CConstaterende datAlkmaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Motivering op aanvraag (25 april 2025)

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente AlkmaarBij agendapunt: Raadsvoorstel Advies Bopa nieuwe trainingslocatie politie Loodpolderweg 2-418.549 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

30

Projectgerelateerd

worden gehouden met de landschappelijke en natuurwaarden en wordt er gezorgd voor een zorgvuldige inpassing die bijdraagt aan de kernkwaliteiten van het landschap.

6.10.2 Effecten In paragraaf 3.3 is de ruimtelijke inpassing en uitstraling van de beoogde ontwikkeling toegelicht. Op de aangegeven manier wordt zoveel mogelijk aangesloten op het huidige landschap. De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in een gebied dat door de Provincie Noord-Holland is aangewezen als Beschermd Landschap (BL). De regels voor (stedelijke) ontwikkeling in BL hoeven dan ook niet meegenomen te worden (zie ook hoofdstuk 6.12.2.1).

6.11

Luchtkwaliteit

6.11.1 Beleid en regelgeving In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring van de kwaliteit van de leefomgeving. Op grond van het Bkl moet aan de volgende wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit voldaan worden: 1. De projectlocatie bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied voor NO2 of PM10. De beoordeling van de luchtkwaliteit is beperkt tot deze aandachtsgebieden, omdat er buiten de aandachtsgebieden geen sprake is van een dreigende overschrijding van NO2 en PM10 (artikel 5.51 Bkl). 2. Het project leidt niet tot overschrijding van (rijks)omgevingswaarden zoals vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 3. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (artikel 5.53 en 5.54 Bkl). Wanneer een project voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. De beoordeling van de luchtkwaliteit is sinds de invoering van de Omgevingswet beperkt tot de aandachtsgebieden voor NO2 of PM10, omdat er buiten de aandachtsgebieden geen sprake is van een dreigende overschrijding van NO2 en PM10. In Figuur 15 zijn de aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 weergegeven.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

31

Projectgerelateerd

Figuur 15 Aandachtsgebieden voor NO2 of PM10

Milieubelastende activiteit Een binnenschietbaan is aangewezen als een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Bal (artikel 3.311 Bal). Bij het verrichten van deze activiteit wordt voldaan aan de regels in paragraaf 4.59 van het Bal. Deze regels omvatten onder andere dat, in relatie tot een binnenschietbaan: • •

•

Met het oog op het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht, de lucht wordt afgezogen; Voldaan wordt aan de emissiegrenswaarde van 5 mg/nm3, tenzij aangetoond wordt dat een bedrijf onder de vrijstellingsgrens van 100 kilo stofemissie per jaar blijft. Hier wordt aan voldaan als de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheiden worden gevoerd. Emissies in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd worden.

6.11.2 Effecten De beoordeling van de luchtkwaliteit is sinds de invoering van de Omgevingswet beperkt tot de aandachtsgebieden voor NO2 of PM10. De projectlocatie bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied voor NO2 of PM10, waaruit volgt dat het project voldoet aan artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarmee het project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Omdat oktober jongstleden de herziene richtlijn voor luchtkwaliteit voor de EU is aangenomen met strengere grenswaarden en de nationale wetgeving eind 2026 hiermee overeen moet komen, wordt aanvullend 25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

32

Projectgerelateerd

gekeken of er wordt voldaan aan de nieuwe grenswaarden. De minimale en maximale concentraties die zijn berekend zijn weergegeven in Tabel 3. Uit de resultaten van de modelberekeningen blijkt dat in de beoogde situatie wordt voldaan aan de nieuwe grenswaarden voor de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties. Het project voldoet hiermee ook aan de herziene richtlijn voor luchtkwaliteit. De effecten van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn in meer detail uiteengezet in bijlage A5. Tabel 3 Minimale en maximale jaargemiddelde concentratie (NO2, PM10 en PM2.5) ter hoogte van rekenpunten (zie bijlage 5) Range (min – max) van jaargemiddelde NO2concentratie (µg/m3)

Range (min – max) van jaargemiddelde PM10concentratie (µg/m3)

Range (min – max) van jaargemiddelde PM2.5concentratie (µg/m3)

Omgevingswaarde

40

40 (32,5 2)

25 3

EU grenswaarde 2030

20

20

10

10,7 - 17,7

13,3 - 14,5

6,0 - 6,6

Beoogde situatie

In het kader van de schietbaan als milieubelastende activiteit worden de benodigde voorzieningen getroffen om te voldoen aan het Bal.

6.12

Natuur

6.12.1 Beleid en regelgeving Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen impact hebben op beschermde natuurgebieden, plant- en diersoorten, en houtopstanden. In de Omgevingswet (het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn regels opgenomen ter bescherming van soorten en gebieden.

6.12.1.1 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied De minister wijst Natura 2000-gebieden aan en legt de instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden vast (artikel 2.44, Ow). Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effect hebben op deze Natura 2000-gebieden. Van een omgevingsvergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit (Artikel 5.1, eerste lid, onder e Ow) is sprake als de voorgenomen ontwikkeling significant verstorende gevolgen kan hebben op een Natura 2000gebied. Tot het moment dat is uitgesloten dat sprake zal zijn van significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied geldt een mogelijke vergunningplicht, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In paragraaf 11.1.2 van het Bal staat voor welke Natura 2000-activiteiten geen vergunningplicht geldt. Van significant verstorende gevolgen kan sprake zijn als een toename van stikstofdepositie (meer dan 0,00 mol/ha/jaar) aan de orde is. Ook kan sprake zijn van significant verstorende gevolgen als door (tijdelijke) werkzaamheden in/op/nabij Natura 2000-gebieden effecten optreden met een andere oorzaak dan stikstofdepositie. Bij de beoordeling of sprake is van significant verstorende gevolgen moet onderscheid gemaakt worden tussen de gebruiksfase enerzijds en de aanlegfase anderzijds. Voor beide fasen moet een AERIUS2

Bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3 en hoger vindt overschrijding van de dagnorm (24-uurgemiddelde) plaats. De omgevingswaarden in de tabel gelden voor decentrale overheden. Daarnaast geldt voor het Rijk voor PM2,5 ook een (3jaargemiddelde) blootstellingsconcentratieverplichting voor stedelijke bevolking van 20 μg/m3 (resultaatsverplichting) en 14,4 μg/m3 (inspanningsverplichting). Lokale overheden hoeven niet te toetsen aan deze blootstellingsconcentratieverplichting. 3

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

33

Projectgerelateerd

berekening uitgevoerd worden om uit te sluiten of sprake zal zijn van significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied in deze fasen. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland wordt aangewezen in de provinciale omgevingsverordening (artikel 7.6 Bkl). Op grond hiervan hebben Provinciale Staten in de omgevingsverordening NH2022 in artikel 6.51 het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Nieuwe activiteiten of wijzigingen van bestaande activiteiten binnen het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland of het werkingsgebied natuurverbindingen zijn niet toegelaten als die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden, of als deze leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of samenhang (artikel 6.54, omgevingsverordening NH2022). In een aantal gevallen zijn uitzonderingen mogelijk, waaronder gevallen waarin: •

• •

Er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en warden, oppervlakte en samenhang worden beperkt met mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd. De activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten op gebiedsniveau leiden tot duidelijke aantoonbare meerwaarde voor het NNN of de natuurverbindingen. Er sprake is van kleine wijzigingen of toevoegingen die duidelijk ondergeschikt zijn aan de bestaande activiteiten.

