is, met behulp van de Atlas Leefomgeving (van het RIVM), wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.
Uit de Atlas blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarden van 25 µg/m³ voor PM2,5 en 40 µg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide NO2. De specifieke waarden zijn 8 µg/m³ PM2,5, 16 µg/m³ PM10 en 16 µg/m³ NO2. Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. De luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenomen plan.
30
4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 1 augustus 2022, 2022-0787) zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2. Navolgend zijn de conclusies hiervan weergegeven. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiele betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (inclusief 15 maart - 15 juli). Er dient derhalve geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissi inzichtelijk gemaakt te worden.
Stikstofdepositie De afstand tot het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied 'Noordhollands Duinreservaat' bedraagt circa 6 km, terwijl de Natura 2000-gebieden 'Eilandspolder' en 'Schoorlse Duinen' op circa 7 km ligt. Daarom is er een AERIUS-berekening uitgevoerd (Else & Linde, 23 mei 2025), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase de stikstofdepostitietoename niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de Natura 2000gebieden.In aanvulling op het rekenwerk is door Els & Linde ook een aanvullende memo opgesteld. In de memo is verder uiteengezet met welke aannames de berekeningen zijn uitgevoerd. Deze memo en de berekeningen zijn op genomen als bijlagen bij de stukken. Conclusie De aspecten gebiedsbescherming, soortenbescherming en stikstofdepositie leveren geen planologische belemmeringen op.
31
4.6 Waterhuishouding 4.6.1 Generiek beleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is echter onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.6.2 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2022-2027 In het waterprogramma 2022-2027 presenteert het hoogheemraadschap het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die in deze periode worden uitgevoerd. Met dit waterprogramma geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2022 en 2027. Hierin wordt antwoord gegeven op de vragen: hoe zorgt het hoogheemraadschap in de toekomst voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering worden daarvoor gekozen? En welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? De klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van keuzes in het waterbeleid. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen van het hoogheemraadschap grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en
32
belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Keur en uitvoeringsregels Per 1 oktober 2016 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. Op grond van artikel 3.3 van de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is het verboden om zonder vergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer op een oppervlaktelichaam te laten komen. Onder versnelde afvoer wordt verstaan: het lozen van neerslag van nieuwe verharde of bebouwde oppervlakken, direct of indirect al dan niet via een rioolstelsel naar het oppervlaktelichaam waardoor daarin ongewenste peilstijgingen kunnen optreden. De voorwaarden om te werken zonder melding binnen de Algemene Regels zijn als volgt:
•
de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en;
•
de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvlak beslaat en; het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken.
•
4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In dit kader is op 2 mei 2017 de digitale watertoets ingevuld. Hieruit is gebleken dat de normale procedure gevolgd kan worden. Dit betekent dat het Hoogheemraadschap in overleg met de gemeente zal bekijken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen. De maatregelen die mogelijk genomen moeten worden zijn verwerkt in voorliggende waterparagraaf. Deze waterparagraaf zal ten tijde van de ter inzage legging van voorliggend bestemmingsplan aan het hoogheemraadschap voorgelegd worden. Planspecifiek Watercompensatie Het voorgenomen plan betreft de sloop van een bestaand kantoorgebouw, hiervoor in de plaats wordt één nieuw appartementengebouw gerealiseerd en elders op het terrein wordt een tweede appartementengebouw gerealiseerd. Hierbij blijft het verhard oppervlak nagenoeg gelijk. Met het voorgenomen plan neemt de verharding niet of nauwelijks toe ten opzichte van de huidige situatie. Het is niet nodig om watercompenserende maatregelen te treffen.
Waterafvoer De ambitie van het hoogheemraadschap is om het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Van het gehele dakoppervlak van de te realiseren woongebouwen, wordt het hemelwater afgevoerd naar zogenoemde infiltratiekratten. De infiltratiekratten zorgen voor een buffering van het hemelwater en een vertraagde afvoer naar het omliggende gebied. Bij hevige regenval heeft het systeem een noodoverstort naar het bestaande riool van gemeente Alkmaar. Het waterschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
33
Het plan voorziet in een infiltratie mogelijkheid van hemelwater. Hiervoor wordt het tussenliggende parkeerterrein ingezet. Indien er een overschot is aan hemelwater wordt dit geloosd op het naastgelegen oppervlakte water. Bij lozing wordt het water via een helofieten filter geleid. Waterlopen Direct grenzend aan het plangebied is een primaire waterloop gelegen. Deze waterloop is niet voorzien van een waterkering. Voor wat betreft het aspect water is het bestemmingsplan uitvoerbaar.