6.12.1.2 Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g Ow is sprake van een vergunningplicht voor de flora- en fauna activiteit als sprake is van een overtreding als bedoeld in afdeling 11.2 van het Besluit activiteit leefomgeving (de bepalende AMvB ten aanzien van beschermde soorten waarvoor een vergunningplicht aan de orde kan zijn. Als uit een natuurtoets blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen schadelijke gevolgen heeft voor planten/of diersoorten als genoemd in afdeling 11.2 van het Bal, is sprake van een omgevingsvergunningplicht voor de flora- en fauna activiteit. Pas als onderzoek is verricht naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten door de voorgenomen ontwikkelingen en als in deze onderzoeken is vastgesteld dat geen sprake zal zijn van een (mogelijke) verstoring van beschermde plant-/diersoorten, is een omgevingsvergunningplicht voor de flora- en fauna activiteit uit te sluiten. Net als bij de Natura 2000-activiteit is Gedeputeerde Staten bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna activiteit (artikel 4.6, eerste lid, onder e Omgevingsbesluit).

6.12.1.3 Houtopstanden Indien te kappen bomen binnen de bebouwingscontour houtkap (als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving) gelegen zijn, dient de kap enkel getoetst te worden aan de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) van de gemeente en het omgevingsplan. Zijn de te kappen bomen buiten de bebouwingscontour houtkap gelegen, dan dient aan de VFL, aan het omgevingsplan en aan het Besluit activiteiten leefomgeving getoetst te worden. Mogelijk kan voor de kap van de houtopstanden tevens een omgevingsvergunning van de gemeente aan de orde zijn vanwege bepalingen in de VFL of planregels in het omgevingsplan. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan zelf regels stellen over de kap van houtopstanden. In een omgevingsplan wordt voor toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a van het Bal een bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied (artikel 5.165b Bkl).

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

34

Projectgerelateerd

Overgangsrecht Zolang in het omgevingsplan geen bebouwingscontour houtkap is aangewezen, geldt de bij besluit van de gemeenteraad aangewezen bebouwde kom bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming (artikel IV, Aanvullingsbesluit Natuur). De gemeente Alkmaar heeft nog geen bebouwingscontour houtkap vastgesteld. De bebouwde kom grens uit Figuur 16 geldt.

Figuur 16 Bebouwde kom op grond van de Wet natuurbescherming

De gemeente Alkmaar heeft in de verordening fysieke leefomgeving alle gemeentelijke verordeningen gebundeld tot één samenhangend verordening. De verordening fysieke leefomgeving wordt verwerkt in het omgevingsplan. In hoofdstuk 9 van de verordening zijn de regels ten aanzien van het vellen van houtopstanden beschreven. Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen (artikel 9:3, kapvergunning).

6.12.2 Effecten Ter bepaling van de effecten van de beoogde ontwikkeling op beschermde gebieden en op beschermde plant- en diersoorten is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit document is te vinden in bijlage A6. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen uit de quickscan samengevat.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

35

Projectgerelateerd

6.12.2.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebied Het besluitgebied ligt op meer dan vijf kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Eilandspolder. Gezien de afstand tussen het besluitgebied en dit Natura 2000-gebied, de afscherming door groengebieden en stedelijk gebied tussen het besluitgebied en het Natura 2000-gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden en ontwikkeling, worden op voorhand geen direct negatieve gevolgen verwacht van de ontwikkeling zoals licht, geluid of optisch verstoring. Er hoeft ten aanzien van deze aspecten geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. In het kader stikstofdepositie is een AERIUS-berekening (zie bijlage A7) uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Tijdens de aanlegfase worden diverse brandstof aangedreven machines ingezet. De AERIUS-berekening voor de stikstofdepositie als gevolg van de inzet van de mobiele werktuigen en het bouwverkeer tijdens de aanlegfase laat zien dat er geen toename van stikstofdepositie is (0,00 mol N/ha/j). Hiermee kunnen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Ten aanzien van de gebruiksfase leidt de beoogde ontwikkeling tot gewijzigde activiteiten en een verandering in de verkeerssituatie. Dit leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie. De stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase betreft 0,00 mol N/ha/j.

De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het besluitgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Het planvoornemen ligt op circa 1.2 kilometers afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op NNN-gebied. Beschermd Landschap Het besluitgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Beschermd Landschap (BL). Ook is het besluitgebied niet in de directe omgeving van het BL gelegen. Het dichtstbijzijnde PL ligt op 0,7 kilometer afstand van het planvoornemen. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op het BL.

6.12.2.2

Soortenbescherming

De beoogde ontwikkeling kan van invloed zijn op beschermde plant- en diersoorten. In Tabel 4 is inzichtelijk gemaakt welke soorten in het verleden of tijdens het uitgevoerde veldbezoek zijn aangetroffen in of nabij het besluitgebied. Veel van deze informatie komt uit de Nationale Database voor Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast is in deze tabel aangegeven welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn, en welke gebruiksfunctie het besluitgebied kan hebben voor deze soorten.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

36

Projectgerelateerd

Tabel 4 Aanwezige beschermde soorten in het besluitgebied

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Aangetroffen nabij het besluitgebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in besluitgebied

Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het besluitgebied

Planten

Nee

Nee

Nee

Vissen

Nee

Nee

Nee

Amfibieën

NDFF

Nee

Nee

Broedvogels met nietjaarrond beschermde nesten

Veldbezoek, NDFF

Ja

Niet-jaarrond beschermde nesten

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

NDFF

Ja

Jaarrond beschermde nesten (roofvogels en uilen)

Grondgebonden zoogdieren

NDFF

Ja

Voortplantingsbiotoop (kleine marterachtigen)

Vleermuizen

NDFF

Ja

Verblijfplaatsen/ foerageergebied/ vliegroute (meerdere soorten)

Overige beschermde fauna

NDFF

Nee

Nee

Op basis van bovenstaande informatie zijn negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op beschermde soorten (indien aanwezig) niet uit te sluiten. In Tabel 5 is een overzicht opgenomen van de soorten of soortgroepen waar vervolgonderzoek voor verricht moet worden. Het gaat om kleine marterachtigen, algemene gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en boombewonende soorten zoals ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. Het besluitgebied biedt naast mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen ook mogelijk essentieel leefgebied voor deze soorten in de vorm van vliegroutes en foerageergebied. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. Het vervolgonderzoek wordt uitgevoerd. Deze vervolgonderzoeken worden opgeleverd in september 2025. Wanneer er aan bomenrijen gewerkt gaat worden of wanneer er in het broedseizoen gewerkt gaat worden, zijn potentiële negatieve effecten voor mogelijk aanwezige roofvogels en uilen, zoals de boomvalk, buizerd, sperwer, havik en ransuil, niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek is alleen nodig wanneer de werkzaamheden ook de bomenrijen betreffen of wanneer deze worden uitgevoerd in het broedseizoen. Als er niet gewerkt wordt aan de bomenrijen en er buiten het broedseizoen wordt gewerkt, worden er geen negatieve effecten voor deze soorten verwacht.

Afhankelijk van de aard en fasering van uiteindelijke werkzaamheden wordt voldaan aan genoemde voorwaarden.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

37

Projectgerelateerd

Tussentijdse resultaten vervolgonderzoek In december 2024 is er een deeloplevering geweest van de tussentijdse conclusies van het vervolgonderzoek. Deze memo is in bijlage A12 opgenomen. Er zijn vleermuizen aanwezig maar in dit stadium is het nog te vroeg om te bepalen of ze binding hebben met de bebouwing en/of het gebied gebruikt wordt als essentieel leefgebied of vliegroute. Er zijn geen kleine marterachtigen aanwezig maar wel is reeds geconcludeerd dat het projectgebied een leefgebied is van een Steenmarter. Als leefgebied van de Steenmarter verstoort of verdwijnt door de werkzaamheden moet er een vergunning aangevraagd worden voor een flora en fauna activiteit. In dat kader wordt reeds rekening gehouden met het nemen van de volgende mitigerende maatregelen om verstoring van de steenmarter zo veel mogelijk te voorkomen: -

Het projectgebied wordt buiten de kwetsbare periode van maart t/m augustus ongeschikt gemaakt voor de soort Evt. compenserende maatregelen worden getroffen zoals het aanleggen van takkenrillen en marterboxen

Het uitgangspunt is dat er voldoende mogelijkheid is om mitigerende en compenserende maatregelen te treffen om verstoring zo veel mogelijk te voorkomen, waarmee het verkrijgen van de benodigde vergunning haalbaar is.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

38

Projectgerelateerd

Tabel 5 Periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het besluitgebied (* = te combineren met andere bezoeken)

Soort/Soortgroep

Onderzoeksperiode

Aantal bezoeken

Sperwer

Half maart - juni

2-4

Ransuil

Half maart - juni

2-4

Buizerd

Maart – half mei

2-4

Havik

Half maart – juni

2-4

Boomvalk

Mei – augustus

2-4

Vogels

Grondgebonden zoogdieren Camera/vallenonderzoek zoogdieren

(jaarrond)

3 (materialen uitzetten, controleren, ophalen)

Bunzing

Juni – half november

1

Hermelijn

Juni – half november

1

Wezel

Juni – half november

1

Vleermuizen Vliegroutes, foerageergebied

April – november

Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken)

Paarverblijven en zwermgedrag (2 bezoeken)

Gewone dwergvleermuis

Half mei – half juli

Augustus - oktober

1*

Ruige dwergvleermuis

Half mei – half juli

Augustus - oktober

1*

Laatvlieger

Half mei – half juli

Augustus - oktober

1*

Rosse vleermuis

Juni – half juli

Half juni – half juli

1*

Watervleermuis

Juni – half juli

Augustus - oktober

1*

Alle soorten

6.12.2.3

2*

Houtopstanden

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden er mogelijk een aantal bomen gekapt. Het besluitgebied, inclusief de te kappen bomen, is gelegen binnen de bebouwde kom (zoals vastgesteld onder de Wet natuurbescherming) van de gemeente Alkmaar. De rijksregels uit het Bal zijn niet van toepassing. Voor het vellen van houtopstanden is een omgevingsvergunning (kapvergunning) vereist.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

39

Projectgerelateerd

6.13

Omgevingsveiligheid

6.13.1 Beleid en regelgeving In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen ten aanzien van externe veiligheid. Vanuit het Bkl zijn er twee toetsingscriteria, het plaatsgebonden risico (PR) en de aandachtsgebieden. Het PR en de aandachtsgebieden gelden voor de activiteiten genoemd in bijlage VII van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn alle (Bal) activiteiten opgenomen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. De activiteiten genoemd in bijlage VII Bkl zijn in dit onderzoek gedefinieerd als: risicovolle activiteiten. In bijlage VII Bkl zijn de risicovolle activiteiten gecategoriseerd en zijn het PR en de aandachtsgebieden bepaalt. Het doel van het landelijk externe veiligheidsbeleid is om mensen die zich in gebouwen bevinden te beschermen. Voor gebouwen geldt dat op basis van de mate van kwetsbaarheid een hogere mate van bescherming gewenst tegen externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VI van het Bkl zijn drie categorieën gebouwen en twee categorieën locaties gedefinieerd. Dit betreft beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, direct overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof of windturbine. In een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor de BOPA wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een risicovolle activiteit in acht genomen. Dit betreft een PR van ten hoogste 1 op de 1.000.000 (één miljoen) per jaar, ofwel PR 10-6 per jaar. Deze grenswaarde wordt gehanteerd voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Dit betekent dat de ontwikkeling van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties is uitgesloten binnen de PR 10-6 per jaar contour. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt een standaardwaarde van PR 10-6 per jaar. Ook voor deze standaardwaarde geldt dat de ontwikkeling is uitgesloten binnen de PR 10-6 per jaar contour. Gemeenten mogen van deze standaardwaarde afwijken, maar dienen hiervoor een gemotiveerde afweging te maken. Artikelen 5.7 t/m 5.11 van het Bkl beschrijven nog enkele uitzonderingen voor het hanteren van deze grens- en standaardwaarden. Aandachtsgebieden Afhankelijk van het type risicovolle activiteit gelden rondom een risicovolle activiteit aandachtsgebieden.

De aandachtsgebieden kunnen een brandaandachtsgebied en/of een explosieaandachtsgebied en/of een gifwolkaandachtsgebied betreffen. Binnen deze aandachtsgebieden moet aandacht worden besteed aan de betreffende risico’s en bijbehorende effecten. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient binnen de aandachtsgebieden rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Voor het brand- en explosieaandachtsgebied geldt dat het bevoegd gezag zogenaamde voorschriftengebieden moet aanwijzen als daar zeer kwetsbare gebouwen worden toegelaten. Het achterwege laten van een aanwijzing van voorschriftengebieden kan gemotiveerd achterwege worden afgeweken als in een gebied kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen worden toegelaten. Binnen een aangewezen voorschriftengebied geldt de verplichting om bouwkundige (of gelijkwaardige) maatregelen te treffen aan nieuwbouw. Binnen een voorschriftengebied gelden de maatregelen voor nieuwbouw voor zowel beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Het aanwijzen van een voorschriftengebied kan niet gedaan worden in een omgevingsvergunning voor de BOPA.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

40

Projectgerelateerd

Een voorschriftengebied hoeft niet voor het gehele aandachtsgebied te gelden. Een gemeente kan er gemotiveerd voor kiezen om slechts een deel van een aandachtsgebied als voorschriftengebied aan te wijzen. Milieubelastende activiteit Een binnenschietbaan is aangewezen als een milieubelastende activiteit (artikel 3.311 Bal). Bij het verrichten van deze activiteit wordt voldaan aan de regels in paragraaf 4.59 van het Bal. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid: • moet voorkomen worden dat afgeschoten kogels buiten het gebouw kunnen komen. Een gebouw waarin de schietbaan ligt, voldoet aan tabel 4.690 uit het Bal (artikel 4.690 Bal). • is in het gebouw een kogelvanger aanwezig (artikel 4.691).