4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in het realiseren van appartementen en betreft daarmee het toevoegen van een kwetsbaar object. Aan de hand van de risicokaart (Atlas leefomgeving) kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart:
Uitsnede risicokaart - plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)
34
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de N9. Aangezien het plangebied zicht op korte afstand tot de N9 bevindt, zijn de risico's als gevolg van het transport over deze weg kwantitatief inzichtelijk gemaakt. Over de N9 worden GF3-stoffengentransporteerd waardoor een risicoberekening noodzakelijk is (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Uit de resultaten van het onderzoek (Kragten, d.d. 30 november 2022, SRO050), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3, blijkt dat zowel voor als na de planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Onderstaande tabel geeft de samenvatting van de resultaten weer.
Samenvatting kenmerken fN-curves (bron: Kragten) *Normwaarde: de maximale waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. De maximale waarde wordt berekend als het product van de frequentie met het kwadraat van het aantal slachtoffers. Een normwaarde > 0.01 betekent een overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Aangezien de hoogte van het groepsrisico niet toeneemt en de hoogte van het groepsrisico lager is dan de oriëntatiewaarde, kan overeenkomstig artikel 8 van het Bevt volstaan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (BLEVE scenario) worden meegenomen in de verantwoordingsrapportage van de hoogte van het groepsrisico. Bovendien moet er aandacht besteed worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt art 7). Bij incident met toxische stoffen op de A9 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. In dit kader is een verantwoording groepsrisico opgesteld (Kragten, d.d. 1 december 2022, SRO050), zie bijlagen bij toelichting , bijlage 4. Bevt- Water-, weg- en spoorwegtransport In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd:
•
mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;
•
zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.
Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over N9 dient binnen de planlocatie rekening gehouden te worden met een BLEVE scenario. BLEVE scenario BLEVE is een afkorting voor "Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistof-gasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. Bestrijdbaarhed/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan geacht worden aan het voldoende/edquaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van brandweer Nederland. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit bovengevende handreiking volgt advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van de calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar is.
35
Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk van het soort project en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat met gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmederwerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bestrijdbaarheid BLEVE scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of -container meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden van zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen.
Het plan betreft de nieuwbouw van appartementen. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, is het uitgangspunt dat zij door zelfredzame personen in veiligheid gebracht worden. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de weg af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals waarschuwings- en alarmeringssysteen en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario's). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies te worden voorgelegd aan de regionale Brandweer dan wel de Veiligheidsregio.
De aanvullende adviezen van de brandweer of veiligheidsregio dient de gemeente Alkmaar mee te wegen in haar besluitvorming. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet in de buurt van buisleidingen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op ruim 1 km afstand. De risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Inrichtingen Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een risicovolle inrichting in de vorm van een LPGtankstation. Het LPG-tankstation valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op grond van het Bevi en het Revi bedraagt het invloedsgebied 150 meter rondom het LPG-vulpunt en het LPG-reservoir. Verder geldt op grond van de circulaire effectafstanden LPG-tankstations een effectafstand van 160 meter rondom het LPG-vulpunt. Het plangebied is gelegen op 200 meter van het LPG-vulpunt en is gelegen buiten de invloedsgebied van het LPG-tankstation en buiten de effectafstanden. Het plangebied
36
is gelegen buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen. De aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De appartementen worden gezien als een gevoelige bestemming. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De planlocatie bevindt zich in een gebied waar zich zowel woningen, horeca als bedrijven bevinden. Daarnaast ligt het plangebied aan de N9 en het verkeersplein Kooimeer. Daarmee kan gesteld worden dat het plangebied in een gebied ligt met het omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden worden hierdoor verlaagd met één afstandstap, behalve voor het aspect gevaar. De werkelijke afstand is gemeten tot aan de gevel van de beoogde woningen.
37
In de navolgende tabel is staan de milieubelastende activiteiten in de omgeving weergegeven. Activiteit
SBI-2008
Adres
Milieucategorie
Richtafstand
Horeca
5510, 561, 563
1
0m
Kantoren
63, 69 t/m71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 9491
1
0m
20 m
2
10 m
20 m
473
Arcadialaan 4 t/m 10 Arcadialaan 16 t/m 32 Rhijnvis Feithlaan 51 Rijksweg A9 9
Kortste afstand tot de woningen (m) 30 m
3.1
30 m
165 m
931
Stadionweg 1
4.2
200 m
100 m
Kerk Benzineservice-station met LPG < 1000 m3/jr AZ Stadion
Zoals in de bovenstaande tabel is af te lezen wordt er voor het grootste deel van de bedrijven rondom het plangebied voldaan aan de gestelde richtafstanden uit de VNG-publicatie. Voor het voetbalstadion van AZ wordt niet voldaan aan de gestelde richtafstand. Door Adviesburo Van der Boom (projectnummer 22207, d.d. 8 november 2023) is onderzocht welke geluidbelasting ontstaat op het VTC-gebouw t.g.v. de activiteiten bij het AFAS-stadion, zie bijlagen bij toelichting, zie bijlage 5. Door Adviesburo Van der Boom is vastgesteld dat er in de dag- en avondperiode piekniveaus optreden van 82 dB(A). Daarmee wordt de richtwaarden voor gemengd gebied overschreden. In het verlengde daarvan is geconcludeerd dat voor de nieuw te realiseren woningen 'akoestische ruimte' moet worden gereserveerd om AZ niet in haar bedrijfsvoering te belemmeren. Uitgaande van deze reservering is door buro SRO aan akoestische beschouwing opgesteld. In deze beschouwing wordt, middels het stappenplan van de VNG, gemotiveerd waarom woningbouw binnen de richtafstanden en in afwijking van de gangbare geluidsniveaus acceptabel worden geacht en daarmee dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus op de gevel dienen de binnenniveaus in een woonverblijf te worden gegarandeerd.
De maximale geluidniveaus mogen binnen in de avond niet hoger zijn dan 50 dB(A); dat vergt dus een geluidwering van de gevel van ten minste 82 - 50 = 32 dB(A) op de hoogst geluidbelaste gevels. Met aanvullende geluidwerende voorzieningen is een dergelijke geluidwering haalbaar. In lijn met de onderbouwing is geborgd dat de gevelwering minimaal 32 dB(A) moet bedragen. Dit zal in het kader van de aanvraag 'bouw' nog wel aangetoond moeten worden. In aanvulling op deze beschouwing zal door de gemeente Alkmaar, in het kader van de nog af te geven milieuverguning voor AZ, de noodzakelijke akoestische ruimte voor AZ in de vergunning worden geborgd. Daarmee wordt AZ niet in haar gebruiksmogelijkheden beperkt. De te treffen gevelmaatregelen, die bij het nieuw te realiseren woongebouw noodzakelijk zijn, zijn juridisch geborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
4.9 Archeologie Archeologie gaat over de (verwachte) cultuurhistorische waarde in de bodem. Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden. Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.
38
Planspecifiek Het plangebied beschikt in het geldende bestemmingsplan niet over een archeologische dubbelbestemming. De nu geldende gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is op 28 november 2024 vastgesteld. Deze kaart maakt onderdeel uit van de beleidsnota Erfgoed Alkmaar 2016 - 2026 en de Erfgoedverordening Alkmaar zoals vastgesteld door de gemeenteraad. De raad heeft middels deze vaststelling en de laatste actuele kaart gebieden aangewezen waar archeologische waarden worden verwacht. Op de laatste archeologische verwachtingskaart is voor het plangebied de verwachtingslaag Waarde D opgenomen. Dit betekent dat archeologische maatregelen nodig zijn bij verstoring van meer dan 500 m² en meer dan 40 cm diepte. Met de beoogde ontwikkeling worden deze vrijstellingswaarden overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk en zal voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning uitgevoerd worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.10 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Planspecifiek De (te verwijderen) bebouwing in het plangebied heeft geen monumentale status en is geen beeldbepalend pand. Bij de herontwikkeling zijn geen andere (mogelijk) cultuurhistorisch waardevolle structuren in het geding. Vanuit cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
39
4.11 Boomeffectrapportage Het beoogde plan voorziet in een volledige herinrichting van het bestaande parkeerterrein. Op het huidige parkeerterrein zijn tien bomen aanwezig. In het kader van de beoogde herinrichting is Bomen inventarisatie opgesteld, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9. De onderstaande afbeelding geeft een overzicht weer van de bestaande bomen.