6.13.2 Effecten In het kader van omgevingsveiligheid is een bureauonderzoek naar externe veiligheid verricht. Deze is te vinden in bijlage A8. Het beoogde project maakt geen nieuwe (of uitbreiding van bestaande) risicovolle activiteiten, zoals bedoeld in bijlage VII van het Bkl, mogelijk. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt een inpandige schietbaan en bijbehorende munitieopslag voorzien. In de munitieopslag worden minder dan 250.000 patronen (ADR klasse 1.4) opgeslagen voor wapens. Hiermee valt de munitieopslag niet onder bijlage IX C van het Bkl. Daarmee heeft de munitieopslag geen civiel explosieaandachtsgebied. In het project zijn geen andere ADRklassen voorzien. Het gebruik en de opslag van granaten is uitgesloten binnen het besluitgebied. Er is geen sprake van aandachtsgebieden binnen het besluitgebied. Er is geen noodzaak om een voorschriftengebieden aan te wijzen. In het OBT- en DROS-gebouw zijn gedurende een werkweek meer dan 50 personen per dag aanwezig. Conform bijlage VI van het Bkl is de faciliteit daarmee te kwalificeren als een kwetsbaar gebouw. Om deze reden is de functie die dit project mogelijk maakt relevant in het kader van externe veiligheid en is nader onderzoek gedaan naar de situatie ter plaatse.

Op basis van de Signaleringskaart-EV is onderzocht welke risicovolle activiteiten in de omgeving van het besluitgebied relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Figuur 16 geeft de ligging van de risicovolle activiteiten en de aandachtsgebieden ten opzichte van het besluitgebied weer.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

41

Projectgerelateerd

Figuur 17 Ligging risicovolle activiteiten en aandachtsgebieden ten opzichte van het besluitgebied aangegeven in oranje (uitsnede Signaleringskaart 4)

In de omgeving van het besluitgebied liggen de A9/N9, een aantal hogedruk aardgastransportleidingen en een tankstation met Lpg. Dit zijn risicovolle activiteiten zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl. Figuur 16 laat zien dat het besluitgebied niet binnen de (brand- (rood) en explosie-(oranje)) aandachtsgebieden van deze risicovolle activiteiten ligt. Het besluitgebied ligt daarmee ook niet binnen een PR 10-6 contour van een omliggende risicovolle activiteit. Dit betekent dat de omliggende risicovolle activiteiten geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Het besluitgebied ligt langs de N242. Deze route valt niet onder het basisnet en is daarmee geen risicovolle activiteit conform bijlage VII Bkl. Dit betekent dat de N242 geen plaatsgebonden risicocontour en aandachtsgebieden heeft. Het milieuaspect externe veiligheid ten aanzien van de N242 vormt daarmee geen belemmering voor het project conform het Bkl. Omdat de N242 een provinciale weg betreft is transport van gevaarlijke stoffen over deze route wel mogelijk. De Provincie Noord-Holland heeft alle provinciale wegen opengesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen 5. De gemeente Alkmaar kan advies vragen aan de veiligheidsregio betreffende de risico’s ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de N242. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er een kwetsbaar gebouw mogelijk gemaakt.

Dit kwetsbare gebouw binnen het besluitgebied ligt niet binnen contouren voor het plaatsgebonden risico van risicovolle activiteiten of binnen aandachtsgebieden van omliggende risicovolle activiteiten.

6.14

Ruimte voor toekomstige functies

6.14.1 Beleid en regelgeving Op grond van de instructieregels uit deze paragraaf 5.1.6 van het Bkl mogen activiteiten die met een omgevingsplan worden toegestaan, geen belemmering vormen voor (reserverings)gebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, en buisleidingen van nationaal belang.

4

Signaleringskaart EV, nl.ev-signaleringskaart.nl Laatst geraadpleegd 10 september 2024. Omgevingsveiligheid - Provincie Noord-Holland geraadpleegd 10 september 2014

5

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

42

Projectgerelateerd

6.14.2 Effecten De beoogde ontwikkeling heeft geen raakvlak met de bovengenoemde reserveringsgebieden of met buisleidingen van nationaal belang. De ruimte voor deze toekomstige functies blijft behouden.

6.15

Verkeer en parkeren

6.15.1 Beleid en regelgeving Visie Mobiliteit en Bereikbaarheid 2017-2027 De gemeente Alkmaar heeft haar visie op mobiliteit en bereikbaarheid vastgelegd in de Visie Mobiliteit en Bereikbaarheid 2017-2027. Hierin heeft de gemeente de verkeerskundige uitgangspunten behorende bij bepaalde wegtypen beschreven (Figuur 17).

Figuur 18 Verkeerskundige uitgangspunten wegennet

Parkeernormennota Alkmaar 2020-2027 De gemeente Alkmaar heeft beleidsregels omtrent parkeren opgenomen in de Parkeernormennota Alkmaar 2020-2027. In de nota zijn parkeernomen opgenomen. Deze normen zijn van kracht via het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2018. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Alkmaar. De hoofdregel voor de bepaling van de parkeernorm is dat nieuwe ontwikkelingen voorzien in hun eigen parkeerbehoefte. Bij nieuwbouw wordt altijd de parkeernorm gehanteerd.

6.15.2 Effecten Ontwikkeling verkeersintensiteiten De impact van de trainingslocatie op de verkeersintensiteiten van de omliggende wegen zijn op een rij gezet in Tabel 6. De thermopunten behorende bij de tabel zijn weergegeven in Figuur 18. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling is relatief groot op wegvak 1 tot en met 4. De wegen 1 tot en met 3 zijn erftoegangswegen. Ondanks de relatieve toename passen bij de intensiteiten bij de functie en inrichting van de weg. De gemeente streeft naar een maximale intensiteit van 4.000 – 8.000 mvt/etmaal op dit type weg. De wegen 4 tot en met 7 zijn gebiedsontsluitingswegen. Op dit type weg streeft de gemeente naar een maximale intensiteit van 12.500 mvt/etmaal. Echter zijn deze wegen niet ingericht als gebiedsontsluitingsweg, zoals de gemeente beschrijft in de Visie Mobiliteit en Bereikbaarheid 2017-2027. Het ontbreekt aan een rijbaanscheiding en vrijliggende infrastructuur. Vanuit verkeersveiligheid zijn de intensiteiten in combinatie met de maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur op de Diamantweg (wegvak 6 en 7) te hoog. Dit is echter ook het geval in de huidige- en referentiesituatie. 25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

43

Projectgerelateerd

Tabel 6 Ontwikkeling verkeersintensiteiten per thermopunt

Nr.