Overzicht bestaande bomen
Op het midden van het terrein zijn 8 iepen (Ulmus) aanwezig waarvan er twee de iepziekte hebben. De levensverwachting van een boom met iepziekte kan sterk variëren. Iepziekte wordt veroorzaakt door een schimmel en kan leiden tot de verwelking en uiteindelijke dood van iepenbomen. In sommige gevallen kan een iepenboom met iepziekte binnen enkele jaren na de infectie sterven. In andere gevallen kan de boom gedurende meerdere jaren overleven. Over het algemeen kan gesteld worden dat iepenbomen met iepziekte uiteindelijk zullen sterven. Uit de inventarisatie komt naar voren dan 4 bomen gerooid zullen moeten worden. Eén boom is mogelijk te behouden. Hiervoor zullen beschermende maatregelen getroffen worden. Om het terrein te vergroenen wordt voorzien in de aanplant van circa 50 nieuwe bomen. Het inrichtingsplan voor het parkeerterrein voorziet in de aanplant van circa 50 nieuwe bomen. Hiermee krijgt het plangebied een meer groen karakter dan in de huidige situatie. De onderstaande afbeelding laat de beoogde inrichting zien van het parkeerterrein met de daarbij voorziene bomen.
40
Inrichtingstekening parkeerterrein met te kappen en nieuw aan te planten bomen
4.12 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersen parkeerstructuur in en rondom het plangebied. 4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenterrein. Het plangebied is gelegen aan de Rhijnvis Feithlaan binnen de bebouwde kom van de gemeente Alkmaar. De ontsluiting vindt plaats direct op de Rhijnvis Feithlaan en de Arcadialaan.
Voor een kantoor met een oppervlakte van ca. 7.000 m² geldt conform CROW-publicatie 381 'commerciële dienstverlening (kantoor zonder baliefunctie)' een verkeersgeneratie van 392 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk'.
41
Ontwikkeling Voor de beoogde situatie geldt dat het bestaande kantoor wordt gesaneerd en daarvoor in de plaats worden 79 appartementen verdeeld over een tweetal bouwblokken gerealiseerd. De ontsluiting wordt gewijzigd maar zal aan de Arcadialaan en Rhijnvis Feithlaan blijven. Echter treedt er door de functiewijziging van kantoor naar wonen een verandering op qua verkeersgeneratie. Uitgaande van de 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk'. Soort woning Huur,appartement,midden/goedkoop (incl.sociale huur)
Aantal appartementen 79
Verkeersgeneratie
Totaal aantal
3,6
284,4
Voor een berekening van de verkeersgeneratie als gevolg van het realiseren van 79 appartementen is tevens gebruikgemaakt CROW-publicatie 381. De beoogde ontwikkeling voorziet in een verkeersgeneratie van ca. 285 verkeersbewegingen per etmaal. Ten opzichte van de bestaande situatie treedt hierin een afname op. Er kan geconcludeerd worden dat de verkeersbewegingen voor geen belemmering zorgen. 4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen.
Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk beleid De gemeente van Alkmaar heeft voor de berekening en waarborging van voldoen parkeerplekken van motorvoertuigen binnen de Parkeernormennota Alkmaar 2020-2027 opgesteld. Op basis van deze nota zal de verwachte parkeerbehoefte worden berekend. Planspecifiek Door de gemeente Alkmaar is de ‘Parkeernormennota 2020-2027’ opgesteld, er wordt gesteld dat een nieuwe ontwikkeling in beginsel moet voldoen aan de minimumnorm. Deze is gebruikt om de parkeerbehoefte te berekenen, uitgaande van de parkeernorm horende bij het gebiedstype 'overig'. Het parkeren moet integraal en voor alle functies binnen het gebied (kantoren, restaurant en hotel) worden opgelost. Voor hotel Alkmaar geldt daarmee dat de huidige parkeervraag als uitgangspunt is genomen om ook in de nieuwe situatie in te passen. Het parkeren is geconcentreerd op maaiveld tussen de nieuwe bouwblokken. Daarnaast is er een ondergrondse parkeergarage aanwezig. Hiervan uitgaande zijn de volgende parkeerplaatsen benodigd: Parkeerplaatsen 162 182 344
bestaand parkeeraanbod Victory Building locatie (inclusief kelder) parkeeraanbod nieuwe VTC locatie Totaal parkeeraanbod
Zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8 voor de parkeerberekening. In totaal zullen er 344 parkeerplekken voor het gebied beschikbaar zijn. Uit de parkeerberekening komt dat de parkeervraag op het maatgevend moment 344 parkeerplaatsen benodigd zijn. Dit kan opgevangen worden met de te realiseren parkeerplaatsen. De onderstaande afbeelding laat het parkeerterrein zien met het benodigd aantal parkeerplaatsen.
42
Inrichtingstekening met het aantal parkeerplaatsen
Geconcludeerd kan worden is dat parkeren geen belemmering zorgt voor het voorgenomen plan.
43
4.13 Winderhinder Windhinder bij hoogbouw is een belangrijk en veelvoorkomend fenomeen in stedelijke omgevingen. Windhinder kan variëren van ongemak en geluidsoverlast tot ernstige veiligheidsproblemen. Het begrijpen van de oorzaken van windhinder bij hoogbouw en het ontwikkelen van effectieve maatregelen om het te minimaliseren is essentieel om het comfort en de veiligheid van stadsbewoners te waarborgen en de duurzaamheid van hoogbouwprojecten te bevorderen. Het beoogde bouwplan kent een bouwhoogte van meer dan 25 meter. Voor dergelijke bouwwerken is het van belang inzicht te krijgen of, als gevolg van het bouwplan, er windhinder kan ontstaan. Door Peutz is een windklimaatonderzoek uitgevoerd met behulp van CFD. Een windhinderonderzoek met CFD (Computational Fluid Dynamics) wordt uitgevoerd om te analyseren hoe de wind zich gedraagt rond gebouwen en andere structuren en om mogelijke hinder of risico’s voor voetgangers in kaart te brengen. Middels een driedimensionaal computermodel worden windstromen gesimuleerd en eventuele risico's in kaart gebracht. Planspecifiek Peutz heeft een onderzoek (Peutz, 15 oktober 2024) gedaan naar de verwachte windomstandigheden rond de nieuw geplande bebouwing op de VTC-locatie in Alkmaar.
Het doel van dit onderzoek was om inzicht te krijgen in het verwachte windklimaat en om te beoordelen hoe dit de directe omgeving van de nieuwe gebouwen beïnvloedt. Voor dit onderzoek heeft Peutz gebruikgemaakt van de Nederlandse norm NEN 8100:2006, die richtlijnen geeft voor windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving. De belangrijkste bevindingen zijn als volgt: Matig windklimaat rond de nieuwbouw: In een aantal gebieden rondom de nieuwbouw wordt een matige windklasse (klasse D) verwacht, wat betekent dat de wind daar wat hinderlijk kan zijn. Dit komt vooral door de open ligging van het gebouw aan de zuidwestzijde. Zonder de lagere bouwdelen van het gebouw zou de situatie daar waarschijnlijk nog minder gunstig zijn. Mogelijke maatregelen voor verbetering: Om de windomstandigheden in deze gebieden te verbeteren, kunnen we windremmende elementen toevoegen, zoals bijvoorbeeld begroeiing. Dit kan helpen om de wind te verminderen op de plekken waar nu hinder wordt verwacht. Kleine risicoplek bij de zuidoosthoek: Uit de berekeningen blijkt dat er een klein gebiedje is bij de zuidoosthoek van het gebouw waar sprake is van een beperkt risico op windgevaar. Volgens de norm mag hier geen windgevoelige functie worden geplaatst zonder extra maatregelen. Om het windklimaat op deze plek te verbeteren, kan een halfdoorlatend scherm langs de oostgevel worden aangebracht.
Goede windomstandigheden langs de gevel: Op de meeste plekken langs de gevel is het windklimaat goed genoeg om zonder extra maatregelen entrees te realiseren. Dit zijn de plekken met een windklasse A en B, wat staat voor een comfortabel klimaat waar men rustig kan lopen en slenteren. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt gekeken of met de aanbevelingen rekening gehouden kan worden.