Locatie

1 2 3 4 5 6 7

Ivoorstraat Ivoorstraat Ivoorstraat Smaragdweg Smaragdweg Diamantweg Diamantweg

2021

2040 REF

2040 Toename vs. planvariant REF 370 444 1.888 325% Weg zit niet in verkeersmodel. Geen telgegevens beschikbaar. 630 756 1.911 153% 2.990 3.588 4.628 29% 2.910 3.492 3.608 3% 8.780 10.536 10.565 0% 8.780 10.536 10.796 2%

Figuur 19 Overzicht thermopunten (1 t/m 7). Op deze punten worden de verkeersintensiteiten gemeten. De punten vertegenwoordigen het onderliggende wegvak

De verkeersintensiteiten nemen als gevolg van de nieuwe trainingslocatie relatief gezien vooral toe op de Ivoorstraat. De streefwaarde ten aanzien van verkeersintensiteiten op de Ivoorsraat behorende bij het type weg worden echter niet overschreden. Verkeersafwikkeling kruispunten Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is gebruik gemaakt van de methode Harders. Via deze methode kan bepaald worden wat de wachttijden per richting zijn op een kruispunt, waarbij aangegeven wordt of deze wachttijd acceptabel is of niet. Deze wachttijden zijn op een rij gezet voor de huidige situatie, referentiesituatie 2040 en plansituatie in 2040 (Tabel 7). De kruispunten zijn weergegeven in Figuur 18. Het kruispunt Smaragdweg – Toermalijnstraat heeft in de huidige situatie in de avondspits al een lange wachttijd van meer dan 20 seconden. Dit is een knelpunt. Richting 2040 (met en zonder ontwikkeling van de politie trainingslocatie) is de wachttijd in de ochtend- en avondspits meer dan 20 seconden. Op de overige kruispunten worden geen knelpunten voorzien. Het kruispunt Ivoorstraat – Diamantweg kan niet worden geanalyseerd, omdat het kruispunt en een deel van de Ivoorstraat niet in het verkeersmodel zit. Een schouw tijdens de avondspits of verfijning van het verkeersmodel kan hier uitkomst in bieden.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

44

Projectgerelateerd

Tabel 7 Wachttijden per kruispunt

2021 KP

2040 REF

2040 plan

Naam

OS

AS

OS

AS

OS

AS

A

Smaragdweg – Toermalijnstraat

<15 sec

>20 sec

>20 sec

>20 sec

>20 sec

>20 sec

B

Ivoorstraat – Smaragdweg

0 sec

0 sec

0 sec

0 sec

<15 sec

0 sec

C

Smaragdweg Diamantenweg

0 sec

< 15 sec

< 15 sec

< 15 sec

< 15 sec

< 15 sec

De effecten ten aanzien van de ontwikkeling van verkeersintensiteiten en verkeersafwikkeling kruispunten zijn in meer detail uiteengezet in de notitie ‘verkeersafwikkeling trainingslocatie politie’ (bijlage A9). Parkeren In het ontwerp van de politie trainingslocatie zijn parkeerplaatsen opgenomen die voorzien in de eigen parkeerbehoefte. De bestaande parkeerplaatsen aan de Loodpolderweg zijn in eigendom van de gemeente en blijven bestaan.

6.16

Water

6.16.1 Beleid en regelgeving In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen ten aanzien het beschermen van waterbelangen. In een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor de BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling voor het beheer van watersystemen (artikel 5.37, eerste lid, Bkl). Daarbij worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van die watersystemen betrokken. In het geval van dit project betreft dat Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Waterschapsverordening Hollands Noorderkwartier Het project is gelegen in het werkgebied van het waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Binnen dit gebied geldt de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Deze verordening bevat de regels die gehanteerd worden ter bescherming van watergangen, waterkeringen en wegen. Regels omtrent nieuw verhard oppervlak Zoals beschreven in de waterschapsverordening in paragraaf 2.1.11 ‘Aanbrengen van verhard oppervlak’, is het verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 2000m² verhard oppervlak aan te brengen. Dit in verband met dat door nieuw verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer komt.

Conform artikel 2.76 ‘Compensatie verhard oppervlak’ dient de aangebrachte verharding gecompenseerd te worden middels infiltratie in de bodem, en/of het vergroten van het oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied. Bij een oppervlak van >2000m² dient middels een maatwerkberekening te worden bepaald hoeveel compensatie er moet plaatsvinden, voor de beoogde ontwikkeling is dit het geval. Regels omtrent compensatie verhardingstoename en alternatieve vormen van waterberging Om het basisniveau voor preventie van wateroverlast te behouden is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoende waterberging wordt aangelegd en de opgave niet afgewenteld wordt op de omgeving (waterneutraal bouwen).

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

45

Projectgerelateerd

Voorkeursvolgorde compensatie verhardingstoename: •

•

Behoud van infiltratie. Als het vanwege het (grond)watersysteem en/of de gebiedskenmerken gewenst en mogelijk is om het regenwater in de bodem te laten infiltreren, vindt compensatie plaats door middel van infiltratie in de bodem; Compensatie door realiseren extra oppervlaktewater. Als de initiatiefnemer extra verhard oppervlak wil aanleggen in een gebied waar het niet mogelijk of wenselijk is regenwater snel in de bodem te infiltreren, is compensatie in de vorm van aanleg van oppervlaktewater vereist. Voor de betreffende projectlocatie is een reguliere compensatieopgave vastgesteld op 10% van de toename aan verharding. Dit betekent dat voor ieder 100 m² aan te brengen verharding 10 m² nieuw oppervlaktewater moet worden gerealiseerd.

Regels omtrent compensatiegedeeltelijk dempen of versmallen van oppervlaktewater Op basis van paragraaf 2.1.22 (van de waterschapsverordening) ‘Geheel of gedeeltelijk dempen van oppervlaktewater binnen het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam’ is het niet toegestaan zonder omgevingsvergunning een watergang te dempen. Daarnaast dient te worden voldaan aan de zorgplicht. De compensatie voor de gedempte watergang moet gedaan worden voordat de demping mag worden uitgevoerd. De volgende artikelen zijn van toepassing: Artikel 2.150 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam 1. Het oppervlaktewaterlichaam blijft na het uitvoeren van de demping voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren. 2. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen. 3. Beschoeiingen of andere werken die hun functie verliezen worden weggehaald. Artikel 2.151 Compensatie 1. Het verlies aan berging in het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied bestaand water te verbreden of nieuw water te graven met tenminste dezelfde oppervlakte. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op dempingen van minder dan 35m². Beleidsplan stedelijk water 2017-2026 De Gemeente Alkmaar heeft het Beleidsplan stedelijk water 2017-2026 opgesteld.