44
4.14 Bezonning Een bezonningsstudie is een essentieel instrument binnen de ruimtelijke ordening en stedenbouw. Het brengt in kaart hoe zonlichtinval en schaduwvorming zich gedurende de dag en verschillende seizoenen ontwikkelen, met naam in relatie tot opbouw en openbare ruimten. Door middel van een bezonningsstudie kunnen mogelijke nadelige effecten, zoals vermindering van daglichttoetreding in woningen of schaduwwerking op openbare ruimten, vermoedelijk worden gesignaleerd. Dit draagt bij aan een afgewogen oplossing en een optimale ruimtelijke inrichting . Voor bezonningstudies gelden geen wettelijk vastgestelde normen. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningstudie op te stellen. In een bezonningsstudie wordt bekeken wat de effecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling op de omliggende bebouwing. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Door TNO zijn minimum- en streefnormen voor bezonning voorgesteld, afgeleid van de Engelse wetgeving.
Planspecifiek Om te bepalen of het beoogde plan (negatieve) invloed heeft, voor wat betreft bezonning, op de omliggende woningen is een bezonningsstudie uitgevoerd door GEO architecten. Deze studie is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Uit de studie blijkt dat er wel een beperkte verslechtering voor de omliggende (woon)bebouwing optreedt als gevolg van de beoogde nieuwbouw. Deze nadelige effecten doen zich voornamelijk voor in de wintermaanden waar de zon laag staan. In het voorjaar en de zomer zijn de effecten (zeer) beperkt. Ruimtelijk is het plan op dit aspect aanvaardbaar.
45
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
46
•
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek zoals dat gangbaar is in Alkmaar. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor zowel water als groen. Wonen Aan de te realiseren appartementengebouwen is de bestemming 'Wonen' toegekend. Er zijn twee bouwvlakken aangeduid, waarbinnen de twee appartementengebouwen moeten worden opgericht. Voor de verschillende appartementengebouwen zijn verschillende bouwhoogten opgenomen. Het aantal appartementen wordt geregeld in de regels en een aanvullende aanduiding op de verbeelding. Verder is de aanduiding gestapeld opgenomen binnen de bouwvlakken. Leiding - Water Voor de gronden met de bestemming Leiding – Water geldt dat deze primair mede bestemd zijn voor een waterleiding. Bouwen op deze gronden is mogelijk, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Waarde – Archeologie E Om mogelijke archeologische erfgoed te behouden, is de bestemming 'Waarde – Archeologie E' opgenomen. Binnen het aangegeven gebied dient een onderzoek plaats te vinden om te bepalen of er archeologische overblijfselen aanwezig zijn en of deze in gevaar kunnen komen bij ingrepen die dieper gaan dan 0,40 meter over een oppervlakte groter dan 10.000 m².
Het oppervlak en de diepte zijn cumulatieve voorwaarden, wat betekent dat als de ingreep kleiner is dan de vrijgestelde diepte of oppervlakte, archeologisch onderzoek niet vereist is.
47
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek In het kader van deze planontwikkeling wordt tussen de gemeente Alkmaar en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Omdat ook gronden van de gemeente worden verkocht wordt aanvullend ook een verkoop- en leveringsovereenkomst gesloten. Ten behoeve van het eventuele verhaal van tegemoetkomingen in planschade wordt ook een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
48
6.2.1 Participatie Voor de beoogde ontwikkeling is een participatieplan opgesteld door de initiatiefnemer. Dit plan is met de gemeente Alkmaar besproken en door hen goedgekeurd Het participatietraject is in november 2022 van start gegaan met een 1e informatie bijeenkomst voor omwonenden. Omwonenden en belanghebbenden zijn aangeschreven met een uitnodigingsbrief en nadien is een nieuwsbrief bij ieder adres gepost met een verslaglegging van de eerste bijeenkomst. De nieuwsbrief en contactgegevens van de initiatiefnemer zijn gepubliceerd op een website. De website is in de nieuwsbrief kenbaar gemaakt. De bevindingen van omwonenden en belanghebbenden zijn opgesomd in een participatierapport incl. een voorstel voor de te nemen maatregelen. Dit document is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Op 30 november 2023 is een 2e bijeenkomst geweest. Op deze avond zijn de verder uitgewerkte plannen aan belangstellenden en omwonenden gepresenteerd. Van deze avond is eveneens een verslag gemaakt. De verslagen van deze bijeenkomsten zijn toegevoegd als bijlage bij het plan. 6.2.2 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijke vooroverleg is het concept plan toegezonden aan verschillende instanties. Van 10 instanties is een reactie ontvangen. De reacties en antwoorden hierop zijn opgenomen in de reactienota vooroverleg. Dit stuk is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.
6.2.3 Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
49