In het beleidsplan staat het beleid van de gemeente over de inzameling en transport van afval- en hemelwater, het voorkomen van structurele grondwateroverlast. Maar ook de mogelijkheden die water biedt voor bijvoorbeeld natuur en recreatie en de rol van inwoners op het gebied van water en riolering. De gemeente streeft naar een klimaatbestendige, circulaire, slimme, ecologische en recreatieve stad. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling wordt waar mogelijk geanticipeerd op mogelijke wateroverlast. Water speelt een cruciale rol in de inrichting van de openbare ruimte. Er worden bijvoorbeeld aantrekkelijke groene voorzieningen voor bewoners ingericht voor de opvang van hemelwater, waarmee zowel de grondwaterstand wordt gereguleerd als overtollig water wordt gebufferd. Als de ruimte beperkt is, kunnen ondergrondse bergingsbassins een oplossing bieden. Op locaties die gevoelig zijn voor wateroverlast wordt de bovengrond zo ingericht dat extreme neerslag bovengronds wordt afgeleid naar plekken waar het geen schade kan veroorzaken. Hiermee wordt op een hoger niveau ingespeeld op de nieuwe zorgplichten voor hemel- en grondwater. Volgens het principe ‘Vasthouden-Bergen-Afvoeren’ moet hemelwater zoveel mogelijk worden vastgehouden. Hemelwaterverwerking is een belangrijk principe voor de inrichting van de openbare ruimte

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

46

Projectgerelateerd

rond overlastlocaties. Voorzieningen die ondergrondse infiltratie mogelijk maken, zijn vaak niet toepasbaar vanwege het hoge grondwaterpeil. Straatprofielen kunnen hol worden gemaakt om meer water vast te houden zonder de verkeersveiligheid te compromitteren. Daarnaast kan het nodig zijn om parken en plantsoenen gedeeltelijk opnieuw in te richten om meer water te bergen. Hierbij wordt rekening gehouden met de oorspronkelijke gebruiksfunctie, eventuele gezondheidsrisico's door overstortend gemengd riool en de condities voor de aanwezige beplanting. Maatwerk is nodig om tot echt integrale oplossingen te komen. Nieuwe wijken/bebouwing Bij de inrichting van nieuwbouwwijken en andere grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met extreme weersomstandigheden, zoals een bui met een herhalingstijd van eens in de 100 jaar: • • • •

Er wordt gestreefd naar een maximum van 20 cm regenwater op straat als acceptabel niveau. Regenwater kan worden opgevangen en geborgen in plantsoenen en parken. Er mag geen regenwater vanuit de openbare ruimte naar particuliere percelen afstromen. Projectontwikkelaars worden geacht zich in te spannen om zoveel mogelijk regenwater op particuliere percelen vast te houden voordat het naar de openbare ruimte stroomt. Omdat de Alkmaarse ondergrond op veel plekken niet geschikt is voor waterinfiltratie, zijn er alternatieve methoden om water vast te houden en te bergen op particulier terrein.

Deze uitgangspunten worden vertaald naar regels en principe-uitwerkingen in de technische bepalingen die aan projectontwikkelaars worden verstrekt bij de realisatie van grootschalige nieuwbouw. Op deze manier worden nieuwe wijken waterrobuust ingericht en voorbereid op mogelijke toekomstige klimaatveranderingen. Door de verwachte klimaatverandering is het waarschijnlijk dat de hoeveelheid neerslag van een bui met een herhalingstijd van eens in de 100 jaar in de toekomst zal toenemen. Momenteel wordt bij nieuwbouw rekening gehouden met een bui van 70 mm in 2050 op basis van de huidige statistieken, maar dit kan in de toekomst veranderen. Door de bodemdaling in de regio blijft ontwatering een aandachtspunt, ook na oplevering van nieuwbouw. Ontwateringsnormen worden hierbij in acht genomen.

6.16.2 Effecten Bij het vormgeven van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor het beheer van watersystemen. De ontwikkeling kan gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. Door het waterbelang vroegtijdig mee te wegen in het project, kunnen problemen worden voorkomen. In het kader van het aspect water is een watertoets uitgevoerd. Deze is te vinden in bijlage A10.

6.16.2.1 Waterkwantiteit Op basis van het concept stedenbouwkundig plan (Gemeente Alkmaar, Politie, De Twee Snoeken, Buro Lubbers; december 2024) van de trainingslocatie ‘t Lood is het te verwachten verhard oppervlak bepaald. Er is onderscheid gemaakt tussen type verharding (half-verharding en verharding). De verharding bij het oefenterrein en de parkeervakken worden beschouwd als half-verhard oppervlak. De gebouwen, privacy schermen, wegen en overkapping wordt beschouwd als verhard oppervlak. Figuur 20 weergeeft een overzicht van de verschillende type verharding. 25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

47

Projectgerelateerd

Figuur 20 Type verhardingen en water op basis van het Stedenbouwkundig Schetsontwerp (De Twee Snoeken, Buro Lubbers en Gemeente Alkmaar, december 2024)

Op basis van het schetsontwerp is een inventarisatie van de oppervlakken gemaakt. In Tabel 8 is een overzicht van de verharde oppervlakten in de bestaande en toekomstige situatie opgenomen. Tabel 8 Verharde oppervlaktes in bestaande en toekomstige situatie

Type oppervlak Verharding (dak en verhard oppervlak) Half-verharding

Bestaande situatie [m2] 3.929 -

Totaal 3.929 *Half-verharding wordt als 50% verhard meegenomen.

Toekomstige situatie [m2] 20.644 6.083 27.752

Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het verhard oppervlak met ca. 22.798 m2 toe. De bergingsopgave is in beeld gebracht op basis de compensatie die nodig is als gevolg van toename verharding. Voor de toename van verhardingen is in overleg met het Hoogheemraadschap HHNK op grond van artikel 2.67 van de Waterschapsverordening HHNK een maatwerkberekening uitgevoerd om het watercompensatie-percentage te bepalen. Hieruit blijkt dat er 13% compensatie moet plaatsvinden voor de beoogde ontwikkeling. In het onderzoek naar de weging van het water belang (bijlage A10) is dit nader toegelicht. De compensatie/bergingsopgave is op 2 manieren beschouwd: het realiseren van oppervlaktewater; en het realiseren van alternatieve berging. Vooralsnog wordt er in het ontwerp geen nieuw oppervlaktewater gegraven, de watergangen rondom het plangebied blijven daarmee onveranderd.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

48

Projectgerelateerd

Om aan de compensatie te voldoen, gaat de ontwikkelaar verkennen wat er mogelijk is in alternatieve berging. Hiervoor is uitgegaan van de eis van de gemeente (70 mm neerslag aan berging op de toenemende verharding). Hiervoor is een totale waterberging van 1596 m³ benodigd. De wadi’s die momenteel in het ontwerp zijn opgenomen kunnen circa 754 m³water bergen, dit betekent dat er op andere 842 m3 waterberging gerealiseerd moet worden. Dit kan door middel van alternatieve waterberging. In het onderzoek naar de weging water belang (Bijlage A10) voor het planvoornemen is gekeken naar wadi’s, waterberging op het dak, en waterberging onder parkeervakken en wegen. Uit het onderzoek blijkt dat door middel van alternatieve waterberging binnen het ontwerp genoeg ruimte is om te voldoen aan de waterbergingseis. Verschillende combinaties tussen de alternatieve waterbergen zijn mogelijk. In het huidig ontwerp is hier nog geen keuze in gemaakt Dit wordt in een latere fase door de ontwerpende partij nader ingevuld. Deze nadere invulling wordt middels de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit (watervergunning) juridisch geborgd.

6.16.2.2 Waterkwaliteit In het projectgebied wordt hemelwater van daken, gevels en verhardingen gescheiden ingezameld, en wordt er aangesloten op een hemelwaterberging binnen het besluitgebied. Naar verwachting is het hemelwater afkomstig van de daken en geveloppervlakken relatief schoon en kan het ingezet worden als hergebruikwater. De openbare verharding wordt aangesloten op de hemelwaterberging. Afhankelijk van de invulling van de openbare ruimte wordt ook voor deze verharding verwacht dat het hemelwater relatief schoon is. Alleen het hemelwater afkomstig van de schietbaan kan mogelijk verontreinigd zijn met antimoon en zware metalen. Met het waterschap is afgestemd dat de schietbaan aangesloten wordt op het vuilwaterstelsel of dat het naar de hemelwaterberging kan.

6.16.2.3 Waterveiligheid Het besluitgebied is gelegen binnen een beperkingengebied waterkering en bijbehorende beschermingszone A (Figuur 20). De waterkering betreft een overige kering. Overige keringen zijn geen primaire of regionale waterkeringen. Binnen het waterstaatswerk (WSW) moet een bepaalde minimale hoogte van de kering aanwezig zijn. Daarachter geldt binnen de beschermingszone A dat bijvoorbeeld ontgraving niet mag leiden tot doorbraak/instabiliteit van het WSW. Voor de beschouwde locatie is geen dijk zichtbaar, het maaiveld werkt als kering. De norm/minimale hoogte is NAP -1,35 meter. Het maaiveld (zone waterstaatswerk van de waterkering) ligt NAP -0.6/ -0.4 meter. Het maaiveld van de kering en het gehele WSW ligt voldoende hoog.

Het OBT-gebouw en de overkapping vallen gedeeltelijk binnen de beschermingszone A. In overleg met HHNK blijkt geen bezwaar te zijn voor de bouwplannen, mits: • •

Het maaiveld niet sterk verlaagd wordt; Er voldoende ruimte is voor het beheer/onderhoud van de overige waterkering (niet bouwen binnen het waterstaatswerk).

Gezien het planvoornemen geen (sterke) verlaging van het maaiveld bevat, en er voldoende ruimte is voor beheer en onderhoud van de overige kering is in overleg met HHNK de bouw volgens het schetsontwerp mogelijk.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

49

Projectgerelateerd

Figuur 21 Beperkingsgebied waterkering op en nabij het projectgebied (oranje is de zone, rood is het projectgebied)

6.16.2.4 Grondwater De gemeente Alkmaar heeft (zover bekend) geen minimale ontwateringseis. Op basis van grondwatermetingen uit Munisense ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied op circa NAP -1,4 m. De metingen zijn op circa 400 m afstand van het plangebied gemaakt en sinds eind 2023 zijn er geen nieuwe metingen. Ervan uitgaande dat de hoogte van het maaiveld gehandhaafd blijft, heeft het plangebied ter plaatse van de toekomstige gebouwen een ontwateringsdiepte van 0,55 m. Ook is verwachting dat met de bestaande watergang om het gebied de grondwaterstand niet hoog zal zijn. Het ontwerp heeft geen kelder of andere ondergrondse ruimte en zal daarmee geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstanden. Als blijkt dat tijdens de werkzaamheden grondwater moet worden onttrokken is hier een melding of vergunning vereist, afhankelijk van o.a. de duur van de onttrekking en de omgeving. De melding of vergunning wordt aangevraagd in het omgevingsloket online (OLO). Wanneer onttrokken grondwater wordt geloosd op de gemeentelijke riolering, is de gemeente Alkmaar bevoegd gezag. Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied toetst deze aanvraag namens de gemeente Alkmaar. Via het OLO komt de aanvraag ook binnen bij het HHNK, waar de onttrekking van grondwater en eventuele lozingen op het oppervlaktewater getoetst wordt.

6.17

Welstand

6.17.1 Beleid en regelgeving Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. Veel gemeenten hebben een welstandsnota waarin dit is vastgelegd. De bestaande nota krijgt na inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch de status ‘beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken’ (artikel 4.19 Ow). In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels daarmee van toepassing. In het nieuwe deel van het omgevingsplan maakt een gemeente opnieuw de afweging welke regels wenselijk zijn.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

50

Projectgerelateerd

Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit. Welstandsnota Alkmaar 2016 (incl. actualisatie 2022) De gemeente Alkmaar hanteert de Welstandsnota Alkmaar 2016. De basis voor welstand ligt in redelijke eisen aan het uiterlijk van het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. In Alkmaar is bij de interpretatie daarvan gekozen voor twee principes: ‘aansluiten op de bestaande karakteristiek’ en ‘de leefbaarheid behouden of positief beïnvloeden’. De karakteristiek van een gebied en een gebouw bestaat uit de stedenbouwkundige, architectonische en mogelijk cultuurhistorische eigenschappen. Voor het maken van een plan dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand geldt als basisuitgangspunt, dat een bouwplan niet uit de toon valt in de omgeving of aan een gebied juist zijn eigen kwaliteit toevoegt. Het aansluiten op de context staat centraal. Het behouden of positief beïnvloeden van de leefbaarheid is de grondslag voor het afwegen van plannen. Bij de meeste gebouwen is dit een logisch onderscheid tussen de voorkant en achterkant. De achterkant is in de regel privé. De voorkant is de representatieve zijde die deel uitmaakt van het openbaar gebied en daarmee invloed heeft op de leefbaarheid.

Hoe meer mensen gebruik maken van het gebied, hoe groter het openbaar belang. In de welstandsnota van de gemeente Alkmaar zijn gebiedsbeschrijvingen opgenomen voor plannen die groter zijn dan objecten. De gemeente is verdeeld in gebieden met een eigen identiteit zoals linten, woonwijken en bedrijventerreinen. Van deze gebieden is in de nota het ruimtelijk en architectonisch beeld beschreven gevolgd door een waardering en een verwachting over eventuele veranderingen. Deze bepalen de uitgangspunten voor de welstandstoets. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven, bijvoorbeeld beschermd (waardevol historisch), bijzonder (oudere woonbuurten, dorpskernen en linten, landelijkgebied, en winkelcentrum) en regulier welstandsgebied (handhaven van basiskwaliteit). Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeeld en de gewenste ontwikkelingen.

6.17.2 Effecten Welstandsgebied Groen, sport en recreatie Terrein ’t Lood, waar de beoogde ontwikkeling is voorzien, is gelegen in welstandsgebied 15: ‘Groen, sport en recreatie’. Dit gebied betreft regulier welstandsgebied. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen en cultuurhistorische bebouwing. Bij de beoordeling onder meer aandacht geschonken worden aan het behoud van de overwegend terughoudende architectuur en de landschappelijke inpassing. De nadruk ligt op het beeld vanuit de openbare ruimte. Bouwplannen aan achterkanten zonder invloed op het straatbeeld worden beperkt getoetst. Welstandsgebied Bedrijven en industrie Terrein ’t Lood is gelegen op bedrijventerrein Boekelermeer Noord. Rondom ’t Lood, ten zuiden van de N242, is welstandsgebied ‘Bedrijven en industrie’ gelegen (Figuur 21). Bedrijventerrein Boekelermeer Noord is een samenhangend gebied met representatieve bedrijfsbebouwing aan brede groene lanen. De bedrijvigheid richt zicht op handel, productie en transport, afgewisseld met kantoren. Het gebied heeft een relatief groen karakter en de architectonische uitwerking van de bedrijven varieert van eenvoudig tot verzorgd.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

51

Projectgerelateerd

Figuur 22 Welstandsgebieden zoals aangegeven in de Welstandsnota 2016 (incl. actualisatie 2022). De rode pijl wijst naar het gebied ‘Groen, sport en recreatie’. Dit betreft het besluitgebied

Boekelermeer Noord heeft een ruime en heldere stedenbouwkundige opzet. Het terrein wordt ontsloten door een centrale weg, die direct op de ring aansluit. De inrichting van de openbare ruimte is zorgvuldig, doelmatig en representatief. In de straatprofielen zijn groenstroken aangelegd, wat het gebied samenhang geeft. Desondanks is opslag in het zicht geen uitzondering. Gevels zijn representatief en hebben een eenvoudige detaillering. Het materiaalgebruik is overwegend modern en duurzaam. Kantoorpanden zijn veelal van baksteen, kozijnpuien, glas en gevelpanelen, loodsen zijn van plaatmateriaal. Kleuren zijn terughoudend en per cluster in samenhang. Bedrijventerrein Boekelermeer Noord is een regulier welstandsgebied. De waarde van het bedrijventerrein ligt vooral in de heldere, rationale opzet en functioneren. Publieksgerichte bedrijven zijn geclusterd langs de hoofdwegen. Uitgangspunt voor welstand is het beheer van de samenhang in de massa’s en het straatbeeld met behoud van de verscheidenheid per gebouw op het niveau van een zorgvuldige architectonische uitwerking in het gebruik van materiaal en kleur. De nadruk ligt op de samenhang in de massa’s en het beeld vanuit de openbare ruimte. Bouwplannen aan achterkanten zonder invloed op het straatbeeld worden beperkt getoetst.

Verandering van activiteiten in het besluitgebied Met de herontwikkeling van het terrein ’t Lood vindt er een verandering plaats ten aanzien van de activiteiten die plaatsvinden in het besluitgebied, namelijk van sporten en recreëren naar een gebied met

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

52

Projectgerelateerd

bedrijfsbebouwing. ’t Lood is qua bebouwing voornamelijk ingesloten door bedrijfsbebouwing. Daarnaast grenst een kantorenpark aan ‘Lood. De trainingslocatie sluit qua invulling vanuit stedenbouwkundige oogpunt aan op de opzet van bedrijventerrein Boekelermeer Noord. Net als het bedrijventerrein wordt het terrein rationeel en functioneel opgezet. Daarbij worden de kantoorpanden en inpandige schietbaan zorgvuldig ingepast in de omgeving (zie paragraaf 3.3), waarbij er zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met bestaand groen. De twee politiegebouwen zijn geen hal én geen kantoor. Beide gebouwen hebben kenmerken van beide gebouwtypen. Daarom zijn het hybride gebouwen. Dit zijn bijzondere gebouwtypen die een bijzondere uitstraling vereisen. De bijzondere uitstraling van het gebouw kan worden verkregen door het gebouw te voorzien van één enkele, doorlopende huid. Dienstbaarheid tonen aan de natuur, aan de natuurlijke omgeving, is wat wordt verwacht van de twee politiegebouwen. Het gaat om het vinden van gebouwen die een bepaalde neutraliteit betrachten, waardoor de natuurlijke omgeving meer gaat spreken. Voor de gewenste beeldkwaliteit moet de relatie tussen de ruimte onder de boomkruinen in relatie tot de plint én de relatie tussen de verticaliteit van de stammen en de gevelgeleiding (verder) worden onderzocht.

Het is aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

53

Projectgerelateerd

7

Mer-beoordeling

De voorgenomen ontwikkeling wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het omgevingsplan (BOPA). Een zogenaamde project-mer-beoordeling is vereist bij projecten die genoemd staan in artikel 16.43 eerste lid, onder b Omgevingswet. In een project-mer-beoordeling moet beoordeeld worden of bij een voorgenomen activiteit aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De project-mer-beoordeling maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning voor de BOPA en moet gelijktijdig in procedure worden gebracht. In bijlage V van het Omgevingsbesluit worden de projecten benoemd die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, alsmede de projecten waarvan beoordeeld moet worden of deze aanzienlijke milieueffecten hebben. Kolom 2 van bijlage V bevat in samenhang met kolom 1, de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Kolom 3 van bijlage V bevat in samenhang met kolom 1, de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

De ontwikkeling van een politie trainingslocatie wordt in bijlage V van het Omgevingsbesluit niet direct benoemd. Er is een categorie (type project) die eventueel van toepassing is (Figuur 22): • J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit: een stedelijk ontwikkelingsproject, met het inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen. Onder de Omgevingswet bestaat er nog geen jurisprudentie over de projecten die binnen categorie J11 (stedelijk ontwikkelingsproject) vallen. Onder oude wetgeving ging het vooral om projecten die leiden tot (aanzienlijke) toename van bebouwing, verhard oppervlak of een wijziging van het gebruik. Het voorgenomen project kan mogelijk aangemerkt worden als ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in Kolom 3. Kolom 2, waarbij meteen een mer-plicht geldt, kan voor een stedelijk ontwikkelingsproject nooit van toepassing zijn. Figuur 23 Bijlage V van Omgevingsbesluit

Voor de voorgenomen ontwikkeling is zekerheidshalve besloten aan te nemen dat sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in kolom J11 van bijlage V Omgevingsbesluit, waarvoor op grond van artikel 16.43 eerste lid, onder b Omgevingswet, in een project mer-beoordeling beoordeeld moet worden of sprake is van aanzienlijke milieueffecten.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

54

Projectgerelateerd

In kolom 4 is het omgevingsplan als besluit aangewezen waarvoor moet worden beoordeeld of dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als een omgevingsvergunning voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als dit besluit (artikel 11.8, derde lid, Ob). In de mer-beoordelingsnotitie in bijlage A11 is beoordeeld of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Conclusie: Het project leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. Het opstellen van een projectmilieueffectrapport is niet noodzakelijk.

25 april 2025

CLICK HERE TO ENTER A DATE.

BJ7951-RHD-RP002-F1.0

55

Projectgerelateerd

8

Participatie

8.1

De wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden

In aanloop naar de aanvraag van de omgevingsvergunning heeft participatie plaatsgevonden. Het volgende proces is doorlopen: 1. Omgevingsanalyse op basis van een workshop participatie om belangen en raakvlakken rondom de politielocatie in kaart te brengen, gehouden met medewerkers van de Gemeente Alkmaar en de politie. 2. Omgevingsstrategie op basis van: a. De Leidraad Participatie in Alkmaar (Gemeente Alkmaar, 2019). b. De omgevingsanalyse 3. In gesprek met belanghebbenden* middels: a. 1-op-1-gesprekken (fysiek en/of telefonisch) met Stichting ANIMO, Bedrijvenvereniging de Boekelermeer en Stadswerk072. b. Informatiebrief, verspreid onder omliggende bedrijven op bedrijventerrein Boekelermeer, omwonenden in Nieuw Overdie, Fietsersbond afdeling Alkmaar en woningbouwcorporaties Van Alckmaer en Woonwaard, met daarin informatie over het project, de uitnodiging voor een inloopmoment en een contactadres om contact op te nemen met vragen. c. Inloopmoment op 5 maart 2025 in buurthuis Overdie Ontmoet. *Bevoegde gezagen (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Gemeente Alkmaar, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord zijn buiten het participatietraject benaderd in het kader van afstemming t.b.v. vergunningverlening).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15544834/1